De Gorges de l’Ardeche.

Bericht 8

Ik beëindigde mijn vorige bericht met een spectaculaire foto van een roofvogel die ik zelf had gemaakt van een foto in een museum, die een natuurfotograaf had gemaakt. Nadat de vogel was neergestreken op een rots had deze fotokunstenaar hem kennelijk nóg een keer ‘geschoten’ en eveneens in het museum laten plaatsen, wat mij de gelegenheid bood een tweede prachtige plaat te schieten, zonder het risico te lopen dat de vogel weg zou vliegen.

Foto 1: Foto van een foto van een roofvogel. Die horizontale plaknaad verknoeit helaas mijn sublieme natuuropname. 

Bij die slotfoto van bericht 7 vermelde ik dat het manuscript van mijn nieuwe boek (De magische vijfduizendmetergrens) naar de drukker was en dat het boek, als alles volgens plan zou verlopen, op 6 November in de boekhandel zou liggen. Welnu, alles is volgens plan verlopen, dus het boek ligt ondertussen in de boekhandel. (althans als het een goede boekhandel is; anders zal hij het moeten bestellen). Het boek kost 21,99 euro, dus hier is de kans om aan zo’n zeldzaam geworden muntje van 1 cent te komen! Alleen daarom zou je al naar de winkel rennen!

Op mijn website (www.frankvanrijn.nl) onder de rubriek ‘5000 METER EXTRA FOTO’S’ (en vervolgens nog wat omlaag scrollen) zijn wat extra foto’s, behorend bij het boek te bekijken, maar de foto’s waar het om gaat staan uiteraard ook in het boek.

Een sprong van vele duizenden kilometers brengt ons van Zuid Amerika naar Le Caylar in Zuid Frankrijk, waar we de draad van mijn belevenissen van afgelopen zomer weer oppakken. Slechts een steenworp verder ligt Salavas. (Je moet dan wel erg goed kunnen gooien, maar in verhouding tot de sprong vanaf Zuid Amerika was het een niemendalletje. Ik fietste ‘de steenworp’ in twee rustige dagen.

Salavas zal niet iedereen direct wat zeggen, maar het ligt 2 km voor, en is veel rustiger dan, Vallon Pont d’Arc en dat plaatsje zegt natuurlijk wél iedereen wat. Erg veel zelfs, want dat is het uitgangspunt voor een bezoek aan de beroemde Gorges de l’Ardèche. De corniche langs die bochtige, grillige bergkloof heb ik in het verleden natuurlijk meerdere malen gefietst, maar bij mooi weer is het elke keer opnieuw een plezier daar te rijden en rond te kijken. Iets voorbij Vallon Pont d’Arc kwam ik bij de Pont d’Arc, waar Vallon zijn achternaam aan dankt. Het is een fors uitgevallen natuurlijke brug over de Ardèche, een rotswand waar de rivier zich in de loop van vele miljoenen jaren doorheen heeft gevreten. Vanaf de weg kun je de brug goed zien, maar een veel beter zicht krijg je er op als je over een klein zijpaadje afdaalt naar de oever van het riviertje. Dan kijk je er echt door.

Foto 2: De Pont d’Arc gezien vanaf de weg
Foto 3: De Pont d’Arc gezien vanaf de oever van de Ardèche. Aan het stoere zwemmertje in de rechter onderhoek van de foto is de dimensie van de natuurlijke brug af te meten.

Negenendertig kilometer lang reed ik over de slingerde, nu eens op- en dan weer neergaande weg langs de gorge, waarbij ik heel wat keren stopte om van de prachtige uitzichten te genieten. Door de corona-crisis was het, ondanks dat het hoogseizoen was, vrij rustig op de weg. Ik hoefde het asfalt dus nauwelijks te delen met Nederlanders, Duitsers, Engelsen en andere buitenlanders, terwijl ook de autochtonen zich veel minder lieten zien dan gebruikelijk was omstreeks deze tijd van het jaar.

  

Foto 4: Uitzicht over een bocht in de Ardèche.
Foto 5: Een flinke meander in de Ardèche.
Foto 6: Nog een meander. De rivier stroomt hier vrijwel recht beneden langs.

Ergens onderweg kwam ik door een, gelukkig niet erg lange, tunnel. Halverwege hadden de tunnelbouwers een groot licht- en luchtgat naar opzij geboord. Automobilisten moeten daar natuurlijk gewoon voorbij rijden, aangezien ze anders het verkeer zouden ophouden, maar ik kon een eindje dat gat in rijden. Het was een soort venster in de rots, waardoor ik een blik op het landschap kon werpen.

Foto 7: Venster in de tunnel op de route langs de Gorges de l’Ardeche. Deze plek nodigde mij als het ware uit om de fiets er fotografisch bij te betrekken. Wel een beetje riskant, want als de fiets naar de verkeerde kant zou omvallen…..

Vanaf weer een ander uitzichtpunt zag ik in de diepte een aantal kajaks op de rivier. Kajakken is een geweldige business in deze gorge, die onder de kajakkers bekend staat als relatief eenvoudig, zodat je geen watervallen of wilde stroomversnellingen af hoeft en je niet met man en macht moet schipperen om te voorkomen dat de boot omslaat of op de rotsen te pletter loopt. Normaal is het daarom in het hoogseizoen filepeddelen, zoiets als de spitsuren in de randstad, maar dan voor elke auto een bootje. Nu was het op het water erg rustig, waardoor het geen gedrang werd in de bochten en er geen files ontstonden. Ook voor mij was deze rust op het water een zegen, want bij druk bootjesverkeer komt er om de paar tellen over de weg een bus langs met een trailer er achter, waarop een dozijn kajaks aan rekken hangt. Terug roeien, tegen de stroom in, wat mij nou juist zo leuk zou lijken, hoewel ik het nooit geprobeerd heb, is er niet bij. Alle kajakkers ‘jakken’ met de stroom mee en dus moeten de bootjes en de kajakkers over de weg teruggebracht worden naar het beginpunt van de bootexpeditie. Die trailers zijn nogal breed en steken daardoor wat uit, waardoor ik steeds op mijn hoede moest zijn. Deze keer had ik het daar dus minder druk mee en kon ik meer aandacht schenken aan het landschap en in het bijzonder aan de gorge. 

Foto 8: Deze zomer zaten er erg weinig kajaks in de gorge in verband met de corona-crisis.

Aan het zuidoostelijke uiteinde van de Gorges de l’Ardèche kwam ik in het plaatsje St. Martin de l’Ardèche. Aan de overkant van de rivier bezocht ik het aardige dorpje Aiguèze met zijn pittoreske kasteel.

Foto 9: Aiguèze, gezien vanaf St. Martin de l’Ardèche.
Foto 10: Het kasteel van Aiguèze.
Foto 11: Blik vanaf een uitzichtpunt op Aiguèze
Foto 12: Mooi glas-in-loodraam in het kerkje van Aiguèze: een stemmig kersttafereel. Iedereen gelukkig, behalve het schaap onderin het raam.

Vanaf St. Martin de l’Ardèche was het niet ver meer naar het Rhônedal, waar ik de Via Rhona, de fietsroute langs de Rhône, oppikte en wel in noordelijke richtig. Na het klim- en daalwerk langs de Gorges de l’Ardèche en gedurende de dagen er voor, dacht ik nu weer eens lekker rustig te kunnen peddelen op een vlakke route. Ik kwam echter bedrogen uit, niet wat betreft dat ‘vlakke’, maar wel wat betreft dat ‘lekker rustig’. De Mistral loeide door het Rhônedal, natuurlijk vanuit het noorden, dus ik moest daar pal tegenin, wat het fietsen een stuk moeizamer maakte dan al het klim- en daalwerk dat ik juist achter de rug had. Die Mistral is, afgezien van het moeizame getob, als je er tegenin moet, een erg onaangename wind. Om te beginnen is hij relatief koud, ook in de zomer, en verder veroorzaakt hij veel ongerief. Als je de kaart openvouwt fladdert die alle kanten op en als je hem een seconde loslaat moet je gaan rennen om te voorkomen dat hij als een vliegend tapijt naar Marokko geblazen wordt. Als je rustig op een bankje je lunch wilt gebruiken moet je alles borgen: de pot chocolade pasta, je baguette, je stuk kaas en het blik cola waarmee je je wilt verwennen, anders wordt het hele zooitje meedogenloos van de bank geblazen. En als je ‘s avonds je tent wilt opzetten, flabberen binnen- en buitentent als bezeten op en neer en loop je een flinke kans dat, als het je na veel gehannes, gezweet en dozijnen lelijke woorden eindelijk is gelukt om hem enigszins acceptabel in vorm te krijgen, de haringen uit de grond getrokken worden.

Foto 13: Hangbrug over de Rhône, waarop niet te zien is dat de Mistral zijn best doet het leven van de fietser zuur te maken.  
Foto 14: Ook aan het ‘Défilé de Donzère, de rotsberg aan de oostkant van de  Rhône, is niet te zien wat voor een geweldig gevecht ik tegen de wind in moest leveren, pedaalslag na pedaalslag.

Die avond in Viviers werd ik overvallen door een zwaar onweer. Ik kon juist schuilen onder het afdak van een terrasje voor een café. Het café zelf was echter gesloten, zodat ik niet naar binnen kon vluchten en het afdakje hielp niets, want de rukkende wind blies de regen, die met bakken uit de hemel viel recht onder het afdak. Daardoor kreeg ik in een paar minuten meer water over me heen dan ik gedurende de gehele reis had gehad. De lol was er daarmee voor die dag af en toen het ophield met regenen ging ik op zoek naar onderdak, want de hemel voorspelde meer van hetzelfde. Na hier en daar vragen, kwam ik bij het Maison Diosésaine Charles de Foucauld terecht, een seminarie, tevens pension voor paters. Het bleek, dat Charles in de kapel van dat Maison, in het jaar 1901 tot priester was gewijd. 

Foto 15: Maison Diosésaine Charles de Foucauld in Viviers.
Foto 16: Standbeeld van Père du Foucauld op de binnenplaats van het seminarie.

Ik vroeg of er een kamer vrij was. Om een goede indruk te maken vertelde ik, dat ik lang geleden in Algerije boven op de Assekrem, midden in het Hoggargebergte had gestaan, waar père du Foucauld een kapelletje had gebouwd en waar hij tijdens zijn leven vaak de mis placht te celebreren. (Zie mijn boek ‘Door Sahara en Sahel’). Veel indruk maakte die opmerking niet, maar er was voor mij een kamer beschikbaar, zodat mij een kille, natte nacht bespaard bleef en daar ging het om.

Charles de Foucauld was een interessante en avontuurlijke figuur. Hij werd in 1858 in Straatsburg werd geboren, was in zijn jonge jaren officier in het Franse leger, werd daar ontslagen, leidde vervolgens een nogal losbandig leven, maakte in 1883 een ontdekkingsreis door Marokko, bekeerde zich later tot het Katholicisme, maakte in 1888 een pelgrimstocht naar het Heilige land en kwam na nog veel meer omzwervingen in Algerije terecht, waar hij die kapel bouwde bovenop de Assekrem. In Tamanrasset aan de voet van het Hoggargebergte leidde hij een kluizenaarsbestaan en schreef daar een woordenboek Frans – Toeareg. Daar leefde hij tot zijn gewelddadige dood in 1916.

Ik besluit deze aflevering van mijn Digiton met een toegift: een drietal foto’s (gedigitaliseerde dia’s, die ik na nogal wat zoekwerk uit mijn stapels dia-dozen opviste) van mijn tocht naar de top van de Assekrem in het Hoggar-gebergte in Zuid Algerije. Dat was in 1986 tijdens mijn reis van Nederland naar Togo.

Foto 17: Op weg door het Hoggargebergte naar de top van de 2780 meter hoge Assekrem. Hier duwde ik mijn fiets door een droge, zandige beekbedding. Op de achtergrond een enorme basaltberg.
Foto 18: Een stuk hogerop in het Hoggar-gebergte. Voor deze foto, die ik maakte met behulp van de zelfontspanner, moest ik hard rennen, want het mechanisme in de camera gunde mij slechts 7 seconden voordat het de sluiter opende.
Foto 19: Uitzicht bij zonsopkomst vanaf de top van de Assekrem over de vele basaltbergen van het Hoggar-gebergte. Hier stond (achter mij en daarom niet op de foto) het kapelletje van père du Foucauld.

Het was ongeveer deze tijd van het jaar (1986) dat ik daar in Zuid Algerije zat en hoewel het nu warm is voor de tijd van het jaar (dat hoorde ik zojuist op de radio), was het daar een stuk warmer. Met nostalgie denk ik dan ook terug aan die gouden tijd toen we bij het horen van het woord ‘corona’ alleen nog maar dachten aan ‘kroon’ of de indrukwekkende gouden rand om de maan bij een totale zonsverduistering.

Het ziet er naar uit dat ik dit jaar zal moeten overwinteren in Doldersum. Ik voel me dan ook een beetje als Willem Barentz en Jacob van Heemskerck op Nova Zembla. Dit wordt voor mij een koude winter ondanks de opwarming van de aarde. Maar Willem en Jacob zullen het in de winter van 1596 op 1597 zeer waarschijnlijk nóg kouder hebben gehad. En ik realiseer me ook dat veel mensen momenteel door de corona-crisis meer getroffen worden dan ik.

We hopen op betere tijden!

Tot de volgende keer.                                   

                                                                                                          Frank

EEN VIRTUELE BOEDDHA IN EEN VIJVERTJE.

Bericht 7.

EEN VIRTUELE BOEDDHA IN EEN VIJVERTJE.

Met mijn vorige bericht was ik blijven steken in de Gorges du Tarn. Voorbij Le Rozier, waar ik de nacht doorbracht op de camping, was het eigenlijk wel gebeurd met de echte kloof, maar tot Millau bleef het toch een mooie rit. In Millau was weer eens een rommelmarkt aan de gang. Het was zondag en dan loop je ‘s zomers in Frankrijk dat risico. Ik ging traditiegetrouw even kijken, maar hield mijn hart vast, want ik ben al zwaar genoeg beladen. Tot mijn opluchting vond ik er niets interessants, zodat ik niet in de verleiding kwam een stapel antieke boeken of albums te kopen. Even licht als ik de plaats was ingereden, reed ik er even later weer uit, of beter gezegd: even zwaar.

Wat misschien niet iedereen weet is dat de Tarn ten westen van Millau ook door een gorge stroomt, weliswaar een veel minder spectaculaire dan die ten noordwesten (de beroemde Garges du Tarn, die we in het vorige bericht hebben gezien), maar die toch best de moeite van een ritje waard is. En in die gorge ligt het fraaie plaatsje Peyre tegen de rotswand gebouwd, dat tot de mooiste dorpen van Frankrijk gerekend wordt.

Foto 1: Peyre ten westen van Millau, mooi gelegen in de vallei ( westelijke gorge) van de Tarn

Heel bijzonder in Peyre is de oude kerk, die half in de rotswand gebouwd is en die in tijden van oorlog of ander geweld dienst deed als fort en toevluchtsoord voor de burgers.

In St. Amans Soult bezocht ik drie dagen later mijn goede vriend Gerard Bastide, die ik 27 jaar geleden in Griekenland was tegengekomen toen hij zijn fiets naar de top van de Olympus aan het sjouwen was. Op mijn vraag waarom hij al dat, in mijn ogen onnodige, sjouwwerk deed, antwoordde hij dat hij, eenmaal op de top aangekomen, naar beneden kon fietsen en dus niet dat hele eind weer omlaag hoefde te lopen. Dat leek me op deze ruige bergpaden een hachelijke onderneming, maar hij had meer van zulke huzarenstukjes uitgehaald en wel op de Etna, de Stromboli, de Vesuvius, de Jebel Toubcal (in Marokko, 4000 meter hoog!!) en nog een flinke set van dat soort puisten in de aardkorst en elke keer was hij weer levend beneden gekomen. (Zie mijn boek ‘De poort van de maan’). Bij hem thuis ontmoette ik Hubert Martin, over wie ik al in bericht 1 en 2 van deze reis schreef. 

Foto 3: Op de veranda bij Gerard thuis in St. Amans Soult. (Van lnr: Gerard, Hubert en ik

Gedrieën fietsten we de volgende dag naar Mazamet. Iets ten zuiden van die plaats klauterden we naar een 70 meter hoog gespannen hangbrug, waarover we vervolgens golvend en wiebelend naar het gehucht Hautpoul liepen.

Foto 4: De 70 meter boven een ravijn gespannen hangbrug waarover we naar het gehucht Hautpoul (rechtsboven in de foto) liepen.

Daar trakteerde ik Gerard en Hubert op een biertje en mezelf op een cola. Bier leek me voor mezelf niet zo verstandig aangezien dan de duizeligheid terug op die wiebelende hangbrug met duizelingwekkende kracht zou kunnen toeslaan. Een smak van 70 meter hoog eindigt met een klap van 37 meter per seconde oftewel 133 km/uur, er van uitgaande dat er geen luchtweerstand is. Die is er gelukkig wel, zodat de soep bij het over de reling glijden niet zo heet wordt gegeten als ze wordt opgediend, maar je mond en slokdarm kun je er toch nog wel flink mee verbranden.

Onder het genot van deze drankjes (het bier en de cola, niet de soep!) kwam het onderwerp corona weer eens ter sprake, wat het genot meteen weer grotendeels onderuit haalde. Toen we wat later over de golvende hangbrug terug naar onze fietsen liepen, besloot ik, wat ik me de laatste dagen al een beetje had voorgenomen, van hier de terugtocht naar Nederland te aanvaarden om het risico vast te komen zitten bij een nieuwe lock-down te beperken. In Hautpoul had ik dus het zuidelijkste punt van mijn reis bereikt.

Met Hubert fietste ik in twee dagen van St. Amans naar Le Caylar, zijn woonplaats.

Foto 5: Hubert met zijn fiets. Als je goed kijkt of de foto flink uitvergroot, zie je op zijn voortassen onder een binder, een stel lege blikjes, die hij onderweg opraapte om later thuis in de vuilnisbak te gooien. Op zijn achtertas zit ook nog een set. Een milieubewuste job, waarmee je, ook in Frankrijk, wel bezig kunt blijven. In Azië heb je daarmee echter nog een stuk meer eer van je werk. (Daar kun je beter ook meteen maar voor een aanhangwagen zorgen, om al dat blik en plastic te bergen).

Onderweg, iets voorbij de Col du Perthus in het departement Hérault, waar de D142 afsplitst van de D902 was het, alsof we ons plotseling in Thailand of Sri Lanka bevonden, want daar lag zomaar een grote boeddhistische tempel in het Zuid-Franse landschap. Om zo’n tempel te zien, zelfs een die in vol gebruik is, hoef je dus blijkbaar niet naar Azië te gaan. Het was een merkwaardig gezicht.

Foto 6: Weggetje geflankeerd door gebedsvlaggen naar de  boeddhistische tempel vlak bij de wegsplitsing D142 – D902.
Foto 7: Boeddhistische tempel, zomaar in Zuid Frankrijk.
Foto 8: Gouden Boeddha in een vijver bij de tempel met spiegelbeeld. De eenden zijn echt, het beeld ook. Het spiegelbeeld echter virtueel, wat spiegelbeelden nu eenmaal zijn.

Thuis bij Hubert duwde hij mij een globe in de rechterhand en de Engelse versie van mijn ‘Pelgrims en pepers’ (Pilgrims and Peppers) in de linkerhand en maakte zo een paar foto’s van mij, waarmee hij verwachtte mij wereldberoemd te maken. Tot op de huidige dag is het feit dat ik wereldberoemd ben tot nog maar zeer weinigen doorgedrongen, wat overigens zijn poging niet minder goedbedoeld maakt.

Foto 9: Ik met een globe in de rechterhand en mijn boek ‘Pilgrims and Peppers’ in de linkerhand, symbolen voor mijn globetrotten en het neer pennen van mijn belevenissen. Hubert heeft waarlijk gevoel voor symboliek.

Op een rustdag (of eigenlijk een rustige dag) maakte ik met Hubert, Françoise, zijn vrouw en een aantal vrienden een wandeling door de gorge de Vissec waarbij we langs een oeroude, niet meer in gebruik zijnde en door water aangedreven graanmolen kwamen.

Foto 10: Oude graanmolen, aangedreven met waterkracht.
Foto 11: Gorge de Vissec.
Foto 12: Op het pad in de Gorge de Vissec.

Uiteindelijk kwamen we onderin de Cirque de Navacelles uit, waarover ik in bericht 1 al schreef.

Terug naar Le Caylar namen we een lift, waarbij we bij St. Michel, 5 km voor Le Caylar, nog even een puntgave ruïne mee pikten.

Foto 14: Puntgave ruïne van St. Michel.

Ook zag ik in een flits een grote roofvogel met prooi in zijn klauwen voorbij vliegen. Razendsnel maakte ik er een spectaculaire foto van, waar rasechte vogelaars en natuurfotografen jaloers op kunnen zijn.

Eerlijkheid gebied mij om hieraan toe te voegen, dat het nemen van die foto toch niet zo razendsnel hoefde, aangezien het een foto was van een foto die in een museumpje hing. Toch was het eigenlijk wel een razendsnelle foto, want de sluitertijd zal minder dan een halve seconde zijn geweest.

Met deze foto besluit ik aflevering 7 van mijn vervolgverhaal De belevenissen van Frank in Frankrijk, echter niet na een slotopmerking en wel deze:

Een week geleden is het manuscript van mijn nieuwe boek ‘De magische vijfduizendmetergrens’, (een avontuurlijke reis door Argentinië, Chili, Bolivia en Peru), naar de drukker gegaan. Het boek zal, als alles volgens plan verloopt, 6 November in de boekhandel liggen (Uitgeverij Elmar, ISBN 978-90-389-2781-7). Er staan 32 kleurenfoto’s en 55 zwart-witfoto’s in. Op mijn website (www.frankvanrijn.nl) worden binnenkort de zwart-witfoto’s in kleur geplaatst alsmede nog eens 51 extra foto’s, ook in kleur. Verder is in het boek de route aangegeven op 8 kaartjes, zodat de lezer niet zal verdwalen in dit grote continent, noch in dit 244 bladzijden tellende boek.

GIGANTISCHE DWERGEN.

Bericht 6.

In La Garde-Guérin, waar ik vorige keer over schreef, pikte ik, na mijn klauterpartij op die vierkante toren, nog even een aardige ruïne mee. Daarna vervolgde ik mijn tocht over een prachtige bochtige weg naar Genolhac.

Foto 1: Een ruïne als toegift bij mijn bezoek aan La Garde-Guérin.
Foto 2: De prachtige route van La Garde-Guérin naar Genolhac

In Genolhac twijfelde ik of ik de supermarkt in zou gaan. Veel had ik niet nodig want ik had al een blik bonen voor het avondeten, maar ik overwoog om mij de luxe te veroorloven een blik bier te kopen. Ik probeer namelijk al enkele jaren om alcoholist te worden en wel in de hoop zo mijn cola-verslaving weg te drukken met een andere verslaving, dus met bier. Met tweemaal 0,33 liter per week is dat tot op de huidige dag helaas nog niet gelukt. Experts menen dat mijn streven op deze manier dan ook gedoemd is te mislukken. Daar is sterker spul voor nodig, menen zij en ook kwantitatief moet er op dat gebied heel wat meer gebeuren. Zo eenvoudig wordt je geen alcoholist! Tijdens mijn fietsreizen ben ik dus nog steeds niet van een blikje van 0,33 liter cola per dag af.

            Na enige twijfel, wel naar binnen om zo’n blik te kopen of gewoon doorrijden op zoek naar een camping of een mooi plekje voor de tent in het wild, besloot ik er deze avond toch maar een paar centen tegenaan te gooien in mijn strijd tegen de cola. En dus parkeerde ik mijn fiets voor de supermarkt en liep naar binnen op zoek naar de drankafdeling. De keuze van het bier is voor mij nooit een probleem, ook al worden er 250 verschillende merken aangeboden. Voor mij als bierbarbaar smaken ze alle hetzelfde. Dus gewoon het goedkoopste. Ik was dan ook vrij snel klaar, maar nam ook nog en passant een stel tomaten, sinaasappelen en appels mee, want met al dat alcohol moet je de vitamines niet vergeten. Terwijl ik de zaak uitliep hoorde ik plotseling: “Bonjour Frank!” Tot mijn grote verbazing kwamen daar juist Michel en Marie-Pascale de supermarkt binnen. Ik had ze vorig jaar op een camping in Zuid Frankrijk aangesproken om te vragen of het een rustige camping was, waarop Michel me antwoordde dat hij ‘s nachts snurkt als een olifant, zodat ik het wel kon vergeten om die nacht te slapen. De man bleek een groot gevoel voor humor te hebben en dus zette ik mijn tent naast de hunne. Ze brachten hun vakantie dat jaar in Zuid Frankrijk door, de plek waar Michel zijn jeugd had doorgebracht en waren van plan later die zomer naar Zuid Spanje te gaan, waarheen ik ook op weg was. En zo arrangeerden wij anderhalve maand later een rendez-vous in Malaga. Daar nodigden ze me uit om eens bij hen thuis in Normandië te komen logeren, maar daar was het nog niet van gekomen.

            Deze keer liep ik ze dus zomaar tegen het lijf in Genolhac, waar Marie-Pascale oorspronkelijk vandaan kwam. Ze zaten daar in haar ouderlijk huis van vroeger. En daar nodigden ze me meteen uit de nacht door te brengen.

            En zo had ik, dankzij mijn verwoede, maar toch te zwakke pogingen om alcoholist te worden, zomaar een luxe en comfortabele overnachting te pakken benevens een gezellige avond, waarop ik een heel wat smakelijker maal kreeg voorgeschoteld dan mijn blik bonen, terwijl ik met een mij aangeboden flesje van 0,33 liter bier toch nog aan de slag kon om mijn colaverslaving te bestrijden. Het toeval had weer eens een handje geholpen, want als ik die supermarkt niet was binnengelopen had ik Michel en Marie-Pascale misgelopen.

Foto 3: Op weg van Genolhac naar Florac.

In Florac plaatste ik de volgende dag mijn tent op een camping en maakte de dag daarna een flinke wandeling omhoog naar de Causse Mejean, een golvend, verlaten, vrij kaal en indrukwekkend plateau dat doorsneden wordt door prachtige kloven, waaronder de Gorges du Tarn. Op die klim voerde het smalle bochtige pad mij langs tot de verbeelding sprekende rotsformaties.

Foto 4: Tot de (in ieder geval míjn) verbeelding sprekende rotsformatie.
Foto 5: En nog zo’n bijzondere rots, waarop je je fantasie de vrije loop kunt laten gaan. Ik zag er twee dinosaurussen in, die op het punt staan elkaar in de haren (schubben?) te vliegen. 

Het pad liep, eenmaal boven, verder langs de rand van het plateau. Van daar had ik steeds fraaie uitzichten op schots en scheve rotsen langs de flank van de berg. Ik zag daar nog meer stenen monsters, forten, reuzen en gigantische dwergen.

Foto 6: Een dwerg van tientallen meters met in de diepte Florac.
Foto 7: Een fort van reuzen.
Foto 8: Zie er maar in wat je fantasie je ingeeft. Je zou er zelfs een rots in kunnen zien.

In een smalle kloof tussen geweldige rotsen zaten spijkers in de wand, waartussen kabels gespannen waren. Die zogenaamde Via Ferrata (IJzeren weg) was aangebracht voor mensen die er lol in hebben om aan een draadje tussen hemel en aarde te bengelen. Als je je stevig vasthoudt heb je een redelijke kans zo’n klauterpartij te overleven. Dus voor ieder wat wils.

Foto 9: Kabeltjes waarlangs je een leuke tocht kunt maken als je niet gehinderd wordt door hoogtevrees.

Ik overleefde de wandeling, mede door het feit dat ik die kabeltjes en beugeltjes liet voor wat ze waren en met beide benen op de grond bleef, maar fietste de volgende dag wel met een geblesseerde knie. Blijkbaar was ik te energiek omhoog geklauterd naar dat plateau. Als je geen 25 meer bent moet je je blijkbaar zo nu en dan een beetje ontzien, iets wat mij niet altijd even makkelijk af gaat.

            Mijn tocht voerde mij na Florac door de beroemde Gorges du Tarn, waar ik ook weer reuzen, beren en uit de kluiten gewassen trollen zag, allemaal gelukkig van steen, zodat ze niet verschrikt wegrenden als ik mijn fototoestel tevoorschijn haalde en ik ze dus rustig kon fotograferen. De weg wrong zich langs imposante rotsen en door smalle, gelukkig erg korte tunneltjes, dus er was weer veel te zien en te genieten, te meer daar het mooi weer was. Ik heb deze gorge ook wel eens gereden onder zware bewolking en dan is er een stuk minder aan. Nu was het een 5-sterrentocht.

Foto 10: In de Gorges du Tarn.
Foto 11: Smalle weg door de Gorges du Tarn. Hier blijkt weer dat je op zo’n route beter bent met een fiets dan met een auto, want als je in een mooie glimmende machine rijdt, kun je hier niet stoppen om eens rustig te kijken en een foto te maken. Dan moet je op de mooiste plekjes doorrijden omdat je anders het risico loopt een hoop geïrriteerd getoeter van collega-automobilisten te krijgen: “Doorrijden, kerel! We hebben niet eeuwig de tijd!!”
Foto 12: Een van de aardige tunneltjes in de Gorges du Tarn.
Foto 13: En nog een tunneltje, hier met een kabouter er boven.

‘s Avonds zette ik, na deze mooie dag, mijn tent op de camping van Le Rozier en ging mij vervolgens in een restaurantje te buiten aan een pizza. Deze keer met een  glas sinaasappelsap er bij, want met die bierverslaving werd het toch niks. Ik ging maar weer een andere verslaving ter vervanging van cola zoeken: pepermunt en menthol. Hopelijk zou ik daar meer succes mee hebben.

Tot besluit van deze aflevering van mijn digiton groot nieuws (althans voor mij en hopelijk ook voor u):

Afgelopen vrijdag 16 oktober is mijn boek ‘De magische vijfduizendmetergrens’, een avontuurlijke reis door Argentinië, Chili, Bolivia en Peru, naar de drukker gegaan.

Rond half november zal het boek, als alles naar wens verloopt en de drukker niet onder de zware druk van al dat drukwerk bezwijkt, in de boekhandel liggen.

Te elfder ure besloten de uitgever en ik om de kleur van de rand om het omslag van geel naar groen te veranderen. Het omslag zal er dus zo uitzien:

De Magische vijfduizend metergrens

Foto 14: Omslag van mijn in november te verschijnen boek.

Tot de volgende aflevering van mijn digiton ‘Frank in Frankrijk’.

De Bron van de Loire

Bericht 5,   Oktober 2020

Van Chambles, het aardige oude dorpje aan de Loire, waar ik in mijn vorige bericht over schreef, fietste ik verder in de richting van de bron van deze grote rivier. Ergens zag ik naast de weg dit bordje:

Foto 1:  Een regendruppel die links van het bordje valt komt uiteindelijk in de Middellandse Zee terecht, terwijl een druppel die rechts valt, na veel omzwervingen de Atlantische Oceaan in stroomt. Dat is theoretisch, want zo’n druppel heeft de meeste kans om gewoon in de grond weg te zakken of te verdampen.

Na een afdaling reed ik het plaatsje Retournac, gelegen in een bocht van de Loire, binnen. Daar was juist een ‘Vide Grenier’ aan de gang, wat je zou kunnen vertalen met ‘Zolderleegmaker’. In twee straten hadden bewoners hun rommel van de zolder, maar ook uit de kelder en zelfs uit de boekenkast in de huiskamer op het trottoir geëtaleerd om die te verkopen. Ik vind dat soort rommelmarkten altijd fascinerend en onderbreek daar meestal mijn etappe voor, met het risico mijn doel voor die dag niet te halen. Maar wat is het doel van zo’n dag? Kilometers maken of leuke dingen doen? Ja, op zo’n rommelmarkt rondlopen is een van de leuke dingen op zo’n reis, de spanning om een originele Toulouse-Lautrec of Monet te vinden, terwijl een origineel manuscript van Victor Hugo ook nooit weg is. Deze keer was het echt allemaal rommel, wat je natuurlijk ook kunt verwachten op een rommelmarkt. Teleurgesteld wilde ik mijn tocht vervolgen, toen mijn oog plotseling op een kartonnen doos viel met stripverhalen. Het meeste daarvan was ook rommel, hoewel er een paar Asterixen en Kuifjes (Tin Tin’s) bij zaten, die ik echter al had. Maar wat zag ik onderin? Twee albums van Becassine uit de jaren dertig!!! Ja, ja, zoiets vind je niet elke dag! Zo achteloos mogelijk vroeg ik, terwijl ik mijn emoties goed in bedwang hield: “Wat moeten deze kinderboekjes kosten?” De man wilde er 25 euro per stuk voor hebben.

            “Kom nou!,” zei ik.

            “Op internet staan ze voor 60 euro per stuk.”

            “Internet? Wat hebben we met internet te maken? Met zo’n prijs kun je tot de jaren dertig van de 22e eeuw wachten, voordat er iemand zijn beurs opentrekt.”

            Na nog wat gepingel en dreigen met weg lopen, kreeg ik beide boeken samen mee voor 30 euro. Een ware financiële aderlating, maar aangezien ik die avond niet ging dineren in een vijfsterren-restaurant, maar in plaats daarvan een blik bonen van 85 eurocent ging opentrekken, had ik de kosten er alweer bijna uit. Een mens moet zich zo nu en dan verwennen.

            Toen de koop gesloten was, stond ik met twee betrekkelijk zware albums met harde kaft in mijn handen. Die moesten mee op de fiets. Daar had ik in de triomf van het moment nog even niet aan gedacht. Na wat puzzelen stopte er een in de linker achtertas en de andere rechts achter. Daarmee bleef het evenwicht bestaan, maar werd de fiets wel ongeveer anderhalve kilogram zwaarder. Toen ik verder reed, prees ik mij gelukkig, dat ik stripverhalen verzamelde in plaats van stenen of oude transformatoren. Postzegels zijn natuurlijk fietsreisvriendelijker dan stripverhalen, maar daarvoor ben ik nooit erg warm gelopen. Sigarenbandjes wel, maar toen ik er op mijn tiende jaar twintig schriften mee volgeplakt had (bolgeplakt eigenlijk, ze stonden stijf van de gluton), allemaal dezelfde van de sigaren die mijn grootvader rookte, en ik me ging afvragen wat ik er verder mee moest doen, ging de glans er langzaam vanaf. Einde verzameling.

Foto 2: Zomaar een bladzijde uit een van de Becassine-albums.

Bij het klimmen om het dal van de Loire uit te komen, voelde ik de Becassines tegenwerken, maar dat herinnerde mij steeds aan de fantastische aanwinst voor mijn verzameling, waardoor het klimmen mij psychologisch gezien lichter viel.

            In de verte rees een puntvormige berg uit de voorgrondheuvels omhoog, de Gerbier de Jonc. Daar bevond zich de bron van de Loire.

Foto 3: De Gerbier de Jonc in de verte.
Foto 4: De Gerbier de Jonc van dichtbij met aan de voet een restaurant.

Naast het restaurant aan de voet van de Gerbier de Jonc bevond zich een waterbak met een bronnetje. Dé bron van de Loire volgens een man van het restaurant, die het kon weten! Ik zette er mijn bidon, na die gevuld te hebben met zuiver Loirewater, naast om te laten zien hoe klein die toch vrij grote rivier in zijn prilste begin is.

Je kon naar de 1551 meter hoge top van de Gerbier klimmen en dat hoorde er een eigenlijk wel een beetje bij, vond ik. Het was maar een hoogteverschil van 134 meter. Wel was het hier en daar nogal steil, maar er hingen op moeilijke passages kabels en touwen om de klim ook mogelijk te maken voor minder ervaren berggeiten, dus moeilijk was het niet.

Foto 6: Klim naar de top met behulp van een stuk touw waaraan je je kunt optrekken.

Er waren meer toeristen die naar boven gingen, waardoor het op de top wat weg had van het strand van Scheveningen op een zonnige Hemelvaartsdag.

Foto 7: Boven op de 1551 meter hoge Gerbier de Jonc.

Blijkbaar was het gebruikelijk om, als je deze klim volbracht had, hier een steen op een andere te leggen, zoals pelgrims vaak doen. Sommigen bouwden hele torentjes van stenen.

Foto 8: Een toekomstige, veelbelovende bouwmeester was bezig met zijn tweede Creatie in Steen op de top van de Gerbier de Jonc. Deze toren moest nog hoger dan zijn vorige worden: wel drie meter! Een spannende onderneming! Eén steentje ergens onderin een millimeter verkeerd geplaatst en je loopt de kans dat het hele zooitje bij 2,99 meter, juist als je op je tenen staat om de kroonsteen te leggen, in elkaar stort.

Een meter of honderd voorbij het restaurant stond de Ferme de la Loire, waarin zich volgens een bordje aan de muur de geografische bron van de Loire bevond. Wat daar precies mee bedoeld werd, was me niet duidelijk. Was er dan ook een geologische, geometrice of geodetische bron? Mogelijk wilde de eigenaar van de boerderij hiermee duidelijk maken dat dit de echte bron van de Loire was en dat dat straaltje naast het restaurant ‘toeristische nep’ was om klanten naar het terras te lokken.

Foto 9: Source geographique de la Loire.
Foto 10: Een straaltje zuiver Loirewater binnen in de ferme; de geografische bron van de Loire.
Foto 11: Een kilometerpaaltje buiten markeerde de bron van de Loire met de afstand naar St. Nazaire er op geschilderd, waar zich de monding van deze rivier bevindt.

Het begon me deze dagen op te vallen dat ik nauwelijks buitenlandse auto’s zag rijden, of eigenlijk alleen maar buitenlandse auto’s, want voor mij zijn Franse auto’s uiteraard buitenlands. Een Nederlandse auto had ik al in geen dagen meer gezien, terwijl het er andere jaren van wemelde en ook Duitsers, Belgen en Engelsen, waar er normaal nogal wat van op de been, of beter: op de wielen zijn, zag ik nauwelijks. Maar het was nu ook niet normaal, want  Koning Corona regeerde met harde hand over de wereld en dus ook over Frankrijk en waarschijnlijk weerhield dat vele potentiële vakantiegangers om op reis te gaan. Kort nadat Frankrijk zijn confinement had opgeheven (lock-down in het Nederlands, maar is er geen mooier Nederlands woord voor? Zoiets als ‘opslottoestand’?) ben ik vertrokken vanuit Drenthe richting zuiden, maar het normale zomertoerisme was nog ver van hoe het andere jaren om deze tijd was. De campings waren erg rustig en het was een zegen bij een ramp, dat er geen discotheken bezig waren onschuldige oren met hun akoestische geweld te geselen. ‘Rustig’ zou je het kunnen noemen, maar als nadeel had dat weer dat er nogal wat campings gesloten waren. Bij het niet vinden van een camping kon ik natuurlijk gewoon mijn tent in het wild opzetten. De corona-epidemie leverde mij geen grote problemen op, maar er waren twee probleempjes naast het risico zelf de ziekte te krijgen: Ten eerste begon ik op een zeker moment enigszins benauwd te worden voor een tweede opslottoestand, (om mijn nieuwe woord maar meteen Nederland in te slingeren), waarna ik misschien voor onbepaalde tijd vast zou kunnen komen te zitten, iets wat me zeer beslist niet aanlokte. En ten tweede hoopte ik op een camping of ergens onderweg een Nederlander met een auto te treffen die dicht bij mij in de buurt woonde en die ik mijn twee Becassines kon meegeven, zodat ze minder zouden lijden van het honderden kilometers schudden en bonken in de fietstassen. Dat zou mij dan ook van dat extra gewicht verlossen. Maar voorlopig kon ik nog ‘genieten’ van dat extra gewicht dat mij op elke klim herinnerde aan die geweldige vondst op de rommelmarkt van Retournac, want ik zag voorlopig geen enkele landgenoot.

            Met enkele Fransen sprak ik over de mogelijkheid van een tweede confinement, maar de meesten verwachtten geen nieuwe meer. Wel zouden er plaatselijke opslottoestanden kunnen worden ingesteld, maar als ik juist in zo’n plaats zat, waar die inging, zou ik natuurlijk ook vast zitten. Al met al was en is het toch een nare en ook wel enigszins gevaarlijke plaag die het land en de hele wereld teistert. Daarom begon ik al te overwegen om mij niet aan mijn volledige plan van 3 maanden fietsen te gaan houden, maar mijn tocht, vooral als de berichten slechter zouden worden, in te gaan korten.

            Het viel me ook op, dat de Fransen, hoewel mondkapjes in winkels verplicht waren, over het algemeen niet zo benauwd waren voor corona. Allereerst diende er een onderlinge afstand van één meter in acht gehouden te worden in plaats van anderhalve meter, zoals bij ons en verder was het vaak zo dat als ik ergens de weg vroeg en de gevraagde het ook niet precies wist, hij het opzocht op zijn telefoon en dan pal naast me kwam staan om mij het schermpje te tonen. Dan zou ik eigenlijk, alsof hij melaats was, moeten terugdeinzen, maar zoiets maakt toch een rare en onplezierige indruk, waardoor ik dat dan niet deed, hopende dat hij niet melaats was en ook niet ‘gekroond’. Ook als ik bij mensen werd uitgenodigd werd voor een aperitief, wat nogal eens gebeurde als ik bijvoorbeeld vroeg of ik mijn tent ergens op hun land mocht opzetten, viel het mij op dat er geen mens die meter in acht nam. Het was allemaal een beetje griezelig, onzichtbaar en ongrijpbaar, waardoor er om deze reis een merkwaardige, enigszins bedreigende sfeer hing.

Foto 12: Een verkeersbord langs de weg,  Zo langzamerhand krijgt zo’n bordje, waarmee automobilisten op het hart gedrukt wordt fietsers niet ondersteboven te rijden, een nevenbetekenis.

La Garde Guerin, iets ten noorden van Villefort was weer een fraai oud gerestaureerd dorpje, net als Chambles en ook hier stond een toren waar je binnendoor, eveneens over een steil nauw trapje, omhoog kon klimmen om de omgeving te bekijken.  Deze toren was in tegenstelling tot die van Chambles vierkant, maar de overeenkomst was dat je je door smalle openingen moest wringen om boven te komen. Luctor et emergo. Ik worstelde en kwam boven zonder klem te geraken. Vandaar zag ik in noordelijke richting een mooie rotsachtige kloof en in het westen, beneden me, het aardige dorp met zijn natuurstenen huisjes.

Foto 13: Entré van het dorpje La Garde Guerin.
Foto 14: De vierkante toren van La Garde Guerin.
Foto 15: La Garde Guerin, gezien vanaf de toren.

Het plaatsje ligt op de oude Romeinse route van de Middellandse Zee naar Auvergne. In de Middeleeuwen, werden er nogal eens reizigers overvallen en daarom liet de bisschop van Mende hier een burcht bouwen van waaruit de rovers bestreden konden worden. Deze toren is daar nog een overblijfsel van. Om de route te kunnen gebruiken moesten reizigers hier tol betalen. Die tolpost is al lang geleden opgeheven, de weg is geasfalteerd, het wemelt er niet meer van de bandieten en op sommige plaatsen van de route tussen de Middellandse Zee en Auvergne is cola te koop, dus einde romantiek. In ieder geval fietst het er nu een stuk rustiger dan in die woelige tijd van de bisschop van Mende. Toen kon je het fietsen hier rustig helemaal vergeten.

Ik daalde weer af. Luctor et descender, oftewel er moest weer geworsteld worden om heelhuids beneden te komen. (Als deze vertaling fout is, is dat de schuld van de vertaalmachine op mijn computer).

Na nog wat fotootjes gemaakt te hebben vervolgde ik mijn reis naar Florac, waar ik een wandeling wilde gaan maken naar de Causse Mejean, een hoogvlakte doorsneden door meerdere kloven. Eén van die kloven is de Gorges du Tarn. Daar gaan we de volgende keer een kijkje nemen.

Standbeeld van Jeanne d’Arc in Vaucouleurs

Bericht 4. 27 September 2020

Het is alweer een tijdje (te lang!) geleden dat ik mijn vorige bericht (3) schreef. De reden dat dit 4e bericht zo lang op zich heeft laten wachten is dat ik de laatste tijd erg druk (voor mijn doen zelfs te druk!) ben geweest met het doornemen van de proefdruk van mijn nieuwe boek. Dat werk is nu klaar zodat er wat tijd vrij komt om de draad van mijn feuilleton (digiton) over mijn reis door Frankrijk van afgelopen zomer weer op te nemen. Het boek ‘De magische vijfduizendmetergrens’ over mijn reis door Zuid Amerika, waarmee ik dus zo druk ben bezig geweest, verschijnt volgens de planning van de uitgever (Elmar) in november.

Foto 1: Mijn nieuwe boek dat in november zal verschijnen.
Foto 2: Uit de brochure van Elmar.

En nu terug naar Noord Frankrijk, waar ik de Maas volgde tot de bron. Voordat ik bij die bron kwam fietste ik het plaatsje Vocouleurs binnen, de plek van waaruit Jeanne d’Arc op 23 Februari van het jaar 1429 vertrok om de Engelsen, waarmee Frankrijk in oorlog was, te bevechten, althans volgens de legende, want de historici zijn het er nog niet over eens of ze wel echt heeft bestaan. 

Foto 3: Bordje waarlangs ik Vaucouleurs binnenreed.
Foto 4: Groot standbeeld van Jeanne d’Arc in Vaucouleurs

“Al is het niet zeker of onze Jeanne ooit heeft bestaan, een fors standbeeld en een mooi stukje geschiedenis hebben we in ieder geval wel,” zullen chauvinistische Fransen denken.

Jeanne vertrok die 23e Februari 1429 door de Porte de France, die er nu (misschien hier en daar wat opgeknapt) nog staat. In die tijd zal er wel een flinke stadsmuur om het plekje hebben gestaan, vandaar dat ze door de poort reed in plaats van gewoon er omheen.

Op een bordje staat vermeld dat de lindeboom schuin achter de poort al bestond bij het vertrek van Jeanne (nu 591 jaar geleden!) en dat die boom hierdoor zo blij was dat hij meteen geheel groen in het blad kwam te staan (dus nog hoog en breed in de winter!! Een vroeg voorjaar, waarschijnlijk, hoewel de opwarming van de aarde toen nog niet in gang was gezet.)

Foto 5: Porte de France, waar door Jeanne d’Arc vertrok om de Engelsen te bevechten. Schuin rechts er achter de wonderlijke lindeboom, die zich op 23 Februari uit vreugde plotseling geheel in het groen tooide.

In 1890 (volgens een ander bordje) begon men in Vaucouleurs aan een groot project: het bouwen van een maar liefst 60 meter hoge kerktoren. Hier bleek de ambitie groter te zijn dan de toren hoog werd. Toch werd het bouwwerk uiteindelijk al gauw (refererend aan mijn fiets er naast) een meter of zeven hoog, misschien wel acht!

Foto 6: Mijn ongeveer 1 meter hoge Santos naast de nog (steeds) niet afgemaakte kerktoren van Vaucouleurs.

Verder op mijn tocht naar het zuiden van Frankrijk zag ik op een bordje dat ik 563 km bij Rotterdam vandaan zat, de plek waar de Maas uitmondt in zee. Het was daar nog maar 23 km naar de bron. Als beide bordjes juist zijn kan daar de lengte van de Maas slechts bij benadering uit berekend worden, want een rivier neemt nu eenmaal bochten, terwijl de kortste weg (van 586 km) over wegen gemeten zal zijn, waarbij men bij de aanleg ervan bij voorkeur niet al te kwistig is geweest met het leggen van bochten.

Foto 7: Rotterdam 563 km. (Gemeten over de rivier of over de weg?)

Dit was tevens een goede plek om een trapper, ketting of ander vitaal onderdeel van je fiets kapot te trappen, want hier was een werkplaats waar gesleuteld kon worden en bovendien kon je er waarschijnlijk ook onderdak vinden. Aan mijn fiets bleef alles uiteraard heel (‘Build for life’ stond er in de brochure en tot nu toe was er geen enkele reden om daaraan te twijfelen) Ik fietste dus vrolijk verder en zette die avond mijn tent op de camping van Montigny le Roi. De volgende dag, een rustdag, maakte ik verlost van mijn baal bagege een ritje naar de plek waar de Maas zomaar uit de grond omhoog kwam. De bron van de Maas! Het water was hier nog zo helder dat je alleen de bruine aarde op de bodem zag. Op een monumentje naast de bron stond de loop van de Maas aangegeven.

Foto 8: Bron van de Maas.

Terwijl ik deze erg spectaculaire plek bekeek, links van de weg een paar bomen en rechts een weiland met koeien (witte zelfs!!) stopte er een auto. Er stapte een gezin uit dat natuurlijk net als ik razend enthousiast in het rond begon te fotograferen, want je komt niet elke dag langs de bron van een grote rivier. Hun aanwezigheid bespaarde mij meteen het gebruikelijke geknoei met de uitschuifbare selfie-stick.

Foto 9: Ik met mijn fiets voor de bron van de Maas. Een plaatje voor in het grote plakboek.
Foto 10: DE Maas! Niet te geloven dat er verderop grote supertankers over dit stroompje varen.

Terug op de camping van Montigny le Roi ontmoette ik een Nederlander uit Wolvega, die daar met zijn tent en auto stond. Aangezien ik tot hier toe op kookgebied nog maar weinig opzienbarends had gepresteerd en het er naar uit zag dat het verderop ook niet veel opzienbarender zou worden, vroeg ik hem of hij mijn brander, pannen, benzinebidon, bestek en andere keukenartikelen mee naar huis wilde nemen, dan zou ik die na de reis bij hem in Wolvega op komen halen. Hij vond dat geen bezwaar en zo bespaarde mij dat een hoop gewicht en ook dagelijks flink wat kook gepruts. Mijn culinaire kunsten beperkten zich van toen af tot het opentrekken van een blik bonen of groente en het koud naar binnen lepelen van de inhoud. Natuurlijk vulde ik De Schijf van Vijf (ik ben overigens twee van die vijf punten van vergeten) aan met rauwe groente, fruit en pinda’s, terwijl ik mij zo nu en dan trakteerde op een zak patat uit een snackbar.

Verlost van dat gewicht trapte ik mijn fiets soepeler over de heuvels heen, wat het plezier in de tocht ten goede kwam, terwijl het gastronomisch gehalte van de reis er, zoals uit het voorgaande duidelijk zal zijn, niet onder leed.

De volgende dag kwam ik, iets ten zuiden van Langres, bij de bron van een andere rivier: de Marne.

Foto 11: Een halve kilometer naar de bron van de Marne.

Hier was het landschap boeiender dan dat rond de bron van de Maas met flinke kalkstenen rotspartijen en grotten in de bodem. Alles heel fraai voor foto’s ware het niet dat het hele rotscomplex overgroeid was met een al even prachtig bos. Door die hoeveelheid uitbundige vegetatie en mooie natuur was er dus eigenlijk niets te fotograferen. Wel waagde ik er nog een plaatje aan.

Foto 12: Een plaatje vanuit een grot vlak bij de bron van de Marne.

Interessant was een bordje bij de bron, waarop stond dat de afstand van hier tot waar de Marne in de Seine vloeit groter is dan de afstand van de bron van de Seine tot de samenvloeiing van beide rivieren. Daaruit volgt dat de Seine die door o.a. Parijs vloeit en bij Le Havre in de Atlantische Oceaan stroomt, eigenlijk ‘Marne’ zou moeten heten, aangezien de langste stroom normaal als de eigenlijke rivier beschouwd wordt.

Een dag of vijf later en een kilometer of 15 ten westen van St. Etienne, fietste ik omhoog naar het pittoreske middeleeuwse dorpje Chambles. Vandaar had ik een mooi uitzicht op weer een andere belangrijke rivier, de Loire, die in de diepte om het plaatsje heen stroomde.

Foto 13: De Loire in de diepte met op de voorgrond een stukje van het oude kerkje.

Er stond ook een 18 meter hoge toren, waarvan men vermoedt, dat hij uit de 9e eeuw dateert.

Foto 14: De 9e eeuwse toren in Chambles.

Toevallig (of waarschijnlijker: expres) bedraagt de omtrek ook 18 meter, waaruit te berekenen is dat de hoogte 3,14 maal de diameter bedraagt. Volgens het informatiebord, waar ik al deze kennis vandaan had, was de muur 1,40 m dik en daaruit volgt dat er binnen maar een ruimte met een diameter van 18 : 3,14 – 2 x 1,40 = 2,90 meter overblijft. Dat laat dus niet veel plaats over voor een trap. En dus klom ik via een smal, erg steil wentelend trapje naar boven, waarbij ik me een aantal malen door een nauwe opening moest wringen. ‘Op eigen risico’, stond er bij. Ik vind dat altijd een merkwaardige uitdrukking: op eigen risico. Volgens mij is het hele leven op eigen risico. Als ik thuis de trap af loop is dat ook op eigen risico en daar staat geen waarschuwingsbordje bij. In ieder geval kwam ik zonder builen op mijn hoofd en zonder klem te komen zitten boven, vanwaar het uitzicht nog verder reikte dan vanaf de begane grond.

Foto 15: Het smalle trapje binnen in de toren, recht naar beneden gefotografeerd.
Foto 16: Uitzicht vanaf de toren op de kronkelende Loire.

Ook het interieur van het kerkje was een bezoek waard. Er waren kleurige glas in lood ramen te bewonderen.

Foto 17: Een glas in lood-raam in het kerkje van Chambles.

In de volgende aflevering gaan we naar de bron van de Loire. Hoewel het vandaag niet 1 Januari is, heb ik toch een goed voornemen, namelijk om u minder op die aflevering te laten wachten, dan u op deze heeft gewacht. Ik ga de frequentie van mijn blogverhalen over mijn reis door Frankrijk opvoeren.