Bericht 7
We waren aan het einde van bericht 6 op weg naar Champasak waar we de beroemde Khmer tempel Wat Phu wilden gaan bekijken. Maar eerst kwam ik door Pakse aan de Mekong, waar ik Bill Weir weer eens ontmoette, een Amerikaan, die ’s winters min of meer continu door Zuidoost Azië rondzwerft en dat ’s zomers afwisselt met de VS of Europa. Hij is dus een soort snowbird die met de seizoenen mee reist.

Op 1 januari 1984 ontmoette ik Bill voor het eerst in India dicht bij Mysore en op 7 januari 2003, dus 19 jaar en 6 dagen later, ontmoette ik hem opnieuw, nu door puur toeval, in Kiu Kacham in Laos. Hij nam mij toen op in zijn maillijst van familie, vrienden en kennissen, zodat ik nadien regelmatig berichten van hem ontving over zijn reizen. Aangezien wij beiden vrije zwervers zijn, hij voornamelijk in Azië, de VS en Europa en ik over de hele wereld (maar beneden de 53ste breedtegraad omdat het daarboven voor mij te koud is) kwamen we zo nu en dan, ook weer door toeval, in elkaars buurt. Door de wonderen van internet konden we dan, als de afstand tussen ons beiden niet te groot was, een ontmoeting arrangeren. Zo hebben we elkaar sindsdien nog tweemaal in India en eenmaal in Frankrijk ontmoet en op deze reis dus voor de tweede maal in Laos. Ook hebben we elkaar eens ergens op een dag gemist, als ik me goed herinner in Kirgizstan.
Bill was hier in Pakse met een groep fietsers en had daarom weinig tijd voor mij, maar we spraken af elkaar enkele dagen later, als hij weer alleen zou zijn, in Ubon Ratchathani juist over de Thaise grens, opnieuw te ontmoeten. Hij wist daar een paar mooie tempels en die wilde hij mij laten zien.
De volgende dag, terwijl Bill weer met zijn groep optrok, stak ik de Mekong over. Direct voorbij de brug fietste ik omhoog naar een enorme gouden Buddha boven op een heuvel links van de weg.



Ik daalde de heuvel weer af en vervolgde mijn weg naar Champasak, een kilometer of 30 naar het zuiden.

Enkele kilometers verderop lag Champasak, waar ik een hotelletje nam als uitgangspunt voor mijn uitstap naar de Wat Phu tempel, de volgende dag. Ik was op voorgaande reizen al een paar keer bij deze indrukwekkende tempel geweest, maar toen ik er deze keer kwam, bleek er sinds de laatste keer, een paar jaar geleden, nogal wat veranderd te zijn. Vroeger fietste je er heen, zette je fiets tegen een boom en liep je gewoon het tempelterrein op. Nu moet je zo’n tweehonderd meter naar rechts, naar de parkeerplaats, waar je tegen betaling je fiets moet parkeren en waar je een toegangskaartje voor de tempel moet kopen, alles bij elkaar 65.000 Kip. Dat lijkt erg veel, maar als je het omrekent naar euro’s, blijkt het nogal mee te vallen: 2,60 euro. Erger is, dat je dat via een QR code moet doen, maar gelukkig lukte het mij nog om met cash naar binnen te komen. Achter de parkeerplaats stond een pendelbus te wachten, zodat de bezoeker de aardige toegangswandeling langs een grote rechthoekige vijver ontnomen werd. Ik negeerde de pendelbus en liep, zoals bij voorgaande bezoeken, langs de vijver naar de tempel en verwachtte ieder moment in de kraag gegrepen en op de pendelbus gezet te worden, maar dat viel mee en zonder interventie van bewakers kwam ik bij het tempelcomplex van Wat Phu aan de voet van het Phu Phasak gebergte. Dat tempelcomplex bestaat uit twee grote tempels één rechts en één links van het toegangspad, met hogerop de berg, te bereiken via een stel trappen, de hoofdtempel.











Ik daalde de berg weer af, haalde mijn fiets op, reed terug naar Champasak en nam daar de volgende dag de grote weg terug naar Thailand, waar ik in Ubon Ratchasani, de eerste grote stad voorbij de grens, Bill Weir weer opzocht. Die was ondertussen, na afscheid van zijn groep genomen te hebben, ook naar Ubon Ratchasani gereden en had zijn intrek genomen in Hotel Bordin. Ik nam daar ook een kamer, hoewel die voor mij wat aan de luxe kant was. Maar vooruit! Een mens moet zich zo nu en dan eens flink verwennen. Wijze lieden hoor je soms zeggen: “Je kunt het toch niet meenemen”. Daarmee bedoelen ze niet meenemen naar huis of meenemen op een volgende reis, maar meenemen naar het hiernamaals. Sommige Egyptische farao’s deden dat toch met als gevolg dat grafrovers met hun mooie spulletjes aan de haal gingen. Dan kun je nog beter een duur hotel in Ubon Ratchatani nemen, lijkt mij.
De volgende dag liet Bill, die hier al vaker geweest was, mij de stad zien. Ik ben er jaren geleden ook geweest, maar herinnerde mij de details en de mooie plekjes niet meer. Met een Engels sprekende gids was het voor mij comfortabel om deze stad weer eens uitgebreid te zien.
In de volgende aflevering gaan we onder leiding van Bill (en ook een beetje onder leiding van mij!) een paar mooie tempels van Ubon Rachathani bekijken, waarna we de terugweg naar Bangkok zullen aanvaarden.
Tot besluit nog twee toegiften omdat ik in een goede bui ben.


Ik wijs tot slot van deze aflevering nog eens op het volgende:
Mocht u deze berichten over Thailand en Laos interessant vinden, dan is het misschien een idee om mijn boek ‘De hanen van de koning’ te lezen. Dat gaat over een van mijn vorige reizen door deze landen alsmede door Cambodja met een uitgebreid bezoek aan de tempelstad Angkor, een van de wereldwonderen.

Dat boek, alsmede de boeken waarvan de voorplaten afgebeeld staan op foto 18, kunt u bestellen via stephen.verdonkschot@gmail.com Omdat het binnenkort Pinksteren is en u dan misschien tijd heeft om te lezen, heb ik de volgende speciale Pinkster- en Zomeraanbieding: Bij bestelling van twee of meer van de boeken die afgebeeld staan op deze foto (18), kunt u gratis een exemplaar bij uw bestelling voegen. Uiteraard zolang mijn voorraad strekt. En alles vrij van verzendkosten! (De prijs per boek is 21,99 euro, behalve ‘De magische vijfduizendmetergrens’ en ‘Een duizend meter hoge kerstboom’. Die kosten 22,99 euro)

Wacht niet te lang, want sommige van deze boeken zijn al antiquarisch, in die zin dat ik waarschijnlijk de enige ben die er nog een voorraadje van heeft.
Tot de volgende keer
Frank
