Firdausi en Rudaki

Bericht 21

De twee voorgaande berichten waren passages uit mijn boek ‘In de ban van Stempelstan’, Een reis door Centraal Azië.

Hier volgt weer een fragment uit datzelfde boek. Ik zit dan bij een duur en slecht restaurant in de oeroude stad Buchara te bladeren in een reisgids.

Het boek is onlangs herdrukt, waarbij het een nieuwe voorkaft heeft gekregen. Ik heb bij die eerste druk namelijk lange tijd getwijfeld tussen een aantal verschillende foto’s voor dat voorblad. Uiteindelijk is het die met die hoge minaret in Buchara geworden, die er een beetje uitziet als het handvat van een stempel, waarmee een immigratiebeambte een stempel in mijn pas plaatst. Helaas verviel daarmee de tweede keuze, een mausoleum in Samarkand, maar die is het dus bij de tweede druk geworden.

20190524_005547
Voorkaft eerste druk.
20190524_005329
Voorkaft tweede druk.

Daar ik nog ongeveer 20 foto’s heb die alle ervoor in aanmerking komen de voorkaft te sieren, zou het niet slecht zijn als het boek nog twintig maal herdrukt gaat worden. Voor elke druk een andere foto. Leuk om t.z.t. 22 verschillende exemplaren van hetzelfde boek in uw boekenkast te hebben staan.

 

Firdausi en Rudaki

Op het terrasje van een toeristenrestaurant naast een vijver in het centrum van Buchara zit ik wat in mijn reisgids te bladeren. Ik heb me zojuist getrakteerd op een etentje, maar een traktatie was het niet: taaie, twee weken oude patatten en een tot een rubberplak gebakken ei, waarmee je een gat in je buitenband zou kunnen dichten. Morgen ga ik voor een vijfde van de prijs in een tentje in de straat iets goeds eten, want daar kunnen ze zich, omdat de lokale bevolking er ook komt, niet permitteren om rommel te bakken. Dan loop ik ook geen kans op een maag- en darmcatarre, wat ik hier nog maar moet afwachten.

Lezend in zo’n gidsje verbaas ik me er elke keer weer over hoe weinig wij in Europa weten van de geschiedenis van Azië. Karel de Vijfde, de Slag bij Nieuwpoort, Jacoba van Beieren, de Batavieren en de Watergeuzen, daar weten we alles van en over Alexander de Grote, Julius Caesar, Napoleon en Cromwell kunnen we ook het een en ander vertellen, maar wie heeft er ooit gehoord van bijvoorbeeld de Manguten, die in1785 de macht in Buchara overnamen, waardoor de stad een Perzisch emiraat werd? En van Nashrullah Khan, die van 1826  tot 1860 over Buchara regeerde? Een film over zijn leven zou nochtans spectaculairder zijn dan Rusland-Nederland, ook al zou die match in een 0-10 overwinning voor de oranjehemden eindigen, want alleen al om aan de macht te komen, liet deze Nashrullah drie broers onthoofden en 28 familieleden vermoorden. En op zijn sterfbed regelde hij nog even dat zijn vrouw en drie dochters over de kling gejaagd werden, waarschijnlijk om niet eenzaam te worden in het hiernamaals. Daarentegen weet iedere Nederlander dat Floris de Vijfde door de edelen werd vermoord.

Ver voor de tijd dat er ooit iemand van Amsterdam had gehoord, was Buchara al een enorm belangrijke stad. In 1997 vierde het zijn 2500-jarig bestaan, wat dus betekent, dat in de zesde eeuw voor Christus de eerste steen al gelegd werd. In de negende en tiende eeuw werd het de hoofdstad van het rijk der Samanieden en ontwikkelde het zich tot een belangrijke stop op de Zijderoute. Met 300.000 inwoners was Buchara voor die tijd een enorme metropool, te vergelijken met New York, Parijs en Tokio nu. Na Mekka was de 300 moskeeën en vele medressen tellende stad het belangrijkste islamitische centrum ter wereld. En desondanks moet ik eerlijk bekennen dat ik mij zelfs niet kan herinneren dat er vroeger op school ooit over Buchara is gesproken, maar misschien heb ik toen niet goed opgelet, wat wel vaker gebeurde.

En wie kent Firdausi en Rudaki? Ja ik, want ik lees hier juist dat ze de Buchariaanse Shakespeare en Goethe waren. Newton en zijn wetten kennen we allemaal en we weten ook te vertellen over die appel die hij op zijn hoofd kreeg, waarna hij, om daarmee een beetje leuk creatief bezig te zijn, even de differentiaal- en integraalrekening uitvond en vervolgens de banen van de planeten berekende, maar ik wed dat als ik een willekeurig iemand op het Spui in Den Haag aanspreek en vraag wie Ibn Sina was, hij of zij toch wel even diep zal moeten nadenken, voordat er een antwoord komt. En toch was die Ibn Sina de Perzische Newton.

Rond 1220 werd Buchara door de Mongolen verwoest. Alles aan puin. En waarom eigenlijk? Dat steden veroverd werden door despoten kan ik nog een beetje begrijpen, maar waarom moest dan meteen ook alles kort en klein geslagen worden? En toch staat de geschiedenis stijf van dit soort gruweldaden. In de zestiende eeuw kwam de stad weer tot nieuw leven als hoofdstad van de Sheibanieten. De handel bloeide weer op onder andere door de passerende karavanen uit Rusland, India en Perzië en met de florerende slavenmarkt was natuurlijk flink wat te verdienen. Maar ook Khan Sheibanied Ubaydallah, die regeerde van 1512 tot 1540 en Abd al-Aziz, die van 1540 tot 1552 aan het roer stond waren voor mij onbekende namen en ik ben er vrij zeker van, dat als ik deze gids dichtsla, het binnen twee minuten opnieuw onbekende namen voor me zullen zijn.

En nu sla ik het gidsje ook dicht. Tijd voor actie, want als je de moeite hebt genomen om naar Buchara te fietsen, ligt het voor de hand om de stad niet alleen uit een gidsje te leren kennen, vruchteloze pogingen te ondernemen om vreemde namen en jaartallen uit je hoofd te leren en plaatjes te kijken, maar ook om de stad in natura te bekijken. Urenlang loop ik door kromme pittoreske straatjes en langs imposante, met blauwe tegels belegde moskeeën, gekroond met turquoise, in de zon glimmende koepels. De poort van menige moskee en medresse is zo hoog dat een giraffe er op z’n tenen lopend en met gestrekte hals makkelijk onderdoor kan. Maar nog veel hoger zijn de sierlijke, taps toelopende, overal bovenuit torenende minaretten.

S6300342.JPG
Moskee in Buchara.
S6300339.JPG
Poort waar een op zijn tenen lopende giraffe met gestrekte nek onderdoor kan.

Via de stadsmuren die helaas wat al te gladjes zijn gerestaureerd, maar waar gelukkig ook nog wat originele, door de tand des tijds aangevreten stukken in zitten, kom ik bij de Ark, een oud ommuurd stadsdeel met een fort. Ik haal mijn reisgids uit mijn rugzakje en lees dat de eerste citadel hier gebouwd is door Siyavash ibn-Keikavus, de schoonzoon van de dochter van Afrasiab, maar dat is slechts een legende. Ik ben blij dat ik na mijn reis hier geen examen in hoef te doen. Veel ligt er in dit stadsdeel nog in puin. In de loop der eeuwen is het diverse malen verwoest. Op zo’n manier kun je wel bezig blijven. Vier jaar geleden ben ik ook in Buchara geweest, op mijn fietsreis naar Tibet, maar in de Ark is men nog niet erg opgeschoten met de restauratiewerkzaamheden. De oude stadswallen ten westen van de stad zijn daarentegen sinds mijn vorige bezoek rigoureus gerestaureerd, waardoor ze nu wat weg hebben van de Afsluitdijk. Ik vraag me af waar je, uit historisch oogpunt beschouwd, beter mee bent: authentiek puin of steriel metselwerk dat er weer vijf eeuwen tegen kan.

S6300304.JPG
Rigoureus gerestaureerde stadswal met gelukkig nog een authentiek stukje er in.

Terwijl ik zo ontspannen door deze stad met zijn vele moskeeën en Koranscholen loop, valt het mij op dat, hoewel Oezbekistan een islamitisch land is, de islam er veel minder merkbaar bedreven wordt dan in landen als Egypte, Pakistan en het Midden-Oosten. Vrouwen zie je hier niet gesluierd, maar hooguit met een hoofddoekje, de oproep tot het gebed, die in andere islamitische landen vijfmaal per dag van de minaretten schalt, hoor je hier niet of nauwelijks en hoogst zelden zie je iemand zijn gebedsmatje uitrollen. Deze zelfde gematigde islam heb ik ook in Azerbaijan en Turkmenistan ervaren.

S6300362.JPG
Kleurrijk marktje in de buurt van Buchara.

Op de terugweg naar mijn pension kom ik langs de tapijtenmarkt waar prachtige grote tapijten over muren hangen om de toerist in verleiding te brengen. Aarzelend loop ik langs een fraai  geweven exemplaar van 8 bij 10 meter en overweeg mijn beurs te trekken, maar ik zie er toch van af. De volgende keer kom ik met een auto ten behoeve van mijn souvenirverzameling, die nu nog slechts uit een paar reageerbuisjes woestijnzand bestaat.

S6300321.JPG
Een mooi tapijt, maar te zwaar voor achterop de fiets.

 

Een nep-mausoleum en een sprekend horloge.

De route van Ashgabat naar Mary gaat door vlak, en over het algemeen eentonig land. Veelal is het woestijnachtig, maar er zijn ook grote stukken omgeploegd bouwland. Een paar keer zie ik een dorpje, meestal een reuze eind van de weg, en verder kom ik af en toe langs een cafeetje. De weg is nogal druk, voornamelijk door vrachtwagens geladen met zand. Waarschijnlijk wordt er verderop aan de weg gewerkt, maar waarom het zand over zulke grote afstanden wordt vervoerd, terwijl het in dit woestijnachtige land vrijwel overal voor het opscheppen ligt, is me niet duidelijk. Door al dit zware verkeer, nog aangevuld met grote Turkse vrachtwagens, is het asfalt verbrokkeld, gescheurd en vol gaten waarvan sommige zo groot zijn als badkuipen. Op andere plaatsen heeft de verwoesting van de weg een nog mooiere vorm aangenomen. Daar is door de vrachtwagenbanden het asfalt diep naar beneden geperst, met als gevolg dat de teer naast die geulen als zachte boter omhoog is gestuwd, wat prachtige lange asfaltranden van 20 cm hoogte heeft opgeleverd.

In het plaatse Hauz Han houd ik een theestop omdat mijn ontbijt, vanochtend vroeg bij de tent, niet grandioos was: oud, hard, droog brood met kaas die bij temperaturen van 33 à 35 graden is omgevormd tot een zeemlap drijvend in gele olie. In een winkeltje vind ik Sovjet-koek, die los per kilogram wordt verkocht. Er bestaan verschillende soorten van die alle in grote, open dozen op de planken achter de toonbank staan. Mijn favoriete soort, laagje koek-laagje suiker-laagje koek, etc, soms wel zeven maal, is hier gelukkig ook te koop. Ik neem er meteen een halve kilogram van. Het vervelende van dit type is echter, dat de eerste tien makkelijk naar binnen glijden, waarna je er eigenlijk genoeg van hebt, maar dat je om de een of andere duistere reden door blijft kauwen totdat de zak leeg is. Daarom is het verstandiger om er maar 250 gram van te kopen dan een halve kilogram. Eens heb ik er een hele kilogram van gekocht, maar daar wacht ik me in het vervolg wel voor.

Na dit additionele  koekontbijt, dat me toch niet echt een erg voldaan gevoel geeft, of eigenlijk een té voldaan gevoel, vervolg ik mijn tocht in de richting van het plaatsje Mary, dat meer uitgestrekt dan mooi blijkt te zijn. Dertig kilometer daar voorbij ligt het oeroude Merv. Terwijl ik langs de resten van de aarden wallen rijd, kan ik me moeilijk voorstellen dat deze stad in de 11e en 12e eeuw de hoofdstad was van het rijk der Seldjoeken en tevens een islamitisch centrum dat in belangrijkheid Damascus, Caïro en Bagdad naar de kroon stak. Van de stad vol paleizen, moskeeën, karavansarais, medressen en andere gebouwen, die vroeger ongeveer 350.000 inwoners telde, is niet veel meer over dan hier en daar een trieste, door weer en wind weggevreten klomp leem in een vrijwel lege kale vlakte. Erosie is overigens niet het enige waarvan Merv in de loop van zijn bestaan te lijden heeft gehad. De stad is vele malen door veroveraars verwoest en daarna weer opgebouwd. Een van de zonen van de grote Mongoolse aanvoerder Djenghis Khan probeerde zijn pa in 1221 te overtreffen door de stad met de grond gelijk te maken en de totale bevolking over de kling te jagen. Tegen de 15e eeuw was Merv er weer wat bovenop, maar in 1795 was het de emir van Buchara die het nodig vond de boel plat te gooien. Sindsdien is het de tand des tijds die aan de resten van Merv geknaagd heeft.

S6300226

 

Great Kyz Kale, een rechthoekig bouwsel, iets buiten de wallen, ziet er, ondanks dat het uit de 7e eeuw stamt, best aardig uit. De muren staan nog grotendeels overeind en reiken tot circa 15 meter hoogte. Daarentegen lijkt Little Kyz Kala, dicht ernaast en uit dezelfde tijd, meer op een kies, waarmee je te hard op een Frans stokbrood van drie maanden oud hebt gebeten. Beide gebouwen dienden in de 12e eeuw voor religieuze plechtigheden.

S6300233
Great Kyz Kala
S6300236
Little Kyz Kala

In de 20e eeuw zijn er wat gebouwen gerestaureerd en daaronder neemt het kubusvormige, 38 meter hoge en te netjes tegen de andere ruïnes afstekende mausoleum van Sultan Sanjar uit de 12e eeuw een dominerende plaats in. Deze sultan was niet uit al te menslievend hout gesneden. Hij liet zijn mausoleum al tijdens zijn leven bouwen, om er zeker van te zijn dat het gebouw aan zijn nogal hoge eisen voldeed. Er zat toen een enorme koepel op van turquoise tegels die op een afstand van een dagreis nog te zien was. De sultan was de bouwmeester die dit wonder tot stand had gebracht erg dankbaar, maar in plaats van hem een pluim te geven en wat loonsverhoging, liet hij hem executeren om te voorkomen dat de goede man voor een andere sultan een zelfde, of misschien nog wel een iets mooier mausoleum zou neerzetten. Architect van een hotemetoot was in die tijd dus een niet ongevaarlijk beroep: als je een lelijk mausoleum bouwde ging je hoofd er af, omdat het te lelijk was en als je een mooi mausoleum bouwde ging je hoofd eraf omdat het te mooi was. De kunst was dus om zo te bouwen dat het juist niet te lelijk en ook niet te mooi was, hoewel je dan het risico liep dat je hoofd er af ging omdat sultans als Sanjar waarschijnlijk niet van middelmatig werk hielden. Onze Sanjar was ook bang voor grafrovers. Stel dat die met zijn mooie spulletjes, die naast hem begraven zouden worden, aan de haal zouden gaan, of erger nog, met zijn botten en schedel! Dat zou toch wel erg vervelend zijn en daarom gaf hij order dat hij na zijn dood op een andere, geheime, plaats begraven zou worden. Waarom dan zoveel moeite gedaan voor een mausoleum als het toch allemaal nep is?

S6300256.JPG
Het zwaar gerestaureerde mausoleum van sultan Sanjar.

 

Voorbij Merv loopt de asfaltweg naar het noordoosten door een  woestijn van dorre struikjes tussen kleine zandduinen. Ook hier is het asfalt kapotgereden door zware vrachtwagens. Door een stugge wind die ik schuin tegen heb gaat het fietsen vandaag moeizaam. Als ik na 38 km bij een theehuisje kom, permitteer ik me dan ook een ruime pauze. Te ruim moet die echter niet zijn want vandaag wil ik 120 km rijden, zodat ik morgenmiddag de grens met Oezbekistan, die volgens mijn gids om zes uur sluit, nog over kan.

Voor het huisje staat, zoals bij vrijwel al dit soort cafeetjes, een houten plateau, ongeveer 50 centimeter hoog met een kleed erover, waar de gasten op liggen of zitten. Daarop staat een klein  tafeltje voor de theekoppen. Zodra ik plaats neem, wordt er voor mij een kom thee ingeschonken. Van de vier aanwezige Turkmenen spreekt er één een klein beetje Engels. Hij vraagt waar ik vandaan kom en als ik Holland noem zitten we meteen in de voetbalcultuur, want morgen is de grote dag: Rusland-Nederland, de finale van de een of andere erg belangrijke cup. Iedereen heeft het er de laatste dagen over, dus dat belooft razend spannend te worden. De Engelssprekende man wil me een beetje op stang jagen door op te merken: “Russia wins!” en kijkt me daarbij uitdagend aan.

“Nee, toch??” vraag ik alsof ik geweldig schrik.

“Yes, Russian players much better than Holland players!”

“Tsjonge! Dat wordt dan een slapeloze nacht.” antwoord ik.

Een van de anderen krijgt blijkbaar medelijden met me, want hij haalt zijn horloge van zijn pols en overhandigt het mij: “For you!”

P1050531

Kijk aan! Een troostprijs, en dat al een dag voor de wedstrijd. Die heb ik dan toch maar indirect aan mijn elf, bij voorbaat verliezende, landgenoten te danken. Het is een elektronisch horloge, ‘made in China’ met een aantal knopjes erop. Ik druk op het grootste en meteen zegt een verbazend helder metalen stemmetje uit het binnenste van het vernuftige apparaatje: ‘Djesjat  tsjasof ie dwa minuti’. Nogmaals druk ik er op en weer klinkt het: ‘Djesjat tsjasof ie dwa minuti’.

“Time in Russian”,zegt de man die de oranje-nederlaag voorspeld heeft.

Met een druk op een ander knopje klinkt de tsjilp van een merel. Een tweede druk op hetzelfde knopje levert een ‘koekoek’ op en als ik er voor de derde keer op druk kraait er een haan zo luid, alsof het beest pal naast de tafel zit. Bij de vierde druk is de merel weer terug. Het laatste knopje is voor de alarm-instelling. Daarmee kan ik dus de haan op elk gewenst tijdstip laten kraaien. Prachtig, wat een techniek!! Ik bedank de man voor het stuk digitaal vernuft en steek het in mijn zak. Precies wat ik nodig had, want mijn eigen horloge, eveneens zo’n elektronisch wondertuig, maar dan zonder merels, koekoeken, hanen en een stem die de tijd zegt, heeft het kort geleden opgegeven. Het was een reclamehorloge van het een of andere automerk. Als je een proefrit kwam maken met de toen gloednieuwe QZXP34DeLuxe kreeg je dat horloge cadeau. Omdat het mij alleen om het horloge ging hoefde ik de proefrit niet eens te maken. “Hier, neem mee”, zei de garagehouder op een toon, waaruit duidelijk op te maken was dat hij weinig op had met de actie van de autofabrikant, “Wil je er twee? Des te eerder ben ik van de rotzooi af”. Maar rotzooi was het niet. Het plastic geval met stopwatch en datum erbij diende mij trouw voor twintig jaar, waarschijnlijk langer dan de QZXP34DeLuxe zou hebben gedaan.

Ik bestel een tweede kop thee voor een extra suikershot. Als ik die op heb moet ik weer in het zadel, want de tijd tikt door en de grens van Oezbekistan is nog ver. Ik grijp in mijn zak om mijn nieuwe aanwinst te raadplegen en raak daarbij het tijdknopje aan. Meteen klinkt er uit mijn zak, nog voordat ik het horloge tevoorschijn haal: ‘Djesjat tsjasof ie dwasatzeist minuti‘. Handig apparaatje! Je hoeft er dus niet eens op te kijken om te weten hoe laat het is…..als je tenminste Russisch verstaat. Verder dan één, twee, drie ben ik in die taal nog niet, maar misschien leer ik met deze nieuwe aanwinst wel tot twaalf tellen, of zelfs tot vierentwintig!

Ik bedank de man nogmaals voor het horloge, laat de haan als afscheidsgroet twee keer kraaien, wat een applaus van de vier mannen oplevert, en spring op de fiets.

 

Een groot acteur op de verkeerde plaats.

Momenteel ben ik thuis en werk ik aan een boek over een reis door Zuid Amerika. Om toch zo nu en dan wat van me te laten horen, of beter gezegd: van me te laten lezen, zal ik met een zekere regelmaat, hoewel dat bij mij meestal uitdraait op een onzekere onregelmaat, een korte passage plaatsen uit mijn boek ‘In de ban van Stempelstan’, een reis door Centraal Azie.

 

In de volgende passage zit ik met Michael, een jonge Engelse fietsreiziger, die op weg is van Engeland naar Peking, ergens in Azerbeidzjan.

 

S6300105

Hoofdstuk 6

In Qebele, tijdens een pauze in een erg Turks aandoende theetuin, besluiten Michael en ik een zijsprongetje van een dag te gaan maken om wat van de bergen in het noorden te zien, voordat we doorstoten naar Bakoe aan de Kaspische Zee. Door een groene vallei waar een brede rivier met weinig water door stroomt, rijden we geleidelijk omhoog. Ver voor ons uit steekt een met sneeuw bedekte berg van 4400 meter scherp af tegen de blauwe hemel. Het asfalt maakt plaats voor gravel en de weg gaat forser klimmen, om uiteindelijk dood te lopen in Laza, een aardig bergdorpje. Vrij snel vinden we een huis waar we onze fietsen mogen parkeren, waarna we een mooie wandeling van enkele uren maken door een diepe vallei die in de richting van de sneeuwberg voert. Dat we die berg niet zullen bereiken staat bij voorbaat al vast, want hij ligt een fors eind naar het noorden, misschien wel op de Russische grens, maar dat is onze bedoeling ook niet. We willen gewoon een paar uurtjes lekker lopen.

S6300113

S6300134

S6300142

Als we later in de middag terugkeren in Laza geeft de boer bij wie we de fietsen hebben gestald ons toestemming om op een veldje naast zijn huis te kamperen. Na het opzetten van onze tenten halen we onze branders en pannen tevoorschijn, maar nog voor we met de maaltijd aan de slag kunnen werken zich drie soldaten door de menigte naar voren. Een van hen spreekt Engels: “Meekomen naar de kazerne. De commandant wil jullie spreken”.

“Kan het na het eten?” vraag ik.

“Nee, nu!”

Het klinkt eerder naar een paspoortcontrole dan naar een uitnodiging voor een verjaardagsfuif en daarom stribbel ik niet tegen, maar beding wel dat Michael bij de tenten kan blijven om op onze spulletjes te passen. De soldaat stemt daarmee in en onder de nieuwsgierige blikken van enkele toeschouwers volg ik het drietal. Na een kwartier lopen, alles omhoog,  komen we bij de poort van een militair kamp. Een gewapende soldaat maakt die voor ons open, waarna ik naar een gebouw van twee etages gebracht wordt. Bovenaan de trap van de eerste etage staat de commandant met zijn armen over elkaar al op me te wachten en zegt gebiedend: “Come here!”

Ik loop omhoog met de Engels sprekende soldaat achter me aan. De commandant blijkt gelukkig ook Engels te spreken.

“Ga zitten” zegt hij en wijst op een stoel voor zijn bureau. Hijzelf neemt erachter plaats. De soldaat sleept een kruk uit de hoek van het vertrek en gaat naast het bureau zitten.

P1050394

P1050386

“Uw paspoorten”, zegt de commandant kortaf, terwijl hij wat achterover op zijn stoel zit en gewichtig met de vingers van beide handen op het bureaublad trommelt. Ik overhandig hem beide paspoorten.

“Frenk ven Ridjen”, zegt hij, na mijn pas een tijdje bekeken te hebben.

“Zoiets, ja.”

Netherlands.”

“Ja.”

“Amsterdam?”

“Nee, Doldersum.”

“Dat zie ik hier niet staan.”

Ik had natuurlijk de gemeente moeten noemen, want die staat wel in het paspoort. Daarom zeg ik: “Kijk, daar staat Westerveld, ziet u? En daar woon ik.”

“Hoe kun je nu in Westerveld wonen én in Doldersum? Woon je op twee plekken?”

Het ligt me op de lippen om te antwoorden: “Op wel drie: in Doldersum, in Westerveld en in Laza, want beneden in het dorp heb ik mijn tent staan”, maar misschien is hij in een slechte bui en dan werk ik me met dat soort grapjes in de nesten. Daarom leg ik uit dat Westerveld de gemeente is en dat Doldersum daar in ligt. Dus toch één huis in twee plaatsen. De ondervraging gaat nog een tijdje door, waarna hij minutenlang door mijn pas bladert. Dan laat hij zich achterover zakken op zijn stoel, drukt die met zijn rug vervolgens naar achteren, zodat de stoel op twee poten wiebelt, drukt de vingertoppen van zijn beide handen gewichtig tegen elkaar, kijkt mij een tijdje doordringend aan en zegt dan langzaam: ”Weet u dat dit het grensgebied is van Azerbeidzjan en Rusland?”

“Volgens mij is de grens nog een flink eind weg”, antwoord ik.

“Niet zo ver.”

“Ik hoop niet dat ik al in Rusland ben.”

“Nee, u bent in Azerbeidzjan, maar u mag hier alleen met speciale toestemming komen.”

“Sorry, maar ik heb nergens een bord van dien aard gezien en bovendien wordt Laza in mijn reisgids genoemd als het uitgangspunt voor wandelingen in de Kaukasus.

“U twijfelt aan mijn woorden?”

“Absoluut niet! Als u dat zegt is het ongetwijfeld zo. Ik zal meteen schrijven naar de redactie van de reisgids, dat ze de herdruk aanpassen.”

“Wat doen jullie hier?”

“We hebben een wandeling gemaakt.”

“Waar heen?” Het begint serieus te worden, vrees ik.

“En eindje de vallei omhoog en toen weer langs dezelfde weg terug”, antwoord ik.

“Wat zoeken jullie in Azerbeidzjan?”

“We zijn toeristen. We maken een fietstocht van Tbilisi naar Bakoe en nemen dan de boot naar Turkmenistan.”

“Waarom? Wat is de bedoeling van zo’n fietstocht?”

“Michael, mijn tochtgenoot is op weg van Engeland naar Peking om de Olympische Spelen bij te wonen en ik fiets gewoon een eind voor de lol door Azië.”

Voor de lol?” Van zijn gezicht is af te lezen dat hij zich niet kan voorstellen dat iemand voor de lol op een fiets kruipt.

“Ja”, antwoord ik. “Het is erg interessant om op een fiets door Azië te reizen. Of vindt u van niet?”

Weer is het enkele momenten stil in het kazernekot. Dan komt de commandant met een ruk naar voren en leunt met zijn twee ellebogen op het bureau, zijn onderarmen in een driehoek omhoog en de vingertoppen van beide handen weer tegen elkaar. Met zijn gezicht dicht voor het mijne zegt hij afgemeten en onheilspellend: ”We hebben informatie gekregen, dat een jongen jullie de bergen in heeft geleid.”

Aan deze man is stellig een groot acteur verloren gegaan. Een carrière als filmster had hem een hoop meer peculanten opgeleverd dan deze job, ver weg van glimmende auto’s, exclusieve restaurants en ander aards vertier. Bovendien lijkt hij me op het tweedimensionale witte doek een stuk sympathieker dan breeduit in drie dimensies in een somber militair kamp. Inderdaad heeft een aardige jongen van een jaar of veertien, die redelijk Engels sprak, ons de weg gewezen, echter alleen maar tot juist buiten het dorp. Met zo’n grootinquisiteur als die voor me zit, zou ik, als ik niet oppas, die jongen wel eens in moeilijkheden kunnen brengen. Daarom vraag ik onnozel: “Een jongen heeft ons de bergen in geleid? Wat bedoelt u?”

“Volgens onze inlichtingenbron heeft een jongen uit het dorp jullie vergezeld, de bergen in.”

“Wel…..ik zou niet weten…..O, wacht! Ja, nu weet ik wat u bedoelt”, antwoord ik. “We vroegen aan een jongen of we hier ergens een stukje konden wandelen. Hij liep 100 meter met ons mee en wees ons een pad dat omhoog voerde. Daarna ging hij terug.”

“Wie was het?”

“Geen idee. Ik ken nog niet alle jongens van het dorp.”

De commandant mompelt wat tegen de soldaat en legt de twee paspoorten en een schrijfblok voor hem op het bureau, waarna de soldaat ijverig de paspoorten begint over te schrijven.

“Uw beroep?” vraagt de commandant, weer achterover leunend. Als ik nu zeg dat ik schrijver ben heb ik een vlotte kans dat ik hier vannacht gratis onderdak krijg en nog wel achter de tralies. Daarom antwoord ik: ”Ingenieur”, wat geen beroep is, maar wat het altijd wel goed doet.

“Ingenieur? Zo, zo”. Hij trommelt peinzend met zijn vingers op het bureaublad. “In welk vak?”

“Elektrotechniek.” Ik hoop maar dat hier niet ergens een kapotte radio staat, want dan kan ik waarschijnlijk meteen aan de slag.

“En je reisgenoot?”

“Student.”

De soldaat begint aan het tweede paspoort en de commandant zit met een zuur gezicht te broeden op een nieuwe vraag. Dit moment van stilte lijkt me een geschikte gelegenheid om in de tegenaanval te gaan. Daarom vraag ik: “Woont u in Bakoe?”

“Ja”, antwoordt hij. Kijk aan, hij gaat erop in!

“Dat is een mooie stad, heb ik me laten vertellen.”

Bij deze opmerking klaart het gezicht van de man tegenover me wat op en hij antwoordt: “Ja, een mooie stad.”

“Zeker veel fijner dan deze uithoek van de wereld?”

“Jazeker.”

“En in de weekeinden gaat u naar huis? Naar uw gezin?”

“Helaas niet elk weekeinde.”

“Wij zien ook erg uit naar Bakoe en zullen daar over een dag of drie aankomen. Daar willen we een paar dagen rust nemen. Hopelijk komen we u daar dan weer tegen.”

Eerlijk gezegd hoop ik dat niet, maar een beetje lijmen kan in deze situatie geen kwaad.

Met deze wending van het gesprek heb ik de roestige bouten bij de commandant wat losgewerkt. We praten nog wat over de bezienswaardigheden van de hoofdstad en als de soldaat klaar is met de paspoorten laat de commandant me tot mijn opluchting gaan.

 

 

In het volgende bericht weer een hoofdstuk uit dit boek.

De carnavals-trui van Ombúes de Lavalle.

Bericht 17

In de vorige aflevering van mijn digi-ton was ik gebleven in het plaatsje Carmelo aan de Rio de la Plata, waar ik mijn gele trui aan had, die ik voor die gelegenheid 4500 km in mijn bagage had meegevoerd.

In die trui reed ik langs de verderop steeds breder wordende Rio de la Plata naar Conchillas. Daar zag ik bij het strand een grote camper staan met een Nederlandse nummerplaat, een bijzonderheid in Zuid Amerika, want veel Europese nummerplaten zie je hier niet! De achterdeur stond open, maar afgezien van een paar Uruguayanen op het strand zag ik geen mens in de directe omgeving van het voertuig. Aangezien het middag was vermoedde ik dat de eigenaar(s) siësta hield(en). Die hadden zich dus aangepast aan die merkwaardige Uruguayse en Argentijnse gewoonte, waarbij het mooiste deel van de dag in bewusteloos wordt doorgebracht. Een eindje daar vandaan had een groep Uruguayanen tussen een paar bomen een groot tentzeil gespannen, waarschijnlijk om de zon te weren, maar zo bond als de Nederlanders in de camper maakten ze het niet, want er werd niet ‘gesiësteerd’. Toen ik langsfietste wenkten de mensen mij. Ik moest plaats nemen op een stoeltje en werd overspoeld met fruitsap, figuurlijk natuurlijk. Ook kreeg ik een beker met gepeld fruit en werd mij gezegd dat ik die beker en mijn glas, zolang hun voorraad strekte, kon laten bijvullen. Die voorraad grensde uiteraard aan oneindig, want als Uruguayanen, evenals Argentijnen en Chilenen gaan picknicken zorgen ze er goed voor dat het hen aan niets ontbreekt. De gastvrijheid kende dus ook hier geen grenzen. De mensen vertelden dat ze met de hele buurtvereniging uit hun woonplaats Ombúes de Lavalle éénmaal per jaar een uitstapje maakten naar deze plek.

IMG-20190326-WA0000
Picknick bij het strandje van Conchillas.
IMG-20190326-WA0001
Nog een deel van de picknickende groep, want de hele groep paste niet op één foto.
IMG-20190326-WA0002
Een vrachtschip op de Rio de la Plata.

Wat later waren de Nederlanders, Maarten en Gonnie, een gepensioneerd echtpaar dat juist aan een grote reis door Zuid Amerika was begonnen, uitgeslapen. Ik plaatste mijn tent bij hun camper. Toen we tijdens een wandelingetje, later in de middag, binnen ‘het magnetische veld’ van de groep picknickkers kwamen, werd ik opnieuw gewenkt. En weer moest ik plaatsnemen, nu met Maarten en Gonnie er bij. Deze keer was het mate waarop de mensen ons trakteerden, maar het bittere drankje viel niet erg in de smaak bij mijn beide landgenoten en ik moest mijzelf eerlijk bekennen dat ik het ook nog niet heerlijk vond.

IMG-20190326-WA0003
Nogmaals op bezoek bij de buurtvereniging. Maarten links van mij en Gonnie twee plaatsen     rechts van mij. Ik te herkennen aan de Gele Trui.

Op de valreep kreeg ik van een van de mensen nog een prachtig nieuw T-shirt toegestopt van hun plaatselijke carnavalsvereniging. Dat kwam geweldig van pas, want ik heb een goede vriend in Maastricht en met dit shirt kan ik volgend jaar bij hem gaan carnavallen. Net iets voor mij: drie dagen hossen en leut hebben om niks. En als het shirt die drie dagen overleeft (en ik ook, wat bij carnavallen nog maar de vraag is), gebruik ik het volgende zomer in Italië. Aankomst in Palermo, dan niet met de gele trui zoals hier, maar met de rode trui.  

IMG-20190326-WA0004
De carnavals-trui van Ombúes de Lavalle.

Van Conchillas was het nog een korte etappe naar het mooie koloniale stadje Colonia del Sacramento met zijn oude huisjes en hobbelkeien-straatjes. Ik liet mij door een passant fotograferen voor de monumentale vuurtoren. Na een ronde door het centrum reed ik naar de camping, iets buiten de plaats. Daar zette ik mijn tent op en werd prompt uitgenodigd door een groep van vijf Braziliaanse mountainbikers om mee te barbecueën. Natuurlijk ging na afloop de beker mate rond, want ook Brazilianen vinden dat verrukkelijk. Suiker zat er deze keer niet in, geen korrel! En zo hoort het eigenlijk ook. Afgrijselijk!

IMG-20190326-WA0005
Voor de vuurtoren van Colonia del Sacramento.
IMG-20190326-WA0006
Hobbelstraatje in Colonia.
IMG-20190326-WA0007
Oud koloniaal huis in Colonia.
IMG-20190326-WA0008
Het Braziliaanse mountainbike-kamp op de camping van Colonia.
IMG-20190326-WA0009
“Hier! Proef ook eens mijn heerlijke mate!”
IMG-20190326-WA0010
Deze mate zonder suiker was ‘een bittere pil’ voor mij.

‘s Avonds reed ik met de Brazilianen in hun auto mee naar een plek aan de Rio de la Plata om de zonsondergang te zien. Aangezien de barbecue nogal uitgelopen was moest de chauffeur flink doorrijden om nog op tijd te komen. Maar het lukte. We waren precies op tijd om de zon in het water van de Rio te zien weg zakken.

De volgende dag nam ik de ferry (Buquebus) van Colonia del Sacramento naar Buenos Aires aan de overkant van de Rio de la Plata. Daar maakte ik me nogal zorgen over, want het woei flink en een grote zeeheld ben ik niet. Maar het liep allemaal goed af en zonder over de reling te hoeven hangen  kon ik na een uur varen weer Argentijnse bodem betreden en wel vlak bij het centrum van deze miljoenen stad. Een van de eerste dingen die ik er zag, nadat ik de chaotische drukte van de haven achter me had gelaten was een enorm monument met bovenop een meer dan levensgroot beeld van José de San Martin op zijn paard, de vrijheidsstrijder van Argentinië. Zulke beelden had ik er op deze reis al meer gezien en dat was geen toeval want de man wordt in dit land bijna vereerd als een godheid.

IMG-20190326-WA0011
Standbeeld van José de San Martin in Buenos Aires.

Omdat het park, waarin het standbeeld stond, veel grote bomen bevatte, kon ik een aardige foto schieten van een stel boomkruinen waar een hoog, op zich niet erg mooi, gebouw bovenuit stak. Al dat groen in combinatie met het grijze gebouw daarachter deed mij denken aan een Mayatempel in Tikal in Guatemala die hoog oprees vanuit de jungle.

IMG-20190326-WA0012
Een hoog gebouw dat als een Mayatempel oprijst vanachter de bomen op de Plaza San             Martin. Buenos Aires.

Ik ging op zoek naar een betaalbaar hotel en vond iets dat aan die eis voldeed. Verder voldeed het eigenlijk nauwelijks nog aan enige andere eis, maar aangezien ik er slechts twee dagen ging verblijven voordat ik op het vliegtuig naar Nederland zou stappen, was het min of meer acceptabel. Toen ik mijn fiets en spullen tegen drie trappen had opgesjouwd en op kamer 314 had geplaatst, ging ik een beetje rondkijken in de omgeving. Op de Plaza de Mayo bekeek ik het Casa Rosada, oftewel het  presidentsgebouw.

IMG-20190326-WA0013
La Casa Rosada, het presidentsgebouw. Buenos Aires.

Ook de moeite van een eind lopen waard vond ik de Plaza del Congreso met het parlementsgebouw. Vandaar liep ik een straat of zes naar het noorden en vervolgens nog eens vijf naar het oosten. Daar vond ik het enorme Teatro Colon, waar vaak concerten gegeven en opera’s opgevoerd worden. Het leek me een goed idee om daar ‘s avonds even een operaatje mee te pikken, maar een norse portier antwoordde me op mijn vraag wat er die avond op het programma stond, dat alles de eerst komende vier dagen uitverkocht was. Ook in andere theaterzalen in de omgeving werd niets opgevoerd, aangezien het seizoen nog niet was aangebroken. Jammer want ik had mijn reis geweldig cultureel willen afsluiten, maar door het van buiten bekijken van die fraaie gebouwen, vond ik dat ik het culturele peil van de reis toch nog een beetje had opgekrikt en voor de rest moest ik het dan maar doen met het bekijken van een stuk of zeven films in het vliegtuig omdat ik daar, met al dat geruis van de motoren en zo nu en dan het angstwekkende geschud door turbulenties, toch nooit een oog dicht doe.

IMG-20190326-WA0014
Het parlementsgebouw. Buenos Aires.
IMG-20190326-WA0015
Teatro Colon, ook in Buenos Aires.

Voor die terugvlucht moest ik nog een probleem oplossen. KLM, waarmee ik vloog, stelde een fietsdoos verplicht, althans als je een fiets mee wilde nemen en het vervelende was dat de fiets dan ook nog in die doos moest worden gedaan. Mijn fiets is juist te groot om hem eenvoudig in een flinke fietsdoos, zoals die op Schiphol te koop zijn, te plaatsen. Ik ging er van uit dat ze op het vliegveld van Buenos Aires, 40 km van het centrum, niet eens wisten wat een fietsdoos was en dus kocht ik een doos bij een fietsenmaker dicht bij mijn hotel. Die bleek echter zes maten te klein te zijn, waardoor het voorwiel, het zadel en het stuur er einden buiten zouden steken. En dus kocht ik, na diep nadenken, nóg zo’n doos, met het plan om van de twee te kleine dozen één grote te maken. Om dat te verwezenlijken kocht ik ook nog drie grote rollen breed plakband. Het lukte me om op de dag van vertrek de twee dozen opgevouwen achterop mijn fiets te binden, zodanig dat het hele pakket aan beide zijden van mijn fiets uitstak als de vleugels van een vliegtuig. Voorzichtig manoeuvrerend tussen het ‘Buenosse’ verkeer reed ik de anderhalve kilometer van mijn hotel naar het busstation, waarna ik fiets, dozen en bagage in het ruim van de bus kon laden, die mij vervolgens naar het vliegveld reed. Daar was ik ruim twee uren bezig met knippen en plakken om mijn fiets mooi en degelijk te verpakken. Moe, maar content met dit meesterwerk maakte ik er een foto van, voordat ik het naar de incheckbalie bracht. Daar was de Checkin-dame zo gefascineerd door het feit dat ik van Santiago de Chili hierheen gefietst was, dat ze vergat de honderd dollar te rekenen voor het vervoer van de fiets.

IMG-20190326-WA0016
Mijn meesterwerk: fiets verpakt in een doos, gefabriceerd van twee te kleine fietsdozen.

 

Een dikke vijftien uur later rolde er op Schiphol een chaotische verzameling gescheurd, verkreukeld en loshangend karton, met trossen kleefband er als franje aan, van de ‘Afwijkende bagage-band’. In mijn ijver om te kijken of mijn fiets daar tussen zat en zo ja, ik welke staat, vergat ik helaas om er een foto van te maken. Het was waarlijk weer een kunstwerk, maar nu abstract! Tot mijn geruststelling vond ik mijn fiets inderdaad tussen het gedeformeerde karton en nog wel in perfecte staat. Daar had KLM goed voor gezorgd, maar ik vroeg me, terwijl ik het stuur weer dwars draaide en de pedalen aan de cranks schroefde, wel af wat er de zin van is om een fiets, die in het vliegtuig mee moet, in een fietsdoos te verpakken. Zonder doos zou het allemaal een stuk eenvoudiger zijn geweest, zowel voor mij als voor de sjouwers, omdat die de fiets dan konden rollen in plaats van de doos te moeten dragen. En het scheelt ook nog het gewicht van de doos, zodat er minder brandstof nodig is voor de vlucht.

Mij restte nog een treinrit naar Steenwijk en 16 km fietsen naar huis. En daarmee was deze Zuid-Amerika-reis ten einde.

Mijn petje af voor alle lezers, die het doorzettingsvermogen hadden om deze digi-feuilleton tot het einde te volgen.

‘In de volgende berichten : korte passages uit mijn vroegere boeken.’

 

Frank van Rijn.

“Dan wordt het tijd dat je ook eens op een paard plaats neemt. Zullen we ruilen? Jij mijn paard en ik jouw fiets?”

Bericht 16

Vanaf Tacuarembó nam ik de grote, maar gelukkig rustige en van brede zijstroken voorziene weg naar het zuiden. Ook hier kwam ik weer door eucalyptus-productiebossen.

IMG-20190317-WA0003
Grote weg naar Montevideo.

Onderweg zag ik twee gaucho’s, Uruguayse cowboys te paard. (mijn computer rekent Uruguayse fout en zegt dat het Uruguese moet zijn, wat mijn woordenboek weer fout rekent. Die rare computers toch!).

IMG-20190317-WA0004
Twee gauchos te paard.

Ze voerden elk een reserve paard mee, precies zoals ik dat vaak in westerns had gezien. Terwijl ik ze inhaalde en mijn hand opstak als groet, riepen ze: “Hola caballero. Espera un momento.” Ik stopte en we raakten in gesprek. Ze heetten Dario en Juan Carlos en zaten niet achter koeien aan en evenmin achter voortvluchtige banditos, maar ze maakten gewoon een pleziertochtje: een rondje Uruguay per paard.

“En waar ga jij heen?” vroeg Juan Carlos.

“Naar Colonia del Sacramento en vandaar met de ferry naar Buenos Aires, waar mijn vliegtuig wacht terug naar Nederland. Erg lang zal het niet wachten en daarom moet ik niet te veel treuzelen.”

“Kun je paardrijden?” vroeg Dario.

“Geen idee. Ik heb nog nooit op een paard gezeten. Wel op een kameel in Marokko en op een olifant in India.”

“Dan wordt het tijd dat je ook eens op een paard plaats neemt. Zullen we ruilen? Jij mijn paard en ik jouw fiets?”

“Twee paarden,” marchandeerde ik. “want dit is een heel bijzondere fiets. Mijn Santos is, hoewel het erg Braziliaans, Uruguays en Spaans klinkt, toch van Nederlands fabricaat.”

Ik kreeg zijn ‘Deux Chevaux’ echter niet, maar mocht wel op één er van plaats nemen, een erg mak beest volgens hem. Het bleek nog een hele toer te zijn om op de rug van dat makke beest te klimmen aangezien ik de juiste slag nog niet te pakken had. Bij de derde poging zat ik dan toch eindelijk in het zadel, de begane grond onwezenlijk ver beneden me. Even één voet aan de grond zetten zoals bij een fiets, zat er niet in, maar Jolly Jumper, zoals ik mijn paard even voor het gemak noemde, (geleerd uit de strips van Lucky Luke) stond stevig op zijn vier poten, dus de kans op omvallen was klein. Tot mijn geruststelling ging hij niet steigeren zoals dat in films vaak wel gebeurt, waarbij de berijder meestal dreunend op de grond smakt als hij de ‘slechte’ is, terwijl de ‘goede’ het altijd nog juist redt. Dario die evenals Juan Carlos over een mobiele telefoon bleek te beschikken (die moderne gaucho’s toch!) legde dit historische moment vast op de gevoelige chip.

 

IMG-20190317-WA0005
k, hoog te paard.

Toen ik weer ongedeerd op de begane grond stond schoot ik een foto van Dario, die ondertussen op mijn fiets was gekropen. Voor hem was dit moment misschien iets minder historisch dan voor mij, hoewel….. op een Santos!! Hoeveel Uruguayanen kunnen zeggen dat ze ooit op een Santos hebben gezeten?

IMG-20190317-WA0006
Dario op mijn fiets.

Na de foto’s ruilden we toch maar weer terug, want niet alleen moet er bij ruilen altijd één huilen, zo heb ik geleerd, maar hoe moest ik Jolly Jumper in het vliegtuig krijgen? Een fiets was al gecompliceerd genoeg met de door de KLM vereiste fietsdoos. Het probleem waar ik in Buenos Aires zo’n doos vandaan moest halen hield mij al een tijdje bezig. Maar dan een paardendoos!?! Nee, dat zou tot ruzie met de KLM leiden.

Dario klom weer op zijn paard en na een wederzijdse groet vervolgden de twee cowboys hun weg. Ik schoot ze nog even in de rug, niet met een ‘gun’ maar met mijn camera, wat een merkwaardige plaat opleverde: Twee cowboys in de prairie met aan de horizon een hoogspanningsmast en drie windmolens voor elektriciteitsopwekking. De tijden veranderen!

IMG-20190317-WA0007
Dario en Juan Carlos vervolgen hun tocht.

Naarmate ik dichter bij Montevideo kwam werd de weg drukker. Daarom sloeg ik in Durazno af naar het westen en vervolgde mijn reis via Cardona in de richting van Nueva Palmira. Ongeveer 50 km voor Nueva Palmira koos ik voor de gravelweg naar Carmelo, gelegen aan het meest noordwestelijke deel van de Rio de la Plata. Toen ik aan die gravelweg begon dacht ik: ‘Als ik nu, in deze verlatenheid, een winkeltje vond, zou ik mijzelf trakteren op een cola!’ Een slechte gedachte, want van veel mensen had ik gehoord dat je daar vastgeroeste schroeven mee los kunt krijgen. Maar een mens heeft nu eenmaal zijn zwakke momenten. Een geruststellende gedachte was dat er op deze weg, waar zelden iets langs kwam, toch geen winkeltje zou zijn. Maar wat bleek? Vier kilometer verderop trof ik er tóch een. Het stond een eindje links van de weg! Toeval? Telepathie? De Voorzienigheid?

Ik ging er op af en trof er een jongeman die zei: “Wel wis en waarachtig hebben wij cola en goed gekoeld ook!” Daarop haalde hij uit de koelkast een fles van 2,5 liter. Dat ging me 2 liter boven mijn ‘colistische’ krachten’, om maar eens een nieuw woord te introduceren in onze toch al zo rijke taal. Een kleinere maat, zoals een blikje van 0,35 liter had hij helaas niet. Misschien speelde ook daarbij wel de Voorzienigheid mee.

Toen ik ‘colaloos’ verder wilde rijden kreeg de man waarschijnlijk medelijden met me en bood me aan om een pauze te houden in de tuin voor de winkel. “Dan zit je lekker in de schaduw van de boom,” voegde hij eraan toe. Ik nam dat gaarne aan en haalde mijn brood uit een fietstas om te lunchen, maar zette het stoeltje, eigenwijs als ik was, in de zon. Even later was de hele familie in de tuin verzameld: hijzelf, zijn vader en moeder en zijn broer met verloofde. Terwijl ik mijn brood at en we praatten over allerlei onderwerpen dronken de mensen mate, een kruidendrank die veel in Uruguay, het zuiden van Brazilië, Argentinië en Paraguay wordt gedronken.

Daarbij worden er in een ‘calabaza’, een kop die meestal van hout is, diverse kruiden gedaan. Vervolgens wordt er heet water bij geschonken, waarna de op die manier verkregen hete drank door een rietje van metaal (la bombilla), waar onderin een filter zit, opgezogen wordt. Oorspronkelijk werd de mate gedronken door gaucho’s om de eenzaamheid wat te verdrijven als ze ‘s avonds in de rimboe bij hun koeien zaten, maar later is het een algemeen gebruik geworden, zoals bij ons het drinken van thee en koffie.

Het merkwaardige is dat er in gezelschap uit één calabaza wordt gedronken of eigenlijk gezogen. Daarbij gaat de kop van hand tot hand en de bombilla van mond tot mond. Steeds als iemand de warme mate opgezogen heeft wordt er uit een thermosfles weer kokend water in de calabaza geschonken voor degene die dan aan de beurt is. Ik kreeg de calabaza ook aangereikt en gelukkig voor mij dronken deze mensen de mate met suiker, zeer tegen het Uruguayse gebruik in. De kruiden zijn namelijk erg bitter, maar daar schijnen de meeste Uruguayanen van te houden.

IMG-20190317-WA0008
De moeder van de familie met thermosfles en calabaza om mate te drinken. Rechts van haar haar man en één van hun beide zonen.

Nadat ik een teug mate had opgezogen merkte ik peinzend op: “Deze kruiden komen van de bladeren van de Ilex paraguayensis.”

“Hoe weet je dat?” vroeg de vader verrast.

“Och, dat leerden wij vroeger op school,” antwoordde ik eenvoudig. Dat was een klein leugentje om indruk te maken. In het toeristenbureau van Cardona had ik die ochtend een paar folders gekregen, waarvan er een over El Mate ging en daaruit had ik deze wijsheid. Ik vond het al knap van mezelf dat ik dat moeilijke woord vier uur lang had kunnen onthouden.

“Zullen we een groepsfoto maken?” vroeg ik. Dat voorstel vond algemene bijval.

“Maar dan met de tafel en stoelen in de zon.” zei ik.

“Te warm,” was de algemene mening. “Beter in de schaduw.”

“In de zon wordt de foto het mooist,” wierp ik tegen. Dat was een goed argument en dus plaatsten we de tafel en de stoelen in de zon. Ik zette mijn kleine driepoot op een krukje in de schaduw, monteerde mijn camera daar op, drukte op het 10 seconden knopje, liep snel naar mijn stoel achter de tafel en pakte nog juist voordat het schot afging de calabaza met mate op.

IMG-20190317-WA0009
De hele familie en ik met de calabaza in de hand achter de tafel in de zon.

Hierna verhuisde de hele familie weer snel naar onder de boom, maar ik bleef lekker in het zonnetje zitten en hield een hele verhandeling over mijn manier van fotograferen.

IMG-20190317-WA0010
Mate drinkende Francisco midden in mijn betoog dat de zon uiterst belangrijk is bij fotograferen en ook bij vele andere activiteiten.

Ik dronk de mate met mate om er niet van onder invloed te raken, want er zit volgens de folder ook cafeine in, en vervolgde, na deze mensen bedankt te hebben voor hun gastvrijheid, mijn tocht naar het stadje Carmelo. Bij het haventje van Carmelo, waar ik de volgende ochtend aankwam, bereikte ik de Rio de la Plata, waarmee ik in feite de oversteek van Stille Oceaan naar Atlantische Oceaan volbracht had. Voor die speciale gelegenheid had ik mijn Gele Trui, die ik de hele reis netjes had gehouden, aangetrokken.

IMG-20190317-WA0011
Ik aan de Rio de la Plata. Eindelijk in de Gele Trui!!

Het doel van mijn reis, Buenos Aires, lag aan de andere kant van deze brede rivier, nog een stuk naar het zuiden. Het was niet ver meer, maar lag nog wel een eind achter de horizon.

In het volgende bericht zal ik schrijven over mijn intocht in Buenos Aires. Uw geduld wordt weer eens op de proef gesteld!