Het onthoofde beeld van Lodewijk de Zestiende

Bericht 1.

Gisteren was ik in Nant, een plaatsje in het Franse departement Aveyron, dat niet verward moet worden met de grote stad Nantes dicht voor de monding van de Loire.

Behalve dat Nant in een prachtig gebied ligt waar de ‘causses’ (golvende droge hoogvlaktes) doorsneden worden door spectaculaire ‘gorges’ (kloven), is er nog iets anders te zien dat een omweg daarheen rechtvaardigt. In de hal van de mairie (gemeentehuis) staat namelijk het enige standbeeld in Frankrijk van Lodewijk de Zestiende dat nog over is gebleven na de revolutie van 1789. (Ik hoorde echter van iemand dat er nog ergens anders in Frankrijk een standbeeld staat van deze trieste koning die zijn leven eindigde onder de guillotine. Het is aan de ondernemende lezer van dit bericht om uit te zoeken waar dat staat.)

De geschiedenis van het standbeeld in Nant, waarvan het hoofd ontbreekt, is nogal bizar. Het werd in 1811, dus 22 jaar na de revolutie, in opdracht en op kosten van Pierre d’Icher de Villefort gemaakt. Deze fervente royalist liet het in de tuin van zijn huis in Nant plaatsen en vierde met een groep andere royalisten een flink inauguratie feest voor het beeld. 

Natuurlijk was er iemand die hier niet content mee was en via via kwam het Napoleon zelf ter oren. Zoals we weten was deze staatsman nogal egocentrisch ingesteld en fors van daden. Resultaat: de Villefort in de gevangenis en het beeld onthoofd.

Nadat Napoleon er in Rusland een puinhoop van had gemaakt, kwam de Villefort weer vrij. Die snelde terug naar Nant, haalde het hoofd van Lodewijk tussen de struiken vandaan en lijmde het weer op de rest van het beeld. Lodewijk in ere hersteld. De Villefort schonk het beeld aan Nant waar het op de Place du Claux werd geplaatst.

 Napoleon zat ondertussen niet stil, liet zich van zijn verbanningseiland naar de Franse kust roeien, werd daar opgewacht door de koninklijke garde om hem weer te arresteren, maar riep toen hij voet op het strand van Juan les Pins zette uit: “Hier is jullie keizer! Wie volgt me?” En de hele garde volgde hem. En zo trok hij overal onderweg zegevierend via Grenoble naar Parijs, waar hij meteen weer de grote chef was.

Dat was natuurlijk niet leuk voor de Villefort, die meteen opnieuw werd opgesloten, maar die door Napoleon’s grote debacle bij Waterloo weer snel vrij kwam.

Lodewijk de Achttiende liet op 21 januari 1815 het beeld weer inaugureren op de Place du Claux, die meteen werd omgedoopt in Place Louis XVI.

Een lang leven was deze koninklijke situatie niet beschoren. In 1830 was het weer tijd voor een revolutie en meteen werd het beeld van zijn sokkel gehaald en voor de tweede keer gedecapiteerd, waarna het hoofd in de rivier de Dourbie werd gegooid en nooit meer werd teruggevonden .

De Villefort was echter een doorzetter, liet de resten van het beeld naar zijn tuin brengen, plakte het daar zo goed mogelijk weer in elkaar, liet een nieuw hoofd maken en liet dat op het beeld zetten. Uit respect voor zijn leeftijd en zijn verdiensten als schrijver liet Napoleon III de Villefort en zijn beeld met rust. De Villefort stierf in 1855 in grote armoede, zoals dat een schrijver kan gebeuren. Hij was toen 88 jaar oud en tot zijn laatste ademtocht een vurige royalist.

Maar we zijn er nog niet met Lodewijk de Zestiende, want in 1989 werd het beeld dat nog steeds eenzaam in de tuin van de Villefort zaliger stond, voor de derde maal van zijn hoofd ontdaan. De dader is nog steeds spoorloos en het hoofd ook. Misschien was die dader wel een even grote royalist als de Villefort en staat er ergens in een huis in Frankrijk het stenen hoofd van Lodewijk de Zestiende op de schoorsteen of op een gouden schaal in een pronkkast. Of misschien duikt het ooit op bij een kunstveiling in New York, Tokyo of Amsterdam.

In 2001 kocht de gemeente Nant het beeld en plaatste het zonder hoofd in de hal van het gemeentehuis van Nant.

En daar zag ik het gisteren.

Zie foto 1: Het onthoofde beeld van Lodewijk de Zestiende in de hal van het gemeentehuis van Nant. Buiten is nog juist een stukje van mijn fiets te zien.

Op de terugweg naar le Caylar, waar ik bij vrienden logeerde, bezocht ik het mooie middeleeuwse stadje la Couvertoirade.

Foto 2 en 3: Het middeleeuwse stadje la Couvertoirade.
Foto 3

Mijn gastheer in Le Caylar was Hubert Martin. Hij is president, niet van de Franse Republiek, maar van het ‘Festival du Roc’. Dat ‘Roc’ heeft niets te maken met Rockmuziek, maar met de flinke rotspartij die boven le Caylar uitsteekt. 

Zie foto 4: De rotspartij boven le Caylar.

Elk jaar, behalve uiteraard dit coronajaar, organiseert Hubert dit festival, dat plaatsvindt in Le Caylar en dat van heel Frankrijk en ook van daar buiten, belangstellenden trekt, voornamelijk fiets reizigers, om hun verhalen al of niet met foto’s te vertellen, muziek te maken (maar geen rock), sketches op te voeren of gewoon om over van alles te praten wat met fietsreizen te maken heeft. Dit festival geniet al nationale bekendheid (en met dit bericht dus ook al een beetje internationale bekendheid!).

Dit jaar dus geen festival, maar bijna elke dag komen er fietsers op trektocht bij hem langs. 

Met Hubert maakte ik een tochtje naar de Cirque de Navacelles, niet zo heel ver bij hem vandaan. 

Zie foto 5: Cirque de Navacelles.
Foto 6: Hubert voor de Cirque.

Het is een opgedroogde meander in de rivier de Vis, die de canyon uitgesleten heeft.

Ik heb ondertussen le Caylar verlaten om mijn reis te vervolgen, maar daarover de volgende keer.

De “Col du Vam” bedwingen … in Drenthe

In mijn vorige bericht beloofde ik u om opnieuw op expeditie te gaan naar de Col du Vam van 4800 cm boven zeeniveau, aangezien ik na de vorige beklimming van deze hoogste berg van Drenthe geen fototoestel bij me had. Deze keer kwam ik beter beslagen ter berg.

Foto 1 : Op de Col du Vam

In mijn boek ‘De magische vijfduizendmetergrens’ waarvan ik het verschijnen reeds aankondigde beschrijf ik de etappe over de Abra Anticona in Peru, die vrijwel precies even hoog is, behalve dan dat de ‘c’ voor de ‘m’ ontbreekt.

Foto 2: Op de Abra Anticona.

Op deze foto ontbreek ik, omdat ik op het moment dat de foto geschoten werd, mijn fototoestel hanteerde. Ik was er echter wel, anders had ik die foto natuurlijk niet kunnen schieten.

Behalve die pas van 4818 meter hoogte ben ik op die reis in dat boek over dozijnen andere 4000-plussers gekomen. Ook kwam ik enkele malen, zoals de titel van het boek doet vermoeden, over de hoogte van 5000 meter.

Ik laat hier als toegift bij dit bericht nog een korte passage uit mijn boek volgen. Daar had ik het nogal koud, iets dat de lezer, die mij soms een beetje volgt, niet zo zal verbazen, aangezien ik een pure koukleum ben.

Foto 3: Ik bij een eenzaam bordje op grote hoogte.

                                    -12-Dag der Verschrikkingen (met toch ook veel plezier !?)-

Harde koude tegenwind, vanaf de eerste tot de laatste meter, zuurstofgebrek en een slechte nacht, die daaraan vooraf ging, deden mij de zesde dag van de tocht over de cordillera bestempelen als ‘De Dag der Verschrikkingen’. De weg ging meteen voorbij Laguna Verde weer klimmen. Door de inspanning ging ik zweten, waardoor de wind mij zoveel afkoelde, dat ik mijn fleece jas met windstopper moest aantrekken over wat ik al aan had: hemd plus extra hemd, T-shirt, shirt met lange mouwen en een klein trainingsjasje. Door al die lagen ging ik meer zweten, waardoor de wind mij nog meer afkoelde, zodat ik het alleen maar kouder kreeg. Daarom stopte ik en trok ik een extra trui met lange mouwen aan onder het kleine trainingsjasje en de fleece jas met windstopper. De zeven lagen die ik nu over elkaar aan had gaven me aanvankelijk een redelijke bescherming tegen de afschuwelijke wind, maar al snel zweette ik door dat gelaagde harnas nog een stuk meer dan ik tot dan toe had gedaan. Ten gevolge van de verdamping, veroorzaakt door die ellendige tegenwind kreeg ik het na een tijdje zó koud, dat ik mij genoodzaakt zag om over die hele garderobe óók nog mijn bijna hermetisch afsluitende regenpak aan te trekken. En dat zorgde er natuurlijk voor dat ik na enige tijd bijna dat hele pakket textiel uit dreef, waardoor… Kortom, ik was in de beruchte kleding-spiraal terechtgekomen, waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Als ik nog meer jassen en truien bij me had gehad, had ik die stellig ook allemaal aangetrokken en had ik me uiteindelijk door het gewicht van al die doorweekte kleding niet meer kunnen bewegen.

            Er wordt wel eens gezegd: ‘Tegen kou kun je je kleden, tegen warmte niet.’ Misschien heb ik reptielen bloed, maar bij mij geldt het omgekeerde, zoals nu weer eens bleek: Tegen de échte kou kan ik me níet kleden, tegen de warmte altijd: hemd, T-shirt met korte mouwen, katoenen onderbroek, korte broek, wollen sokken, schoenen en een petje op mijn hoofd. Daarmee kan ik de hoogste temperaturen op aarde aan, mits ik genoeg water drink. Misschien had ik deze ijzig koude ochtend zo zomers gekleed van start moeten gaan om niet te gaan zweten en daarmee niet in die spiraal terecht te komen, maar vrij zeker was ik dan meteen van de fiets getuimeld, rijp voor de EHBO. Hoe ik het ook wendde of keerde, het kouprobleem was en bleef voor mij onoplosbaar. Een lange trainingsbroek, een lange regenbroek daarover, handschoenen en een wollen muts completeerden mijn kledij, die mij opblies tot een Drie Dubbele Dik Trom. En nog was ik er niet, want de wind blies ook onbarmhartig door mijn wollen wintermuts, zodat ik weer moest stoppen om daar een plastic zak onder te doen en de capuchon van de regenjas over die muts heen te trekken. In ieder geval had ik geen problemen het hoofd, waar zich al het gecompliceerde denkwerk afspeelde, koel te houden.

            Maar niet alles was verschrikking op die Dag der Verschrikkingen. De zon scheen mooi, fel zelfs, op die hoogte van 4300 meter, de hemel was staalblauw en het landschap was fabelachtig. Bomen en bloemen ontbraken weliswaar, maar de weidsheid van het totaal verlaten land, met de besneeuwde toppen van vulkanen in het rond, compenseerde dit gemis aan vegetatie. Het was een wereld die onwezenlijk leek. En weer was ik geland op de een of andere verre planeet, voor de verandering deze keer Pluto. De verrukking veroorzaakt door deze bizarre wereld verwarmde me zodanig, dat ik nog juist niet bevroor of bevangen raakte door de kou.

            In deze toestand van verrukking, vermengd met verschrikking, fietste ik langs een bordje waarop ‘Ojos del Salado’ stond. Een pijl wees naar links, waar in de verte die vulkaan van 6891 meter stond, de op één na hoogste berg van Zuid-Amerika. Alleen de Aconcagua was nog een paar meter hoger, hoewel een recente meting deze Ojos een duimbreed meer had gegeven dan de Aconcagua. Die meting was overigens door kenners weer in twijfel getrokken en zo streden deze twee reuzen, samen met de Pissis, een eindje verder naar het zuiden, om de eer, de hoogste berg van het continent te zijn.

            Terwijl ik naar drie flinke takken zocht om een driepoot van anderhalve meter hoogte te fabriceren waar ik mijn fototoestel op kon bevestigen, kwam er van achteren een jeep aangereden. Ik gebaarde de chauffeur te stoppen, zodat hij die foto van mij kon maken, aangezien dat zoeken naar takken in deze boom- en struikloze wereld natuurlijk gedoemd was zonder succes te blijven. De jeep hield halt en er stapte een Argentijns echtpaar uit. De man vroeg me wat ik hier in godsnaam deed.

            “Fietsen,” antwoordde ik, maar dat was niet waar want op dat moment stond mijn fiets tegen dat Ojos bord. “Kunt u met mijn camera een foto van me maken met mijn fiets en dat bord erop en die Ojos berg op de achtergrond?”

            Dat kon hij en hij deed het ook. Daarna merkte de vrouw op dat de gevoelstemperatuur door de wind misschien niet zo prettig was voor een fietstochtje. Ik antwoordde, dat ik dat ondertussen al had ontdekt.

            “Met die fiets is het van hier nog een flink eind naar de bewoonde wereld,” zei de man. “Heeft u daar wel zin in?’

            “Och…. Ik…..”

            “We hebben plaats genoeg in de jeep voor die fiets en je bagage,” onderbrak hij mij.

            “En voor mij?” vroeg ik.

            “Ja, ook,” antwoordde de vrouw. “Dus rij lekker mee met ons. We hebben verwarming in de jeep.”

            Daarmee bracht ze me sterk in verleiding, want eigenlijk was er op dat moment weinig dat ik liever wilde dan in een verwarmde auto voortsnellen naar de civilisatie, afgeschermd van deze afschuwelijke wind.

            “Doe het niet,” zei een stem in mijn binnenste, “Je krijgt er spijt van als je het doet.”

            “Doe het wél,” zei een andere stem, eveneens in mijn binnenste, “Je krijgt er spijt van als je het niet doet. Het is gewoon te koud voor je.”

            “Ja……” antwoordde ik de Argentijnen, “Eigenlijk….. ehh….”

            “Vooruit kerel!” zei de man. “Het is geen enkel probleem. Wees nou niet zo bescheiden,” en hij liep voortvarend naar mijn fiets om die alvast naar de jeep te brengen.

            “Nee wacht,” zei ik. “Ik denk dat ik toch maar…..”

            “Wees nou verstandig en rij met die mensen mee,” zei stem nummer twee in mijn binnenste. “Straks lig je bij de vuile was aan de kant van de weg zonder dat er iemand in de buurt is om je te reanimeren.”

            “Pas op!” zei stem nummer één. “Als je meegaat in die jeep, moet je hier later weer naar terug om dit traject over te doen. Denk aan je boek ‘Revanche in de Andes’, waarin je hebt beschreven dat je vijf jaar later weer terugging naar Arequipa in Peru om die Alto de Toroya over te doen! Doe het nu meteen goed en zanik niet over een beetje kou.”

            Normaal neem ik de tijd om uitgebreid te twijfelen, maar nu moest ik snel beslissen, want ik kon deze mensen hier niet een half uur ophouden met ja, nee, toch maar wel, nee, toch maar niet….En daarom zei ik: “Ja…., ehh….Ja, warm is het hier inderdaad niet, maar wij Nederlanders kunnen wel tegen een stootje. En zo verschrikkelijk koud is het nu ook weer niet. Bovendien is het een leuke fietstocht. Dus heel vriendelijk bedankt voor het aanbod, maar ik fiets toch maar door.”

            En zo zag ik even later de jeep met gemengde gevoelens wegrijden.

            “Sukkel die je bent!” zei nummer twee. “Het is wél verschrikkelijk koud en een ‘leuk fietstochtje’ vind je dit beslist niet. Wij Nederlanders kunnen inderdaad tegen een kou stootje, maar jíj absoluut níét!”

            “Prima gedaan!” merkte nummer één prijzend op. “Nu zie en beleef je dit indrukwekkende landschap veel beter dan vanuit die auto. Bravo kerel! Een schouderklopje!”

            Ik vatte de fiets weer bij de hoorns en vervolgde eenzaam deze fantastische Tocht der Verschrikkingen.

Dat vele plezier volgt hier in het boek, maar ik moet natuurlijk nu niet alles gaan verklappen.

Ik wens u een goede zomer toe met (even)veel fietsplezier!

                                                                                   Frank van Rijn.

De magische vijfduizendmetergrens.

Een paar dagen geleden fietste ik over de Col du Vam van 4800 cm boven zeeniveau, de reusachtige Vamberg in Drenthe. Helaas had ik geen camera bij me om die grote gebeurtenis fotografisch vast te leggen, maar ik ga er binnenkort nog eens op expeditie naar toe en dan vergeet ik mijn fototoestel niet, zodat ik mij daar boven kan laten vereeuwigen.
Tussen het maken van zulk soort fietstochtjes, ben ik de laatste maanden na mijn terugkeer uit Afrika, eind februari, druk bezig geweest met het afwerken van een boek over een fietsreis door Zuid-Amerika. Op die tocht kwam ik over de Abra Anticona, een Andespas van vergelijkbare hoogte hoewel die c voor de m ontbrak. Te vergelijken zijn die twee passen dus wel omdat de cijfercombinatie nagenoeg gelijk is, alleen dat c-tje maakt het verschil. Het Zuid-Amerika-manuscript manuscript, waar ik, met onderbrekingen voor fietsreizen, al ruim een jaar mee bezig ben, is bijna klaar. Ik hoop het binnen een paar dagen in te leveren bij de uitgever, (Uitgeverij Elmar), die er zoals elke keer weer een fraai verzorgd boek van maakt met vele kleurenfoto’s. Volgens de planning komt het in het najaar uit, op tijd voor Sinterklaas, die het u dan kan schenken. De titel luidt, zoals de kop van dit bericht al doet vermoeden: ‘De magische vijfduizendmetergrens’, met als ondertitel: ‘Een avontuurlijke reis per fiets door Argentinie, Chili, Bolivia en Peru’.
De uitgever is al druk in de weer geweest om met een van mijn foto’s een mooie voorkaft te maken en heeft ondertussen ook een achterflap-tekst voor het boek geschreven, met nog een foto van mij er bij. De complete kaft (voor en achter) van het boek treft u boven dit bericht aan en verder voeg ik een korte passage uit het manuscript toe (Ik was daar al twee dagen onderweg van de bewoonde wereld en had er nog vijf te gaan voordat ik weer bij een winkeltje kwam):

Op de derde dag van deze cordilleradoorsteek begon het weer rond het middaguur te betrekken. Het kale, bergachtige maanlandschap, dat mij tot hiertoe, samen met het zonnige weer, een gevoel van grote vreugde had geschonken, begon nu met de donkere hemel erboven, een grimmige en sinistere sfeer op te roepen. Om half twee stak de gevreesde wind op, een koude noordooster, die ik schuin tegen had, waardoor het fietsen werd gedevalueerd tot een onplezierig en moeizaam getob. Waar de weg serieus begon te stijgen, hield ik het voor gezien. Fietsen moet leuk blijven en aan die voorwaarde werd onder deze condities niet voldaan. Ik liet mijn blik in het rond glijden tot hij een eind naar links op een kleine rotsheuvel bleef rusten, die boven de kale vlakte uitstak. Vermoedelijk zou ik daarachter redelijk uit de wind staan en daarom duwde ik mijn fiets in die richting wat nogal moeizaam ging vanwege mul gruis en zand. Het bleek inderdaad een prima plekje te zijn, maar juist had ik de tent overeind of er klonk in de verte een donderslag, waarna er een eind naar het oosten een flinke onweersbui viel. De bui duurde niet lang en waar mijn tent stond, bleef het zelfs droog, maar met dit korte onweer was de wind naar het zuiden gedraaid, zodat mijn tent nu plotseling enorm op de tocht stond. Het zeil flapperde wild heen en weer, als de vleugels van een kip, die in paniek voor een aanstormende fiets het hazenpad kiest. Toen ik de tent uit kwam om de scheerlijnen stevig aan te trekken, zag ik tot mijn verbazing dotten ijzervijlsel aan het magneetje van mijn kilometerteller hangen. Het leek me sterk dat iemand op deze afgelegen plek en nog wel een flink eind van de weg, met een vijl een stuk ijzer te lijf was gegaan. Nader onderzoek van het zand wees uit dat het vol zat met heel kleine deeltjes ijzer. Waarschijnlijk zat de aarde hier, zoals overigens op veel plekken in de Cordillera, vol met mineralen en was het ijzererts hier erg hoogwaardig. Terwijl ik, opgedreven door de harde koude wind, de haringen nog wat vaster in de grond sloeg, vroeg ik me af of op deze plek ooit geologen hadden rondgekeken. Stellig niet, want anders was hier waarschijnlijk een enorme ijzermijn geweest. Later in mijn tent overdacht ik de mogelijkheid om een grote lening te sluiten, hier een flink stuk land te kopen en daar zelf zo’n ijzermijn te beginnen. Dat soort successtories had ik wel eens gelezen in romans en gezien in films: eerst een hoop ellende en schulden en dan de doorbraak naar succes. Als zoiets mij zou lukken, lag voor mij een gouden toekomst open. Dan kon ik, na al die problemen van financieringen, bijna-faillissementen, ruzie met bankiers, eindeloze bureaucratische ellende en grote tegenwerking van kapers op de kust die mij mijn mijn wilden ontfutselen, de schaapjes op het droge krijgen. En dat zou geweldig zijn, want dan kon ik eindelijk doen wat ik graag wilde: onbezorgd met mijn fiets de wijde wereld intrekken… Maar dat deed ik nu al, dus al dat gedoe met een ijzermijn was niet nodig!! Met die mooie gedachte sliep ik tevreden in.

‘De volgende ochtend was het weer zonnig, maar wel erg koud i.v.m. de hoogte van circa 4000 meter.’

Houdt mijn website in de gaten en natuurlijk ook de boekhandel, voor wat betreft het te verschijnen boek!

                                                                                               Frank van Rijn.

Wereldfietser Frank van Rijn. Hij is even veilig thuis

Fietsen heeft hij niet uitgevonden. Het wereldfietsen wel. Frank van Rijn (71) is even veilig thuis in Doldersum, Drenthe. Hij vertelt over de bewuste keus voor het alleen zijn; drie maanden lang twee keer per dag hetzelfde eten in Thailand en fietsen over Mars.
Ook in deze Spaak: Thalia Verkade, journaliste bij de Correspondent. Bijna een jaar sloot ze zichzelf op, op haar zolderkamer, om te werken aan een boek over mobiliteit. Toen ze enthousiast naar beneden kwam omdat het boek klaar was, zat heel Nederland opgesloten.

U kunt mijn podcast beluisteren door op de knop te klikken

Frank van Rijn

‘Een zebrapad voor zebra’s.’

Bericht 11

Terug naar Dakar en Nederland.

‘Een zebrapad voor zebra’s.’

Na mijn lastige doorsteek van Labé in Guinee naar Senegal (waar ik in mijn vorige bericht over schreef), vond ik iets buiten Mako, op de grote weg (N7) van Kedougou naar Tambacounda een plezierig campement. Ik ontmoette er een Engelse collega-fietsreiziger, wat natuurlijk gezellig was, aangezien ik het aantal fietsreizigers dat ik op deze reis had ontmoet op de vingers van één hand kon tellen en dan nog ruim een vinger overhield. Hij ervoer dat ook zo, want, zo vertelde hij mij, hij kwam bij het tellen van de collega-fietsers niet verder dan drie, mij meegerekend. Uit deze getallen was op te maken, dat West Afrika niet erg gefrequenteerd werd (en wordt) door fietsers. Hij was al uren bezig met het prutsen aan zijn benzinebrander, die het naar zijn idee niet goed deed. Ik deed hem een idee aan de hand hoe hij de vlam wat kon versterken.

“Dat kon wel eens werken,” zei hij en dus haalde hij voor de zoveelste maal zijn brander uit elkaar. Ik ging ondertussen op een stoeltje aan de Gambia-rivier zitten, die pal langs het campement stroomde, om mijn dagboek te schrijven. Toen ik daarmee klaar was kwam de Engelsman naar me toe met de verheugende mededeling dat zijn brander weliswaar nog niet perfect, maar toch wel een heel stuk beter werkte dan toen hij aan het sleutelen begon. ‘s Avonds bestelden we beiden bij het restaurantje in het campement patat met omelet. Toen we die eenvoudige en voedzame, maar niet erg typisch Senegalese maaltijd aan het consumeren waren, schoof er een Nederlands stel, dat met een jeep op weg was van Nederland naar Sierra Leone, bij ons aan. Ze vertelden dat ze in Sierra Leone in een ziekenhuis gingen werken en dat ze de jeep aan dat ziekenhuis gingen schenken. Het werd een geanimeerd gesprek, waarbij de conversatie, om de Engelsman niet buitenboord te laten vallen, geheel in het Engels verliep. De Engelsman kwam met de voor mij verbazende opmerking dat hij hier zijn dagboek niet kon schrijven, omdat er geen wifi-verbinding was.

“Maar een Bic doet het toch zonder wifi?” vroeg ik verbaasd en voegde daar met lichte ironie aan toe: “Je hebt dan natuurlijk wel nog een schriftje nodig, maar als je dat niet hebt, kun je van mij wel een paar velletjes krijgen.”

Hierop kreeg ik een hele verhandeling te horen over hoe hij de tekst via zijn telefoon in het een of andere geheugen (de ‘cloud’ of misschien nog wel veel verder weg) invoerde en dat dat veel mooier was dan met een Bic in een schriftje. Dan konden de foto’s er meteen ook bij. Mijn opmerking dat de Romeinen een imperium hadden gebouwd dat zich uitstrekte van het Midden Oosten tot halverwege Engeland en van de Rijn tot een eind in Afrika en dat alles zonder internet (!), leek bij hem geen hout te snijden.

Tijdens dit gesprek, stak hij een sigaret op en merkte daarbij op, dat hij er een stuk of twintig per dag rookte. Er gingen nog een paar sigaretten in de brand en toen die geheel in as en rook waren omgezet, merkte ik bij wijze van scherts op: “Steek nu nog eens een sigaret op, rook die tot halverwege, druk hem dan symbolisch uit in de asbak en beloof je daarbij plechtig: “Dit was mijn laatste sigaret.” En gooi vervolgens het pakje in de vuilnisbak.”

Een erg enthousiaste indruk maakte hij niet over deze wijze raad en wat later liep hij van tafel weg om iets aan zijn fiets te gaan sleutelen. De Nederlanders en ik vervolgden onze conversatie nu in het Nederlands, maar een kwartier later werden we geïnterrumpeerd door de Engelsman, die opeens enorm emotioneel tegen me begon uit te varen: “Niks van wat ik doe is goed in jouw focking ogen! Ik schrijf mijn focking dagboek met behulp van internet en dat is fout, maar voor mij werkt het! Ik rook en dat is fout, maar voor mij werkt het! Schrijf je focking dagboek in je focking schriftje met die focking pen van je en bemoei je niet meer met mijn zaken.”

Dat woord focking had hij die middag al ongeveer driehonderd maal gebruikt voor alle zichtbare en onzichtbare dingen in dit universum en nu bleek mijn schrijfgerei opeens ook onder die omschrijving te vallen. Ik antwoordde dat ik vroeger op school nogal wat jaartjes Engelse les had gehad, maar dat ik nooit het woord ‘focking‘ in een lesboek had zien staan en het ook nooit had horen noemen door de leraar. “Wat betekent het eigenlijk?” vroeg ik, maar een echt duidelijk antwoord kwam daar niet op.

“Woordarmoede soms?” probeerde ik nog, maar de conversatie was voorbij en de Engelsman beende driftig weg, de Nederlanders en mij in een zekere verwarring achterlatend. Later realiseerde ik me dat de man door die opmerking van mij over zijn laatste sigaret in feite niet kwaad was op mij, maar meer op zichzelf, omdat hij mij diep in zijn hart gelijk gaf, maar het niet op kon brengen die laatste sigaret uit te drukken.

Och…. Eigenlijk was (en is) het met mij ongeveer hetzelfde, maar dan wat betreft cola. Ik zie nog altijd uit naar de dag waarop ik een blikje half leeg drink en de rest symbolisch aan Moeder Aarde offer met het vaste voornemen, nooit meer zo’n blikje open te trekken. Maar of ik zo over mijn toeren zou raken van iemand, die mij fijntjes op die zwakheid van mij zou attenderen, dat ik lelijke woorden zou gaan spuien, betwijfel ik. Nee, die zou ik toch zoveel mogelijk trachten te onderdrukken.

Foto 1: Ik voor mijn hut in het campement van Mako.

Enkele kilometers voorbij Mako reed ik het Parc National du Niokolo Koba binnen. Een bord langs de weg waarschuwde voor wilde dieren, zoals panters, leeuwen en flinke apen. Die waarschuwing was meer bedoeld om wilde automobilisten tot bedaren te brengen, dan om bedaarde fietsers wild van angst te maken. Ik werd niet tegen gehouden door een slagboom, een hek of een parkwachter en borden met ‘Verboden voor fietsers en wandelaars’ waren nergens te zien. En dus peddelde ik rustig de ongeveer 100 km door het park naar Dienoun Diala, waar zich de uitgang bevond. Daar stond wél een parkwachter en de verbazing op diens gezicht toen hij mij op de fiets uit het park zag komen, deed mij vermoeden dat als ik van deze kant het park had willen binnenrijden, ik overtuigend had moeten praten om er door te komen. Misschien hangt de bloeddorstigheid van leeuwen af van de richting waarin je ze benadert. Overigens waren de enige wilde dieren die ik op dat traject van 100 km zag, een stel vogels. Om het echte ‘wilde werk’ te zien, moest je waarschijnlijk ver het asfalt af.

Ergens midden in het park bevond zich een curiositeit, althans zo ervoer ik het: een zebrapad over de weg, dus een oversteekplaats voor zebra’s en ander wild. Zebra’s zag ik er niet en leeuwen ook niet, maar toch stopte ik, want van bijzondere zebrapad, een rood-witte nog wel, moest ik toch even op de gevoelige chip vastleggen.

Foto 2: Waarschuwingsbord langs de weg.
Foto 3: Het bord van dichtbij: Pas op voor wilde dieren.
Foto 4: Een zebrapad midden in de wildernis. Geen zebra te zien.
Foto 5: Kamperen in de wildernis.

Via Velingara, waar ik een ruim twee maanden geleden op de heenweg naar Guinee ook was doorgekomen, reed ik naar het oosten van Gambia. Bij Janjangbureh stak ik met een pontje de Gambia-rivier over, waarna ik een kilometer of 25 verder bij de beroemde Cercles Mégalitiques de Senegambie kwam, een Unesco Werelderfgoed monument, dat hier ‘Stone circles’ werd genoemd. Het was nog even zoeken hoe ik er precies moest komen, want in het dorpje Wassu, waar het vlakbij was, zag ik eerst geen wegwijzer die er naar verwees. Na wat heen en weer rijden en vragen aan de plaatselijke bevolking vond ik waarachtig toch een richtingbord met ‘Welcome to Stone-…….’ De rest van de aanduiding was verborgen achter een stapel oude autobanden die bij een vulkanisatie-bedrijf lag. Het werd aan de scherpzinnigheid van de potentiële bezoeker over gelaten om het ontbrekende woord in te vullen.

Foto 6: Wegwijzer naar het werelderfgoed-monument ‘Stone circles’.

Ik sloeg af op het zandige paadje in de richting waarin het bord wees en kwam na een paar honderd meter bij een niet al te hoge stenen muur. Daarachter zag ik vele stenen pilaren die in cirkels stonden opgesteld. Bij een hek in de muur stond: ‘Dagelijks geopend van 8:00 tot 17:00. Indien u dit hek gedurende de openingstijden toch gesloten aantreft, bel dan nummer …………’

En dus parkeerde ik mijn fiets, klom over de muur en ging de intrigerende pilaren bekijken. Terwijl ik daar mee bezig was, kwam de bewaker op zijn bromfiets aangereden en opende het hek. Ik liep naar hem toe om het toegangskaartje te kopen.

“Heeft u het bordje bij dit hek niet gelezen?” vroeg hij.

“Jazeker wel,” antwoordde ik.

“En waarom heeft u me dan niet gebeld?”

“Om te bellen heb je een telefoon nodig.”

“En die heeft u niet?”

“Nee. Er zijn nog steeds mensen op deze aardbol en zelfs in Afrika, die geen telefoon op zak hebben. Ik ben er zo een en aangezien op het bord staat dat het monument nu open is, ben ik over het muurtje geklommen.”

De man moest toegeven, dat er een zekere logica in deze redenering zat. Ik kocht alsnog het toegangskaartje en liep terug naar de pilaren, die in cirkels bestaande uit 8 à 16 stenen pilaren bestonden. In totaal waren er zo’n 6 à 7 van die cirkels, sommige met pilaren van 2,5 meter hoog en anderen waarvan de pilaren dikker maar korter waren. In het museumpje dat er bij stond, las ik dat de bouw van deze cirkels met behulp van de C-14 methode gedateerd was tussen 600 en 1000 AD. Waarschijnlijk hadden ze religieuze en spirituele betekenis, maar aangezien archeologen onder de pilaren menselijke botten hadden gevonden, vermoedde men dat het ook begraafplaatsen waren geweest.

Foto 7:  Een ‘Stone-circle’ bestaande uit 16 pilaren.

Volgens mijn reisgids kun je, als je een steen op zo’n pilaar legt, een wens doen. Zo te zien zijn er heel wat wensen gedaan bij deze pilaren. Of die allemaal zijn uitgekomen, vroeg ik me af. Zonder een steen op zo’n pilaar te leggen kun je overigens ook een wens doen, leek mij.

Vanaf het campement van Kuntaur, waar ik logeerde, maakte ik samen met twee Fransen en onder leiding van een gids een boottochtje over de Gambia-rivier.

Foto 9: Bootje op de Gambia-rivier. Ik had eigenlijk zo’n foto willen maken van het bootje met mezelf er in, maar omdat ik er zelf in zat ging dat niet. Daarom maar een foto van een soortgelijk bootje met andere toeristen er in.

De attractie van het tochtje was om de met uitbundig groen bedekte eilandjes in de rivier te zien, maar vooral om nijlpaarden te bekijken. Groene wouden zagen we in overvloed, maar met de nijlpaarden viel het wat tegen.
Foto 10: Dit was het meest spectaculaire plaatje, wat betreft de nijlpaarden. Als we goed keken, konden we het puntje van de neus van zo’n reusachtig beest zien, maar dan moesten we wel heel erg goed kijken. Zie u dat puntje ook?
Foto 11: Meer succes hadden we toen we langs het Chimpansee-eiland voeren, maar ik denk dat je voor een goede foto van een chimp misschien beter naar Artis of Blijdorp kunt gaan. Hier zaten ze echter in het wild en dat maakte dit boottochtje toch bijzonderder dan een bezoek aan de dierentuin.
Foto 12: Zonsondergang over de Gambia-rivier, gezien vanaf het campement van Kuntaur, dat aan deze rivier lag.
Foto 13: Landelijk tafereel in Gambia. De koeien schijnen hier 1 liter melk per dag te geven, niet genoeg voor een ondernemer om zijn geld in een zuivelfabriek te stoppen

.In Toubakouta, weer terug in Senegal, werd ik door een houtsnijder langs het zandweggetje, dat door het dorp liep, geroepen: “Kom een kijkje nemen in mijn winkel.” Ik antwoordde dat ik niets ging kopen, omdat ik op mijn fiets geen ruimte had voor souvenirs.

“Pour le plaisir des yeux.” (Gewoon voor het plezier om te kijken.) 

“Dat zal voor mij een groot plezier zijn, maar niet voor u, want ik ga toch niets kopen.”

“U vindt vast wel iets moois om mee te nemen naar huis, bijvoorbeeld deze kleine giraffe.” Daarop haalde hij een mooi stukje houtsnijwerk uit zijn winkel en toonde het mij. Het was inderdaad een kleine giraffe, tenminste….. klein ten opzichte van een echte giraffe. 

Foto 14: Een houtsnijder, die een mooie kleine giraffe te koop aanbiedt.

“Die steekt zijn lange nek een eind buiten mijn fietstas.” zei ik. “Dus dat wordt niks.” Omdat de man bleef aandringen en ik hem niet voor het hoofd wilde stoten ging ik zijn winkeltje binnen. Daar kreeg ik het hele arsenaal souvenirs in mijn handen gedrukt. Uiteindelijk kocht ik twee platte koppen, die er aardig uit zagen en die ik met redelijkheid in mijn bagage zou kunnen plaatsen. Ik hoopte dat ik daarmee niet boven het in het vliegtuig toegestane gewicht zou komen. Over vijfhonderd jaar zijn ze antiek en dan brengen ze op een kunstveiling een geweldige bom centen op, dus het was niet alleen een aardig souvenir, maar ook een goede geldbelegging. 

Foto 15: De twee platte koppen, die ik bij de houtsnijder in Toubakouta kocht. Ik heb er, om het spannend te houden, geen lucifer naast gelegd en daarom tast de lezer (U dus) in het duister wat betreft de grootte van dit souvenir. Houtkenners kunnen het misschien aan de nerven van het houten bureaublad onder de koppen zien. In ieder geval hoefde ik op het vliegveld van Dakar niet bij te betalen voor overbagage. 
Foto 16: Ik kwam, fietsend in de richting van Dakar, weer in het gebied van de baobabs en maakte daar deze artistieke foto: een baobab onder een tak van een andere baobab

.Dicht voor de kust, bij het plaatsje Fadial, kwam ik langs een enorme baobab. Ik vroeg me af of deze dikker was dan de dikke baobab, waarover ik in mijn Madagaskar-boek, ‘De dikke baobab’, heb geschreven.

Foto 17: De dikke baobab van Senegal, misschien nog dikker dan die in mijn Madagaskar-boek: ‘De dikke baobab’. (Uitg. Elmar).
Foto 18: Ik voor de reuzenbab, die een omtrek heeft van 33 meter. (Voor de diameter: deel die 33 door pi. (3,14))

Die avond kwam ik, ongeveer 20 km ten zuidoosten van Mbour, bij een campement, waar nomadententen stonden opgesteld tussen nog meer baobabs. Als je je een echte nomade wilt voelen, moet je daar naar toe: ‘Campement Baksungan’. Op een muurtje lag een flinke kat te slapen.  Toen ik hem over zijn bol aaide, kwam hij langzaam overeind en geeuwde zo ongegeneerd, dat ik bang was dat zijn kaak over zijn schedel heen zou schieten en hij daarbij zijn kop zou inslikken. Dat gebeurde gelukkig niet en nadat deze uiting van opperste verveling goed was afgelopen, zat hij mij aan te kijken met een blik van: ‘Wat doet deze vreemde snuiter hier?’

Foto 19: Slapende Felix.
Foto 20: Geeuwende Felix. Goed bruikbaar in een griezelfilm.
Foto 21: Observerende Felix.

Mijn laatste stop voordat ik mij naar het vliegveld van Dakar begaf, was in het aardige kustdorpje Popenguine. Daar bevond zich een prachtige rotsberg, pal achter het strand.

Foto 22: Voetballende kinderen op het strand bij Popenguine, met op de achtergrond de fraaie rotsberg.
Foto 23: De rotsberg van dichtbij met op de achtergrond de Atlantische Oceaan.

18 Februari fietste ik laat in de middag naar het vliegveld van Dakar, dat zich gelukkig 50 km van Dakar bevindt, zodat ik geen last had van de drukte van deze miljoenenstad. Daarmee was mijn West-Afrika-reis definitief ten einde.

19 Februari vloog ik om 2 uur ‘s nachts via Lissabon naar Amsterdam, waar ik rond het middaguur aan kwam. Daar kreeg ik meteen een thermoschok van tientallen graden te verwerken. Nu ik dit schrijf ben nog steeds niet gewend aan het weer in ons land. 

Foto 24: Naar het vliegveld van Dakar.

Inmiddels heb ik een paar lezingen gehouden op de Fiets- en Wandelbeurs in Utrecht en pak ik het werk aan mijn manuscript (een reis door Zuid Amerika) weer op. Ik hoop dat het boek, waarvan ik de titel nog aan het verzinnen ben, met Sinterklaas in de boekhandel ligt. Als dat niet lukt, dan zal het er vrij zeker zijn op de Fiets- en Wandelbeurs van 2021.

Foto 25: Een plaatje uit mijn nog in wording zijnde Zuid-Amerika-boek.

En hiermee is mijn verhaal definitief ten einde, maar misschien volgt er wel weer een nieuwe reis met een nieuw verslag. Tot later.

                                                                                               Frank van Rijn.