De Bron van de Loire

Bericht 5,   Oktober 2020

Van Chambles, het aardige oude dorpje aan de Loire, waar ik in mijn vorige bericht over schreef, fietste ik verder in de richting van de bron van deze grote rivier. Ergens zag ik naast de weg dit bordje:

Foto 1:  Een regendruppel die links van het bordje valt komt uiteindelijk in de Middellandse Zee terecht, terwijl een druppel die rechts valt, na veel omzwervingen de Atlantische Oceaan in stroomt. Dat is theoretisch, want zo’n druppel heeft de meeste kans om gewoon in de grond weg te zakken of te verdampen.

Na een afdaling reed ik het plaatsje Retournac, gelegen in een bocht van de Loire, binnen. Daar was juist een ‘Vide Grenier’ aan de gang, wat je zou kunnen vertalen met ‘Zolderleegmaker’. In twee straten hadden bewoners hun rommel van de zolder, maar ook uit de kelder en zelfs uit de boekenkast in de huiskamer op het trottoir geëtaleerd om die te verkopen. Ik vind dat soort rommelmarkten altijd fascinerend en onderbreek daar meestal mijn etappe voor, met het risico mijn doel voor die dag niet te halen. Maar wat is het doel van zo’n dag? Kilometers maken of leuke dingen doen? Ja, op zo’n rommelmarkt rondlopen is een van de leuke dingen op zo’n reis, de spanning om een originele Toulouse-Lautrec of Monet te vinden, terwijl een origineel manuscript van Victor Hugo ook nooit weg is. Deze keer was het echt allemaal rommel, wat je natuurlijk ook kunt verwachten op een rommelmarkt. Teleurgesteld wilde ik mijn tocht vervolgen, toen mijn oog plotseling op een kartonnen doos viel met stripverhalen. Het meeste daarvan was ook rommel, hoewel er een paar Asterixen en Kuifjes (Tin Tin’s) bij zaten, die ik echter al had. Maar wat zag ik onderin? Twee albums van Becassine uit de jaren dertig!!! Ja, ja, zoiets vind je niet elke dag! Zo achteloos mogelijk vroeg ik, terwijl ik mijn emoties goed in bedwang hield: “Wat moeten deze kinderboekjes kosten?” De man wilde er 25 euro per stuk voor hebben.

            “Kom nou!,” zei ik.

            “Op internet staan ze voor 60 euro per stuk.”

            “Internet? Wat hebben we met internet te maken? Met zo’n prijs kun je tot de jaren dertig van de 22e eeuw wachten, voordat er iemand zijn beurs opentrekt.”

            Na nog wat gepingel en dreigen met weg lopen, kreeg ik beide boeken samen mee voor 30 euro. Een ware financiële aderlating, maar aangezien ik die avond niet ging dineren in een vijfsterren-restaurant, maar in plaats daarvan een blik bonen van 85 eurocent ging opentrekken, had ik de kosten er alweer bijna uit. Een mens moet zich zo nu en dan verwennen.

            Toen de koop gesloten was, stond ik met twee betrekkelijk zware albums met harde kaft in mijn handen. Die moesten mee op de fiets. Daar had ik in de triomf van het moment nog even niet aan gedacht. Na wat puzzelen stopte er een in de linker achtertas en de andere rechts achter. Daarmee bleef het evenwicht bestaan, maar werd de fiets wel ongeveer anderhalve kilogram zwaarder. Toen ik verder reed, prees ik mij gelukkig, dat ik stripverhalen verzamelde in plaats van stenen of oude transformatoren. Postzegels zijn natuurlijk fietsreisvriendelijker dan stripverhalen, maar daarvoor ben ik nooit erg warm gelopen. Sigarenbandjes wel, maar toen ik er op mijn tiende jaar twintig schriften mee volgeplakt had (bolgeplakt eigenlijk, ze stonden stijf van de gluton), allemaal dezelfde van de sigaren die mijn grootvader rookte, en ik me ging afvragen wat ik er verder mee moest doen, ging de glans er langzaam vanaf. Einde verzameling.

Foto 2: Zomaar een bladzijde uit een van de Becassine-albums.

Bij het klimmen om het dal van de Loire uit te komen, voelde ik de Becassines tegenwerken, maar dat herinnerde mij steeds aan de fantastische aanwinst voor mijn verzameling, waardoor het klimmen mij psychologisch gezien lichter viel.

            In de verte rees een puntvormige berg uit de voorgrondheuvels omhoog, de Gerbier de Jonc. Daar bevond zich de bron van de Loire.

Foto 3: De Gerbier de Jonc in de verte.
Foto 4: De Gerbier de Jonc van dichtbij met aan de voet een restaurant.

Naast het restaurant aan de voet van de Gerbier de Jonc bevond zich een waterbak met een bronnetje. Dé bron van de Loire volgens een man van het restaurant, die het kon weten! Ik zette er mijn bidon, na die gevuld te hebben met zuiver Loirewater, naast om te laten zien hoe klein die toch vrij grote rivier in zijn prilste begin is.

Je kon naar de 1551 meter hoge top van de Gerbier klimmen en dat hoorde er een eigenlijk wel een beetje bij, vond ik. Het was maar een hoogteverschil van 134 meter. Wel was het hier en daar nogal steil, maar er hingen op moeilijke passages kabels en touwen om de klim ook mogelijk te maken voor minder ervaren berggeiten, dus moeilijk was het niet.

Foto 6: Klim naar de top met behulp van een stuk touw waaraan je je kunt optrekken.

Er waren meer toeristen die naar boven gingen, waardoor het op de top wat weg had van het strand van Scheveningen op een zonnige Hemelvaartsdag.

Foto 7: Boven op de 1551 meter hoge Gerbier de Jonc.

Blijkbaar was het gebruikelijk om, als je deze klim volbracht had, hier een steen op een andere te leggen, zoals pelgrims vaak doen. Sommigen bouwden hele torentjes van stenen.

Foto 8: Een toekomstige, veelbelovende bouwmeester was bezig met zijn tweede Creatie in Steen op de top van de Gerbier de Jonc. Deze toren moest nog hoger dan zijn vorige worden: wel drie meter! Een spannende onderneming! Eén steentje ergens onderin een millimeter verkeerd geplaatst en je loopt de kans dat het hele zooitje bij 2,99 meter, juist als je op je tenen staat om de kroonsteen te leggen, in elkaar stort.

Een meter of honderd voorbij het restaurant stond de Ferme de la Loire, waarin zich volgens een bordje aan de muur de geografische bron van de Loire bevond. Wat daar precies mee bedoeld werd, was me niet duidelijk. Was er dan ook een geologische, geometrice of geodetische bron? Mogelijk wilde de eigenaar van de boerderij hiermee duidelijk maken dat dit de echte bron van de Loire was en dat dat straaltje naast het restaurant ‘toeristische nep’ was om klanten naar het terras te lokken.

Foto 9: Source geographique de la Loire.
Foto 10: Een straaltje zuiver Loirewater binnen in de ferme; de geografische bron van de Loire.
Foto 11: Een kilometerpaaltje buiten markeerde de bron van de Loire met de afstand naar St. Nazaire er op geschilderd, waar zich de monding van deze rivier bevindt.

Het begon me deze dagen op te vallen dat ik nauwelijks buitenlandse auto’s zag rijden, of eigenlijk alleen maar buitenlandse auto’s, want voor mij zijn Franse auto’s uiteraard buitenlands. Een Nederlandse auto had ik al in geen dagen meer gezien, terwijl het er andere jaren van wemelde en ook Duitsers, Belgen en Engelsen, waar er normaal nogal wat van op de been, of beter: op de wielen zijn, zag ik nauwelijks. Maar het was nu ook niet normaal, want  Koning Corona regeerde met harde hand over de wereld en dus ook over Frankrijk en waarschijnlijk weerhield dat vele potentiële vakantiegangers om op reis te gaan. Kort nadat Frankrijk zijn confinement had opgeheven (lock-down in het Nederlands, maar is er geen mooier Nederlands woord voor? Zoiets als ‘opslottoestand’?) ben ik vertrokken vanuit Drenthe richting zuiden, maar het normale zomertoerisme was nog ver van hoe het andere jaren om deze tijd was. De campings waren erg rustig en het was een zegen bij een ramp, dat er geen discotheken bezig waren onschuldige oren met hun akoestische geweld te geselen. ‘Rustig’ zou je het kunnen noemen, maar als nadeel had dat weer dat er nogal wat campings gesloten waren. Bij het niet vinden van een camping kon ik natuurlijk gewoon mijn tent in het wild opzetten. De corona-epidemie leverde mij geen grote problemen op, maar er waren twee probleempjes naast het risico zelf de ziekte te krijgen: Ten eerste begon ik op een zeker moment enigszins benauwd te worden voor een tweede opslottoestand, (om mijn nieuwe woord maar meteen Nederland in te slingeren), waarna ik misschien voor onbepaalde tijd vast zou kunnen komen te zitten, iets wat me zeer beslist niet aanlokte. En ten tweede hoopte ik op een camping of ergens onderweg een Nederlander met een auto te treffen die dicht bij mij in de buurt woonde en die ik mijn twee Becassines kon meegeven, zodat ze minder zouden lijden van het honderden kilometers schudden en bonken in de fietstassen. Dat zou mij dan ook van dat extra gewicht verlossen. Maar voorlopig kon ik nog ‘genieten’ van dat extra gewicht dat mij op elke klim herinnerde aan die geweldige vondst op de rommelmarkt van Retournac, want ik zag voorlopig geen enkele landgenoot.

            Met enkele Fransen sprak ik over de mogelijkheid van een tweede confinement, maar de meesten verwachtten geen nieuwe meer. Wel zouden er plaatselijke opslottoestanden kunnen worden ingesteld, maar als ik juist in zo’n plaats zat, waar die inging, zou ik natuurlijk ook vast zitten. Al met al was en is het toch een nare en ook wel enigszins gevaarlijke plaag die het land en de hele wereld teistert. Daarom begon ik al te overwegen om mij niet aan mijn volledige plan van 3 maanden fietsen te gaan houden, maar mijn tocht, vooral als de berichten slechter zouden worden, in te gaan korten.

            Het viel me ook op, dat de Fransen, hoewel mondkapjes in winkels verplicht waren, over het algemeen niet zo benauwd waren voor corona. Allereerst diende er een onderlinge afstand van één meter in acht gehouden te worden in plaats van anderhalve meter, zoals bij ons en verder was het vaak zo dat als ik ergens de weg vroeg en de gevraagde het ook niet precies wist, hij het opzocht op zijn telefoon en dan pal naast me kwam staan om mij het schermpje te tonen. Dan zou ik eigenlijk, alsof hij melaats was, moeten terugdeinzen, maar zoiets maakt toch een rare en onplezierige indruk, waardoor ik dat dan niet deed, hopende dat hij niet melaats was en ook niet ‘gekroond’. Ook als ik bij mensen werd uitgenodigd werd voor een aperitief, wat nogal eens gebeurde als ik bijvoorbeeld vroeg of ik mijn tent ergens op hun land mocht opzetten, viel het mij op dat er geen mens die meter in acht nam. Het was allemaal een beetje griezelig, onzichtbaar en ongrijpbaar, waardoor er om deze reis een merkwaardige, enigszins bedreigende sfeer hing.

Foto 12: Een verkeersbord langs de weg,  Zo langzamerhand krijgt zo’n bordje, waarmee automobilisten op het hart gedrukt wordt fietsers niet ondersteboven te rijden, een nevenbetekenis.

La Garde Guerin, iets ten noorden van Villefort was weer een fraai oud gerestaureerd dorpje, net als Chambles en ook hier stond een toren waar je binnendoor, eveneens over een steil nauw trapje, omhoog kon klimmen om de omgeving te bekijken.  Deze toren was in tegenstelling tot die van Chambles vierkant, maar de overeenkomst was dat je je door smalle openingen moest wringen om boven te komen. Luctor et emergo. Ik worstelde en kwam boven zonder klem te geraken. Vandaar zag ik in noordelijke richting een mooie rotsachtige kloof en in het westen, beneden me, het aardige dorp met zijn natuurstenen huisjes.

Foto 13: Entré van het dorpje La Garde Guerin.
Foto 14: De vierkante toren van La Garde Guerin.
Foto 15: La Garde Guerin, gezien vanaf de toren.

Het plaatsje ligt op de oude Romeinse route van de Middellandse Zee naar Auvergne. In de Middeleeuwen, werden er nogal eens reizigers overvallen en daarom liet de bisschop van Mende hier een burcht bouwen van waaruit de rovers bestreden konden worden. Deze toren is daar nog een overblijfsel van. Om de route te kunnen gebruiken moesten reizigers hier tol betalen. Die tolpost is al lang geleden opgeheven, de weg is geasfalteerd, het wemelt er niet meer van de bandieten en op sommige plaatsen van de route tussen de Middellandse Zee en Auvergne is cola te koop, dus einde romantiek. In ieder geval fietst het er nu een stuk rustiger dan in die woelige tijd van de bisschop van Mende. Toen kon je het fietsen hier rustig helemaal vergeten.

Ik daalde weer af. Luctor et descender, oftewel er moest weer geworsteld worden om heelhuids beneden te komen. (Als deze vertaling fout is, is dat de schuld van de vertaalmachine op mijn computer).

Na nog wat fotootjes gemaakt te hebben vervolgde ik mijn reis naar Florac, waar ik een wandeling wilde gaan maken naar de Causse Mejean, een hoogvlakte doorsneden door meerdere kloven. Eén van die kloven is de Gorges du Tarn. Daar gaan we de volgende keer een kijkje nemen.

Standbeeld van Jeanne d’Arc in Vaucouleurs

Bericht 4. 27 September 2020

Het is alweer een tijdje (te lang!) geleden dat ik mijn vorige bericht (3) schreef. De reden dat dit 4e bericht zo lang op zich heeft laten wachten is dat ik de laatste tijd erg druk (voor mijn doen zelfs te druk!) ben geweest met het doornemen van de proefdruk van mijn nieuwe boek. Dat werk is nu klaar zodat er wat tijd vrij komt om de draad van mijn feuilleton (digiton) over mijn reis door Frankrijk van afgelopen zomer weer op te nemen. Het boek ‘De magische vijfduizendmetergrens’ over mijn reis door Zuid Amerika, waarmee ik dus zo druk ben bezig geweest, verschijnt volgens de planning van de uitgever (Elmar) in november.

Foto 1: Mijn nieuwe boek dat in november zal verschijnen.
Foto 2: Uit de brochure van Elmar.

En nu terug naar Noord Frankrijk, waar ik de Maas volgde tot de bron. Voordat ik bij die bron kwam fietste ik het plaatsje Vocouleurs binnen, de plek van waaruit Jeanne d’Arc op 23 Februari van het jaar 1429 vertrok om de Engelsen, waarmee Frankrijk in oorlog was, te bevechten, althans volgens de legende, want de historici zijn het er nog niet over eens of ze wel echt heeft bestaan. 

Foto 3: Bordje waarlangs ik Vaucouleurs binnenreed.
Foto 4: Groot standbeeld van Jeanne d’Arc in Vaucouleurs

“Al is het niet zeker of onze Jeanne ooit heeft bestaan, een fors standbeeld en een mooi stukje geschiedenis hebben we in ieder geval wel,” zullen chauvinistische Fransen denken.

Jeanne vertrok die 23e Februari 1429 door de Porte de France, die er nu (misschien hier en daar wat opgeknapt) nog staat. In die tijd zal er wel een flinke stadsmuur om het plekje hebben gestaan, vandaar dat ze door de poort reed in plaats van gewoon er omheen.

Op een bordje staat vermeld dat de lindeboom schuin achter de poort al bestond bij het vertrek van Jeanne (nu 591 jaar geleden!) en dat die boom hierdoor zo blij was dat hij meteen geheel groen in het blad kwam te staan (dus nog hoog en breed in de winter!! Een vroeg voorjaar, waarschijnlijk, hoewel de opwarming van de aarde toen nog niet in gang was gezet.)

Foto 5: Porte de France, waar door Jeanne d’Arc vertrok om de Engelsen te bevechten. Schuin rechts er achter de wonderlijke lindeboom, die zich op 23 Februari uit vreugde plotseling geheel in het groen tooide.

In 1890 (volgens een ander bordje) begon men in Vaucouleurs aan een groot project: het bouwen van een maar liefst 60 meter hoge kerktoren. Hier bleek de ambitie groter te zijn dan de toren hoog werd. Toch werd het bouwwerk uiteindelijk al gauw (refererend aan mijn fiets er naast) een meter of zeven hoog, misschien wel acht!

Foto 6: Mijn ongeveer 1 meter hoge Santos naast de nog (steeds) niet afgemaakte kerktoren van Vaucouleurs.

Verder op mijn tocht naar het zuiden van Frankrijk zag ik op een bordje dat ik 563 km bij Rotterdam vandaan zat, de plek waar de Maas uitmondt in zee. Het was daar nog maar 23 km naar de bron. Als beide bordjes juist zijn kan daar de lengte van de Maas slechts bij benadering uit berekend worden, want een rivier neemt nu eenmaal bochten, terwijl de kortste weg (van 586 km) over wegen gemeten zal zijn, waarbij men bij de aanleg ervan bij voorkeur niet al te kwistig is geweest met het leggen van bochten.

Foto 7: Rotterdam 563 km. (Gemeten over de rivier of over de weg?)

Dit was tevens een goede plek om een trapper, ketting of ander vitaal onderdeel van je fiets kapot te trappen, want hier was een werkplaats waar gesleuteld kon worden en bovendien kon je er waarschijnlijk ook onderdak vinden. Aan mijn fiets bleef alles uiteraard heel (‘Build for life’ stond er in de brochure en tot nu toe was er geen enkele reden om daaraan te twijfelen) Ik fietste dus vrolijk verder en zette die avond mijn tent op de camping van Montigny le Roi. De volgende dag, een rustdag, maakte ik verlost van mijn baal bagege een ritje naar de plek waar de Maas zomaar uit de grond omhoog kwam. De bron van de Maas! Het water was hier nog zo helder dat je alleen de bruine aarde op de bodem zag. Op een monumentje naast de bron stond de loop van de Maas aangegeven.

Foto 8: Bron van de Maas.

Terwijl ik deze erg spectaculaire plek bekeek, links van de weg een paar bomen en rechts een weiland met koeien (witte zelfs!!) stopte er een auto. Er stapte een gezin uit dat natuurlijk net als ik razend enthousiast in het rond begon te fotograferen, want je komt niet elke dag langs de bron van een grote rivier. Hun aanwezigheid bespaarde mij meteen het gebruikelijke geknoei met de uitschuifbare selfie-stick.

Foto 9: Ik met mijn fiets voor de bron van de Maas. Een plaatje voor in het grote plakboek.
Foto 10: DE Maas! Niet te geloven dat er verderop grote supertankers over dit stroompje varen.

Terug op de camping van Montigny le Roi ontmoette ik een Nederlander uit Wolvega, die daar met zijn tent en auto stond. Aangezien ik tot hier toe op kookgebied nog maar weinig opzienbarends had gepresteerd en het er naar uit zag dat het verderop ook niet veel opzienbarender zou worden, vroeg ik hem of hij mijn brander, pannen, benzinebidon, bestek en andere keukenartikelen mee naar huis wilde nemen, dan zou ik die na de reis bij hem in Wolvega op komen halen. Hij vond dat geen bezwaar en zo bespaarde mij dat een hoop gewicht en ook dagelijks flink wat kook gepruts. Mijn culinaire kunsten beperkten zich van toen af tot het opentrekken van een blik bonen of groente en het koud naar binnen lepelen van de inhoud. Natuurlijk vulde ik De Schijf van Vijf (ik ben overigens twee van die vijf punten van vergeten) aan met rauwe groente, fruit en pinda’s, terwijl ik mij zo nu en dan trakteerde op een zak patat uit een snackbar.

Verlost van dat gewicht trapte ik mijn fiets soepeler over de heuvels heen, wat het plezier in de tocht ten goede kwam, terwijl het gastronomisch gehalte van de reis er, zoals uit het voorgaande duidelijk zal zijn, niet onder leed.

De volgende dag kwam ik, iets ten zuiden van Langres, bij de bron van een andere rivier: de Marne.

Foto 11: Een halve kilometer naar de bron van de Marne.

Hier was het landschap boeiender dan dat rond de bron van de Maas met flinke kalkstenen rotspartijen en grotten in de bodem. Alles heel fraai voor foto’s ware het niet dat het hele rotscomplex overgroeid was met een al even prachtig bos. Door die hoeveelheid uitbundige vegetatie en mooie natuur was er dus eigenlijk niets te fotograferen. Wel waagde ik er nog een plaatje aan.

Foto 12: Een plaatje vanuit een grot vlak bij de bron van de Marne.

Interessant was een bordje bij de bron, waarop stond dat de afstand van hier tot waar de Marne in de Seine vloeit groter is dan de afstand van de bron van de Seine tot de samenvloeiing van beide rivieren. Daaruit volgt dat de Seine die door o.a. Parijs vloeit en bij Le Havre in de Atlantische Oceaan stroomt, eigenlijk ‘Marne’ zou moeten heten, aangezien de langste stroom normaal als de eigenlijke rivier beschouwd wordt.

Een dag of vijf later en een kilometer of 15 ten westen van St. Etienne, fietste ik omhoog naar het pittoreske middeleeuwse dorpje Chambles. Vandaar had ik een mooi uitzicht op weer een andere belangrijke rivier, de Loire, die in de diepte om het plaatsje heen stroomde.

Foto 13: De Loire in de diepte met op de voorgrond een stukje van het oude kerkje.

Er stond ook een 18 meter hoge toren, waarvan men vermoedt, dat hij uit de 9e eeuw dateert.

Foto 14: De 9e eeuwse toren in Chambles.

Toevallig (of waarschijnlijker: expres) bedraagt de omtrek ook 18 meter, waaruit te berekenen is dat de hoogte 3,14 maal de diameter bedraagt. Volgens het informatiebord, waar ik al deze kennis vandaan had, was de muur 1,40 m dik en daaruit volgt dat er binnen maar een ruimte met een diameter van 18 : 3,14 – 2 x 1,40 = 2,90 meter overblijft. Dat laat dus niet veel plaats over voor een trap. En dus klom ik via een smal, erg steil wentelend trapje naar boven, waarbij ik me een aantal malen door een nauwe opening moest wringen. ‘Op eigen risico’, stond er bij. Ik vind dat altijd een merkwaardige uitdrukking: op eigen risico. Volgens mij is het hele leven op eigen risico. Als ik thuis de trap af loop is dat ook op eigen risico en daar staat geen waarschuwingsbordje bij. In ieder geval kwam ik zonder builen op mijn hoofd en zonder klem te komen zitten boven, vanwaar het uitzicht nog verder reikte dan vanaf de begane grond.

Foto 15: Het smalle trapje binnen in de toren, recht naar beneden gefotografeerd.
Foto 16: Uitzicht vanaf de toren op de kronkelende Loire.

Ook het interieur van het kerkje was een bezoek waard. Er waren kleurige glas in lood ramen te bewonderen.

Foto 17: Een glas in lood-raam in het kerkje van Chambles.

In de volgende aflevering gaan we naar de bron van de Loire. Hoewel het vandaag niet 1 Januari is, heb ik toch een goed voornemen, namelijk om u minder op die aflevering te laten wachten, dan u op deze heeft gewacht. Ik ga de frequentie van mijn blogverhalen over mijn reis door Frankrijk opvoeren.

Het mooi tussen de bergen gelegen Cazorla.

Bericht 3 van mijn Frankrijk-reis 2020

De eerste etappe van mijn reis, deze zomer, voerde me naar Deventer, waar ik logeerde bij Theo Janssens, die ik een paar jaar geleden ontmoette in Zuid Spanje. Vanuit de camping van Cazorla trokken we er toen een dagje opuit naar een diepe kloof waar veel grote gieren de omgeving onveilig maakten voor kadavers. Ons lieten ze ongemoeid en dat was maar goed ook, want als zo’n vogel met slechte bedoelingen op ons af zou vliegen, zouden we niet direct weten waar we een veilig heenkomen zouden kunnen vinden. Gieren zijn van dichtbij namelijk erg grote vogels. Van veraf ook, maar dan lijken ze een stuk kleiner.

Foto 1: Rotswand met gaten, waar gieren hun nesten hebben.
Foto 2: Theo tussen de rotsen.
Foto 3: Een giertje in de verte, maar pas op als hij pal voor je fladdert.

‘s Avonds gingen we uit eten in een restaurant in Cazorla. Tijdens het eten kregen we verschil van mening over de centrifugaal- en centripetaalkracht die op een steen werken, die je aan een koord ronddraait. Ik had het extra zwaar omdat Theo jaren natuurkundeleraar is geweest op een middelbare school en nog maar kort geleden met pensioen is gegaan. Ik heb in een grijs verleden heel kort voor de klas gestaan, ook als natuurkunde docent, dus mijn parate kennis was in de loop der jaren wat weggezakt. Ik wist echter nog zoveel van deze materie af dat de conversatie uiterst boeiend was. Gedurende ruim anderhalf uur hebben we na het eten vele servetjes vol gekalkt met formules waarbij uiteindelijk bleek, dat we het eigenlijk allang met elkaar eens waren, maar dat onze formuleringen verschillend waren. Dat kun je zo hebben na een dagje bij de gieren.

Foto 4: Het mooi tussen de bergen gelegen Cazorla.

Deze avond in Deventer haalden we herinneringen op aan dit uiterst gezellige avondje in Cazorla en die fraaie fietstocht langs de gierenkloof. Tonnie, Theo’s vrouw, plaatste een grote pan macaroni op tafel, die Theo die ochtend, speciaal voor mij had geprepareerd, een voortreffelijke aubergine-pasta-schotel. In een poging om het mij nog meer naar de zin te maken had hij het een beetje pittig gemaakt, maar hij had dan ook mijn boek ‘Pelgrims en pepers’, waarin ik mijn steeds terugkerende problemen met pepers heb beschreven, niet gelezen. Het gepeperde viel gelukkig mee en ondanks het ontbreken van een meningsverschil, bijvoorbeeld over de Lorentzkracht of het Corioliseffect werd het ook deze avond erg gezellig. Een avondje kan namelijk best gezellig zijn zonder het over natuurkunde te hebben!

            De volgende ochtend vergezelde Theo me een eind op de fiets, maar eerst brachten we een bezoek aan het oude, historische centrum van Deventer.

Foto 5: De Lebuïneskerk in Deventer

Een bordje aan de muur van een oud gebouw trok mijn aandacht.

Foto 6: Bordje aan de muur van een oud gebouw.

Hopelijk werd er voor de muntmeester van Batenburg een olie gebruikt met een kookpunt van beneden de 39 graden, want anders was het verkeerd met deze meester afgelopen, die toch erg zijn best had gedaan om munten zo mooi mogelijk na te maken.

Foto 7: Theo voor de Waag van Deventer.
Foto 7a: Het gemeentehuis van Deventer met 2300 vergrote vingerafdrukken in aluminium op de gevel.

Behalve veel mooie oude gebouwen was er een modern gebouw dat, in tegenstelling tot de meeste moderne gebouwen, de moeite waard was te bekijken. Dat was het gemeentehuis, waar merkwaardige raamwerken te zien waren, zowel op de buitengevels als in de hal.

            “Het lijken wel vingerafdrukken.” zei ik als grapje, want ik maak wel vaker grapjes over moderne gebouwen en moderne kunst.

            “Dat zijn het ook,” zei Theo. “Dat heb je goed gezien.” Hij vertelde me dat 2300 burgers hun vingerafdruk hadden gegeven en dat deze raamwerken daarvan de vergrote kopieën in aluminium waren. Dat was natuurlijk wel iets bijzonders. Alles was op vrijwillige basis en dus waren de vingerafdrukken hoogstwaarschijnlijk allemaal van brave burgers, want niet brave lieden plaatsen hun vingerafdrukken doorgaans op andere plekken of zelfs liever in het geheel niet.

            Na onze ronde door Deventer staken we de IJssel over. Vanaf de overkant had ik nog een laatste blik op Deventer, waarna Theo nog mee fietste tot de Woeste Hoeve. Daarna vervolgde ik alleen mijn reis in zuidelijke richting.

Foto 8: Deventer vanaf de Westelijke kant van de IJssel.

In Charleville-Mezières, iets voorbij de Belgisch-Franse grens, was juist toen ik er door kwam een militaire parade aan de gang.

Foto 9: Militaire parade op de Place Ducale in Charleville-Mezières.

Het was die dag zwaar bewolkt waardoor ik mij later, gezeten op een bankje naast het fietspad langs de Maas, somber afvroeg wat ik daar deed. ‘s Zomers, als ik op reis ben moet de zon schijnen, vind ik en dat deed hij niet. Waar bleef die zon?

Plotseling werden mijn sombere gedachten ruw verstoord door het aardige rijmpje:

            Dat kan niet waar zijn!

            Frank van Rijn!!

Ik keek op en zag op het fietspad een collega-fietser staan, die evenals ik zwaar bepakt was. Het bleek zelfs een bekende van mij te zijn: Dirk van Hulle, een Belg, die ik een aantal jaren eerder in Thailand had ontmoet, samen met zijn vrouw Bianca. (Zie mijn boek ‘De hanen van de koning’.) Een jaar later zijn ze bij mij op bezoek geweest, omdat Bianca mij een interview afnam voor ‘De Wereldfietser’. En nu stond Dirk plotseling voor me, hier in Noord Frankrijk, alsof hij zomaar uit de lucht was komen vallen. Ik had hem door mijn gepeins niet eens zien en horen komen.

Foto 10: Dirk, Bianca en ik voor een mooie rots in Thailand, dicht bij de Mekong.

            “Wat doe jij hier?” vroeg ik, overeind verend.

            “Een fietstochtje door Frankrijk,” antwoordde hij. “En jij?”

            “Ook een fietstochtje door Frankrijk, maar waar ga je heen?”

            “Een beetje langs de Maas naar het zuiden en later met een grote boog terug naar huis.”

            “En waar is Bianca?” vroeg ik.

            “Thuis. Die moet werken. Ik heb vijf weken vrij genomen om er even uit te zijn.”

Omdat we beiden in dezelfde richting reden besloten we die dag samen verder te trekken.

Foto 11: Dirk met zijn fiets.

Bij een volgend bankje stopten we voor een ‘groepsfoto’.

Foto 12: Een foto met de hele groep er op: Dirk en ik. Aan de merknaam op mijn fiets is te zien dat ik weer eens een foto schoot met behulp van de Chinese Selfiestick. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik nog steeds niet weet hoe ik een foto in spiegelbeeld (het gevolg van het gebruik van die uitschuifbare stick) terug moet spiegelen naar de realiteit.

‘s Avonds kampeerden we op een veldje aan de Maas.

Foto 13: Kamperen aan de Maas. Dirk op zijn opvouwbare stoeltje. Wat een luxe!!
Foto 14: Dirk maakte hier de volgende dag een foto van me en zette me later op facebook, wat nogal wat reacties van zijn kennissen tot gevolg had.

We fietsten twee dagen samen op, waarna we elk weer ons weegs gingen. Hoe dat verliep, leest u in de volgende aflevering, althans wat mijn reis betreft. Om Dirk te volgen zult u het grote Facebook open moeten slaan, lijkt mij.

EEN GEWELDIGE MISKLEUN.

Bericht 2 van mijn Frankrijk-reis-feuilleton.

Een paar weken geleden was ik ijverig bezig met mijn platte telefoon: het schrijven (typen) van bericht nummer twee voor mijn blog (waar u natuurlijk al tijden op zat te wachten! (?). Ik was al een eind gevorderd, toen er plotseling weer eens iets fout ging. Op het schermpje van het apparaat verscheen zomaar het gezicht van een bekende, terwijl ook zijn stem klonk. Blijkbaar belde hij mij via de whatsapp of misschien belde ik hem wel. Met die uiterst slimme telefoons van tegenwoordig weet je het maar nooit. Overal zitten knopjes en vooral het scherm is overgevoelig. Ik weet gewoon niet hoe ik het apparaat moet oppakken om niet per ongeluk met mijn pink of mouw langs het een of andere plekje te vegen, waardoor er een digitaal proces geactiveerd wordt. Voor je het weet bel je iemand aan de andere kant van de wereld uit zijn bed of stuur je aan twaalfhonderd kennissen tegelijk een uitnodiging om op theevisite te komen.

            Deze keer was het weer raak. Natuurlijk was het gezellig om die bekende te spreken en te vragen hoe het weer in Nederland was, terwijl ik in Frankrijk van een heerlijke hittegolf genoot, maar het onverwachte contact bracht me in paniek, want wat ging er nu gebeuren met mijn zo bloedig getypte verhaal? Door een verkeerde handeling is zo’n stuk tekst in een fractie van een seconde voor de eeuwigheid verloren! Dat gesprek met beeld er bij moest maar even (en snel!!) uitgesteld worden. Dus afzetten dat gesprek voordat alles verloren was! In de zenuwen wist ik het juiste knopje natuurlijk niet te vinden en zette daarom het apparaat maar geheel uit….

            En dat was natuurlijk volledig fout, want juist dáárdoor was mijn hele verhaal weg….. verdampt…. verloren… Ik had daar zo de pest over in (een lelijk woord, maar ik kan, zelfs na lang en diep nadenken, geen woord verzinnen dat beter mijn ergernis op dat moment tot uitdrukking brengt), dat ik het apparaat aan de kant smeet. Voor de rest van de reis ontbrak mij de lust om opnieuw te gaan ‘bloggen’. Ja, ja, zó weinig digitaal doorzettingsvermogen heb ik! Het is slecht met mij gesteld, maar dat is de harde realiteit! Misschien moet ik een cursus meditatie en zelfbeheersing gaan volgen om in deze snelle, flitsende, gecompliceerde, sociale medium-wereld mee te kunnen.

            Ondertussen is mijn chagrijnige bui vanwege deze miskleun wat afgezakt en heb ik de pen weer ter hand genomen om alsnog bericht nummer twee te schrijven. Een echte Schwalbepen!! Dus een medium waarmee niet zulke catastrofes kunnen plaatsvinden als met de superslimme telefoon. Straks ga ik het verhaal voorzichtig uittypen op mijn computer, waarbij ik om de paar regels op het ‘Opslaan’- hokje zal klikken om te voorkomen dat het hele verhaal weer van onder mijn vingers verdwijnt.

Zie foto 1: Een echte degelijke Schwalbe-pen, waarbij de letters die je er mee geschreven hebt, ook al druk je op het knopje er bovenop, op het papier blijven staan.

            Het is mijn bedoeling om met een frequentie van één à twee afleveringen per week mijn 68-daagse fietstocht door België en Frankrijk, waarvan ik juist ben teruggekeerd, te gaan verslaan op deze blog. Dit is dus bericht 2, zoals hier boven staat. Bericht 1 is al ruim anderhalve maand geleden verschenen. Die ging over het onthoofde standbeeld van Lodewijk XVI. De foto van dat standbeeld was overigens abominabel. Als ik er onder had gezet, dat het een astronaut uit een ander zonnestelsel was, had u het ook geloofd. Met een hoop gefiedel op mijn telefoon lukte het me zowaar om de foto drastisch op te lichten, zodat er nu duidelijk een koning zonder hoofd in is te herkennen. Toch slim, zo’n apparaat!

Zie foto 2: De ‘verlichte’ Lodewijk XVI. (Vergelijk dezelfde foto uit bericht 1)

En nu wil ik nog een correctie aanbrengen op bericht 1. Ik schreef daarin over het fietsfestival van le Caylar, dat mijn Franse fietsvriend Hubert jaarlijks in de zomer organiseert. Abusievelijk heb ik vermeld, dat de naam daarvan ‘Festival du Roc’ is. Het moet echter, zoals Hubert mij berichtte, ‘Festival du Roc Castel’ zijn. Dat ‘Roc Castel’ is waarschijnlijk Occitaans, de oude taal van de Languedoc (de taal van Oc!) voor Roche Chateau, oftewel ‘Rots-kasteel’. De naam slaat op de ruïnes van het kasteel die tussen de rotsen op de heuvel boven le Caylar staan.

Zie foto 3: Hubert op het voetpad omhoog naar de ruïnes van het kasteel boven le Caylar, het Roc Castel.

Tot zover deze tweede poging om bericht 2 te schrijven. Als u dit leest is die poging geslaagd! Als het niet op uw telefoon of in uw computer is binnengekomen, is ook die tweede poging mislukt, in welk geval u mij zou kunnen waarschuwen, want dan is er iets loos met mijn computer en moet er actie genomen worden.

Binnenkort volgt bericht nummer drie, dus wees alert!

                                                                                               Frank van Rijn.

Het onthoofde beeld van Lodewijk de Zestiende

Bericht 1.

Gisteren was ik in Nant, een plaatsje in het Franse departement Aveyron, dat niet verward moet worden met de grote stad Nantes dicht voor de monding van de Loire.

Behalve dat Nant in een prachtig gebied ligt waar de ‘causses’ (golvende droge hoogvlaktes) doorsneden worden door spectaculaire ‘gorges’ (kloven), is er nog iets anders te zien dat een omweg daarheen rechtvaardigt. In de hal van de mairie (gemeentehuis) staat namelijk het enige standbeeld in Frankrijk van Lodewijk de Zestiende dat nog over is gebleven na de revolutie van 1789. (Ik hoorde echter van iemand dat er nog ergens anders in Frankrijk een standbeeld staat van deze trieste koning die zijn leven eindigde onder de guillotine. Het is aan de ondernemende lezer van dit bericht om uit te zoeken waar dat staat.)

De geschiedenis van het standbeeld in Nant, waarvan het hoofd ontbreekt, is nogal bizar. Het werd in 1811, dus 22 jaar na de revolutie, in opdracht en op kosten van Pierre d’Icher de Villefort gemaakt. Deze fervente royalist liet het in de tuin van zijn huis in Nant plaatsen en vierde met een groep andere royalisten een flink inauguratie feest voor het beeld. 

Natuurlijk was er iemand die hier niet content mee was en via via kwam het Napoleon zelf ter oren. Zoals we weten was deze staatsman nogal egocentrisch ingesteld en fors van daden. Resultaat: de Villefort in de gevangenis en het beeld onthoofd.

Nadat Napoleon er in Rusland een puinhoop van had gemaakt, kwam de Villefort weer vrij. Die snelde terug naar Nant, haalde het hoofd van Lodewijk tussen de struiken vandaan en lijmde het weer op de rest van het beeld. Lodewijk in ere hersteld. De Villefort schonk het beeld aan Nant waar het op de Place du Claux werd geplaatst.

 Napoleon zat ondertussen niet stil, liet zich van zijn verbanningseiland naar de Franse kust roeien, werd daar opgewacht door de koninklijke garde om hem weer te arresteren, maar riep toen hij voet op het strand van Juan les Pins zette uit: “Hier is jullie keizer! Wie volgt me?” En de hele garde volgde hem. En zo trok hij overal onderweg zegevierend via Grenoble naar Parijs, waar hij meteen weer de grote chef was.

Dat was natuurlijk niet leuk voor de Villefort, die meteen opnieuw werd opgesloten, maar die door Napoleon’s grote debacle bij Waterloo weer snel vrij kwam.

Lodewijk de Achttiende liet op 21 januari 1815 het beeld weer inaugureren op de Place du Claux, die meteen werd omgedoopt in Place Louis XVI.

Een lang leven was deze koninklijke situatie niet beschoren. In 1830 was het weer tijd voor een revolutie en meteen werd het beeld van zijn sokkel gehaald en voor de tweede keer gedecapiteerd, waarna het hoofd in de rivier de Dourbie werd gegooid en nooit meer werd teruggevonden .

De Villefort was echter een doorzetter, liet de resten van het beeld naar zijn tuin brengen, plakte het daar zo goed mogelijk weer in elkaar, liet een nieuw hoofd maken en liet dat op het beeld zetten. Uit respect voor zijn leeftijd en zijn verdiensten als schrijver liet Napoleon III de Villefort en zijn beeld met rust. De Villefort stierf in 1855 in grote armoede, zoals dat een schrijver kan gebeuren. Hij was toen 88 jaar oud en tot zijn laatste ademtocht een vurige royalist.

Maar we zijn er nog niet met Lodewijk de Zestiende, want in 1989 werd het beeld dat nog steeds eenzaam in de tuin van de Villefort zaliger stond, voor de derde maal van zijn hoofd ontdaan. De dader is nog steeds spoorloos en het hoofd ook. Misschien was die dader wel een even grote royalist als de Villefort en staat er ergens in een huis in Frankrijk het stenen hoofd van Lodewijk de Zestiende op de schoorsteen of op een gouden schaal in een pronkkast. Of misschien duikt het ooit op bij een kunstveiling in New York, Tokyo of Amsterdam.

In 2001 kocht de gemeente Nant het beeld en plaatste het zonder hoofd in de hal van het gemeentehuis van Nant.

En daar zag ik het gisteren.

Zie foto 1: Het onthoofde beeld van Lodewijk de Zestiende in de hal van het gemeentehuis van Nant. Buiten is nog juist een stukje van mijn fiets te zien.

Op de terugweg naar le Caylar, waar ik bij vrienden logeerde, bezocht ik het mooie middeleeuwse stadje la Couvertoirade.

Foto 2 en 3: Het middeleeuwse stadje la Couvertoirade.
Foto 3

Mijn gastheer in Le Caylar was Hubert Martin. Hij is president, niet van de Franse Republiek, maar van het ‘Festival du Roc’. Dat ‘Roc’ heeft niets te maken met Rockmuziek, maar met de flinke rotspartij die boven le Caylar uitsteekt. 

Zie foto 4: De rotspartij boven le Caylar.

Elk jaar, behalve uiteraard dit coronajaar, organiseert Hubert dit festival, dat plaatsvindt in Le Caylar en dat van heel Frankrijk en ook van daar buiten, belangstellenden trekt, voornamelijk fiets reizigers, om hun verhalen al of niet met foto’s te vertellen, muziek te maken (maar geen rock), sketches op te voeren of gewoon om over van alles te praten wat met fietsreizen te maken heeft. Dit festival geniet al nationale bekendheid (en met dit bericht dus ook al een beetje internationale bekendheid!).

Dit jaar dus geen festival, maar bijna elke dag komen er fietsers op trektocht bij hem langs. 

Met Hubert maakte ik een tochtje naar de Cirque de Navacelles, niet zo heel ver bij hem vandaan. 

Zie foto 5: Cirque de Navacelles.
Foto 6: Hubert voor de Cirque.

Het is een opgedroogde meander in de rivier de Vis, die de canyon uitgesleten heeft.

Ik heb ondertussen le Caylar verlaten om mijn reis te vervolgen, maar daarover de volgende keer.