Eindelijk Mongolië!

Nieuwsbrief nummer 1002 of zoiets. Pasen 2012

Al jaren speel ik met de gedachte om een fietsreis door Mongolië te maken, maar tot nu toe hebben de dik aangeklede ruiters op hun dampende paarden, die ik op plaatjes in menig reisboek heb gezien, mij van een dergelijke onderneming weerhouden. Mongolië ligt tussen de 88e en 120e graad oosterlengte, dus een heel eind naar het oosten. Dat is natuurlijk geen bezwaar, maar wat ik wel een bezwaar vind is dat het zich tussen de 42e en 52e graad noorderbreedte uitstrekt. Het noordelijkste punt ligt dus op dezelfde breedte als Den Haag en het zuidelijkste op dezelfde breedte als Barcelona. De grote massa van het land ligt dus ruwweg zo zuidelijk als Frankrijk. Dat op zich hoeft nog niet zo afschrikwekkend te zijn daar je ‘s zomers in Frankrijk soms ook wel lekker weer hebt, maar de gemiddelde hoogte van het land is 1580 meter boven zeeniveau en aangezien de temperatuur ruwweg 0,6 graad daalt bij iedere 100 meter stijging, betekent dat, dat als Mongolië zou liggen waar nu Frankrijk ligt, de temperatuur er 0,6 x 15,8 is 9,5 graden lager zou zijn! Van een mooie zomerdag van 25 graden zou dan slechts een aardige lentedag overblijven en een koude dag van 12 graden, als de wind opeens van de Schotse eilanden blaast……… Reken maar uit!
Gelukkig blaast er in Mongolië nooit een wind van de Schotse eilanden. Er heerst een landklimaat omdat het ver van zee ligt en daardoor zijn de winters er niet te harden, maar de zomers kunnen er, ondanks die hoogte toch nog aangenaam zijn…. als de wind ten minste niet uit het noorden blaast, want daar ligt Siberië en die naam alleen doet menig zonaanbidder sidderen. Over een tocht in de winter door Mongolië heb ik natuurlijk nooit een seconde gepiekerd, maar een tocht in de zomer……. Ja, daar pieker ik dus al jaren over.
Gisteren is er echter een einde gekomen aan dat gepieker, want toen heb ik de knoop doorgehakt: deze zomer ga ik eindelijk op de fiets door Mongolië trekken! Enkele mensen hebben mij namelijk mooie verhalen verteld over het land, o.a. dat het er ‘s zomers best meevalt met de kou en de regen en dat de temperatuur er ‘s zomers in de Gobiwoestijn wel eens tot 40 graden kan oplopen. Om niet weer in een twijfelstemming te komen heb ik niet meer met pessimisten, koukleumen en mooi-weer-fietsers gepraat.
Een van de mensen die me erg positieve verhalen over het land hebben verteld is Maarten Stoffels, die er twee jaar als arts heeft gewerkt. Tijdens die periode heeft hij een tehuis opgericht voor straat- en zwerfkinderen: het Anna Home in Choibalsan, een stad die ongeveer 650 km ten oosten van de hoofdstad Ulaan Baatar ligt. In dat tehuis worden momenteel 25 zwerfkinderen goed verzorgd.

Lees verder de tekst van Maarten Stoffels.

 

Nieuwsbrief nummer 1001

Sinds kort heb ik thuis een internetaansluiting, waardoor de wereld aan mijn voeten ligt. Ik heb de boel zelf geïnstalleerd, waardoor het huis nu vol met draden ligt, zodat ik moet oppassen mijn benen daar niet over te breken. Deze nieuwe ontwikkeling stelt me in staat om mijn eigen website, die Erik Stam zo vakkundig voor mij in elkaar heeft gezet, op mijn gemak te bekijken. Zojuist heb ik dat gedaan en daarbij constateerde ik tot mijn schrik en schande dat het alweer een jaar geleden is dat ik mijn laatste nieuwsbrief schreef.

Ik heb in dit afgelopen jaar niet stilgezeten en dat is er natuurlijk de reden van dat ik niet aan het schrijven van een nieuwe nieuwsbrief ben toegekomen. Een zekere luiheid mag daar overigens bijgeteld worden, helaas. Ik schrijf het maar eerlijk. Nu moet er echter toch eens wat gebeuren en daarom zet ik mij met pen en papier aan mijn bureau om op te schrijven wat ik zoal het afgelopen jaar heb gedaan. En straks, na een hoop kladwerk moet ik het resultaat met één vinger uit gaan typen.

Na een voorjaar waarin ik wat lezingen hield en een paar artikelen schreef vertrok ik op 27 mei vanuit mijn woonplaats Doldersum voor een tocht van drie maanden, waarvan het einddoel Alicante was. Ik kwam tot 2 km voorbij Steenwijk, een reis van één uur in plaats van drie maanden. Daar concludeerde ik dat ik er geen zin meer in had. Het was zwaar bewolkt, het regende, het was koud en er stond een harde tegenwind. “Wat doe ik hier?” vroeg ik me af. Zonder die vraag te beantwoorden vervolgde ik: “Weet je wat? Ik ga gewoon terug naar huis.” en dat deed ik.

Twee dagen later deed ik de tweede poging om naar Alicante te rijden en die slaagde. Die dag reed ik naar Bennekom, waar ik bij Adriaan logeerde, een oud collega in het onderwijs. We kunnen allebei terugblikken op een geweldige carrière in die tak van zelfkastijding, hij van 29 jaar en ik van 107 dagen. Het zal duidelijk zijn dat we die avond veel herinneringen hebben opgehaald aan die kleurrijke periode van 107 dagen, waarin we beiden dongen naar de titel van beste leraar van de school, zo niet die van het hele land.

Van Bennekom reed ik door België en Frankrijk naar Vallauris, een stadje dicht bij Cannes. Daar zocht ik mijn neefje op die iets met computers doet voor een Frans bedrijf. Wat precies ging me natuurlijk een mijl boven de pet. Zijn vrouw is vertaalster en ik hoop nog altijd dat ze eens mijn boeken in het Frans gaat vertalen, omdat er in Frankrijk ongetwijfeld vijftig miljoen mensen staan te trappelen om mijn avonturen op de fiets te lezen.

Na een wandeling door de Esterel fietste ik door de Provence naar Gerard en Marie Bastide in de Languedoc. Gerard ben ik in 1993 tegengekomen op de Olympus in Griekenland, toen hij zijn fiets naar de top aan het sjouwen was. “Het is met die fiets wat zwaarder dan zonder, maar op de terugweg dender ik met een noodvaart omlaag”, vertrouwde hij mij toe, en inderdaad zag ik hem later in bijna vrije val de berg afsuizen. Hij overleefde het, anders zou ik hem niet hebben kunnen opzoeken.

Na een paar dagen rust bij Gerard en Marie fietste ik via een andere vriend in Lezignan naar de Tour de Madaloc, een oude communicatietoren die op een berg staat, die 650 meter boven het plaatsje Collioure aan de côte Vermeille uitsteekt. Op die berg heb ik in 1969 de grondslag gelegd voor mijn fietsreizen. Zie daarvoor mijn boek: ‘Aan de voet van de Tour de Madeloc’ (maar dat heeft u waarschijnlijk al 3x gelezen!?!)

Door Spanje maakte ik vervolgens een grote slinger waarna ik uiteindelijk in Alicante uit kwam. Aanvankelijk was het mijn bedoeling geweest om direct in aansluiting op deze reis een tocht door Madagaskar te gaan maken, dus ergens in Spanje het vliegtuig naar Antananarivo te nemen. Na de mensen op mijn reisbureau herhaaldelijk verveeld te hebben met steeds weer nieuwe vragen over vluchttarieven van verschillende plaatsen in Spanje en zelfs zuid Frankrijk naar Antananarivo, bleek het uiteindelijk het goedkoopst te zijn om van Alicante terug te vliegen naar Nederland en vandaar een retourticket naar Antananarivo te nemen. En dat is wat ik deed. Het leverde me twee rustdagen in Nederland op, die echter erg chaotisch bleken te zijn en me dus meer onrust dan rust brachten. Ik moest opeens veel meer dingen doen en organiseren dan ik verwacht had. Het was dan ook met grote opluchting dat ik op 2 September op Schiphol het luchtruim koos en met een nog grotere opluchting dat ik uit Antananarivo wegfietste voor een 69 dagen durende reis door Madagaskar. Over die reis, waarvan ik op 11 November terugkeerde ben ik een boek aan het schrijven en om mijzelf het gras niet voor de voeten weg te maaien en u nog wat in spanning te houden, schrijf ik over deze reis slechts één ding: Het was mooi. De rest leest u wel in het boek als het klaar is. Het zal bij uitgeverij Elmar verschijnen.

Mocht u alvast een voorproefje willen hebben, kom dan naar de Fiets- en Wandelbeurs in de Rai in Amsterdam, die op 11 en 12 Februari gehouden wordt. Daar ga ik, zowel Zaterdag als Zondag, een lezing met powerpointbeelden houden over die reis.

Behalve met een boek over Madagaskar ben ik ook bezig met een artikel over dat land. Dat zal t.z.t verschijnen in Op Pad van de ANWB.

Deze winter zit ik dus, geheel tegen mijn gewoonte, in Nederland en dat valt tegen voor iemand die in deze periode gewend is in een lekker warm land te vertoeven. Maar wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen en dat Madagaskarboek is het zwaarst. Of het ook het zwaarst zal wegen is nog maar de vraag. Ik hoop op 6 kilogram en 369,4 gram, wat precies op 4000 bladzijden uitkomt, maar ik vrees dat ik zo’n berg papier niet vol krijg. 400 gram lijkt me realistischer, wat 251 bladzijden oplevert en daar zou ik al tevreden mee zijn.

Ondertussen is Gazelle bezig voor mijn volgende reis een nieuwe fiets te fabriceren, de Gazelle Goldline 2012 of misschien wel de Goldline Gazelle 2012. Daar komen dan weer Vaude-tassen en een Brooks-zadel op en natuurlijk Schwalbe-banden onder. En waar die volgende reis heen zal gaan….? Ik zal u daarover informeren zodra mijn plannen vastere vorm hebben aangenomen.

In het begin van dit nieuwe jaar zit ik vol goede voornemens en een daarvan is: wat regelmatiger verslag van mijn reizen doen op deze website. Dat goede voornemen heb ik al eens eerder gehad en wel op 1 April 2010. Nu zal de geachte lezer zich afvragen: “Wat is beter, een goed voornemen waar niets van terecht komt of helemaal geen voornemen, waar wel wat van terecht komt? Nu ik erover nadenk heb ik een lichte voorkeur voor het laatste. Daarom neem ik mij voor om me toch maar niets voor te nemen en dat is eigenlijk best wel een goed voornemen. Maar ik ga in ieder geval proberen die nieuwsbrieffrekwentie op te voeren.

Tot slot van deze brief boordevol nieuws wil ik alle mensen, die steeds weer trouw mijn website bekijken in de hoop daar een nieuwe nieuwsbrief aan te treffen, bedanken voor hun interesse in mijn verrichtingen. En in het bijzonder wil ik hen bedanken, die een stukje in mijn gastenboek hebben geschreven, dus dank aan:

Jan, Alice, Willy, André, Nel, Albert, Jackie, Henk, Frans, Johan, Nel, Margot, Frits, Kor, Willy, Annerieke, Erik, Ilse, Koos, Bob, Martijn, Merlijn, Eric, Henk, Talisman, P.Pijnenburg, Bas, Brigit, Erik, Elisa, Fakje, André, Colin, Henk, Manon, J.Kuper, Juan, Erik, Roald, Paul, Bianca, Chantal, Diederik, Hennie, Herwig, Jaap, Joan, Remco en Henriette, E.Reijnhout, Brigit, Antonio, Lia, Ilesen, Pim en Jan.

Als ik dat zo zie, een indrukwekkende lijst! Mijn verontschuldigingen voor dit onpersoonlijke antwoord. Liever had ik elk afzonderlijk een antwoord gestuurd, maar daarvoor ontbreekt me helaas de tijd.

Tot spoedig in deze rubriek of tot ergens onderweg,

Presentatie van ‘In de ban van Stempelstan’ tijdens de Fiets- en Wandelbeurs 2011

Zaterdag 26 Februari presenteerde ik op de Fiets- en Wandelbeurs in de Rai in Amsterdam mijn nieuwe boek ‘In de ban van Stempelstan’, een reis door Centraal Azië. Dat deed ik tijdens mijn lezing met lichtbeelden over een fietstocht door Afrika. Bij een dergelijke gelegenheid is het gebruikelijk om het eerste exemplaar aan te bieden aan een bekende Nederlander. Ik wilde me bij dat gebruik aansluiten, maar het probleem was: welke bekende Nederlander? De topscorer van een reuze-belangrijk voetbalteam? Een van onze ministers? De algemeen directeur van een geweldig concern? Witteman, Pauw of een andere TieVie-star zoals de weerman of de nieuwslezer? Ongetwijfeld hebben die allemaal al een eerste exemplaar van het een of andere boek en de kans is niet denkbeeldig dat het op de stapel ongelezen papier terecht is gekomen. Na diep nadenken besloot ik het boek te geven aan iemand die erg belangrijk voor mij is en die het ook zeker zou gaan lezen: Erik Stam, bij het grote publiek nog niet erg bekend en misschien zelfs ook niet bij u, maar u kent ongetwijfeld wél zijn werk. U kijkt er op dit moment zelfs naar: mijn prachtige, boeiende website, die al menigeen lange tijd van zijn werk heeft gehouden, want als je er in begint te lezen is het moeilijk om er mee te stoppen, zo hoor ik van velen.


Ik ken Erik al vanaf 1964 toen ik met mijn ouders op vakantie was in het Zuidfranse dorpje Montauroux. Erik was daar ook met zijn ouders. We maakten er lange wandelingen door het dal van de Siagne, naar St. Cézaire en over de Plaine des Rochers. Toen het eens een dag wat minder mooi weer was heb ik hem schaken geleerd. In één middag presteerde ik het om niet alleen alle regels te behandelen, maar ook een flinke dosis openings-, middenspel- en eindspeltheorie, waarbij matdrijven met paard en loper niet ontbrak, een, zelfs voor gevorderde schakers, vrij taaie klus. Hier bleken voor het eerst mijn bijzondere gaven op het gebied van de didactiek, die mij jaren later tijdens mijn docentschap natuurkunde zo goed van pas zijn gekomen, een docentschap dat overigens maar enkele maanden duurde. Het resultaat van die vijf en een half uur durende schaakles: Erik heeft nooit meer een schaakstuk aangeraakt.
Ruim veertig jaar later nam hij revanche. Hij drong er bij mij op aan dat ik me eindelijk eens een computer zou aanschaffen. Toen ik dat had gedaan vertelde hij me in één middag alles (nu ja, toch wel bijna alles) over de computer, waarbij het rangschikken van digitale foto’s niet ontbrak, een zelfs voor gevorderde computerologen vrij gecompliceerde job. Resultaat…….Ik heb nooit meer……..
Ja, dat had u, geachte lezer, gedacht. Neen! Na vijf minuten was mijn hoofd verzadigd met klik-hier-en-klik-daar en heb ik de rest van de tijd uit het raam zitten kijken naar de vogels en alle wijsheid over me heen laten gaan, iets waarin ik altijd heb uitgeblonken. Bij de volgende computerles van Erik heb ik in een schriftje alle klikken en klakken, die ik nodig heb om een zeker doel te bereiken, opgeschreven zonder er één over te slaan. Dat schriftje leidt mij nu feilloos door het gecompliceerde computerlabyrinth en stelt mij zelfs in staat complexe bewerkingen uit te voeren als het rangschikken van digitale foto’s.

digital Frankie

Dankzij Erik en het klein computerboek, is ook mijn elfde boek digitaal uit de verf gekomen, het eerste op die manier, want alle tien voorgaande boeken heb ik de uitgever analoog aangeleverd, ofwel met de hand geschreven. (In dit verband is het aardig op te merken, dat ik van die tien boeken de originele manuscripten nog heb. Ik heb een stille hoop dat die over een paar honderd jaar plotseling zullen opduiken in het programma ‘Tussen Kunst en Kitsch’ en dat de presentator ze dan in de juiste van de twee categorieën zal plaatsen.)
Jammer genoeg ontbrak bij de presentatie van mijn boek in de Rai de tijd om Erik een wederwoord te gunnen, toen hij het boek in ontvangst nam, want ik moest me, in het uur dat mij door de organisatie ter beschikking was gesteld, ook nog door 5925 kilometer Afrika heen werken. Erik is emeritus-legerpredikant en als je een predikant het woord geeft…….. dan zou de reis door Afrika wel eens in een tijdnoodrace kunnen ontaarden.
Zondag 27 Februari hield ik nogmaals de Afrika-lezing op de beurs. Tijdens die lezing was er wéér een, bij het grote publiek niet bekende, maar voor mij en de toeschouwers wel erg belangrijke, Nederlander in de zaal aanwezig, die eigenlijk ook in aanmerking kwam het eerste exemplaar van mijn nieuwe boek overhandigd te krijgen. Gelukkig had ik het tweede exemplaar nog en toen ik het inkeek viel het mij op, dat het erg leek op het eerste, zozeer zelfs, dat ik me afvroeg of dít niet het eerste was. Ik gunde John Telleman het voordeel van de twijfel, riep hem in de zaal naar voren en bood hem dit tweede eerste exemplaar van “In de ban van Stempelstan” aan. En ook hij kreeg geen wederwoord, want weer moest er in een uur een kleine 6000 kilometer over het witte doek gefietst worden.
“Waarom was John Telleman zo belangrijk dat hij een tweede eerste exemplaar uitgereikt kreeg?” zult u zich afvragen. Welnu, voor deze lezing rangschikte ik met behulp van mijn computer en mijn schriftje een serie foto’s waar ik over wilde vertellen en het was John die daar een  powerpointpresentatie van heeft gemaakt. Zonder powerpoint kun je tegenwoordig bijna nergens meer aankloppen en zeker niet bij de Rai, die kort geleden zijn fantastische overvloei-diaprojectoren naar de kringloopwinkel heeft gebracht. Zonder John dus geen plaatjes en zonder plaatjes geen Afrika-lezing. John was het ook, die mij in contact heeft gebracht met Eduard Roelofs, de vader van Sandra Roelofs, die met Mikhail Saakashvili, de president van Georgië, is getrouwd. En het is bij deze president thuis in Tbilisi, dat zowel het eerste exemplaar als het tweede exemplaar van mijn nieuwe boek begint. Overigens beginnen ook het derde en alle volgende exemplaren daar, want om helemaal eerlijk te zijn, lijken alle exemplaren van ‘In de ban van Stempelstan’ op elkaar, zodat als u, geachte lezer, het boek in de winkel koopt of in de bibliotheek leent, u zichzelf ook kunt beschouwen als een, misschien niet zo heel bekende, maar voor mij wel erg belangrijke Nederlander.
“En wat doet een eenvoudige globetrotter, die in een tent hoort te zitten, nu bij een president thuis?”, zult u zich terecht afvragen. Om deze vraag te beantwoorden, laat ik hier het korte eerste hoofdstuk van mijn nieuwe boek volgen:

1-Een straaljager zonder vleugels
Met één hand aan het stuur en in de andere zijn mobiele telefoon, waardoor hij Georgische volzinnen naar de satelliet zendt, koerst onze voortreffelijke chauffeur met een vaart van 140 kilometer per uur, waar slechts 50 is toegestaan, door het drukke stadsverkeer van Tbilisi. SPS 145 is het kenteken van zijn bolide en aangezien SPS staat voor Special Presidential Service, of iets dergelijks, zal geen enkele agent het in zijn hoofd halen om op zijn fluitje te gaan blazen. Voor het eerst in mijn leven knoop ik vrijwillig de veiligheidsgordel om, hoewel die bij een dergelijke snelheid weinig zal uitrichten als het fout loopt.
Achterin zit Joop Verstrate, die zichtbaar geniet van deze kermisrit en naast hem hangt onderuitgezakt, geheel uitgeteld en bleek van de wagenziekte, Natia, een speciaal voor deze gelegenheid opgetrommelde fotografe. Ik hoop dat ze straks nog in staat zal zijn wat foto’s te maken van ons bezoekje aan de president.
“Het lijkt wel of je benauwd bent”, zegt Joop lachend, terwijl we de linker vangrail op een haar na raken en vervolgens schuin over de weg op die aan de rechterkant af koersen, een manoeuvre om wat hinderlijke kruipers van 80 kilometer per uur voorbij te gaan.
“Ik bang??”, vraag ik, met moeite een glimlach producerend, terwijl het zweet op mijn voorhoofd staat. “Kom nu toch!”
Tot mijn verbazing komen we enkele minuten later geheel ongedeerd aan bij het door politie en militairen bewaakte, zwaar ommuurde, huis van Mikhail Saakashvili, de president van Georgië en zijn Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs. Ik tel er een dozijn grote zwarte SPS-wagens en verder ritselt het er van de lijfwachten in zwarte pakken met onder hun onberispelijke jasjes grote schietijzers, waarmee ze iedereen overhoop schieten die een vinger naar de president of Sandra durft uit te steken. Op diverse plaatsen zijn camera’s gemonteerd, die de muur, de metalen poort en de omgeving scherp in de gaten houden, dus veel aardigheid zul je er niet aan beleven om hier over de muur te klauteren.

Joop mocht aanvankelijk niet mee naar de president, want wie was Joop? Toen ik echter gisteren de secretaresse van Sandra uitlegde, dat hij een goede vriend en fietsmaat is van Eduard Roelofs, de vader van Sandra, was ook hij welkom op de ontvangst.
Dat ík er welkom ben lijkt natuurlijk niet zo vanzelfsprekend, want als toerist loop je nu eenmaal niet even bij een president binnen, maar ik ben hier op een speciale missie. Door toeval kwam ik een paar jaar geleden in contact met Eduard Roelofs, een gepensioneerde makelaar uit Terneuzen en enthousiaste amateurwielrenner. Toen hij hoorde dat ik van plan was op de fiets naar Georgië te gaan, het tweede vaderland van zijn dochter, bood hij aan mij op het laatste traject van mijn reis te vergezellen. En zo kwam het dat Eduard vorig jaar, nadat ik van Nederland via de Balkan en Turkije naar Georgië was gefietst, mij ergens in Georgië tegemoet kwam rijden in  de SPS 145. Met die auto op onze hielen fietsten we de volgende dag Tbilisi binnen. Enkele dagen later had hij het voor elkaar dat ik de president wat over mijn fietsreizen mocht komen vertellen, vijf minuutjes slechts, want daarna moest hij spoorslags een Navo-hotemetoot van het vliegveld gaan halen. Die vijf minuutjes werden er 20 vanwege enkele gemeenschappelijke interesses, waaronder fietsen. In de hitte van het gesprek merkte ik op: ”Ik regel voor u en Sandra twee fraaie Gazelles, dan kunt u na uw tweede ambtstermijn samen van Tbilisi naar Terneuzen fietsen”.
Dat was natuurlijk een grapje, hoewel….toen ik er later over nadacht leek het me nog helemaal niet zo’n slecht idee en na mijn terugkeer in Nederland belde ik Peter Cijs erover op, de accountmanager van Gazelle: ”Ik heb Saakashvili en zijn vrouw in een enthousiaste bui twee mooie fietsen beloofd, maar die oude van mij, waarmee ik een paar maal de aarde ben rond geweest, lijken me daar niet zo geschikt voor. Hoe gaan we dat aanpakken?” Peter wist er wel raad mee en liet twee prachtige exemplaren bouwen.
En zo ben ik nu, na bijna een jaar, weer terug in Tbilisi om die twee rijwielen, die al vooruit zijn gestuurd, aan de president en Sandra te overhandigen. Dat is overigens niet de enige reden dat ik naar Tbilisi ben gevlogen. Als ik hier klaar ben ga ik mijn reis van vorig jaar vervolgen naar en door Centraal- Azië.
De poort in de muur rond het huis van de president zit nog op slot, dus Joop en ik moeten wachten. Na drie kwartier heen en weer sloffen, juist als ik me begin af te vragen of het wel zo nodig was dat onze chauffeur op het ritje van 7 km bijna door de geluidsbarrière ging, zwaait de poort open en mogen Joop en ik de daarachter gelegen tuin binnengaan. Sandra komt ons tegemoet en nodigt ons uit aan een tafeltje plaats te nemen, waar enkele glazen en een kan vruchtensap op staan. Links tegen een boompje zie ik twee in het zonlicht fonkelende goudgele fietsen staan. Dat moeten de Gazelles zijn die ik zo dadelijk ga overhandigen.
We praten wat over het weer en drinken een glas sinaasappelsap, terwijl Natia, die na onze avontuurlijke autorit toch weer wat kleur op haar gezicht terug heeft, een aantal foto’s van ons schiet.

“Mijn man komt zo”, merkt Sandra op. “Hij moet zich klaarmaken om straks voor de kanselarij het defilé af te nemen”.
Zoiets vermoedde ik al, want vandaag is het 26 mei, de Onafhankelijkheidsdag van Georgië, en dat wordt natuurlijk groots gevierd.
“Hoe laat begint dat defilé?” vraag ik.
“Om elf uur”, antwoordt Sandra.
Ik kijk op mijn horloge. Het is vijf over half elf. Dat kon dus wel eens tijdnood worden, want natuurlijk ga ik die fietsen niet afgeven zonder een aardig praatje.
Na nog eens tien minuten wachten verschijnt Mikhail Saakashvili in de deuropening. We schudden elkaar de hand en ik vraag of hij mij nog kent.
“Natuurlijk ken ik je nog”, antwoordt hij. Blijkbaar heb ik vorig jaar nogal indruk op hem gemaakt, waarschijnlijk door mijn verhaal dat ik kort daarvoor in Lagodekhi bij de grens van Azerbeidzjan door een klein rothondje in mijn achterwerk gebeten werd, terwijl ik me van voren een grote agressieve hond, bijna van het formaat van een paard, van het lijf hield, die onverwacht uit een rioolput omhoog kwam. Saakashvili had dat nogal vermakelijk gevonden: ”Ha, ha. Je hebt mijn hondjes toch geen kwáád gedaan hoop ik?”
Zijn hondjes?! Ik vertelde maar niet dat ik door heel Georgië wel tientallen keren door ‘zijn’ hondjes was aangevallen. Voor mij was dat voorval in Lagodekhi niet zo vermakelijk, want ik moest als de weerlicht naar Tbilisi om een stel hondsdolheidsprikken te halen.
“Kom, dan gaan we even op de foto”, zegt Saakashvili en hij loopt naar de fietsen. Sandra, Joop en ik volgen en Natia, die weer helemaal bijgekomen is, schiet plaat na plaat. Na anderhalve minuut is de seance voorbij en nog voor ik aan mijn praatje kan beginnen, waarin ik een paar ideeën voor een aardige route naar Nederland wil geven, zegt Saakashvili: “Goede reis verder” en springt in de ondertussen het tuinpad opgereden dienstauto. Geëscorteerd door een stuk of acht grote SPS-wagens met loeiende sirenes en zwaailichten verdwijnt zijn bolide in de richting van het centrum. Ik sta nog een beetje verbluft te kijken, terwijl Sandra in haar witte auto de andere auto’s achterna gaat.
“Kom mee”, zegt onze chauffeur ongeduldig en loopt al in de richting van zijn machine. Joop, Natia en ik volgen gehaast, maar we rijden juist te laat weg om ons in het vacuüm het escorte mee te laten zuigen. De chauffeur zal dus wel weer kunst- en vliegwerk moeten gaan uithalen om ons op tijd af te leveren bij het defilé. Joop steeds alle vertrouwen in hem en glimt van genoegen bij het vooruitzicht op nieuwe actie. Natia voelt waarschijnlijk bij voorbaat haar maag al naar haar keel omhoog kruipen en ik sjor me voor de tweede keer in mijn leven vrijwillig vast aan de zitting. Het enige dat aan deze straaljager ontbreekt, zijn de vleugels.

Benieuwd naar hoe het allemaal afloopt? Lees dan de volgende 299 bladzijden van: ‘In de ban van Stempelstan, een reis door Centraal Azië’, waarbij u ook nog 158 kleurenfoto’s te zien krijgt.
Uitgeverij Elmar. ISBN 978-90-389-2037-5

Mijn nieuwe boek

‘IN DE BAN VAN STEMPELSTAN’, een reis door Centraal Azië.

Het heeft lang geduurd, voor sommigen, mijzelf inbegrepen, te lang, maar eindelijk is het manuscript van mijn reis door Centraal Azië klaar. Alle puntjes staan op de i, de foto’s zijn voorzien van onderschriften en de kaartjes zijn getekend. Tijdens mijn reis door de Verenigde Staten, afgelopen zomer, heb ik de laatste hoofdstukken geschreven en thuis heb ik de in een schriftje gekrabbelde hiëroglyfen met één vinger uitgetypt op mijn gloednieuwe en eerste computer. Daarbij ontplooide dit wonderinstrument soms merkwaardige eigen initiatieven, die niet overeenstemden met mijn intenties, een situatie te vergelijken met een ruiter die voor het eerst van zijn leven op een paard zit en meteen de meeste woeste hengst van de rodeo uitkiest. Het behoeft dan ook geen betoog, dat ik vele virtuele buitelingen en valpartijen heb gemaakt.

Door echter bijtijds op de fiets te springen om stoom af te blazen als het toverapparaat weer eens onvoorspelbare en bijzarre kuren had, wist ik de neiging te onderdrukken om het hele zooitje het raam uit te smijten. Zoiets geeft even opluchting  maar wat heb je er verder aan? Met een handgeschreven manuscript kun je tegenwoordig niet meer aankloppen bij een uitgever, dus zelfs schrijvers moeten hun manuscript digitaal inleveren, wat eigenlijk een contradictie is, want manuscript betekent: met de hand geschreven. (Volgens mij moet een getypt manuscript ‘manutypt’ heten. Zie de volgende editie van de Dikke van Dale.)
Gisteren heb ik het manutypt ingeleverd bij de uitgever en als alles volgens zijn planning verloopt, zal het boek uitkomen op Zaterdag 26 Februari tijdens de Fiets- en Wandelbeurs in de Rai in Amsterdam. Daar houd ik zowel Zaterdag als Zondag een lezing over mijn tocht van dit jaar door Afrika (Egypte, Sudan, Kenia en Oeganda). Ik hoop dan een flink stapeltje van ‘In de ban van Stempelstan’ bij me te hebben om vaste bezoekers in staat te stellen hun verzameling reisverhalen compleet te houden.

Het boek begint met mijn bezoek in Tbilisi aan Mikail Saakashvili, de president van Georgië en diens Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs. Ik overhandigde ze elk een mooie Gazelle waarmee ze t.z.t. van Tbilisi naar Terneuzen kunnen fietsen, voor het geval er voor een president een sabatical year in zit. Door Georgië en Azerbeidzjan reed ik na de overhandigingsplechtigheid naar Bakoe, waar ik me inscheepte voor de tocht over de Kaspische Zee naar Turkmenistan. Tijdens deze oversteek, die lichtelijk uit de hand liep, kwam ik tot het besluit dat ik nooit meer over zee zal reizen naar een plek, die ik ook over land kan bereiken. Vanaf Turkmenbashi, waar de boot uiteindelijk toch nog aan kwam, vervolgde ik mijn reis door de woestijn van Turkmenistan naar Oezbekistan. In dat land bezocht ik de historische en monumentale steden Buchara en Samarkand.
Voort ging het, nu door de bergen, naar Dusjanbe, de hoofdstad van Tadjikistan. Daar haalde ik Hans Koster van het vliegtuig uit Zürich, een Zwitserse fietsvriend die ik jaren geleden in Oostenrijk en enkele jaren geleden door toeval weer in Birma ontmoet heb. Gezamenlijk reden we over hoge passen van het Pamir-gebergte en door de mooie en ruige Bartang-vallei naar Muzkol aan de Pamir-highway, een doorsteek die tot de hoogtepunten van de tocht behoorde.
Tijdens deze reis ben ik in de ban geraakt van de overweldigende natuur, de interessante cultuur en bovenal de bijzonder gastvrije en vriendelijke bevolking onderweg. Dat er nogal wat stempels geplaatst moesten worden op de nodige documenten en formulieren in deze stan-landen, die nog maar betrekkelijk kort onder het juk van het communisme uit zijn en daardoor hun bureaucratie nog niet geheel de rug toegekeerd hebben, zal geen verwondering wekken. Zulk stempelgetob behoort natuurlijk tot de charmes van zo’n tocht, maar waarschijnlijk zijn die charmes charmanter voor de lezer, dan voor de reiziger.

‘In de ban van Stempelstan’ zal verschijnen bij uitgeverij Elmar. Op 14 September ging deze uitgeverij op dramatische wijze failliet, maar onlangs is er door een aantal van de oude werknemers een doorstart gemaakt, zodat Elmar weer op de boekenrails staat. En gelukkig voor hen, en ook voor mij, kunnen ze meteen aan de slag met een nieuw boek.

Mijn tweede prioriteit

Onlangs deed ik Lima aan, een plaatsje waar je, als je een beetje doorfietst, in ongeveer vijf minuten van noord naar zuid doorheen bent en waar naar mijn schatting niet meer dan 300 mensen wonen. Het telt één benzinestation, één café en één schooltje.
Ik kan me voorstellen dat er nu een oplettende lezer is die zich afvraagt of ik geen vier nullen vergeet bij dat inwoneraantal van Peru, of die vijf minuten geen vijf uren zijn en of ik de horeca, de brandstofvoorziening en het onderwijs aldaar niet wat onderschat. Maar nee, ik vergeet geen enkele nul en die vijf minuten kun je, als je je best doet, zelfs terugbrengen tot vier. Dit Lima is dan ook niet de hoofdstad van Peru, maar een dorpje ergens in Montana in de Verenigde Staten en het wordt uitgesproken als Laaimaa, omdat Engelstaligen nu eenmaal graag de woorden uitspreken zoals het niet hoort. Al die drie openbare gebouwen van Lima heb ik aangedaan, waardoor ik er toch bijna vijf uren over deed om er door te komen: het benzinestation om er 0,1 gallon brandstof voor mijn primusje te kopen, het café om er drie en een half uur te schuilen voor een geweldige regen- hagel- en onweersbui en het schooltje om te vragen of er een mogelijkheid was om het wereldwijde web af te speuren, want het drupte nog steeds en dan is het, als er een computer in de buurt is, meeltijd. Die mogelijkheid was er en even later kon ik een paar nieuwe berichten lezen. Eén daarvan luidde: “Ha, die Frank. Alles goed? Ik wilde weten waar je zat en keek daarom op je website. Daar las ik dat je nog steeds in Aswan, in het zuiden van Egypte, zit. Dat schiet dan niet erg op!” Deze kennis wist het weer eens fijntjes te brengen, want na mijn reis door Egypte, Sudan, Kenia en Uganda is hij bij mij thuis geweest, waar ik hem vertelde over mijn plannen om deze zomer door de VS te gaan fietsen. Hij wist dus wel beter, maar zijn berichtje was een kleine steek onder water, om mij te wijzen op mijn laksheid in het bijhouden van mijn webnieuws. Ja, inderdaad, het wordt tijd dat ik daar eens wat aan doe! Bij deze dan.
Van Aswan nam ik de boot over het Nassermeer naar Wadi Halfa in Sudan, een aanrader voor iedereen die van avontuur en boten houdt: 500 man op een schuitje dat met 100 passagiers eigenlijk al overvol is, het dek zo volgestouwd met slapende Sudanezen, dat het een sport was om zonder op ledematen of vingers te trappen van bakboord naar stuurboord te komen en houten bankjes in de longue waar de fabrikant heel ingenieus een houten randje langs de rugleuning had aangebracht dat precies in je rug prikte, zodat achterover leunen een soort fakirisme (nieuw woord! onthouden!) was. Verder werd er een vracht goederen geladen van ijskasten, aggregaten en allerlei andere machines tot balen rijst en aardappelen, alles bij elkaar zo veel dat je benauwd was dat de schuit met man en muis naar de haaien zou gaan. Maar de kapitein wist blijkbaar precies hoe ver hij met het stouwen van goederen kon gaan want we bleven boven water. Na deze avontuurlijke foltering van precies 25 uur, alles verbazend genoeg precies op schema, liepen we de haven van Wadi Halfa binnen. Met mijn geploeter door Sudan in 1981 nog scherp in herinnering (Zie mijn boek: ‘Aan de voet van de Tour de Madeloc’, eerder verschenen onder de titel: ‘Vijfentwintig jaar later’.) was ik aangenaam (of onaangenaam?) verrast met 980 km gloednieuw asfalt door de woestijn tot aan Khartoum, in plaats van zand, stenen en stof.
In Kenia en Uganda bezocht ik een aantal projecten van Cycling outof Poverty, een kleinschalige Nederlandse ontwikkelingsorganisatie, die mij als ambassadeur heeft aangesteld. (Ja, ja! Nooit gedacht nog eens ambassadeur te worden!) Over een van die bezoeken en wel dat in Kisumu in Kenia, heb ik verslag uitgebracht in Op Pad, nummer 4 van 2010, maar als u geen abonnee bent wordt het zoeken op rommelmarkten. (Misschien krijgt u het nummer wel cadeau als u zich alsnog abonneert!)
Terug in Nederland werkte ik hard (voor mijn doen!) aan mijn nieuwe boek ‘In de ban van Stempelstan’, een reis door Centraal Azië, dat, als alles goed gaat, eind Februari 2011 bij uitgeverij Elmar zal verschijnen, juist voor de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam (Rai), waar ik weer present zal zijn voor het houden van lezingen.
Begin Juni vloog ik naar Phoenix in Arizona voor mijn reis door de VS, maar het manuscript van Stempelstan was nog niet klaar. Het laatste hoofdstuk ontbrak nog en het schrijven daarvan was, als mij ‘s avonds bij de tent nog wat tijd restte voordat de zon onderging, mijn eerste prioriteit.
Thuis, bij het plannen van deze reis, met een zak pepernoten naast me en onder het genot van een aantal vioolconcerten van Vivaldi, had ik natuurlijk weer eens te veel hooi op mijn vork genomen. Weliswaar maakte ik het niet zo bont als veel Europese toeristen, die met een huurauto in vijf weken de hele VS afkarren en daarbij alles zien, of althans denken alles te zien, maar als je op een fiets van Phoenix eerst naar Chiricahua National Park wilt, dat dicht bij de Mexicaanse grens ligt en dan een vriend wilt opzoeken die halverwege Idaho woont en vervolgens naar Denver moet voor je vliegtuig naar Nederland, dat alles in 88 dagen, wordt het doortrappen, vooral als je onderweg intensief wandelingen wilt maken in de vele nationale parken die het land rijk is. En dat wilde ik natuurlijk allemaal. Het resultaat van deze te optimistische planning was dat ik inderdaad Chiricahua National Park bezocht, alsmede diverse andere parken, waar ik een flink aantal forse wandelingen maakte en dat ik ook mijn vriend in Idaho bezocht, maar dat ik niet alle parken kon aandoen die ik wilde zien en dat er ‘s avonds na het koken meestal geen tijd over bleef om aan mijn eerste prioriteit oftewel het laatste hoofdstuk van mijn boek te werken. Dankzij enkele heldere momenten van inspiratie en een dag regen, waarop ik de fiets niet aanraakte en geen stap wandelde, kreeg ik dat laatste hoofdstuk toch in mijn schriftje geklad, maar mijn websiteartikel, mijn tweede prioriteit, waarvoor u allen elke dag uw computer raadpleegde en waar ik natuurlijk voortdurend met een zeker schuldgevoel aan dacht, bleef almaar liggen.
En zo brak de laatste dag van mijn reis door de VS aan en nog had ik niets op papier voor het wijde web. Ik fietste naar Denver om het vliegtuig via Houston naar Amsterdam te nemen. Mijn vlucht ging al om 10.45 in de ochtend, wat betekende dat ik, ofwel de avond tevoren op het vliegveld zou moeten aankomen en de nacht daar zou moeten doorbrengen, ofwel een hotel dicht bij het vliegveld zou moeten nemen om op tijd te komen. Nu behoren hotels dicht bij vliegvelden meestal niet tot de goedkoopste onderkomens en dus zou ik de kans lopen voor dat ene nachtje meer neer te moeten tellen dan voor een maand fietsen door de VS. Een dergelijk buitenproportioneel luxe hotel zou me stellig een slapeloze nacht bezorgen. Welnu, als het dan toch een slapeloze nacht moest worden, dan maar slapeloos op het vliegveld. Tijdens die slapeloze nacht zou het er dan eindelijk van moeten komen om iets websitewaardigs op papier te slingeren, besloot ik. En dus installeerde ik me, na aankomst op Denver International Airport op zo’n karakteristiek airportstoeltje, waarop je nooit een oog dicht kunt doen, nam mijn schriftje en begon….met naar omhoog te staren in de hoop dat de wijsheid en inspiratie van boven zouden komen, maar er kwam geen inspiratie en de enige wijsheid die wel kwam was, dat ik de boel na drie bladzijden knoeiwerk weer opborg. Daarna zocht ik een relatief rustig hoekje op, waar het wonder boven wonder niet tochtte, rolde daar mijn slaapzak uit, kroop er in en miste zo mijn slapeloze nacht.
Maar er volgde nóg een wonder: de esprit kwam, zei het aarzelend en misschien niet geheel overtuigend, in het vliegtuig van Denver naar Houston en vergezelde me verder over de oceaan naar Amsterdam. Dit bijpratertje is daarvan het resultaat. Helaas….van wat ik op deze reis in de VS heb beleefd, blijft u voorlopig nog even in het ongewisse. Ik hoop daarover t.z.t. in Op Pad en eventueel in andere bladen het een en ander te schrijven. Mis die Op Pad dus niet (weer)!!

Tot besluit wil ik de mensen bedanken, die zo spontaan en enthousiast het een en ander in mijn web-gastenboek hebben geschreven. Zo’n stukje terugkoppeling geeft me altijd weer het gevoel dat mijn verrichtingen toch niet geheel zinloos zijn. Het zijn duwtjes in de rug, die weliswaar niet direct een verhaal als resultaat hebben, maar die ik wel als erg belangrijk ervaar. Dank daarvoor dus Mark, Martijn, Philippe, Marianne, Bart, Alietonnyhorrebieter, Clara, Jan, Willy, Marino, Margrieta, Bas, Jacomijn, Nel, Hetty,  Emiel en Saskia, Kees, Riet, Reinout, Jackie, Roland en Cess en Mary.

Frank van Rijn.