Het mooi tussen de bergen gelegen Cazorla.

Bericht 3 van mijn Frankrijk-reis 2020

De eerste etappe van mijn reis, deze zomer, voerde me naar Deventer, waar ik logeerde bij Theo Janssens, die ik een paar jaar geleden ontmoette in Zuid Spanje. Vanuit de camping van Cazorla trokken we er toen een dagje opuit naar een diepe kloof waar veel grote gieren de omgeving onveilig maakten voor kadavers. Ons lieten ze ongemoeid en dat was maar goed ook, want als zo’n vogel met slechte bedoelingen op ons af zou vliegen, zouden we niet direct weten waar we een veilig heenkomen zouden kunnen vinden. Gieren zijn van dichtbij namelijk erg grote vogels. Van veraf ook, maar dan lijken ze een stuk kleiner.

Foto 1: Rotswand met gaten, waar gieren hun nesten hebben.
Foto 2: Theo tussen de rotsen.
Foto 3: Een giertje in de verte, maar pas op als hij pal voor je fladdert.

‘s Avonds gingen we uit eten in een restaurant in Cazorla. Tijdens het eten kregen we verschil van mening over de centrifugaal- en centripetaalkracht die op een steen werken, die je aan een koord ronddraait. Ik had het extra zwaar omdat Theo jaren natuurkundeleraar is geweest op een middelbare school en nog maar kort geleden met pensioen is gegaan. Ik heb in een grijs verleden heel kort voor de klas gestaan, ook als natuurkunde docent, dus mijn parate kennis was in de loop der jaren wat weggezakt. Ik wist echter nog zoveel van deze materie af dat de conversatie uiterst boeiend was. Gedurende ruim anderhalf uur hebben we na het eten vele servetjes vol gekalkt met formules waarbij uiteindelijk bleek, dat we het eigenlijk allang met elkaar eens waren, maar dat onze formuleringen verschillend waren. Dat kun je zo hebben na een dagje bij de gieren.

Foto 4: Het mooi tussen de bergen gelegen Cazorla.

Deze avond in Deventer haalden we herinneringen op aan dit uiterst gezellige avondje in Cazorla en die fraaie fietstocht langs de gierenkloof. Tonnie, Theo’s vrouw, plaatste een grote pan macaroni op tafel, die Theo die ochtend, speciaal voor mij had geprepareerd, een voortreffelijke aubergine-pasta-schotel. In een poging om het mij nog meer naar de zin te maken had hij het een beetje pittig gemaakt, maar hij had dan ook mijn boek ‘Pelgrims en pepers’, waarin ik mijn steeds terugkerende problemen met pepers heb beschreven, niet gelezen. Het gepeperde viel gelukkig mee en ondanks het ontbreken van een meningsverschil, bijvoorbeeld over de Lorentzkracht of het Corioliseffect werd het ook deze avond erg gezellig. Een avondje kan namelijk best gezellig zijn zonder het over natuurkunde te hebben!

            De volgende ochtend vergezelde Theo me een eind op de fiets, maar eerst brachten we een bezoek aan het oude, historische centrum van Deventer.

Foto 5: De Lebuïneskerk in Deventer

Een bordje aan de muur van een oud gebouw trok mijn aandacht.

Foto 6: Bordje aan de muur van een oud gebouw.

Hopelijk werd er voor de muntmeester van Batenburg een olie gebruikt met een kookpunt van beneden de 39 graden, want anders was het verkeerd met deze meester afgelopen, die toch erg zijn best had gedaan om munten zo mooi mogelijk na te maken.

Foto 7: Theo voor de Waag van Deventer.
Foto 7a: Het gemeentehuis van Deventer met 2300 vergrote vingerafdrukken in aluminium op de gevel.

Behalve veel mooie oude gebouwen was er een modern gebouw dat, in tegenstelling tot de meeste moderne gebouwen, de moeite waard was te bekijken. Dat was het gemeentehuis, waar merkwaardige raamwerken te zien waren, zowel op de buitengevels als in de hal.

            “Het lijken wel vingerafdrukken.” zei ik als grapje, want ik maak wel vaker grapjes over moderne gebouwen en moderne kunst.

            “Dat zijn het ook,” zei Theo. “Dat heb je goed gezien.” Hij vertelde me dat 2300 burgers hun vingerafdruk hadden gegeven en dat deze raamwerken daarvan de vergrote kopieën in aluminium waren. Dat was natuurlijk wel iets bijzonders. Alles was op vrijwillige basis en dus waren de vingerafdrukken hoogstwaarschijnlijk allemaal van brave burgers, want niet brave lieden plaatsen hun vingerafdrukken doorgaans op andere plekken of zelfs liever in het geheel niet.

            Na onze ronde door Deventer staken we de IJssel over. Vanaf de overkant had ik nog een laatste blik op Deventer, waarna Theo nog mee fietste tot de Woeste Hoeve. Daarna vervolgde ik alleen mijn reis in zuidelijke richting.

Foto 8: Deventer vanaf de Westelijke kant van de IJssel.

In Charleville-Mezières, iets voorbij de Belgisch-Franse grens, was juist toen ik er door kwam een militaire parade aan de gang.

Foto 9: Militaire parade op de Place Ducale in Charleville-Mezières.

Het was die dag zwaar bewolkt waardoor ik mij later, gezeten op een bankje naast het fietspad langs de Maas, somber afvroeg wat ik daar deed. ‘s Zomers, als ik op reis ben moet de zon schijnen, vind ik en dat deed hij niet. Waar bleef die zon?

Plotseling werden mijn sombere gedachten ruw verstoord door het aardige rijmpje:

            Dat kan niet waar zijn!

            Frank van Rijn!!

Ik keek op en zag op het fietspad een collega-fietser staan, die evenals ik zwaar bepakt was. Het bleek zelfs een bekende van mij te zijn: Dirk van Hulle, een Belg, die ik een aantal jaren eerder in Thailand had ontmoet, samen met zijn vrouw Bianca. (Zie mijn boek ‘De hanen van de koning’.) Een jaar later zijn ze bij mij op bezoek geweest, omdat Bianca mij een interview afnam voor ‘De Wereldfietser’. En nu stond Dirk plotseling voor me, hier in Noord Frankrijk, alsof hij zomaar uit de lucht was komen vallen. Ik had hem door mijn gepeins niet eens zien en horen komen.

Foto 10: Dirk, Bianca en ik voor een mooie rots in Thailand, dicht bij de Mekong.

            “Wat doe jij hier?” vroeg ik, overeind verend.

            “Een fietstochtje door Frankrijk,” antwoordde hij. “En jij?”

            “Ook een fietstochtje door Frankrijk, maar waar ga je heen?”

            “Een beetje langs de Maas naar het zuiden en later met een grote boog terug naar huis.”

            “En waar is Bianca?” vroeg ik.

            “Thuis. Die moet werken. Ik heb vijf weken vrij genomen om er even uit te zijn.”

Omdat we beiden in dezelfde richting reden besloten we die dag samen verder te trekken.

Foto 11: Dirk met zijn fiets.

Bij een volgend bankje stopten we voor een ‘groepsfoto’.

Foto 12: Een foto met de hele groep er op: Dirk en ik. Aan de merknaam op mijn fiets is te zien dat ik weer eens een foto schoot met behulp van de Chinese Selfiestick. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik nog steeds niet weet hoe ik een foto in spiegelbeeld (het gevolg van het gebruik van die uitschuifbare stick) terug moet spiegelen naar de realiteit.

‘s Avonds kampeerden we op een veldje aan de Maas.

Foto 13: Kamperen aan de Maas. Dirk op zijn opvouwbare stoeltje. Wat een luxe!!
Foto 14: Dirk maakte hier de volgende dag een foto van me en zette me later op facebook, wat nogal wat reacties van zijn kennissen tot gevolg had.

We fietsten twee dagen samen op, waarna we elk weer ons weegs gingen. Hoe dat verliep, leest u in de volgende aflevering, althans wat mijn reis betreft. Om Dirk te volgen zult u het grote Facebook open moeten slaan, lijkt mij.

EEN GEWELDIGE MISKLEUN.

Bericht 2 van mijn Frankrijk-reis-feuilleton.

Een paar weken geleden was ik ijverig bezig met mijn platte telefoon: het schrijven (typen) van bericht nummer twee voor mijn blog (waar u natuurlijk al tijden op zat te wachten! (?). Ik was al een eind gevorderd, toen er plotseling weer eens iets fout ging. Op het schermpje van het apparaat verscheen zomaar het gezicht van een bekende, terwijl ook zijn stem klonk. Blijkbaar belde hij mij via de whatsapp of misschien belde ik hem wel. Met die uiterst slimme telefoons van tegenwoordig weet je het maar nooit. Overal zitten knopjes en vooral het scherm is overgevoelig. Ik weet gewoon niet hoe ik het apparaat moet oppakken om niet per ongeluk met mijn pink of mouw langs het een of andere plekje te vegen, waardoor er een digitaal proces geactiveerd wordt. Voor je het weet bel je iemand aan de andere kant van de wereld uit zijn bed of stuur je aan twaalfhonderd kennissen tegelijk een uitnodiging om op theevisite te komen.

            Deze keer was het weer raak. Natuurlijk was het gezellig om die bekende te spreken en te vragen hoe het weer in Nederland was, terwijl ik in Frankrijk van een heerlijke hittegolf genoot, maar het onverwachte contact bracht me in paniek, want wat ging er nu gebeuren met mijn zo bloedig getypte verhaal? Door een verkeerde handeling is zo’n stuk tekst in een fractie van een seconde voor de eeuwigheid verloren! Dat gesprek met beeld er bij moest maar even (en snel!!) uitgesteld worden. Dus afzetten dat gesprek voordat alles verloren was! In de zenuwen wist ik het juiste knopje natuurlijk niet te vinden en zette daarom het apparaat maar geheel uit….

            En dat was natuurlijk volledig fout, want juist dáárdoor was mijn hele verhaal weg….. verdampt…. verloren… Ik had daar zo de pest over in (een lelijk woord, maar ik kan, zelfs na lang en diep nadenken, geen woord verzinnen dat beter mijn ergernis op dat moment tot uitdrukking brengt), dat ik het apparaat aan de kant smeet. Voor de rest van de reis ontbrak mij de lust om opnieuw te gaan ‘bloggen’. Ja, ja, zó weinig digitaal doorzettingsvermogen heb ik! Het is slecht met mij gesteld, maar dat is de harde realiteit! Misschien moet ik een cursus meditatie en zelfbeheersing gaan volgen om in deze snelle, flitsende, gecompliceerde, sociale medium-wereld mee te kunnen.

            Ondertussen is mijn chagrijnige bui vanwege deze miskleun wat afgezakt en heb ik de pen weer ter hand genomen om alsnog bericht nummer twee te schrijven. Een echte Schwalbepen!! Dus een medium waarmee niet zulke catastrofes kunnen plaatsvinden als met de superslimme telefoon. Straks ga ik het verhaal voorzichtig uittypen op mijn computer, waarbij ik om de paar regels op het ‘Opslaan’- hokje zal klikken om te voorkomen dat het hele verhaal weer van onder mijn vingers verdwijnt.

Zie foto 1: Een echte degelijke Schwalbe-pen, waarbij de letters die je er mee geschreven hebt, ook al druk je op het knopje er bovenop, op het papier blijven staan.

            Het is mijn bedoeling om met een frequentie van één à twee afleveringen per week mijn 68-daagse fietstocht door België en Frankrijk, waarvan ik juist ben teruggekeerd, te gaan verslaan op deze blog. Dit is dus bericht 2, zoals hier boven staat. Bericht 1 is al ruim anderhalve maand geleden verschenen. Die ging over het onthoofde standbeeld van Lodewijk XVI. De foto van dat standbeeld was overigens abominabel. Als ik er onder had gezet, dat het een astronaut uit een ander zonnestelsel was, had u het ook geloofd. Met een hoop gefiedel op mijn telefoon lukte het me zowaar om de foto drastisch op te lichten, zodat er nu duidelijk een koning zonder hoofd in is te herkennen. Toch slim, zo’n apparaat!

Zie foto 2: De ‘verlichte’ Lodewijk XVI. (Vergelijk dezelfde foto uit bericht 1)

En nu wil ik nog een correctie aanbrengen op bericht 1. Ik schreef daarin over het fietsfestival van le Caylar, dat mijn Franse fietsvriend Hubert jaarlijks in de zomer organiseert. Abusievelijk heb ik vermeld, dat de naam daarvan ‘Festival du Roc’ is. Het moet echter, zoals Hubert mij berichtte, ‘Festival du Roc Castel’ zijn. Dat ‘Roc Castel’ is waarschijnlijk Occitaans, de oude taal van de Languedoc (de taal van Oc!) voor Roche Chateau, oftewel ‘Rots-kasteel’. De naam slaat op de ruïnes van het kasteel die tussen de rotsen op de heuvel boven le Caylar staan.

Zie foto 3: Hubert op het voetpad omhoog naar de ruïnes van het kasteel boven le Caylar, het Roc Castel.

Tot zover deze tweede poging om bericht 2 te schrijven. Als u dit leest is die poging geslaagd! Als het niet op uw telefoon of in uw computer is binnengekomen, is ook die tweede poging mislukt, in welk geval u mij zou kunnen waarschuwen, want dan is er iets loos met mijn computer en moet er actie genomen worden.

Binnenkort volgt bericht nummer drie, dus wees alert!

                                                                                               Frank van Rijn.

Het onthoofde beeld van Lodewijk de Zestiende

Bericht 1.

Gisteren was ik in Nant, een plaatsje in het Franse departement Aveyron, dat niet verward moet worden met de grote stad Nantes dicht voor de monding van de Loire.

Behalve dat Nant in een prachtig gebied ligt waar de ‘causses’ (golvende droge hoogvlaktes) doorsneden worden door spectaculaire ‘gorges’ (kloven), is er nog iets anders te zien dat een omweg daarheen rechtvaardigt. In de hal van de mairie (gemeentehuis) staat namelijk het enige standbeeld in Frankrijk van Lodewijk de Zestiende dat nog over is gebleven na de revolutie van 1789. (Ik hoorde echter van iemand dat er nog ergens anders in Frankrijk een standbeeld staat van deze trieste koning die zijn leven eindigde onder de guillotine. Het is aan de ondernemende lezer van dit bericht om uit te zoeken waar dat staat.)

De geschiedenis van het standbeeld in Nant, waarvan het hoofd ontbreekt, is nogal bizar. Het werd in 1811, dus 22 jaar na de revolutie, in opdracht en op kosten van Pierre d’Icher de Villefort gemaakt. Deze fervente royalist liet het in de tuin van zijn huis in Nant plaatsen en vierde met een groep andere royalisten een flink inauguratie feest voor het beeld. 

Natuurlijk was er iemand die hier niet content mee was en via via kwam het Napoleon zelf ter oren. Zoals we weten was deze staatsman nogal egocentrisch ingesteld en fors van daden. Resultaat: de Villefort in de gevangenis en het beeld onthoofd.

Nadat Napoleon er in Rusland een puinhoop van had gemaakt, kwam de Villefort weer vrij. Die snelde terug naar Nant, haalde het hoofd van Lodewijk tussen de struiken vandaan en lijmde het weer op de rest van het beeld. Lodewijk in ere hersteld. De Villefort schonk het beeld aan Nant waar het op de Place du Claux werd geplaatst.

 Napoleon zat ondertussen niet stil, liet zich van zijn verbanningseiland naar de Franse kust roeien, werd daar opgewacht door de koninklijke garde om hem weer te arresteren, maar riep toen hij voet op het strand van Juan les Pins zette uit: “Hier is jullie keizer! Wie volgt me?” En de hele garde volgde hem. En zo trok hij overal onderweg zegevierend via Grenoble naar Parijs, waar hij meteen weer de grote chef was.

Dat was natuurlijk niet leuk voor de Villefort, die meteen opnieuw werd opgesloten, maar die door Napoleon’s grote debacle bij Waterloo weer snel vrij kwam.

Lodewijk de Achttiende liet op 21 januari 1815 het beeld weer inaugureren op de Place du Claux, die meteen werd omgedoopt in Place Louis XVI.

Een lang leven was deze koninklijke situatie niet beschoren. In 1830 was het weer tijd voor een revolutie en meteen werd het beeld van zijn sokkel gehaald en voor de tweede keer gedecapiteerd, waarna het hoofd in de rivier de Dourbie werd gegooid en nooit meer werd teruggevonden .

De Villefort was echter een doorzetter, liet de resten van het beeld naar zijn tuin brengen, plakte het daar zo goed mogelijk weer in elkaar, liet een nieuw hoofd maken en liet dat op het beeld zetten. Uit respect voor zijn leeftijd en zijn verdiensten als schrijver liet Napoleon III de Villefort en zijn beeld met rust. De Villefort stierf in 1855 in grote armoede, zoals dat een schrijver kan gebeuren. Hij was toen 88 jaar oud en tot zijn laatste ademtocht een vurige royalist.

Maar we zijn er nog niet met Lodewijk de Zestiende, want in 1989 werd het beeld dat nog steeds eenzaam in de tuin van de Villefort zaliger stond, voor de derde maal van zijn hoofd ontdaan. De dader is nog steeds spoorloos en het hoofd ook. Misschien was die dader wel een even grote royalist als de Villefort en staat er ergens in een huis in Frankrijk het stenen hoofd van Lodewijk de Zestiende op de schoorsteen of op een gouden schaal in een pronkkast. Of misschien duikt het ooit op bij een kunstveiling in New York, Tokyo of Amsterdam.

In 2001 kocht de gemeente Nant het beeld en plaatste het zonder hoofd in de hal van het gemeentehuis van Nant.

En daar zag ik het gisteren.

Zie foto 1: Het onthoofde beeld van Lodewijk de Zestiende in de hal van het gemeentehuis van Nant. Buiten is nog juist een stukje van mijn fiets te zien.

Op de terugweg naar le Caylar, waar ik bij vrienden logeerde, bezocht ik het mooie middeleeuwse stadje la Couvertoirade.

Foto 2 en 3: Het middeleeuwse stadje la Couvertoirade.
Foto 3

Mijn gastheer in Le Caylar was Hubert Martin. Hij is president, niet van de Franse Republiek, maar van het ‘Festival du Roc’. Dat ‘Roc’ heeft niets te maken met Rockmuziek, maar met de flinke rotspartij die boven le Caylar uitsteekt. 

Zie foto 4: De rotspartij boven le Caylar.

Elk jaar, behalve uiteraard dit coronajaar, organiseert Hubert dit festival, dat plaatsvindt in Le Caylar en dat van heel Frankrijk en ook van daar buiten, belangstellenden trekt, voornamelijk fiets reizigers, om hun verhalen al of niet met foto’s te vertellen, muziek te maken (maar geen rock), sketches op te voeren of gewoon om over van alles te praten wat met fietsreizen te maken heeft. Dit festival geniet al nationale bekendheid (en met dit bericht dus ook al een beetje internationale bekendheid!).

Dit jaar dus geen festival, maar bijna elke dag komen er fietsers op trektocht bij hem langs. 

Met Hubert maakte ik een tochtje naar de Cirque de Navacelles, niet zo heel ver bij hem vandaan. 

Zie foto 5: Cirque de Navacelles.
Foto 6: Hubert voor de Cirque.

Het is een opgedroogde meander in de rivier de Vis, die de canyon uitgesleten heeft.

Ik heb ondertussen le Caylar verlaten om mijn reis te vervolgen, maar daarover de volgende keer.

De “Col du Vam” bedwingen … in Drenthe

In mijn vorige bericht beloofde ik u om opnieuw op expeditie te gaan naar de Col du Vam van 4800 cm boven zeeniveau, aangezien ik na de vorige beklimming van deze hoogste berg van Drenthe geen fototoestel bij me had. Deze keer kwam ik beter beslagen ter berg.

Foto 1 : Op de Col du Vam

In mijn boek ‘De magische vijfduizendmetergrens’ waarvan ik het verschijnen reeds aankondigde beschrijf ik de etappe over de Abra Anticona in Peru, die vrijwel precies even hoog is, behalve dan dat de ‘c’ voor de ‘m’ ontbreekt.

Foto 2: Op de Abra Anticona.

Op deze foto ontbreek ik, omdat ik op het moment dat de foto geschoten werd, mijn fototoestel hanteerde. Ik was er echter wel, anders had ik die foto natuurlijk niet kunnen schieten.

Behalve die pas van 4818 meter hoogte ben ik op die reis in dat boek over dozijnen andere 4000-plussers gekomen. Ook kwam ik enkele malen, zoals de titel van het boek doet vermoeden, over de hoogte van 5000 meter.

Ik laat hier als toegift bij dit bericht nog een korte passage uit mijn boek volgen. Daar had ik het nogal koud, iets dat de lezer, die mij soms een beetje volgt, niet zo zal verbazen, aangezien ik een pure koukleum ben.

Foto 3: Ik bij een eenzaam bordje op grote hoogte.

                                    -12-Dag der Verschrikkingen (met toch ook veel plezier !?)-

Harde koude tegenwind, vanaf de eerste tot de laatste meter, zuurstofgebrek en een slechte nacht, die daaraan vooraf ging, deden mij de zesde dag van de tocht over de cordillera bestempelen als ‘De Dag der Verschrikkingen’. De weg ging meteen voorbij Laguna Verde weer klimmen. Door de inspanning ging ik zweten, waardoor de wind mij zoveel afkoelde, dat ik mijn fleece jas met windstopper moest aantrekken over wat ik al aan had: hemd plus extra hemd, T-shirt, shirt met lange mouwen en een klein trainingsjasje. Door al die lagen ging ik meer zweten, waardoor de wind mij nog meer afkoelde, zodat ik het alleen maar kouder kreeg. Daarom stopte ik en trok ik een extra trui met lange mouwen aan onder het kleine trainingsjasje en de fleece jas met windstopper. De zeven lagen die ik nu over elkaar aan had gaven me aanvankelijk een redelijke bescherming tegen de afschuwelijke wind, maar al snel zweette ik door dat gelaagde harnas nog een stuk meer dan ik tot dan toe had gedaan. Ten gevolge van de verdamping, veroorzaakt door die ellendige tegenwind kreeg ik het na een tijdje zó koud, dat ik mij genoodzaakt zag om over die hele garderobe óók nog mijn bijna hermetisch afsluitende regenpak aan te trekken. En dat zorgde er natuurlijk voor dat ik na enige tijd bijna dat hele pakket textiel uit dreef, waardoor… Kortom, ik was in de beruchte kleding-spiraal terechtgekomen, waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Als ik nog meer jassen en truien bij me had gehad, had ik die stellig ook allemaal aangetrokken en had ik me uiteindelijk door het gewicht van al die doorweekte kleding niet meer kunnen bewegen.

            Er wordt wel eens gezegd: ‘Tegen kou kun je je kleden, tegen warmte niet.’ Misschien heb ik reptielen bloed, maar bij mij geldt het omgekeerde, zoals nu weer eens bleek: Tegen de échte kou kan ik me níet kleden, tegen de warmte altijd: hemd, T-shirt met korte mouwen, katoenen onderbroek, korte broek, wollen sokken, schoenen en een petje op mijn hoofd. Daarmee kan ik de hoogste temperaturen op aarde aan, mits ik genoeg water drink. Misschien had ik deze ijzig koude ochtend zo zomers gekleed van start moeten gaan om niet te gaan zweten en daarmee niet in die spiraal terecht te komen, maar vrij zeker was ik dan meteen van de fiets getuimeld, rijp voor de EHBO. Hoe ik het ook wendde of keerde, het kouprobleem was en bleef voor mij onoplosbaar. Een lange trainingsbroek, een lange regenbroek daarover, handschoenen en een wollen muts completeerden mijn kledij, die mij opblies tot een Drie Dubbele Dik Trom. En nog was ik er niet, want de wind blies ook onbarmhartig door mijn wollen wintermuts, zodat ik weer moest stoppen om daar een plastic zak onder te doen en de capuchon van de regenjas over die muts heen te trekken. In ieder geval had ik geen problemen het hoofd, waar zich al het gecompliceerde denkwerk afspeelde, koel te houden.

            Maar niet alles was verschrikking op die Dag der Verschrikkingen. De zon scheen mooi, fel zelfs, op die hoogte van 4300 meter, de hemel was staalblauw en het landschap was fabelachtig. Bomen en bloemen ontbraken weliswaar, maar de weidsheid van het totaal verlaten land, met de besneeuwde toppen van vulkanen in het rond, compenseerde dit gemis aan vegetatie. Het was een wereld die onwezenlijk leek. En weer was ik geland op de een of andere verre planeet, voor de verandering deze keer Pluto. De verrukking veroorzaakt door deze bizarre wereld verwarmde me zodanig, dat ik nog juist niet bevroor of bevangen raakte door de kou.

            In deze toestand van verrukking, vermengd met verschrikking, fietste ik langs een bordje waarop ‘Ojos del Salado’ stond. Een pijl wees naar links, waar in de verte die vulkaan van 6891 meter stond, de op één na hoogste berg van Zuid-Amerika. Alleen de Aconcagua was nog een paar meter hoger, hoewel een recente meting deze Ojos een duimbreed meer had gegeven dan de Aconcagua. Die meting was overigens door kenners weer in twijfel getrokken en zo streden deze twee reuzen, samen met de Pissis, een eindje verder naar het zuiden, om de eer, de hoogste berg van het continent te zijn.

            Terwijl ik naar drie flinke takken zocht om een driepoot van anderhalve meter hoogte te fabriceren waar ik mijn fototoestel op kon bevestigen, kwam er van achteren een jeep aangereden. Ik gebaarde de chauffeur te stoppen, zodat hij die foto van mij kon maken, aangezien dat zoeken naar takken in deze boom- en struikloze wereld natuurlijk gedoemd was zonder succes te blijven. De jeep hield halt en er stapte een Argentijns echtpaar uit. De man vroeg me wat ik hier in godsnaam deed.

            “Fietsen,” antwoordde ik, maar dat was niet waar want op dat moment stond mijn fiets tegen dat Ojos bord. “Kunt u met mijn camera een foto van me maken met mijn fiets en dat bord erop en die Ojos berg op de achtergrond?”

            Dat kon hij en hij deed het ook. Daarna merkte de vrouw op dat de gevoelstemperatuur door de wind misschien niet zo prettig was voor een fietstochtje. Ik antwoordde, dat ik dat ondertussen al had ontdekt.

            “Met die fiets is het van hier nog een flink eind naar de bewoonde wereld,” zei de man. “Heeft u daar wel zin in?’

            “Och…. Ik…..”

            “We hebben plaats genoeg in de jeep voor die fiets en je bagage,” onderbrak hij mij.

            “En voor mij?” vroeg ik.

            “Ja, ook,” antwoordde de vrouw. “Dus rij lekker mee met ons. We hebben verwarming in de jeep.”

            Daarmee bracht ze me sterk in verleiding, want eigenlijk was er op dat moment weinig dat ik liever wilde dan in een verwarmde auto voortsnellen naar de civilisatie, afgeschermd van deze afschuwelijke wind.

            “Doe het niet,” zei een stem in mijn binnenste, “Je krijgt er spijt van als je het doet.”

            “Doe het wél,” zei een andere stem, eveneens in mijn binnenste, “Je krijgt er spijt van als je het niet doet. Het is gewoon te koud voor je.”

            “Ja……” antwoordde ik de Argentijnen, “Eigenlijk….. ehh….”

            “Vooruit kerel!” zei de man. “Het is geen enkel probleem. Wees nou niet zo bescheiden,” en hij liep voortvarend naar mijn fiets om die alvast naar de jeep te brengen.

            “Nee wacht,” zei ik. “Ik denk dat ik toch maar…..”

            “Wees nou verstandig en rij met die mensen mee,” zei stem nummer twee in mijn binnenste. “Straks lig je bij de vuile was aan de kant van de weg zonder dat er iemand in de buurt is om je te reanimeren.”

            “Pas op!” zei stem nummer één. “Als je meegaat in die jeep, moet je hier later weer naar terug om dit traject over te doen. Denk aan je boek ‘Revanche in de Andes’, waarin je hebt beschreven dat je vijf jaar later weer terugging naar Arequipa in Peru om die Alto de Toroya over te doen! Doe het nu meteen goed en zanik niet over een beetje kou.”

            Normaal neem ik de tijd om uitgebreid te twijfelen, maar nu moest ik snel beslissen, want ik kon deze mensen hier niet een half uur ophouden met ja, nee, toch maar wel, nee, toch maar niet….En daarom zei ik: “Ja…., ehh….Ja, warm is het hier inderdaad niet, maar wij Nederlanders kunnen wel tegen een stootje. En zo verschrikkelijk koud is het nu ook weer niet. Bovendien is het een leuke fietstocht. Dus heel vriendelijk bedankt voor het aanbod, maar ik fiets toch maar door.”

            En zo zag ik even later de jeep met gemengde gevoelens wegrijden.

            “Sukkel die je bent!” zei nummer twee. “Het is wél verschrikkelijk koud en een ‘leuk fietstochtje’ vind je dit beslist niet. Wij Nederlanders kunnen inderdaad tegen een kou stootje, maar jíj absoluut níét!”

            “Prima gedaan!” merkte nummer één prijzend op. “Nu zie en beleef je dit indrukwekkende landschap veel beter dan vanuit die auto. Bravo kerel! Een schouderklopje!”

            Ik vatte de fiets weer bij de hoorns en vervolgde eenzaam deze fantastische Tocht der Verschrikkingen.

Dat vele plezier volgt hier in het boek, maar ik moet natuurlijk nu niet alles gaan verklappen.

Ik wens u een goede zomer toe met (even)veel fietsplezier!

                                                                                   Frank van Rijn.

De magische vijfduizendmetergrens.

Een paar dagen geleden fietste ik over de Col du Vam van 4800 cm boven zeeniveau, de reusachtige Vamberg in Drenthe. Helaas had ik geen camera bij me om die grote gebeurtenis fotografisch vast te leggen, maar ik ga er binnenkort nog eens op expeditie naar toe en dan vergeet ik mijn fototoestel niet, zodat ik mij daar boven kan laten vereeuwigen.
Tussen het maken van zulk soort fietstochtjes, ben ik de laatste maanden na mijn terugkeer uit Afrika, eind februari, druk bezig geweest met het afwerken van een boek over een fietsreis door Zuid-Amerika. Op die tocht kwam ik over de Abra Anticona, een Andespas van vergelijkbare hoogte hoewel die c voor de m ontbrak. Te vergelijken zijn die twee passen dus wel omdat de cijfercombinatie nagenoeg gelijk is, alleen dat c-tje maakt het verschil. Het Zuid-Amerika-manuscript manuscript, waar ik, met onderbrekingen voor fietsreizen, al ruim een jaar mee bezig ben, is bijna klaar. Ik hoop het binnen een paar dagen in te leveren bij de uitgever, (Uitgeverij Elmar), die er zoals elke keer weer een fraai verzorgd boek van maakt met vele kleurenfoto’s. Volgens de planning komt het in het najaar uit, op tijd voor Sinterklaas, die het u dan kan schenken. De titel luidt, zoals de kop van dit bericht al doet vermoeden: ‘De magische vijfduizendmetergrens’, met als ondertitel: ‘Een avontuurlijke reis per fiets door Argentinie, Chili, Bolivia en Peru’.
De uitgever is al druk in de weer geweest om met een van mijn foto’s een mooie voorkaft te maken en heeft ondertussen ook een achterflap-tekst voor het boek geschreven, met nog een foto van mij er bij. De complete kaft (voor en achter) van het boek treft u boven dit bericht aan en verder voeg ik een korte passage uit het manuscript toe (Ik was daar al twee dagen onderweg van de bewoonde wereld en had er nog vijf te gaan voordat ik weer bij een winkeltje kwam):

Op de derde dag van deze cordilleradoorsteek begon het weer rond het middaguur te betrekken. Het kale, bergachtige maanlandschap, dat mij tot hiertoe, samen met het zonnige weer, een gevoel van grote vreugde had geschonken, begon nu met de donkere hemel erboven, een grimmige en sinistere sfeer op te roepen. Om half twee stak de gevreesde wind op, een koude noordooster, die ik schuin tegen had, waardoor het fietsen werd gedevalueerd tot een onplezierig en moeizaam getob. Waar de weg serieus begon te stijgen, hield ik het voor gezien. Fietsen moet leuk blijven en aan die voorwaarde werd onder deze condities niet voldaan. Ik liet mijn blik in het rond glijden tot hij een eind naar links op een kleine rotsheuvel bleef rusten, die boven de kale vlakte uitstak. Vermoedelijk zou ik daarachter redelijk uit de wind staan en daarom duwde ik mijn fiets in die richting wat nogal moeizaam ging vanwege mul gruis en zand. Het bleek inderdaad een prima plekje te zijn, maar juist had ik de tent overeind of er klonk in de verte een donderslag, waarna er een eind naar het oosten een flinke onweersbui viel. De bui duurde niet lang en waar mijn tent stond, bleef het zelfs droog, maar met dit korte onweer was de wind naar het zuiden gedraaid, zodat mijn tent nu plotseling enorm op de tocht stond. Het zeil flapperde wild heen en weer, als de vleugels van een kip, die in paniek voor een aanstormende fiets het hazenpad kiest. Toen ik de tent uit kwam om de scheerlijnen stevig aan te trekken, zag ik tot mijn verbazing dotten ijzervijlsel aan het magneetje van mijn kilometerteller hangen. Het leek me sterk dat iemand op deze afgelegen plek en nog wel een flink eind van de weg, met een vijl een stuk ijzer te lijf was gegaan. Nader onderzoek van het zand wees uit dat het vol zat met heel kleine deeltjes ijzer. Waarschijnlijk zat de aarde hier, zoals overigens op veel plekken in de Cordillera, vol met mineralen en was het ijzererts hier erg hoogwaardig. Terwijl ik, opgedreven door de harde koude wind, de haringen nog wat vaster in de grond sloeg, vroeg ik me af of op deze plek ooit geologen hadden rondgekeken. Stellig niet, want anders was hier waarschijnlijk een enorme ijzermijn geweest. Later in mijn tent overdacht ik de mogelijkheid om een grote lening te sluiten, hier een flink stuk land te kopen en daar zelf zo’n ijzermijn te beginnen. Dat soort successtories had ik wel eens gelezen in romans en gezien in films: eerst een hoop ellende en schulden en dan de doorbraak naar succes. Als zoiets mij zou lukken, lag voor mij een gouden toekomst open. Dan kon ik, na al die problemen van financieringen, bijna-faillissementen, ruzie met bankiers, eindeloze bureaucratische ellende en grote tegenwerking van kapers op de kust die mij mijn mijn wilden ontfutselen, de schaapjes op het droge krijgen. En dat zou geweldig zijn, want dan kon ik eindelijk doen wat ik graag wilde: onbezorgd met mijn fiets de wijde wereld intrekken… Maar dat deed ik nu al, dus al dat gedoe met een ijzermijn was niet nodig!! Met die mooie gedachte sliep ik tevreden in.

‘De volgende ochtend was het weer zonnig, maar wel erg koud i.v.m. de hoogte van circa 4000 meter.’

Houdt mijn website in de gaten en natuurlijk ook de boekhandel, voor wat betreft het te verschijnen boek!

                                                                                               Frank van Rijn.