“Mag ik uw rugzak zien?” vroeg hij, maar uit de toon waarop hij dat zei klonk: “Geef me die rugzak, dan kijk ik of je daar bommen in hebt zitten.”

Eén van de gidsen bleek mondjesmaat Frans te spreken, ongeveer van het niveau ‘Papa fume une pipe’, terwijl de ander met Engels ongeveer drie niveau’s daar onder bleek steken.

(Laatste aflevering van mijn Nederland – Italië-reis. )

We waren in de voorlaatste aflevering blijven steken bij de puntgave ruïne van Mazzarino. Daarvan, om de draad weer op te pakken, nog een ander aanzicht.

Foto 1 : Kasteel van Mazzarino

Vanaf die ruïne had ik een mooi uitzicht op het plaatsje Mazzarino.

Foto 2: Mazzarino gezien vanaf het kasteel.

Op weg van Mazzarino naar Ravanusa kwam ik, iets voorbij het plaatsje Riesi, langs een mooie rotsberg, waar een riviertje omheen meanderde.

Foto 3: Rots met een riviertje er omheen

Vanaf een zijpaadje kreeg ik de rotspartij vanuit nog een andere hoek te zien. Met de camera op een kleine driepoot probeerde ik een opname van de rots te maken met mezelf plus fiets op de voorgrond. Dat lukte aanvankelijk slecht. Ofwel de rots zakte te ver naar de achtergrond, ofwel ikzelf kwam niet goed uit de verf. Daarna probeerde ik een foto van mezelf plus fiets te maken, met de rots op de achtergrond. Dat lukte beter. De lezer zal het niet geloven, maar deze foto (plus een dertigtal weggegooide) kostte me ruim een uur werk. Je moet er wat voor over hebben om tot iets redelijks te komen.

Foto 4: Zelfopname die me ruim een uur kostte.

Iets verderop kwam ik langs het Museo di Zolfo, oftewel het Zwavelmuseum. Op die plek was al vanaf de oude Griekse tijd zwavel uit de grond gehaald. Aanvankelijk gebeurde dat met dagbouw, maar toen in 1900 de elektriciteit zijn intrede deed werden er mijnschachten tot 530 meter diepte geboord om van ver onder de grond nog meer zwavel te halen. In 1969 sloot de mijn definitief en nu staat daar het zwavelmuseum.

  Er waren vier personen aanwezig in het museum, de kaartjesverkoopster, een man die naast haar zat en nog twee dames, die rondleidingen verzorgden. Allen spraken vloeiend Italiaans, alsmede het plaatselijke Siciliaanse dialect. De bezichtiging met bijbehorende rondleiding kostte 4 euro, maar omdat geen van hen Nederlands sprak, noch Engels, Frans, Duits of Spaans, bedong ik een korting van een euro. Dat vond men redelijk. Bij de bezichtiging liepen beide gidsen mee, omdat er verder geen bezoeker was. Een van hen bleek toch mondjesmaat Frans te spreken, ongeveer van het niveau ‘Papa fume une pipe’ terwijl de ander met Engels drie niveau’s daaronder bleef steken. Steeds als de eerste gids moeizaam iets in het Frans trachtte uit te leggen, kwam de andere er met twee woorden Engels (zo’n beetje haar enige) doorheen met als resultaat dat ik niets wijzer werd, omdat ik, als er door elkaar gepraat wordt, nu eenmaal alles hoor, maar niets versta, zelfs als er Nederlands gesproken wordt. Uiteindelijk ging de ‘Engelstalige gids weg, waarna de ander doorging in langzaam, duidelijk gearticuleerd Italiaans, wat nog altijd beter te verstaan was dan haar Frans.

Een grote rondleiding bleek het niet te zijn, maar wat duidelijk werd, was dat de arbeidsomstandigheden in de mijn abominabel slecht waren. Men schuwde geen kinderarbeid en de mijnwerkers moesten soms dagen achtereen beneden in de mijn blijven en kregen juist zoveel betaald dat ze net niet om kwamen van de honger. Herhaaldelijk gebeurden er ongelukken, die veel dodelijke slachtoffers tot gevolg hadden. De arbeiders waren in feite twintigste-eeuwse slaven.

  De schachten gingen we niet in, maar er werd in een klein hokje met een, door een machientje aangestuurde wiebelende vloer en brommend geluid uit een luidsprekertje gesimuleerd dat we een halve kilometer de aarde in gingen. Met een filmpje dat op de muur van die ‘lift’ geprojecteerd werd konden we als het ware, bij elke etage de sombere half verlichte mijngangen in kijken. Zo zagen we hoe er met pneumatische boren gaten in de rots geboord werden, hoe daar dynamiet in gedaan werd en hoe dat tot ontploffing gebracht werd, waarna de stukken steen in het rond vlogen en de mijngang zich met dikke wolken stof vulde. Dat was een beklemmende ervaring als ik bedacht dat dit voor die mijnwerkers uit het verleden de realiteit van de dag was geweest.

Interessant was, gezien vanuit mijn technische achtergrond, de centrale waar de elektriciteit voor de motoren, die de liften aandreven, werd opgewekt. Daar stonden enorme dieselmotoren met vliegwielen. Helaas waren de generatoren gestolen.

Foto 5: Grote dieselmotor bij de zwavelmijn.

Voor kinderen was een bord aangebracht, waarop met lampjes en tekeningen werd verklaard hoe de elektriciteit werd opgewekt en hoe de elektromotoren geschakeld waren. Wat ik in het bijzonder interessant vond, was dat naast de Wet van Ohm, ons allen natuurlijk overbekend (U = I x R), foto’s met jaartallen te zien waren van Ohm, Volta en Ampère. Je kunt je hele leven schemerlampjes, televisies of wasmachines aansluiten op het net van 220 Volt, zonder je ooit af te vragen hoe Alessandro Volta, naar wie de eenheid van elektrische spanning is genoemd, er uit zag en wanneer hij leefde. En dat zelfde geldt voor André-Marie Ampère (stroomsterkte) en Georg Simon Ohm (weerstand). En hier, in de zwavelmijn van Riesi, stonden hun foto’s met jaartallen zomaar afgebeeld. Razend interessant, niet waar?

Op het pleintje van Ravanussa, een stadje verderop, zaten zoals waarschijnlijk elke ochtend, oude mannen met elkaar te praten. Ongetwijfeld waren het elke dag dezelfde gesprekken, want waarover moet je het, als je twintig jaar lang elke ochtend uren bij elkaar zit, nog hebben. Misschien hadden ze door mijn verschijning weer een weekje een nieuw onderwerp. 

Foto 9: Oude lieden die daar elke dag uren lang zitten te praten.

Agrigento, was de volgende interessante plek, die ik tijdens mijn tocht over Sicilië bezocht. Deze stad werd in de zesde eeuw voor Christus gesticht door de Grieken en later door de Romeinen veroverd. Vanaf de camping van San Leone aan de zee nam ik de bus naar het tempelcomplex, omdat ik voorzag dat het veilig stallen van mijn fiets daar wel eens moeilijk zou kunnen zijn. Na het toegangskaartje van 12 euro betaald te hebben, moest ik dat in een gleuf stoppen, waarna er een soort supermarktdeurtje opendraaide zodat de weg naar de tempels voor mij open lag. Dat dacht ik althans, maar er moest nog een hindernis genomen worden, zoals twintig meter verderop bleek.

Daar werd ik aangehouden door een man met een indrukwekkende pet op zijn hoofd.
“Mag ik uw rugzak zien?” vroeg hij, maar uit de toon waarop hij dat zei klonk: “Geef me die rugzak, dan kijk ik of je daar bommen in hebt zitten.”
Ik gaf hem de rugzak en nadat de man gezien had, dat ik geen bommen en granaten bij me had, moest ik door een poort lopen, zoals die op vliegvelden staan. Natuurlijk piepte het ding. Ik zal eens door zo’n poortje lopen, zonder dat er gepiep klinkt!
“Heeft u een zakmes bij u?” vroeg de veiligheidsinspecteur.
  “Jawel,” zei ik en liet hem het fraaie, uiterst praktische mesje zien, dat ik ooit ergens langs de weg gevonden had en waarmee ik nu al een decennium lang sinaasappels pel. Ik was er zo langzamerhand erg aan gehecht geraakt.
“Zakmes impossible.” zei hij.
“Dat valt wel mee,” antwoordde ik.
“Nee. Mag niet mee.”
“Hoezo niet? 
“Impossible.
“Kunt u het dan zo lang voor mij bewaren?”
“Impossible. Stop het maar in uw auto.”
“Die staat hier 3000 km vandaan.”
“Verstop het dan maar ergens in de tuin.”
Ik keek wel uit en liep terug naar de met dik glas afgeschermde kassa waar ik juist het toegangskaartje had gekocht. Daar vroeg ik of de dame mijn zakmes voor me wilde bewaren totdat ik uitgekeken zou zijn bij de tempels.
“Impossible.”
“Wat moet ik er dan mee doen?” vroeg ik. De dame haalde haar schouders op en trok een gezicht van ‘Weet ik veel? Dat is mijn probleem niet.”
“Geef me dan mijn geld maar terug.”
“Impossible, want u heeft het kaartje al door de elektronische gleuf gedaan.

Buiten het toegangsgebouwtje stond het vol met souvenirtenten, waar je plastic tempeltjes, bordjes met tempels er op en beeldjes zonder hoofd van oude Grieken kon kopen, maar overal waar ik vroeg of men mijn mes voor me wilde bewaren, kreeg ik ‘Impossible’ te horen. Geërgerd stopte ik uiteindelijk, toen niemand het zag, mijn mes onder een steen in de tuin, zoals de veiligheidsbeambte had gesuggereerd. Een andere mogelijkheid werd mij niet geboden, of ik moest de 12 euro opgeven, de bus terug nemen naar de camping, daar mijn mes in de tent leggen, weer de bus hierheen nemen en opnieuw een kaartje voor 12 euro kopen.

Belachelijk dat je bepaalde dingen niet mee mag nemen naar de tempels, zonder dat er een voorziening is om die tijdelijk op te bergen. En waar waren ze eigenlijk bang voor? Dat ik mijn naam ging krassen in de pilaren van die tempels? Nee, dat kon het niet zijn, want die naam zou over 2600 jaar net zo interessant zijn als oude Griekse inscripties nu. Daarmee zou ik deze tempels alleen maar interessanter en waardevoller maken. Misschien dat ik een stel toeristen overhoop zou gaan steken? Maar dat kon ik buiten het archeologische park ook. Als je zo begint is het einde zoek. Misschien alleen maar om problemen te creëren. Daar scheppen sommige mensen behagen in.

Ik liep, nu zonder vreselijk moordtuig in mijn zak, weer naar de toegangsloketten en klom, terwijl ik de dames achter de balie negeerde, over het supermarkthekje. Tot mijn verwondering protesteerde niemand tegen deze provocerende handeling. Ook piepte het veiligheidspoortje deze keer niet. Ik hoefde zelf mijn geld niet in de tuin te verstoppen, hoewel je met een muntstuk van twee euro de tempelmuren flink kunt bekrassen.

Tijdens het bezoek aan al die fraaie oude tempels ebde mijn ergernis over dat onnozele gedoe van de bewakers langzaam weg en kon ik weer genieten van deze archeologische rijkdom. Het eerste waar ik tegenaan liep was de tempel van Castor en Pollux. Daar stonden nog drie pilaren van overeind met een stuk van het dak er op. De rest van de tempel lag in brokstukken verspreid over de grond. Ook leuk, als je er oog voor hebt.

Foto 10: Tempel van Castor en Pollux. Agrigento

Van de Tempel van Hercules stond meer overeind: een rijtje van zeven en een halve pilaar, met nog een kwart pilaar als toegift.

Foto 11: De tempel van Hercules.
Foto 12: Nogmaals de Tempel van Hercules. Niet compleet, maar toch erg mooi.

Met een van hout gefabriceerd hijswerk werd plausibel gemaakt hoe de oude Grieken de zware stukken pilaar, die ze uit rotsen hadden gebikt, op elkaar plaatsten.

Foto 13: Gereconstrueerd hijswerktuig

De Tempel van Concordia was het meest intact van alle tempels van Agrigento, maar helaas mochten toeristen er niet in, zelfs niet zonder zakmesje. Waarom dan dat vlondertje er naar toe? Er omheen lopen kon je wel en dat was ook een belevenis als je je realiseerde dat hier in een grijs verleden honderden werklieden druk bezig waren geweest om iets op te trekken dat 2600 jaar later toeristen van over de hele wereld ging trekken.

Foto 14: Tempel van Concordia. Agrigento.
Foto 15: Beeld (niet geheel compleet meer) van een oude Griek.
Foto 16: De Tempel van Hera of Juno stond nog aardig overeind.

Van de grootste tempel van Agrigento, de Tempel van Zeus, was helaas slechts puin over. Wel lag daar nog een redelijk intact, gigantisch groot beeld te slapen.

Foto 17: Reusachtig liggend beeld in de Tempel van Zeus, maar de tempel zelf was verdwenen.

Nadat ik bijna drie uren had rondgekeken tussen tempels en oud puin, liep ik het complex af en trof onder de steen in de tuin mijn zakmes nog aan. Afgezien van het getob met de veiligheidsbeambte en de starre lui bij de kassa, was het een erg interessante ochtend geweest met gelukkig ook prachtig weer, maar toen ik naar buiten kwam, zag ik een geweldig dreigende onweerslucht boven de stad Agrigento hangen. Tot een echt onweer kwam het echter niet.

Terwijl ik op de bus zat te wachten, terug naar de camping, liep er plotseling een bidsprinkhaan over mijn arm. Gevaarlijk, want bidsprinkhanen zijn carnivoren. Voor mij liep het goed af, maar de mannetjes bidsprinkhanen lopen het risico na, of zelfs al tijdens de bevruchting, door het vrouwtje opgevreten te worden. Een braaf moedertje, dat goed zorgt voor voedsel voor haar kindertjes in wording!

Foto 18: Bidsprinkhaan op mijn arm.

Op weg van Agrigento naar Palermo, kwam ik door het stadje Corleone, dat mooi tegen een berg aan ligt. Deze plek is, naar verluidt, het epicentrum van de maffia, maar ik had er geen problemen. Ik vreesde, dat ik niet belangrijk genoeg was om de belangstelling van de maffia op te wekken en daarom had ik niets te vrezen.

Foto 19: Corleone.

Na 101 dagen fietsen met flinke omwegen kwam ik in Palermo aan, nog juist op tijd om daar een ochtendje rond te kijken.

Foto 20: Cathedraal van Palermo.
Foto 21: Mooie kerk met een rommelmarkt. ervoor
Foto 22: Nog een kijkje op de rommelmarkt.
Foto 23: Weer een andere rommelmarkt. Hier was alles gratis. En zo zag ik er heel wat in zuid – Italië
Foto 24: Smal straatje in het centrum van Palermo.
Dante Alighieri, bekend van zijn boek ‘La Divina Commedia’. 

Mijn minder goddelijke komedie spoedde zich hier ten einde. Van het centrum van Palermo was het nog maar 30 km naar het vliegveld, waar ik het vliegtuig nam naar Rotterdam. In ruim drie maanden was ik van Nederland naar Palermo gefietst. In minder dan drie uur vloog ik terug. Vliegen is geen reizen. Vliegen is het overslaan van reizen.

                                               LA COMMEDIA E FINITO! 

(Maar die is niet van Dante maar komt uit de opera Paljas van Leoncavallo. Past hier echter wel goed.)

Ondertussen ben ik alweer een tijdje thuis, waar ik ijverig, voor zover ik ijverig kan zijn, bezig ben met het schrijven van een nieuw boek. Dat gaat over een reis door Zuid Amerika. Foto’s 25 en 26 heb ik tijdens die reis geschoten. De titel die het boek zal dragen, weet ik nog niet, maar zal ik te zijner tijd op mijn website bekend maken. Wees dus alert!

Foto 25: Op de enorme zoutvlakte van Uyuni, 3600 meter boven zeeniveau. Bolivia
Foto 26: Processie in Cuzco. Peru.
Foto 27: Op een pas van 5000 meter in Peru.

Als je niet van transpireren houdt is het geen goed idee om je ‘s zomers op Sicilië op een fiets te wagen, tenzij het een elektrische is.

De vorige keer fietsten we langs de Etna op Sicilie, waar rook uit opsteeg. De dag daarna zag deze forse vulkaan er weer wat rustiger uit, hoewel er onder of tussen die wolken toch ook nog wel wat vulkanische rook kon zitten.

Foto 1: De Etna in de verte.

Nadat ik de rivier de Simeto was overgestoken, kreeg ik een grote klim door een woestijnachtig gebergte naar het mooi en dominant gelegen plaatsje Centúripe. De aangename temperatuur in combinatie met het nogal inspannende klimwerk deed bij mij het luie zweet uit de poriën vloeien, wat resulteerde in een nat pak, alsof ik juist door het ijs was gezakt, maar dan bij 37 graden Celcius. Plus, wel te verstaan, want bij min 37 graden zak je niet door het ijs.

Foto 2: Centúripe boven op een kale berg.
Foto 3:  Centúripe van dichterbij.

Ik kwam juist op tijd in het plaatsje aan om te constateren dat ik te laat was om een cola te kopen, want de winkels waren een kwartier daarvoor dichtgegaan. De gevreesde siësta was begonnen! Op de piazza at ik mijn brood, waarna ik aan de andere kant van de berg afdaalde door een zelfde kaal, maar mooi landschap.

Foto 4: Afdaling aan de andere kant van de bergrug.

Een Franse wijnboer en bijenhouder in de Provence, op wiens land ik tijdens voorgaande reizen al meerdere malen mijn tent had opgezet, had mij verteld over de prachtige Romeinse mozaïeken van Piazza Armerina op Sicilië. Daar moest ik natuurlijk ook heen, maar om daar te komen kreeg ik op de flinke klim van Raddusa naar Aidone nogmaals de gelegenheid om mijn inmiddels opgedroogde kledij te laten doorweken met zweet. Als je niet van transpireren houdt is het geen goed idee om je ‘s zomers op Sicilië op een fiets te wagen, tenzij het een elektrische is. Die van mij was (en is!) dat niet, afgezien van het achterlicht, waarvan de batterij echter op is. En een batterij die op is kun je niet meer rekenen tot het domein der elektriciteit. Wel zijn mijn twee kilometertellers elektrisch, elektronisch zelfs,  maar aangezien het daar om milliwatts gaat, reken ik die niet mee.)

            Enkele kilometers voor Aidone kwam ik langs Morgantina, een stad die, zoals we weten, in het jaar 211 voor Christus door de Romeinen werd veroverd op de Grieken. Nu zijn er nog slechts resten van over, die vanaf 1884 zijn opgegraven. Archeologen zijn er nog steeds aan het spitten op zoek naar spullen om het museum van Aidone mee te vullen. Ik ging er een kijkje nemen. Een kolossaal Colosseum was er niet, maar een aardig amfitheater wel en zoiets is toch ook niet te versmaden.

Foto 5: Amfitheater van Morgantina.

Ook hadden de Romeinen er baden aangelegd, compleet met centrale verwarming.

Foto 6: Een Romeins bad, althans wat er nog van over is. Zie de aarden pijpen, waardoor warm water geleid werd om de vloeren op aangename temperatuur te brengen.

In Aidone,  zes opnieuw zweterige kilometers verderop, mocht ik met hetzelfde toegangskaartje als dat voor deze Romeinse ruïnes, het archeologisch museum binnen. Behalve vele oude Griekse potjes, scherfjes, muntjes, bekers en geplakte vaten zag ik daar het wereldberoemde en meer dan levensgrote, uit de 5e eeuw voor Christus stammende beeld van een Griekse godin staan, dat nu ‘l Afrodite di Morgantina’ wordt genoemd. De godin mist slechts 5 vingers van de rechterhand, een stuk neus, een deel van haar achterhoofd, haar rechter voet en een teen van haar linker voet. Als een vrouw zo toegetakeld zou zijn, was het slecht met haar gesteld, maar voor een ruim 2400 jaar oud beeld is het vrijwel puntgaaf.

Foto 7: l’ Afrodite di Morgantina. (Archeologisch museum van Aidone)

Ook waren er zittende beelden van twee andere godinnen: Demeter en Persephone, maar daarvan waren alleen nog fragmentjes over: de hoofden, drie handen en drie voeten. De rest was ijzerdraad om de boel bij elkaar te houden, bedekt met sluiers. Wel nog zo’n 100 jaar ouder dan Afrodite, dus denk er niet geringschattend over!

Foto 8: Demeter en Persephone.  (Archeologisch museum van Aidone)
Foto 9: Potjes en vazen, ook erg oud.  (Archeologisch museum van Aidone) 

Interessant was, dat de oude Grieken of Romeinen een bordspel hadden dat op het Chinese denkspel Go lijkt. Of was het slechts Romeins Mens-erger-je-niet?

Foto 10: Go, of de Romeinse of Griekse variant van Mens-erger-je-niet.  (Archeologisch museum van Aidone)

In Villa Romana del Casale, een villa van een rijke Romeinse patriciër uit de vierde eeuw AD, die zich enkele kilometers voorbij Piazza Armerina bevindt, bezocht ik de mooiste en meest uitgebreide mozaïeken die ik ooit had gezien. Ik liep door tientallen kamers en vertrekken, waarvan weinig meer over was dan de vloeren. Maar die vloeren waren de moeite waard om er voor naar Sicilië te rijden, zelfs op de fiets! Ze waren alle bedekt met fantastische mozaïeken, gemaakt van heel veel kleine, gekleurde marmeren steentjes. Sommige van die mozaïeken bestonden uit geometrische figuren, maar de meeste beeldden dieren uit en mensen die al of niet druk waren met het een of andere werkje zoals jagen, vissen, tobben met onwillige stieren die een kar moesten trekken, enz.

Foto 11: Jachttafereel. Mozaïek in Villa Romana del Casale bij Piazza Armerina.
Foto 13: Stieren die die dag geen zin hadden in trekwerk.  Mozaïek in Villa Romana del Casale bij Piazza Armerina.
Foto 14: De Cycloop (volgens het bordje er bij), die opeens drie ogen blijkt te hebben, terwijl ik altijd dacht dat hij er slechts één had), kort voordat Odyssee hem met een grote balk met scherp geslepen punt zijn oog (of ogen?) uitstak.  Mozaïek in Villa Romana del Casale bij Piazza Armerina.

Op een zo’n mozaïek plaatste ik oneerbiedig mijn schoen om een indruk te geven van hoe klein en fijn die steentjes zijn.

Foto 15: Om een beeld te geven van de grootte van de steentjes in de Villa Romana del Casale bij Piazza Armerina plaatste ik mijn schoen op zo’n mozaïek.

Die schoen is 114 mm breed (zelf opgemeten!) en er gaan, zoals de noeste teller en meter zelf kan opmeten op zijn computerscherm, ongeveer 10 steentjes in die 114 mm, dus zo’n steentje is gemiddeld 11,4 mm lang en breed. In een decimeter passen derhalve 100 : 11,4 = 8,77 steentjes, waaruit volgt dat er in een vierkante decimeter 8,77 x 8,77 = 76,9 gaan en in een vierkante meter derhalve 7690. In een kamer van pakweg 4 bij 5 meter (er waren kleinere, maar ook veel grotere) zitten er daarom 4 x 5 x 7690 = 153.800. Op een platte grond van de Villa stonden om en nabij 60 kamers aangegeven, maar laten we aannemen dat slechts de helft van de kamers was ‘bemozaïekt’ (waarschijnlijk meer, maar ik was op een gegeven moment de tel kwijt door al die overweldigende mozaïeken), dan lagen er in totaal dus 30 x 153.800 = 4.614.000 steentjes. (Meer dan vierenhalf miljoen!!) Aannemende dat het bikken en slijpen en aan de bovenkant polijsten (de eigenaar wilde indertijd natuurlijk comfortabel op zijn blote voeten door zijn huis kunnen lopen) plus het plaatsen van zo’n steentje een half uur nam (waarschijnlijk veel meer. Probeert u het thuis maar eens met een stukje marmer!) dan kostte het maken van al die mozaïeken bij elkaar dus 4.614.000 : 2 = 2.300.000 manuren. Duizend werklieden zouden dan, met werkdagen van 7 uur ‘s morgens tot 7 uur ‘s avond en zonder koffie- en lunchpauze 2300 : 12 = 192 dagen bezig zijn om van die villa alleen de vloeren te leggen. En dan moesten de muren nog opgetrokken worden met een dak er op. En verder zou een prachtige avenue met bomen er langs niet onwelkom zijn, alsmede een tuin zo groot als een aantal voetbalvelden, want van kleine voortuintjes hielden Romeinse patriciërs niet. Ja, onze Romein zal ongetwijfeld over heel wat peculanten hebben beschikt… of over heel wat slaven!

Rekent u het allemaal nog even na om mij te betrappen op een rekenfout?

Foto 16: Bij één van de zalen liet ik mij door een mede-toerist op de foto zetten. Voor later in het plakboek.

Ik wil deze voor-laatste aflevering van mijn Frankrijk-Italië-feuilleton besluiten met een foto van het kasteel van Mazzarino, dat gedeeltelijk in puin ligt. Wat er nog van overeind staat is echter een puntgave ruïne.

Foto 17: Het kasteel van Mazzarino.  

“Eenenzeventig!!!” riepen beiden verwonderd in koor op mijn eerlijke antwoord. “En dan op de fiets!! “Dan zitten de meesten hier dietro i gerani.”

Bericht 8

Ik was zo langzamerhand doorgedrongen tot ver in de teen van de Apennijnse Laars. In het plaatsje Sinopoli dat, zoals alle plaatsjes en plaatsen in Italië, na het middaguur in een diepe siësta was gedompeld, at ik op het plein voor het gemeentehuis mijn brood. Na de lunch wilde ik verder naar Bagnara Calabra. Aangezien er geen richtingbordje op het plein stond wilde ik de weg aan een voorbijganger vragen, maar in Zuid Europa zoek je tijdens de siësta tevergeefs naar een voorbijganger. De steden en vooral de stadjes en dorpen zijn dan tijdelijk veranderd in ghost towns. Er is tijdens die voor de Italianen bijna heilige periode van de dag geen sterveling op straat te bekennen en de winkels zijn, op die van een enkele afvallige na, meestal Chinezen, allemaal stijf dicht. Wel rijden er auto’s rond, want die rijden er altijd en overal, behalve als ik er een aan wil houden om de weg te vragen. En zo was ik daar in Sinopoli dus als een dwalende in de woestijn.

            Maar welk een wonder! Bij het gemeentehuis stond een raam open en daaruit hoorde ik gepraat komen. Ik hield halt voor het raam en zag twee beambten die geen siësta hielden. Er werd gewerkt om 2 uur in de middag! Ik vroeg de weg naar Bagnara en werd meteen binnen genodigd, waar mij een fles gekoelde Fanta toegeschoven werd. Ik moest natuurlijk mijn verhaal vertellen: wat ik hier deed, waar ik vandaan kwam, waar ik naar toe ging en vooral waarom ik niet gewoon deed en met bus of trein reisde. En verder kwam de vraag die tegenwoordig steevast op mij afgevuurd wordt als ik me ergens met mijn beladen fiets vertoon: “Hoe oud bent u, als ik vragen mag.” Dat mocht, want vragen staat vrij. Tot voor kort antwoordde ik dan: “Achttien.” maar dat geloofden de mensen op een gegeven moment niet meer. Ook liet ik de vragensteller wel eens raden naar mijn leeftijd, maar daar werd ik, als ze mij decennia te oud inschatten, bedroefd van en daarom draai ik er maar niet meer omheen, hoewel ik soms moet rekenen, omdat het elk jaar veranderd.

            “Eenenzeventig!!!” riepen beiden verwonderd in koor op mijn eerlijke antwoord. “En dan op de fiets!! “Dan zitten de meesten hier dietro i gerani.”

            Ik moest meteen mee naar de burgemeester, die óók aan het werk was. Het werd een hele ontvangst, waarbij ik me op het eind, toen ik uitgezwaaid werd, nog juist herinnerde dat ik daar binnen was gegaan om de weg naar Bagnara Calabra te vragen. Terwijl ik weg fietste vroeg ik me af of een Italiaanse fietsreiziger, die in Diever de weg kwijt is, ook op het gemeentehuis binnengehaald wordt met een fles Fanta. Maar misschien schenkt men daar wel Sprite voor verdwaalde Italianen.

            Bij Bagnara Calabra kwam ik op deze tocht voor het eerst aan zee.

Foto 1: Bagnara Calabra aan de Middellandse Zee.
Foto 2: Voor het eerst samen met de zee op de foto.

Van een afstand zag het kustplaatsje Scilla enkele kilometers ten zuiden van Bagnara er mooi uit en van dichtbij ook wel, maar op het smalle kuststrookje tussen de zee en de bergen dampte het van de auto’s. Filles en opstoppingen beheersten het beeld en op het strandje lagen legioenen toeristen te zonnen. Dat was even heel wat anders dan waar ik al die maanden was door getrokken. Opvallend was dat het vrijwel alleen maar Italiaanse toeristen waren, althans ik zag geen enkel ander nummerbord dan Italiaanse en ik hoorde nergens iets anders dan Italiaans.

Foto 3: Scilla met het castello.

Wat minder mooi was, tenzij je er oog voor hebt, was de rotzooi die vooral in zuidelijk Italië overal langs de weg gedumpt wordt. Vuilniscontainers heb ik in het zuiden niet gezien, daar deden ze blijkbaar niet aan. Op sommige trajecten, niet allen langs de kust, zag ik om de paar honderd meter bergen afval langs de wegen: gedumpte koelkasten, matrassen, autobanden, computers, plastic flessen en zakken, rotte vruchten etc. Je moet er van houden en dat doen de zuid Italianen blijkbaar. Misschien zouden ze in Brussel eens een setje vuilcontainers aan Italië moeten schenken, of zouden de Italianen die dan ook langs de wegen dumpen? Dan kreeg je nog meer rotzooi.

Foto 4: Vuilnis langs de wegen.  

Maar als je niet op al dat puin lette was het toch wel erg mooi in Calabria.

Foto 5: Zonsondergang gezien vanuit Scilla.

De volgende dag nam ik bij Villa San Giovanni voor 3 euro de ferry naar Messina op Sicilië, een overtocht van een half uurtje. Dat was een stuk goedkoper dan de ongeveer even lange oversteek over de Straat van Gibraltar (Ceuta – Algeciras), die ik een jaar geleden nam. Daar betaalde ik meer dan het tienvoudige.

Foto 6: Messina gezien vanaf de ferry.

Ik nam de kustweg vanaf Messina naar het zuiden, die mij meeviel wat het verkeer betreft. Ik had daar nogal tegenop gezien en had mij mentaal voorbereid op een continu langs me heen denderende stroom van blik en knetterende motorfietsen, maar de autostrada, parallel aan de kustweg nam blijkbaar het grootste deel van het verkeer voor zijn rekening. Er was dus goed te fietsen en op diverse plaatsen waren de uitzichten op zee prachtig.

Foto 7: De kust ten zuiden van Messina.
Foto 8: San Aléssio in de buurt van Taormina.

Hoewel sommige strandjes erg mooi waren, vroeg ik me af wat al die mensen daar dagenlang bezighield. De lol van het strandleven is mij eigenlijk nooit geheel duidelijk geworden.

Foto 9: Dit eilandje is bijna een schiereiland (Schier een schiereiland). Bij eb een schiereiland, maar bij vloed een eiland. 
Foto 10: Hetzelfde eilandje, maar nu vanuit een andere hoek. De flats links op de foto dissoneren helaas nogal met de pittoreske rest.

Ik fietste langs de Etna, één van de meest actieve vulkanen op aarde en die avond was hij ook weer bezig met rook uit te blazen.

Foto 11: Rook uit de Etna.

Op deze reis ben ik de Etna niet op geweest, maar 37 jaar geleden, in een actieve bui, ben ik wél op de top geweest. In reed toen vanaf zeeniveau, waar ik ergens op een camping stond, naar het Rifugio Sapienza op 1881 meter hoogte, stalde daar mijn fiets en ging te voet verder omhoog. Op ongeveer 2900 meter hoogte stond een bord, dat je daar niet verder mocht in verband met de actieve kuren van de vulkaan. Ik stond in twijfel, zo dicht bij mijn doel, totdat ik van boven twee wandelaars zag naderen. Het bleken Duitsers te zijn die zich niets van dat bordje hadden aangetrokken. Volgens hen kwam er geen lava uit de krater.

            “Als Duitsers naar de top kunnen lopen, kan een Nederlander dat ook,” dacht ik en omdat ik die dag de enige Nederlander in de buurt was, en zelfs de enige mens zo hoog op de Etna, liep ik naar de top op 3323 meter. Uit de krater steeg, zoals blijkbaar zo vaak, rook op, maar bij vlagen kon ik honderden meters omlaag kijken in het dreigende gat. Dat was een belevenis! Wel bleef ik op enige meters afstand van de krater, want als de instabiele rand in zou storten en ik mee gesleept zou worden naar de onderwereld, zou er niets van mijn verdere tocht door Noord Afrika terecht komen. Maar ook die keer liep het goed met me af, mede omdat de Etna zich die dag rustig hield en geen lava over de rand ging braken.

Foto 12: Een historische foto, of eigenlijk gedigitaliseerde dia, die ik op 20 Juni 1982 op de top van de Etna maakte (helaas met een goedkoop omzet-apparaatje en een toen al niet erg nieuwe camera, vandaar de slechte kwaliteit; de foto’s van mars zijn tegenwoordig beter!). In mijn dagboek dat ik in de rommelkast op mijn slaapkamer vond las ik: “Indrukwekkend gezicht. Zwaveldampen uit de krater en ook uit kleine gaten overal in de grond. Zware klim door mul gruis.”

Leuk om die oude dagboeken weer eens voor de dag te halen. Zo lees je nog eens wat!

In de volgende aflevering gaan we de rest van Sicilië bekijken, waaronder de prachtige, 2000 jaar oude mozaïeken. Hier alvast een voorproefje:

Foto 13: Mozaïek in Piazza Armerina.

Parco Nationale d’ Abruzzo, een mooi bergachtig gebied in midden Italië.

Bericht nr 7.

Aangezien ik geen storm van afkeurende reacties heb gekregen op de stripverhaalvorm waarin ik mijn laatste bericht heb gegoten ga ik met dit bericht nog maar op dezelfde wijze door.

Foto 1: Een paar dagen nadat ik de waterval van Marmore had bezocht kwam ik bij het mooi op een heuvel gelegen plaatsje Opi aan. Ik was ondertussen in het Parco Nationale d’ Abruzzo aangekomen een mooi bergachtig gebied in midden Italië.

Foto 2: Uitzicht vanaf Opi op de bergen.

Foto 3: Het aardig tussen de heuvels gelegen Villetta Barrea Abruzzo.

Foto 4: Op de camping aldaar liepen ‘s morgens vroeg en tegen de avond herten te grazen. Ze waren blijkbaar erg aan mensen gewend. Deze kon ik tot vrij dicht naderen voordat hij zich uit de voeten maakte. Ik zou overigens toch wel even vreemd staan te kijken als het beest met zijn gewei recht op mijn hart gericht naar me toe zou komen snellen. Maar dat deed hij gelukkig niet.

Foto 5: ‘s Avonds liep ik het dorp in om wat te gaan eten. Het restaurant was te ver weg en daarom liep ik maar weer een pizzeria binnen, hoewel de pizza’s zo langzamerhand mijn neus uit kwamen. Deze keer werden alle records in negatieve zin gebroken. Het werd een 0,0001sterren pizza. Alle tafels waren bezet en dus kreeg ik mijn Quatro Formagi pizza mee in een mooie doos, om buiten op een bankje en zonder mes en vork op te eten. Het bleek ook nog een flinterdun geval te zijn. Met weinig plezier en smaak werkte ik het ding naar binnen. Aan de hooggespannen verwachting die de voorplaat van de doos wekte werd op geen stukken na voldaan en na afloop van deze eenvoudige, maar niet voedzame en nog minder lekkere maaltijd, besloot ik voorlopig even af te blijven van deze Italiaanse specialiteit.

Foto 6. De uitzichten op de bergen en de daarin gelegen dorpjes compenseerden de volgende dag het  culinaire debacle volledig en met een extra boterham bij het ontbijt had ik weer genoeg om de bergen aan te kunnen op mijn fiets.

Foto 7. In het plaatsje Telese Terme streek ik vroeg in de middag neer bij een bar om mezelf te tracteren op een grote Italiaanse ijsco. Een mens moet zich zo nu en dan eens verwennen. De barhouder vroeg me, zoals zoveel mensen, waar ik vandaan kwam en waar ik naar toe ging. Ik vertelde dat ik op weg was naar Palermo en nog voor ik de ijsco goed en wel op had, schoof er een man bij me aan die een kaart van Sicilië open vouwde. Hij bleek de broer te zijn van de barhouder en vertelde dat hij Sicilië had rondgefietst en dat hij met zijn fiets ook in Argentinië en Chili had gereden. Aangezien ik daar in december, januari en februari ook was geweest konden wij elkaar de hand schudden. Een vriend van hem legde deze ontmoeting vast op de gevoelige chip.

(Als ik nu zo naar de foto kijk, vraag ik me af of ik niet eens moet gaan denken over een kursus poseren)

Foto 8: In Benevento kwam ik langs de in het jaar 114 opgerichte Trajanus- triomfboog. Daar had ik eigenlijk onderdoor willen fietsen, maar de kettingen suggereerden dat dat niet de bedoeling was en om moeilijkheden met de carrabinieri te voorkomen liet ik het bij een plaatje van mijn fiets voor de boog.

Foto 9: Keizer Hadrianus, die Trajanus opvolgde droeg ook een ‘steentje’ bij aan de verfraaiing van Benevento en liet dit niet onaardige theatertje bouwen.

Technici waren bezig met het opbouwen van een licht- en geluidsinstallatie omdat hier de volgende avond de opera Paljas van Leoncavallo  zou worden opgevoerd. Die had ik wel willen zien, maar om daarvoor anderhalve dag in ledigheid te gaan doorbrengen, was mij wat te veel.

Er moet gereisd worden!

Er moeten dingen bekeken worden!

Luieren kan later thuis wel (hoewel er daar meestal ook niet veel van terecht komt. Of eigenlijk toch wel, want een mens brengt gemiddeld zo’n 30 procent van zijn leven op bed door. Als je 100 jaar wordt, heb je maar liefst 30 jaar geluierd!!! Zelfs de ijverigste mens is, in dat licht bezien, dus een enorme luilak!)

Foto 10: De volgende dag werkte ondergetekende luilak zijn fiets weer omhoog naar een pasje van 1228 meter en wel op de Via Appia, waar tegenwoordig asfalt op ligt.

Foto 11: Op de afdaling kwam ik door het pittoreske plaatsje Castelgrande.

Foto 12: Toen ik een paar dagen later de grote weg S 598 langs de rivier de Agri kruiste zag ik links in de verte grillige rotsformaties. Die boeien mij altijd enorm en daarom ging ik er meteen op af en schoot er deze foto.

Foto 13: Ik wilde er dichterbij komen maar flinke bossen benamen mij steeds het zicht, totdat ik de rots uiteindelijk, maar nu van een andere kant, toch nog redelijk kreeg te zien. Ja, voor zo’n fraaie klomp steen rijd je natuurlijk graag een eind om.

Foto 14: Het regende op deze reis mooie dorpjes maar gelukkig geen druppels. Het was steeds mooi weer waarbij de middag temperatuur nogal eens boven de 40 graden uit kwam. Dat waren heerlijke hittegolfjes, maar ‘s avonds kon ik steeds mijn kleren uitwringen van het zweet. Dat hoort er nu eenmaal bij.

Foto 15: Bij een ruïne van een huis zette ik mijn tent  op. Voor mijn liet ik mijn gedachten de vrije loop: wie zou in dit huis gewoond hebben? Een graaf of een boer? Of misschien een geleerde?Wat zou hij gedaan hebben? Filosofische boeken geschreven? Geprobeerd het perpetuüm mobilée uit te vinden? De hemel afgezocht naar toen nog onontdekte planeten? Of gewoon hard op het land gezwoegd om in leven te blijven? In ieder geval had hij een mooie berg in zijn achtertuin om zich te laten inspireren tot grote daden.

Ik was ondertussen bij het plaatsje Castrovillari aangekomen, maar ik bén ondertussen in Isola delle Femmine aangekomen, dat tussen Palermo en het vliegveld van Palermo ligt. Daarmee heb ik mijn blog-achterstand teruggebracht tot slechts 1120 km. Aangezien Palermo (of eigenlijk het vliegveld van Palermo) het einddoel is van mijn reis, kan ik niet meer uitlopen op mijn ‘geblog’. Voorlopig blog ik voort zonder voort te fietsen en daarmee zal mijn blog-achterstand verdwijnen als sneeuw voor de zon. (Het hangt er alleen van af hoevéél sneeuw en onder wát voor een zon, oftewel: wat heb ik allemaal nog te melden van deze reis en hoe ijverig zal ik daarin zijn? U zult het spoedig merken als u mij (mijn blog) blijft volgen.)

Foto 16: Tot besluit van deze aflevering van mijn digi-ton een aardige foto van een intrigerend richting bord. We zitten op de Strada Provinciale (provinciale weg) nummer 41. Dat is duidelijk! Maar waarheen? Waar naar toe? Dat zal de volgende keer duidelijk worden. (Hopelijk!)

San Gimignano in zicht, beroemd om zijn rechthoekige middeleeuwse torens.

Bericht nr. 6.:Achterstand weer vergroot.

Sommige van mijn volgers zal het opgevallen zijn dat ik alweer een tijdje niets op mijn blog heb geplaatst. Met dat tijdje is mijn voorsprong op mijn schrijven, of beter gezegd mijn achterstand van mijn schrijven, ondanks al mijn goede voornemens, opgelopen tot 1825 km. Je zou dat kunnen wijten aan te snel fietsen of aan te langzaam schrijven. En dan zou ook extreme luiheid de oorzaak kunnen zijn.

 Geen van deze drie is echter de reden van die achterstand, hoewel dat laatste  niet zo’n heel slechte veronderstelling is, daar mij over het algemeen geen overdreven ijver verweten kan worden.

De werkelijke reden van die uit de hand gelopen schrijf-achterstand is de sterk verminderde wifi-dichtheid hier in het zuiden van Italië. Campings, waar nog wel eens iets te wiefieën is, heb ik, aangezien ik de kusten mijd als de ziekte, al in tijden niet meer gezien en als ik mijn tent opzet in de rimboe of onder de olijfbomen is daar natuurlijk geen wifi en dus geen mogelijkheid om berichten de wereld in te sturen.

Om met mijn verslag weer een beetje in de buurt te komen van waar ik nu zit, namelijk aan de voet van de Etna op Sicilië, wil ik mijn verhaal als een soort stripverhaal presenteren, dus weinig tekst en veel plaatjes, iets wat overigens goed aansluit bij de tijdgeest, want lezen is lastig en kost maar een hoop tijd. Schrijven helaas nog veel meer.

En met deze lange inleiding heb ik alweer gezondigd tegen dit nieuwe goede voornemen. Daarom niet gedraald. Daar komt de eerste foto:

Foto 1: Uitzicht over Florence.
Foto 2: Florence met spiegelbeeld in de Arno.
Foto 3: Smal straatje naar de grote Piazza. Ik was niet de enige toerist in Florence.
Foto 4: De Dom van Florence
Foto 5: Op weg naar San Gimignano, een plek die je, als je door Toscane komt, niet mag missen, kwam ik door het aardige middeleeuwse stadje Certaldo.
Foto 6: Daar was natuurlijk een kasteel, want wat is een oud Italiaans stadje zonder kasteel?
Hier uitzicht op het kasteel vanaf het dak van het Casa del Boccaccio, waar deze beroemde Renaissance-schrijver zijn Decammerone  schreef.

Hier uitzicht op het kasteel vanaf het dak van het Casa del Boccaccio, waar deze beroemde Renaissance-schrijver zijn Decammerone  schreef.

Foto 7: Dat Casa del Boccaccio is nu een museum waar onder andere een flinke bibliotheek van oeroude boeken is ondergebracht. Allemaal machtig interessant maar al die boeken waren afgeschermd met stevig gaas, zodat zelfs vraatzuchtige krokodillen er niet bij konden. Je kon nog maar nauwelijks zien dat er boeken stonden achter dat gaas.
Foto 8: In de middag kwam, na weer flink wat klimwerk, San Gimignano in zicht, beroemd om zijn rechthoekige middeleeuwse torens. Van hier had het iets weg van Manhattan, gelukkig een heel klein beetje maar.
Foto 9: San Gimignano.
Foto 10: Een aardig doorkijkje in San Gimignano.
Foto 11: Mijn San Tis in San Gimignano. Ik er bij.
Foto 12: Op de camping van Monteriggioni moest ik voor mijn Vaudé-tentje evenveel betalen als deze mensen voor hun verplaatsbare loods, waar je makkelijk twee auto’s in kon parkeren. Ik argumenteerde dat de lengte van deze kasteeltent  4x zo groot was als de lengte van mijn tent, de breedte 3x en de hoogte 2,5x, zodat mijn tent er 30 maal in paste. Dat overtuigde de dame van de receptie in zoverre dat ik een kleine korting kreeg.
Foto 13: Als je eenmaal van Nederland naar Toscane bent gefietst, sla je het fraaie Renaissance stadje Siena natuurlijk niet over. Hier een kiekje door een poort die toegang geeft tot  de Piazza de Campo met daarachter het Palazzo Publico de la Torre del Mangia.
Foto 14: Op dat plein hoorde ik plotseling mijn naam noemen: “Hé, ben jij Frank?” En dat was ik. De man die mij herkend had, waarschijnlijk van een van mijn boeken, was  Hans van Osch uit Drachten. Hij was samen met Thiemen Westrik, de 18 jarige zoon van een vriend, uit Nederland hierheen komen fietsen. Dat leidde natuurlijk tot een flink gesprek, waardoor mijn goede voornemen om die dag nog een eind voorbij Siena te komen, in rook opging.
Foto 15: Bij de kathedraal, een paar straten verder, trakteerden we onszelf op een knots van een ijsco.

Aangezien de tijd ondertussen fors doorgetikt had, zodat de dag al grotendeels voorbij was, besloot ik in Siena te blijven en plaatste daarom mijn tent op de camping, naast die van Hans en Thiemen.

Hans kookte die avond een drie sterrenmaal op zijn brander: macaroni met tomatensaus en een blik sardines er over. Voor mij mocht het een ster minder: zonder de sardines. Als ik zo’n blikje alleen al zie is mijn honger terstond over, dan hoeft het nog niet eens open. Maar met die ster minder was het een vorstelijk maal.

Foto 16: Hans en Thiemen op de camping van Siena. Beiden hadden zich de luxe veroorloofd om een opvouwbaar stoeltje van 800 gram mee te sjouwen op de fiets: “Och, één bidon water minder en je hebt het gewicht er weer uit.” aldus Hans. En ik maar knoeien met een paar fietstassen in mijn rug.
Foto 17: Een paar dagen later bezocht ik de waterval van Marmore, in 271 voor Christus aangelegd op last van de Romeinse consul Curio Dentato om de moeraslanden van de Rieti-vlakte droog te leggen. Dit door afwatering via een kanaal en deze waterval. Toen ik aankwam stond de waterval ‘uit’, maar om 3 uur in de middag werd de sluis omgezet en stortte de enorme hoeveelheid water 165 meter omlaag, daarbij een prachtige regenboog vormend.
Foto 18:  De Marmore waterval van beneden gezien. Het opspattende water zorgde niet alleen voor een mooie regenboog, maar ook voor natte kleren. Je moet er wat voor over hebben om een aardig plaatje te schieten.

Met dit ‘stripverhaal’ heb ik mijn schrijf-achterstand van 1825 km teruggebracht tot 1250 km. We zijn er nog niet maar we verliezen de moed ook niet.

Foto 19: Tot besluit van deze inhaalslag nog een plaatje om te laten zien dat de eenzame fietser, óók in Italië, beren op de weg kan aantreffen.