“Een foto voor de etalage van een herenmodezaak”

Bericht 3

Ik was in mijn vorige bericht blijven steken op de Col de Valouse. Vandaar kreeg ik een afdaling door een mooi rotsachtig gebied naar St. Ferreol Trente Pas. Iets daarvoor was de afslag naar Defilé de Trente Pas, een kloof die er nogal interessant uitzag. Dat lokte aan en het feit dat die weg, waar ik niet heen moest, afgesloten was lokte nog meer aan. Daarom fietste ik toch maar even die kloof in.

Blijkbaar hadden ze daar borden van ‘Route Barree’ en plastic afzettingen te veel, want ik kon er zonder problemen door en voor de enkele auto die van de andere kant kwam vormde het enige opstakel die vier plastic dingen.

Deze omweg bleek de moeite waard te zijn, want de kloof, hoewel misschien niet heel spectaculair, was erg mooi.

Defilé de Trente Pas
Nog een plaat van de kloof

Misschien hadden ze angst dat het pilaartje bovenin de kloof om zou vallen. Als die op de weg valt, blijkt het opeens een enorm groot pilaartje te zijn.

Mooi pilaartje bovenin de kloof

Het pilaartje viel (nog) niet en zo liep dit illegale avontuur goed af.

Vanaf de Col d’ Aulan daalde ik de volgende dag af langs het Chateau d’ Aulan en door weer een kloof naar het mooi op een heuvel gelegen dorpje Montbrun les Bains.

Chateau d’Aulan
Kloof voor Montbrun les Bains
Montbrun les Bains
Veel brem in de berm.

In de buurt van Frejus kwam ik langs een mooie rode rotspartij. Ik wilde daar een sublieme foto van maken met mijn fiets en mijzelf er bij. Dat viel niet mee aangezien ikzelf niet erg fotogeniek ben, maar wat ik tekort kwam, konden mijn fiets en de rotspartij hopelijk goed maken. Om een fantastische zelfopname te maken vond ik een prima plekje bij een andere rots, waarbij ik de camera met statief op een daarvoor uiterst geschikte tak van een knoestige boom kon plaatsen. Het vervelende was dat dat prima plekje een eind van de weg lag en ook nog een stuk hoger. Maar de echte fotograaf spaart kosten noch moeite noch tijd om de ideale plaat te schieten. In dit geval waren de kosten nul, maar loog de moeite er niet om, terwijl het allemaal een reuzetijd ging duren. Ik duwde de zwaarbeladen fiets omhoog over een steile rotshelling tot de plek waar het meesterschot gelost moest worden en zette mijn camera met statief op de tak die zo vriendelijk was geweest zodanig te groeien dat het statief er redelijk stabiel op geplaatst kon worden. Daarna drukte ik op de zelfontspanner, rende naar mijn fiets, klom op de rots en poseerde zo nonchalant mogelijk. Het resultaat was een foto die zo in de kortebroeken- afdeling van een gerenommeerde herenmodezaak geplaatst kan worden.

Mijn fiets, de prachtige rode rotswand en ik er ook nog bij

Wat minder mooi was, was dat op 2 december  1959 de Barrage de Malpasset, een stuwdam in de heuvels ten noorden van Frejus het begaf. Door de vloedgolf die daarvan het gevolg was kwamen 423 mensen om het leven. Nu is het een rustige plek, waar je je nauwelijks kunt voorstellen hoe het kolkende water toen als een zondvloed omlaag stortte, daarbij stukken beton zo groot als huizen honderden meters met zich meevoerend.

Ik fietste er heen en liep de laatste paar honderd meter over de nu kurkdroge rivierbedding.

De Barrage de Malpasset, althans wat er nog van over is.
Een blok beton, zo groot als een huis, bijna een kilometer verderop.
De gebroken stuwdam van boven gezien

Via Grasse, waar die ochtend dat ik er reed ongeveer alle auto’s van Frankrijk langs me heen leken te scheuren, fietste ik naar Saint Martin Vesubie in het Parc National du Mercantour (Alpen) waar ik een mooie wandeling ging maken, maar daarover hoop ik een volgende keer te berichten.

De weg naar St. Martin Vesubie.

‘Le Jeudi de la Jeunesse’. Dat zag er bijzonder uit. 1907!!! Meer dan 110 jaar oud!

Van Alesia, tot waar ik met mijn eerste verhaal van deze reis gekomen was, fietste ik via Autun naar Macon.


De kathedraal van Autun
Straatje in Autun

Een kilometer of 40 voor Macon ontmoette ik een Zweedse fietsreiziger van 30 die op weg was naar Montpellier. Terwijl we samen opfietsten werd me al snel duidelijk dat hij niet erg goed voorbereid was op deze tocht. Hij had een ongeveer 40 jaar oude fiets waaraan zowel in het voorwiel als in het achterwiel een paar spaken ontbraken. Dat was allemaal nog niet zo dramatisch, maar de kabel van zijn achter rem stond op afbreken en door de hellingen in de route zou dat minder goed kunnen aflopen. Een reserve kabel had hij net zo min als gereedschap om een kabel te monteren. Gelukkig bleek er een fietsenmaker te zijn in La Roche Vineuse waar we door kwamen, maar gehoorzamend aan de Wet van Murph bleek die juist die middag gesloten te zijn. Daarom haalde ik een van mijn eigen reservekabels tevoorschijn en monteerde die op zijn fiets, een werkje dat hem de mond van verbazing en bewondering deed open vallen. Aangezien hij student medicijnen was, hoopte ik voor zijn toekomstige patiënten dat hij met hetzelfde gemak als waarmee ik het kabeltje geplaatst had, ontstoken blinde darmen zal kunnen verwijderen en lamme hartkleppen zal kunnen repareren.

Toen we weer reden bleek hij over kwaliteiten te beschikken die mij het gevoel gaven een eenentwintigste eeuwse Neanderthaler te zijn. Hij stuurde met zijn rechterhand en had zijn uiterst slimme telefoon vol apps met o.a. een eindeloos opblaasbare wegenkaart van Frankrijk in zijn linkerhand. Met zijn rechteroog op de weg gericht en zijn linkeroog gefixeerd op zijn almachtige apparaat had hij zijn weg van Zweden via Denemarken, Duitsland, Nederland en België naar Macon gevonden. Kaarten had hij niet bij zich. Dat was ouderwetse flauwekul. Alles zou goed verlopen zijn, ware het niet, dat er zich een agressieve donderwolk aan het ontwikkelen was. Nog juist voordat de bui losbarste bereikten we een supermarkt waar we konden schuilen.

“Heb jij zin in kamperen met dit weer?” Vroeg hij.

“Niet veel,” antwoordde ik. “Hopelijk vinden we straks in Macon een toeristenbureau om te vragen of ze een goedkoop pensionnetje weten, maar toeristenbureaus zijn meestal dicht als je ze nodig hebt”

Joel, zoals mijn tijdelijke metgezel heette fiedelde wat op zijn apparaat en zei toen: “Ik heb een pension voor 490 kronen gevonden. Vind je dat goed?”

“Geen idee wat een kroon is, maar volgens mij hebben ze in Frankrijk nog steeds de euro.”

“Ik heb hier een Zweedse B en B site. Het komt neer op 46 euro voor ons beiden. Zullen we dat doen? Als ik op dit ‘accoord’ vakje tik is de reservering gemaakt en heb ik ook meteen betaald” .

Daarmee viel mijn mond net zo open van verbazing en bewondering als een uur tevoren Joels mond was opengevallen.

Toen de bui over was reed ik achter Joel aan, die zich naar het appartement liet leiden door zijn feilloos werkende apparaat.


Mijn Zweedse telefoonkunstenaar voor een fraaie kerk in Macon.

De kathedraal van Macon met een afgrijselijk spiegelende poort

De volgende ochtend bleef Joel nog wat uitslapen. Het was een interessante ontmoeting geweest, maar het leeftijdsverschil deed zich gevoelen en daarom wensten we elkaar een goed vervolg van de reis, waarna we elk weer ons weegs gingen.

Ik wilde het fietspad aan de oostzijde van de Saone volgen, maar dat hield al snel op. Daarom nam ik de D51 naar Thoissey waar het toeristenbureau wonder boven wonder open bleek te zijn. Ik trof er een uiterst behulpzame jonge dame, die me, op mijn vraag of er verder naar het zuiden een fietspad langs de Saone liep, overlaadde met folders, waarvan ik er helaas niet een kon gebruiken. Ik moest haar in haar ijver om folders uit te delen afremmen, anders had ik 25 kg papier met kleurendruk op mijn fiets moeten laden. Toen ik uiteindelijk toch met een soort kaartje, waar uiteraard geen fietspad op stond, omdat het er gewoon niet was, de deur uit liep, volgden er duizend verontschuldigingen van haar kant. Als het aan haar had gelegen was heel Frankrijk plat geasfalteerd met fietspaden, alles speciaal, alleen voor mij.

Met een grote boog reed ik om Lyon heen en bracht de nacht door in het klooster Sainte Croix de Jarez dat in 1280 gesticht is en tot de Franse revolutie in bedrijf was. Nu is het verdeeld in appartementen voor reizigers en toeristen, waarvan ik er dus één was.


Het klooster Sainte Croix de Jarez.

Algemeen overzicht over Sainte Croix de Jarez

Van Sablons volgde ik het fietspad langs de Rhone, dat ten dele goed te volgen was, maar hier en daar chaotisch was aangegeven. Vooral bij Tain l’Hermitage was het een doolhof maar met veel vragen was er uit te komen. De Fransen zijn deze laatste jaren hier en daar vrij serieus bezig met het aanleggen van zogenaamde ‘voies vertes’ oftewel ‘groene wegen’ . Die zijn doorgaans bestemd voor fietsers en wandelaars en soms ook voor ruiters. Daarvoor worden veelal oude spoorweg tracés of jaagpaden langs kanalen gebruikt. Dat is natuurlijk verheugend nieuws, maar de bewegwijzering laat veelal te wensen over.

In Valence bleek geen camping te zijn, maar 10 km zuidelijker, in Charmes sur Rhone, was er wel een en daar bracht ik de nacht door.

De volgende ochtend wilde ik er een flinke zet aan geven, maar na een half uur kwam ik door La Voulte, waar juist een ‘vide grenier’ aan de gag was, oftewel een ‘zolder leegmaker’ , wat wij in goed Nederlands een rommelmarkt noemen. En daar ging mijn plan, om er die ochtend eens flink aan te trekken, in rook op. Ik kan het altijd moeilijk laten om op zo’n markt tussen oude rommel te gaan snuffelen. Daar is altijd de spanning om iets heel bijzonders te vinden. Een etsje van Rembrandt is nooit weg en het originele manuscript van het tweede vioolconcert van Beethoven zou ook al een leuke vondst zijn, temeer daar er slechts één vioolconcert van deze toonkunstenaar bekend is. Ook deze keer geen etsje van mijn verre achter achter oom of een manuscript van componist, maar wat ik wel vond was een stand met stripverhalen, waaronder wat oude, maar helaas dure Tin Tin’s, die bij ons Kuifjes heten.


De vide grenier van La Voulte.

Een boeiende stand met stripverhalen en Kuifje-spulletjes

Tussen al die spulletjes en oude boeken ontdekte ik de ingebonden jaargang 1907 van het jeugd-weekblad ‘Le Jeudi de la Jeunesse’. Dat zag er bijzonder uit. 1907!!! Meer dan 110 jaar oud! Als je bij ons jaargang 1954 van Donald Duck vindt, ben je al de koning te rijk!

De eigenaar van de stand bleek helaas een kenner te zijn, dus “Geef maar 50 cent”, zat er niet in. Twintig euro wilde hij er voor hebben. Dat had ik er natuurlijk grif voor betaald, maar een rommelmarkt zonder afdingen is niet half zo leuk als een pingelmarkt . Uiteindelijk had ik de jaargang voor 15 euro. Dat gaf mij het triomfantelijke gevoel 5 euro van de prijs omlaag gepraat te hebben en de man het voldane gevoel de maximale prijs er voor gekregen te hebben. Had ik hem meteen de 20 euro toegestoken dan zou hij gehinderd kunnen worden door het idee dat hij er ook nog wel 25 euro voor had kunnen vragen.


Voorpagina van Le Jeudi de la Jeunesse, 21 Maart 1907.

Het getoonde spannende verhaal werd in het blad vervolgd op pagina 2. Mochten er van mijn volgers vele verzoeken komen om de afloop van dat spannende verhaal te tonen, dan zal ik daaraan voldoen in mijn volgende bericht.


Chateau van La Voulte

Bij een andere handelaar vond ik de Guide Michelin van Italië uit 1965. Niet zo oud als het jeugdblad, maar toch ook niet echt nieuw te noemen. De bergen kathedralen en kastelen zullen waarschijnlijk wel onveranderd gebleven zijn, dus de gids kan t.z.t. zijn waarde voor me hebben. De man vroeg er een hele euro voor, maar ik bood hem een halve, die hij maar al te graag accepteerde.

Na mijn bezoek aan de rommelmarkt stak ik de Rhone over en verliet die in oostelijke richting, waarmee ik de bergen tegemoet reed. Hiermee begon het serieuze klimwerk en daarover de volgende keer.

Bij een andere…..de volgende keer.

Asterix en Vercingetorix

Een tijdje geleden zag ik een film over Julius Caesar. Een van zijn grote ‘heldendaden’, als je een enorm bloedbad zo zou willen noemen, was zijn Gallische Oorlog, waarin hij zijn tegenstander Vercingetorix op de knieën dwong.

Aangezien de Romeinse geschiedenis mij nogal interesseert, leek het mij een aardig idee om eens een kijkje te gaan nemen op het slagveld, waar de rust ondertussen overigens is weergekeerd, aangezien de slag alweer 2071 jaar geleden plaatsvond. En die plaats was, zoals we uit de geschiedenisboeken weten: Alesia.


Voor wie die plek niet onmiddellijk weet te plaatsen: het ligt vrijwel precies tussen Bussy-Rabutin en Pouillenay.

Na deze overwinning van Caesar was de laatste weerstand van de Galliërs gebroken, op het ons ondertussen erg bekende dorpje in noordwest Gallië na.

In het Centre d’ Interpretation, oftewel het bezoekerscentrum , waar ik via Nederland, Belgie en noord Frankrijk heen fietste, kreeg ik een telefoontje mee, dat mij bij alle tentoongestelde onderdelen haarfijn vertelde waar het om ging en wat er gebeurde. Ik kon uit een flinke serie talen kiezen, waaronder zelfs Nederlands. Alles heel fijn dus, maar aangezien ik altijd in de clinch lig met electronische apparatuur, kostte het me ruim een half uur om uit te zoeken op welke knoppen ik moest drukken. Na afloop van die studie wist ik echter alles over Alesia, Julius Caesar en Vercingetorix (waarvan ik ook het meeste al wist voordat ik naar Alesia fietste).

Vercingetorix werd gevangen naar Rome gebracht waar hij ter meerdere eer en glorie van Caesar ‘en plein publique’ aan de wurgpaal stierf. Dat was niet zo sympathiek van onze Julius, maar met hem liep het enkele jaren later, zoals we weten, ook niet goed af, toen hij de senaat voorzat. Ruim een dozijn dolksteken van onder andere zijn adoptief-zoon Brutus was zelfs deze ‘halfgod’ te veel.

Mijn 8 euro toegang gold ook voor de grote heuvel, 3 km naar het oosten, waar bovenop een enorm standbeeld staat van Vercingetorix.

Dat stamt niet uit zijn tijd, maar is daar in 1865 op last van Napoleon III opgericht. Het aardige is dat het gezicht van deze stenen Vercingetorix de trekken vertoont van Napoleon III. Dat was natuurlijk een aardigheidje van de Franse keizer.

De klim naar de top van de heuvel viel niet mee aangezien de weg erg steil is en ik nog steeds geen electromotor  op de fiets heb.

Behalve het standbeeld van Vercingetorix waren er nog wat ruïnes te bewonderen van de Gallo-Romeinse plaats die na de slag gebouwd werd.

Echt veel te bewonderen viel er echter niet aan het stelletje muurtjes van niet veel meer dan een meter hoog. Maar met deze excursie had ik het historische peil van mijn reis (die nog niet ten einde is) op een aanzienlijk niveau gebracht.

Hier volgen nog wat foto’s van onderweg:


Een weggetje in Brabant. De bomen staan schuin van de harde wind en daar moest ik de hele dag recht tegenin.

Dinant aan de Maas.

Het mooie plein van Charleville Mezières dat helaas volgestouwd was met tenten waar je ongeveer vijftienduizend verschillende soorten bier kon drinken, om het Fête de la Bière te vieren.

Als je nog niet misselijk genoeg van het bier was kon er nog een schepje bovenop door gecentrifugeerd te worden in een prachtige draaimolen.

Mijn tent en fiets bij een boerderij.

ure plezierbootjes in het kanaal tussen Champagne en Bourgondië. Joinville.

Fietspad langs dat kanaal.

Chaumont.

Een mooie oude Franse wegwijzer-paddenstoel, waarvan er nog maar erg weinig over zijn .

Een telefooncabine uit de goede oude tijd, die nu dienst doet als mini- bibliotheek. Ik weet nog dat die cabines gloednieuw waren en dat is nog helemaal niet zo lang geleden.

Firdausi en Rudaki

Bericht 21

De twee voorgaande berichten waren passages uit mijn boek ‘In de ban van Stempelstan’, Een reis door Centraal Azië.

Hier volgt weer een fragment uit datzelfde boek. Ik zit dan bij een duur en slecht restaurant in de oeroude stad Buchara te bladeren in een reisgids.

Het boek is onlangs herdrukt, waarbij het een nieuwe voorkaft heeft gekregen. Ik heb bij die eerste druk namelijk lange tijd getwijfeld tussen een aantal verschillende foto’s voor dat voorblad. Uiteindelijk is het die met die hoge minaret in Buchara geworden, die er een beetje uitziet als het handvat van een stempel, waarmee een immigratiebeambte een stempel in mijn pas plaatst. Helaas verviel daarmee de tweede keuze, een mausoleum in Samarkand, maar die is het dus bij de tweede druk geworden.

20190524_005547
Voorkaft eerste druk.

20190524_005329
Voorkaft tweede druk.

Daar ik nog ongeveer 20 foto’s heb die alle ervoor in aanmerking komen de voorkaft te sieren, zou het niet slecht zijn als het boek nog twintig maal herdrukt gaat worden. Voor elke druk een andere foto. Leuk om t.z.t. 22 verschillende exemplaren van hetzelfde boek in uw boekenkast te hebben staan.

 

Firdausi en Rudaki

Op het terrasje van een toeristenrestaurant naast een vijver in het centrum van Buchara zit ik wat in mijn reisgids te bladeren. Ik heb me zojuist getrakteerd op een etentje, maar een traktatie was het niet: taaie, twee weken oude patatten en een tot een rubberplak gebakken ei, waarmee je een gat in je buitenband zou kunnen dichten. Morgen ga ik voor een vijfde van de prijs in een tentje in de straat iets goeds eten, want daar kunnen ze zich, omdat de lokale bevolking er ook komt, niet permitteren om rommel te bakken. Dan loop ik ook geen kans op een maag- en darmcatarre, wat ik hier nog maar moet afwachten.

Lezend in zo’n gidsje verbaas ik me er elke keer weer over hoe weinig wij in Europa weten van de geschiedenis van Azië. Karel de Vijfde, de Slag bij Nieuwpoort, Jacoba van Beieren, de Batavieren en de Watergeuzen, daar weten we alles van en over Alexander de Grote, Julius Caesar, Napoleon en Cromwell kunnen we ook het een en ander vertellen, maar wie heeft er ooit gehoord van bijvoorbeeld de Manguten, die in1785 de macht in Buchara overnamen, waardoor de stad een Perzisch emiraat werd? En van Nashrullah Khan, die van 1826  tot 1860 over Buchara regeerde? Een film over zijn leven zou nochtans spectaculairder zijn dan Rusland-Nederland, ook al zou die match in een 0-10 overwinning voor de oranjehemden eindigen, want alleen al om aan de macht te komen, liet deze Nashrullah drie broers onthoofden en 28 familieleden vermoorden. En op zijn sterfbed regelde hij nog even dat zijn vrouw en drie dochters over de kling gejaagd werden, waarschijnlijk om niet eenzaam te worden in het hiernamaals. Daarentegen weet iedere Nederlander dat Floris de Vijfde door de edelen werd vermoord.

Ver voor de tijd dat er ooit iemand van Amsterdam had gehoord, was Buchara al een enorm belangrijke stad. In 1997 vierde het zijn 2500-jarig bestaan, wat dus betekent, dat in de zesde eeuw voor Christus de eerste steen al gelegd werd. In de negende en tiende eeuw werd het de hoofdstad van het rijk der Samanieden en ontwikkelde het zich tot een belangrijke stop op de Zijderoute. Met 300.000 inwoners was Buchara voor die tijd een enorme metropool, te vergelijken met New York, Parijs en Tokio nu. Na Mekka was de 300 moskeeën en vele medressen tellende stad het belangrijkste islamitische centrum ter wereld. En desondanks moet ik eerlijk bekennen dat ik mij zelfs niet kan herinneren dat er vroeger op school ooit over Buchara is gesproken, maar misschien heb ik toen niet goed opgelet, wat wel vaker gebeurde.

En wie kent Firdausi en Rudaki? Ja ik, want ik lees hier juist dat ze de Buchariaanse Shakespeare en Goethe waren. Newton en zijn wetten kennen we allemaal en we weten ook te vertellen over die appel die hij op zijn hoofd kreeg, waarna hij, om daarmee een beetje leuk creatief bezig te zijn, even de differentiaal- en integraalrekening uitvond en vervolgens de banen van de planeten berekende, maar ik wed dat als ik een willekeurig iemand op het Spui in Den Haag aanspreek en vraag wie Ibn Sina was, hij of zij toch wel even diep zal moeten nadenken, voordat er een antwoord komt. En toch was die Ibn Sina de Perzische Newton.

Rond 1220 werd Buchara door de Mongolen verwoest. Alles aan puin. En waarom eigenlijk? Dat steden veroverd werden door despoten kan ik nog een beetje begrijpen, maar waarom moest dan meteen ook alles kort en klein geslagen worden? En toch staat de geschiedenis stijf van dit soort gruweldaden. In de zestiende eeuw kwam de stad weer tot nieuw leven als hoofdstad van de Sheibanieten. De handel bloeide weer op onder andere door de passerende karavanen uit Rusland, India en Perzië en met de florerende slavenmarkt was natuurlijk flink wat te verdienen. Maar ook Khan Sheibanied Ubaydallah, die regeerde van 1512 tot 1540 en Abd al-Aziz, die van 1540 tot 1552 aan het roer stond waren voor mij onbekende namen en ik ben er vrij zeker van, dat als ik deze gids dichtsla, het binnen twee minuten opnieuw onbekende namen voor me zullen zijn.

En nu sla ik het gidsje ook dicht. Tijd voor actie, want als je de moeite hebt genomen om naar Buchara te fietsen, ligt het voor de hand om de stad niet alleen uit een gidsje te leren kennen, vruchteloze pogingen te ondernemen om vreemde namen en jaartallen uit je hoofd te leren en plaatjes te kijken, maar ook om de stad in natura te bekijken. Urenlang loop ik door kromme pittoreske straatjes en langs imposante, met blauwe tegels belegde moskeeën, gekroond met turquoise, in de zon glimmende koepels. De poort van menige moskee en medresse is zo hoog dat een giraffe er op z’n tenen lopend en met gestrekte hals makkelijk onderdoor kan. Maar nog veel hoger zijn de sierlijke, taps toelopende, overal bovenuit torenende minaretten.

S6300342.JPG
Moskee in Buchara.

S6300339.JPG
Poort waar een op zijn tenen lopende giraffe met gestrekte nek onderdoor kan.

Via de stadsmuren die helaas wat al te gladjes zijn gerestaureerd, maar waar gelukkig ook nog wat originele, door de tand des tijds aangevreten stukken in zitten, kom ik bij de Ark, een oud ommuurd stadsdeel met een fort. Ik haal mijn reisgids uit mijn rugzakje en lees dat de eerste citadel hier gebouwd is door Siyavash ibn-Keikavus, de schoonzoon van de dochter van Afrasiab, maar dat is slechts een legende. Ik ben blij dat ik na mijn reis hier geen examen in hoef te doen. Veel ligt er in dit stadsdeel nog in puin. In de loop der eeuwen is het diverse malen verwoest. Op zo’n manier kun je wel bezig blijven. Vier jaar geleden ben ik ook in Buchara geweest, op mijn fietsreis naar Tibet, maar in de Ark is men nog niet erg opgeschoten met de restauratiewerkzaamheden. De oude stadswallen ten westen van de stad zijn daarentegen sinds mijn vorige bezoek rigoureus gerestaureerd, waardoor ze nu wat weg hebben van de Afsluitdijk. Ik vraag me af waar je, uit historisch oogpunt beschouwd, beter mee bent: authentiek puin of steriel metselwerk dat er weer vijf eeuwen tegen kan.

S6300304.JPG
Rigoureus gerestaureerde stadswal met gelukkig nog een authentiek stukje er in.

Terwijl ik zo ontspannen door deze stad met zijn vele moskeeën en Koranscholen loop, valt het mij op dat, hoewel Oezbekistan een islamitisch land is, de islam er veel minder merkbaar bedreven wordt dan in landen als Egypte, Pakistan en het Midden-Oosten. Vrouwen zie je hier niet gesluierd, maar hooguit met een hoofddoekje, de oproep tot het gebed, die in andere islamitische landen vijfmaal per dag van de minaretten schalt, hoor je hier niet of nauwelijks en hoogst zelden zie je iemand zijn gebedsmatje uitrollen. Deze zelfde gematigde islam heb ik ook in Azerbaijan en Turkmenistan ervaren.

S6300362.JPG
Kleurrijk marktje in de buurt van Buchara.

Op de terugweg naar mijn pension kom ik langs de tapijtenmarkt waar prachtige grote tapijten over muren hangen om de toerist in verleiding te brengen. Aarzelend loop ik langs een fraai  geweven exemplaar van 8 bij 10 meter en overweeg mijn beurs te trekken, maar ik zie er toch van af. De volgende keer kom ik met een auto ten behoeve van mijn souvenirverzameling, die nu nog slechts uit een paar reageerbuisjes woestijnzand bestaat.

S6300321.JPG
Een mooi tapijt, maar te zwaar voor achterop de fiets.

 

Een nep-mausoleum en een sprekend horloge.

De route van Ashgabat naar Mary gaat door vlak, en over het algemeen eentonig land. Veelal is het woestijnachtig, maar er zijn ook grote stukken omgeploegd bouwland. Een paar keer zie ik een dorpje, meestal een reuze eind van de weg, en verder kom ik af en toe langs een cafeetje. De weg is nogal druk, voornamelijk door vrachtwagens geladen met zand. Waarschijnlijk wordt er verderop aan de weg gewerkt, maar waarom het zand over zulke grote afstanden wordt vervoerd, terwijl het in dit woestijnachtige land vrijwel overal voor het opscheppen ligt, is me niet duidelijk. Door al dit zware verkeer, nog aangevuld met grote Turkse vrachtwagens, is het asfalt verbrokkeld, gescheurd en vol gaten waarvan sommige zo groot zijn als badkuipen. Op andere plaatsen heeft de verwoesting van de weg een nog mooiere vorm aangenomen. Daar is door de vrachtwagenbanden het asfalt diep naar beneden geperst, met als gevolg dat de teer naast die geulen als zachte boter omhoog is gestuwd, wat prachtige lange asfaltranden van 20 cm hoogte heeft opgeleverd.

In het plaatse Hauz Han houd ik een theestop omdat mijn ontbijt, vanochtend vroeg bij de tent, niet grandioos was: oud, hard, droog brood met kaas die bij temperaturen van 33 à 35 graden is omgevormd tot een zeemlap drijvend in gele olie. In een winkeltje vind ik Sovjet-koek, die los per kilogram wordt verkocht. Er bestaan verschillende soorten van die alle in grote, open dozen op de planken achter de toonbank staan. Mijn favoriete soort, laagje koek-laagje suiker-laagje koek, etc, soms wel zeven maal, is hier gelukkig ook te koop. Ik neem er meteen een halve kilogram van. Het vervelende van dit type is echter, dat de eerste tien makkelijk naar binnen glijden, waarna je er eigenlijk genoeg van hebt, maar dat je om de een of andere duistere reden door blijft kauwen totdat de zak leeg is. Daarom is het verstandiger om er maar 250 gram van te kopen dan een halve kilogram. Eens heb ik er een hele kilogram van gekocht, maar daar wacht ik me in het vervolg wel voor.

Na dit additionele  koekontbijt, dat me toch niet echt een erg voldaan gevoel geeft, of eigenlijk een té voldaan gevoel, vervolg ik mijn tocht in de richting van het plaatsje Mary, dat meer uitgestrekt dan mooi blijkt te zijn. Dertig kilometer daar voorbij ligt het oeroude Merv. Terwijl ik langs de resten van de aarden wallen rijd, kan ik me moeilijk voorstellen dat deze stad in de 11e en 12e eeuw de hoofdstad was van het rijk der Seldjoeken en tevens een islamitisch centrum dat in belangrijkheid Damascus, Caïro en Bagdad naar de kroon stak. Van de stad vol paleizen, moskeeën, karavansarais, medressen en andere gebouwen, die vroeger ongeveer 350.000 inwoners telde, is niet veel meer over dan hier en daar een trieste, door weer en wind weggevreten klomp leem in een vrijwel lege kale vlakte. Erosie is overigens niet het enige waarvan Merv in de loop van zijn bestaan te lijden heeft gehad. De stad is vele malen door veroveraars verwoest en daarna weer opgebouwd. Een van de zonen van de grote Mongoolse aanvoerder Djenghis Khan probeerde zijn pa in 1221 te overtreffen door de stad met de grond gelijk te maken en de totale bevolking over de kling te jagen. Tegen de 15e eeuw was Merv er weer wat bovenop, maar in 1795 was het de emir van Buchara die het nodig vond de boel plat te gooien. Sindsdien is het de tand des tijds die aan de resten van Merv geknaagd heeft.

S6300226

 

Great Kyz Kale, een rechthoekig bouwsel, iets buiten de wallen, ziet er, ondanks dat het uit de 7e eeuw stamt, best aardig uit. De muren staan nog grotendeels overeind en reiken tot circa 15 meter hoogte. Daarentegen lijkt Little Kyz Kala, dicht ernaast en uit dezelfde tijd, meer op een kies, waarmee je te hard op een Frans stokbrood van drie maanden oud hebt gebeten. Beide gebouwen dienden in de 12e eeuw voor religieuze plechtigheden.

S6300233
Great Kyz Kala

S6300236
Little Kyz Kala

In de 20e eeuw zijn er wat gebouwen gerestaureerd en daaronder neemt het kubusvormige, 38 meter hoge en te netjes tegen de andere ruïnes afstekende mausoleum van Sultan Sanjar uit de 12e eeuw een dominerende plaats in. Deze sultan was niet uit al te menslievend hout gesneden. Hij liet zijn mausoleum al tijdens zijn leven bouwen, om er zeker van te zijn dat het gebouw aan zijn nogal hoge eisen voldeed. Er zat toen een enorme koepel op van turquoise tegels die op een afstand van een dagreis nog te zien was. De sultan was de bouwmeester die dit wonder tot stand had gebracht erg dankbaar, maar in plaats van hem een pluim te geven en wat loonsverhoging, liet hij hem executeren om te voorkomen dat de goede man voor een andere sultan een zelfde, of misschien nog wel een iets mooier mausoleum zou neerzetten. Architect van een hotemetoot was in die tijd dus een niet ongevaarlijk beroep: als je een lelijk mausoleum bouwde ging je hoofd er af, omdat het te lelijk was en als je een mooi mausoleum bouwde ging je hoofd eraf omdat het te mooi was. De kunst was dus om zo te bouwen dat het juist niet te lelijk en ook niet te mooi was, hoewel je dan het risico liep dat je hoofd er af ging omdat sultans als Sanjar waarschijnlijk niet van middelmatig werk hielden. Onze Sanjar was ook bang voor grafrovers. Stel dat die met zijn mooie spulletjes, die naast hem begraven zouden worden, aan de haal zouden gaan, of erger nog, met zijn botten en schedel! Dat zou toch wel erg vervelend zijn en daarom gaf hij order dat hij na zijn dood op een andere, geheime, plaats begraven zou worden. Waarom dan zoveel moeite gedaan voor een mausoleum als het toch allemaal nep is?

S6300256.JPG
Het zwaar gerestaureerde mausoleum van sultan Sanjar.

 

Voorbij Merv loopt de asfaltweg naar het noordoosten door een  woestijn van dorre struikjes tussen kleine zandduinen. Ook hier is het asfalt kapotgereden door zware vrachtwagens. Door een stugge wind die ik schuin tegen heb gaat het fietsen vandaag moeizaam. Als ik na 38 km bij een theehuisje kom, permitteer ik me dan ook een ruime pauze. Te ruim moet die echter niet zijn want vandaag wil ik 120 km rijden, zodat ik morgenmiddag de grens met Oezbekistan, die volgens mijn gids om zes uur sluit, nog over kan.

Voor het huisje staat, zoals bij vrijwel al dit soort cafeetjes, een houten plateau, ongeveer 50 centimeter hoog met een kleed erover, waar de gasten op liggen of zitten. Daarop staat een klein  tafeltje voor de theekoppen. Zodra ik plaats neem, wordt er voor mij een kom thee ingeschonken. Van de vier aanwezige Turkmenen spreekt er één een klein beetje Engels. Hij vraagt waar ik vandaan kom en als ik Holland noem zitten we meteen in de voetbalcultuur, want morgen is de grote dag: Rusland-Nederland, de finale van de een of andere erg belangrijke cup. Iedereen heeft het er de laatste dagen over, dus dat belooft razend spannend te worden. De Engelssprekende man wil me een beetje op stang jagen door op te merken: “Russia wins!” en kijkt me daarbij uitdagend aan.

“Nee, toch??” vraag ik alsof ik geweldig schrik.

“Yes, Russian players much better than Holland players!”

“Tsjonge! Dat wordt dan een slapeloze nacht.” antwoord ik.

Een van de anderen krijgt blijkbaar medelijden met me, want hij haalt zijn horloge van zijn pols en overhandigt het mij: “For you!”

P1050531

Kijk aan! Een troostprijs, en dat al een dag voor de wedstrijd. Die heb ik dan toch maar indirect aan mijn elf, bij voorbaat verliezende, landgenoten te danken. Het is een elektronisch horloge, ‘made in China’ met een aantal knopjes erop. Ik druk op het grootste en meteen zegt een verbazend helder metalen stemmetje uit het binnenste van het vernuftige apparaatje: ‘Djesjat  tsjasof ie dwa minuti’. Nogmaals druk ik er op en weer klinkt het: ‘Djesjat tsjasof ie dwa minuti’.

“Time in Russian”,zegt de man die de oranje-nederlaag voorspeld heeft.

Met een druk op een ander knopje klinkt de tsjilp van een merel. Een tweede druk op hetzelfde knopje levert een ‘koekoek’ op en als ik er voor de derde keer op druk kraait er een haan zo luid, alsof het beest pal naast de tafel zit. Bij de vierde druk is de merel weer terug. Het laatste knopje is voor de alarm-instelling. Daarmee kan ik dus de haan op elk gewenst tijdstip laten kraaien. Prachtig, wat een techniek!! Ik bedank de man voor het stuk digitaal vernuft en steek het in mijn zak. Precies wat ik nodig had, want mijn eigen horloge, eveneens zo’n elektronisch wondertuig, maar dan zonder merels, koekoeken, hanen en een stem die de tijd zegt, heeft het kort geleden opgegeven. Het was een reclamehorloge van het een of andere automerk. Als je een proefrit kwam maken met de toen gloednieuwe QZXP34DeLuxe kreeg je dat horloge cadeau. Omdat het mij alleen om het horloge ging hoefde ik de proefrit niet eens te maken. “Hier, neem mee”, zei de garagehouder op een toon, waaruit duidelijk op te maken was dat hij weinig op had met de actie van de autofabrikant, “Wil je er twee? Des te eerder ben ik van de rotzooi af”. Maar rotzooi was het niet. Het plastic geval met stopwatch en datum erbij diende mij trouw voor twintig jaar, waarschijnlijk langer dan de QZXP34DeLuxe zou hebben gedaan.

Ik bestel een tweede kop thee voor een extra suikershot. Als ik die op heb moet ik weer in het zadel, want de tijd tikt door en de grens van Oezbekistan is nog ver. Ik grijp in mijn zak om mijn nieuwe aanwinst te raadplegen en raak daarbij het tijdknopje aan. Meteen klinkt er uit mijn zak, nog voordat ik het horloge tevoorschijn haal: ‘Djesjat tsjasof ie dwasatzeist minuti‘. Handig apparaatje! Je hoeft er dus niet eens op te kijken om te weten hoe laat het is…..als je tenminste Russisch verstaat. Verder dan één, twee, drie ben ik in die taal nog niet, maar misschien leer ik met deze nieuwe aanwinst wel tot twaalf tellen, of zelfs tot vierentwintig!

Ik bedank de man nogmaals voor het horloge, laat de haan als afscheidsgroet twee keer kraaien, wat een applaus van de vier mannen oplevert, en spring op de fiets.