De reïncarnatie van Albert Einstein

Bericht 4.  6 December 2019.

In Gunjur zat ik als een neo koloniaal in een resort naast een zwembad. Niet dat ik er ook maar één seconde over peinsde om er in te duiken, want ik houd helemaal niet van zwemmen, maar het idee om zo ontspannen naast een luxe zwembad te zitten was mij voldoende. Daar schreef ik ook mijn vorige bericht.

Foto 1: Schrijver dezes naast een fraai zwembad.

Met een gids maakte ik een wandeling van twee uur door een bos en langs een riviertje dat uitmondde in zee. Hij liet me door zijn telescoop, geplaatst op een statief diverse vogels zien. De telescoop was erg goed, zodat ik een paar aardige vogels zag. Met mijn platte Chinese telefoon werden de plaatjes helaas niet erg spectaculair.

Foto 2: Mijn gids met telescoop en statief op de rug.
Foto 3: Dit is het meest spectaculaire wat ik met mijn platte telefoon op het gebied van vogels voor elkaar kon krijgen . Zie het vogeltje rechts in het midden. De palmboom kwam beter uit de verf.

Ons pas werd gekruist door een mierenleger. Die beestjes waren makkelijker te fotograferen. Zo’n mierenconvooi kan soms kilometers lang zijn. Drukke beestjes. Er werd zo te zien weinig gerust.

Foto 4: Een mieren highway.
Foto 5: De mieren van dichtbij. Die rennen tenminste niet meteen weg als je met je camera in de buurt komt.

Via Serekunda (bij Banjul), waar ik mijn visum voor Sierra Leone haalde, fietste ik naar de grens van Senegal en door in zuidelijke richting naar het kustplaatsje Abéné. Daar ontmoette ik de reïncarnatie van Albert Einstein, althans zo kwam hij mij voor. Het was een Bask uit de buurt van Pamplona, die hier naartoe was getrokken. Hij nodigde me uit in zijn hut te overnachten.

Bijzonder was, dat hij werd geboren in het jaar dat Einstein overleed. Ik vroeg hem of hij nog wat nieuwe ideeën had over de relativiteitstheorie, waarop hij antwoordde dat hij erg veel theorieën had over van alles. Het werd dus een gecompliceerd avondje, waar ik de lezer niet mee ga lastigvallen.

Foto 6: De reïncarnatie van Albert Einstein, bij wie ik in Abéné logeerde.

Bij Abéné verliet ik definitief de kust en vervolgde ik mijn tocht in oostelijke richting. Niet ver voor Bignona zag ik op een grote vlakte, die in de regentijd onder water staat, maar nu grotendeels droog stond, een intrigerende vogel zitten.

Foto 7: Intrigerende vogel op een grote vlakte.

De vogel vloog niet weg toen ik stopte en zelfs niet toen ik nader kwam. Het was dus een vreemde vogel. Uiteindelijk bleek het een heel vreemde vogel te zijn, een houten vogel. De rest van een dode boom die hier ooit gegroeid was, toen de vlakte nog niet onder water kwam te staan tijdens de natte tijd.

Foto 8: De heel erg vreemde vogel van vlakbij genomen: een dood stuk wortel van een inmiddels verdwenen boom.
Foto 9: Vandaag kwam ik weer langs zo’n half ondergelopen stuk land vol houten vogels. Er zaten ook echte vogels maar die kozen, nog voordat ik mijn camera getrokken had, het hazenpad.

Een kilometer verderop stroomde de rivier de Soungrougrou. Daar moest ik de pont nemen naar Marsassoum aan de overkant. Helaas was de pont juist vertrokken, maar ik kon overvaren in een pirogue met buitenboordmotor.

Foto 10: Met de pirogue over de Soungrougrou.
Foto 11: De bemanning van de pirogue plus een paar passagiers. Het lijkt alsof de rivier scheef staat, maar door de passage van een andere boot deinde onze pirogue enorm, waardoor ik mijn camera niet goed horizontaal kon houden. Dat was reuze spannend, maar we kapseisden niet.

Met nog een drietal pelikanen als toegift besluit ik dit bericht. Tot een volgende keer.

Foto 12: Een drietal pelikanen op de rivier

Zonsondergang over de rivier met in de verte twee baobabs.

Bericht 3 , 30 November.

Van Toubakouta fietste ik over een redelijke zandweg naar Misira, een klein vissersdorpje met een enorm grote boom: de grootste kapok- boom van Senegal. Ik betaalde een lokale ‘gids’ 1000 francs CFA (=1,50 euro) om mij de boom te wijzen, die ik ook zelf wel had gevonden, omdat hij hoog boven alles uit torende. Maar als je zo’n man , die zich een beetje opdringt, niets betaalt, krijg je een eindeloos gezeur van gidsen achter je aan en kun je je zelfs moeilijkheden op de hals halen. Met zo’n gids bij je ben je van al dat gedoe gevrijwaard en bovendien kun je nog het idee hebben dat je de man wat helpt.

Foto 1: De grote kapok-boom van Missies.
Foto 2: Ik aan de voet van de kapok-boom.
Foto 3: Mijn gids, ook aan de voet van de reuzeboom.
Foto 4: Doorkijkje tussen de stam en een zijtak van de boom

De gids vertelde me dat de boom.800 a 900 jaar oud was. Gemeten met de carbon 14 methode.

Foto 5: Vanaf hier leek deze tak volgens mijn gids op de neus van Chirac. Ik zag er meer de neus van De Gaule in, of die van Cirano de Bergerac.

Tegen de avond maakte ik met een andere gids, een ‘kapitein’ en twee Franse toeristen een tocht in een pirogue met buitenboordmotor door de delta van de Diombos. We kwamen door een mangrove bos.

Foto 6: De ‘kapitein’ van de pirogue met het linkeroor van de Franse toerist.
Foto 7: Het mangrove woud.

Tegen zonsondergang kwamen we bij een eiland  met flinke bomen, waar honderden vogels op af kwamen om daar de nacht door te brengen. De gids vertelde me de naam van de vogels, maar aangezien ik geen kenner ben, was ik die in twee minuten al vergeten. Elk moment streken er weer zwermen van die vogels op de takken neer. Merkwaardig was dat ze alleen maar naar die bomen gingen terwijl er overal in het rond dezelfde soort bomen stonden, die geheel onbezet bleven. Waarschijnlijk vonden de vogels het daar gezelliger dan op een boom zonder vogels. Vogels zijn dus eigenlijk net als de meeste mensen.

Foto 8: Een boom vol vogels die er de nacht komen doorbrengen.
Foto 9: Een vogel van dichtbij.
Foto 10: Een zwarte vogel van dichtbij.

Wie helpt me deze vogels te benoemen?

Foto 11: De rivier met het mangrove bos op de achtergrond.
Foto 12: Zonsondergang over de rivier met in de verte twee baobabs.

Van Toubakouta fietste ik naar de grens van Gambia, waarbij ik nog langs een kleurrijk maakte kwam.

Foto 13: Marktje dicht voor de Gambiaanse grens.

Van Toubakouta fietste ik naar de grens van Gambia, waarbij ik nog langs een kleurrijk marktje kwam.

Foto 14: De ferry van Barra naar Banjul. Als je goed kijkt zie je mijn fiets staan, te herkennen aan de Vaudé-logo’s op de achtertassen.

Vandaag reed ik van Serekunda, bij Banjul, naar Gunjur aan de Gambiaanse kust, een vissersplaatsje waar veel vissersboten op het strand stonden.

Foto 15: Kleurige vissersboten op het strand van Gunjur.
Foto 16: Nog meer boten op het strand van Gunjur
Foto 17: Visverkoopsters op het strand.

Tot besluit van mijn bezoek aan Gunjur dronk ik een milkcoffee in een coffeeshop, een ander soort coffeeshop, evenwel, dan die in Amsterdam.

Foto 18: Bezoek aan een coffeeshop in Gunjur.

Morgen fiets ik weer terug naar Serekunda om mijn visum voor Sierra Leone te halen.

Tot zover bericht 3.

De Koeienmarkt van Touba Toul

Bericht 2

In mijn eerste bericht had ik het over zo’n typisch Afrikaanse rode stofweg , ook wel laterietweg genoemd. Helaas had ik er geen goed plaatje bij gezet. Bij deze dan.

Foto 1: Afrikaanse laterietweg.

In het dorpje Touba Toul kwam ik bij een mooie koeienmarkt. Om foto 2 te maken moest ik mijn zware fiets een flink eind door dik mul zand duwen.

Foto 2: Koeienmarkt van Touba Toul.
Foto 3: Nog een plaat van de Koeienmarkt van Touba Toul.

In het dorpje Touba Diarigne mocht ik van het dorpshoofd mijn tent opzetten.

Foto 4: Het dorpshoofd van Touba Diarigne. (In het midden met wit/zwart gestreepte jas). Veel kinderen in het dorp.
Foto 5: Mijn tent.

Op weg naar Gambia kwam ik door de Delta van de Saloum (rivier). Daar zag ik veel vogels, waaronder pelikanen.

Foto 6: De Delta van de Saloum. In de verte pelikanen.

Met mijn andere toestel kon ik de vogels m.b.v. een telelens dichterbij halen, althans schijnbaar, want ze kwamen geen meter in mijn richting.

Foto 7: Foto van het schermpje van mijn andere fototoestel met telelens. Niet echt mooi scherp. De foto moet ook direct opgestuurd kunnen worden vanuit mijn andere toestel, maar dat is hogere foto- kunde. Zo knap ben ik nog niet.
Foto 8: Zonsondergang over de delta. Een visser op zijn boot.
Foto 9: Pindaverkoopster in Toubakouta.
Foto 10: Mooie termietenheuvel in de buurt van Toubakouta.

Dit waren weer een paar impressies van Senegal. Van hier ga ik morgen of overmorgen verder naar Banjul in Gambia.

Typisch Afrikaanse rode stofweg, waar ik meteen ook fraaie baobabs te zien kreeg.

Bericht 22 november 2019.

Het is 22 november, 7 uur in de avond en ik heb 38 uur lang niet geslapen, aangezien ik dat in een vliegtuig niet kan en op een vliegveld al evenmin. Verder is het overdag inhalen van achterstallige slaap fout, want dan wordt je in het holst van de nacht wakker en daar raak je nog veel verder mee achterop. Verwacht dus niet te veel van dit verhaal.

Ik kwam om half twee in de nacht aan op het vliegveld van Dakar na een vlucht van 4 uur uit Lissabon. Beenruimte bijna voldoende voor een lilliputter. Daarvoor 3 uur in een zelfde vliegtuig van Amsterdam naar Lissabon, dus daarin zat ik ook krom en min of meer dubbelgevouwen een lilliputter te imiteren.

Om 3 uur had ik mijn bagage her gerangschikt en op de fiets geladen, waarna ik tot ‘s morgens 7 uur het daglicht afwachtte.

Van het vliegveld, dat een km of veertig ten zuidoosten van Dakar ligt , reed ik in 5 km naar een laterietpiste, zo’n typisch Afrikaanse rode stofweg, waar ik meteen ook fraaie baobabs te zien kreeg.

Foto 1: Mooie baobab niet ver van het vliegveld.
Foto 2: De zelfde boom maar nu met mijn Santos en mijn schaduw er voor.
Foto 3: Nog eens mijn fiets , nu naast een omver gereden kilometer paaltje, 63 km van Dakar. Het stuk karton achterop de fiets is de doos waarin ik met enige tientallen meters plakband mijn fiets verpakt had voor de vlucht.

Die doos heb ik ondertussen bij de Auberge Chez Nicolas ondergebracht. Die ga ik op de terugweg weer ophalen voor de terugvlucht.

Foto 4: Jongetjes die me kwamen bekijken bij de omvergereden km- paal.

Dat waren zo maar een paar impressies van de eerste dag van een nieuwe reis.

“Mag ik uw rugzak zien?” vroeg hij, maar uit de toon waarop hij dat zei klonk: “Geef me die rugzak, dan kijk ik of je daar bommen in hebt zitten.”

Eén van de gidsen bleek mondjesmaat Frans te spreken, ongeveer van het niveau ‘Papa fume une pipe’, terwijl de ander met Engels ongeveer drie niveau’s daar onder bleek steken.

(Laatste aflevering van mijn Nederland – Italië-reis. )

We waren in de voorlaatste aflevering blijven steken bij de puntgave ruïne van Mazzarino. Daarvan, om de draad weer op te pakken, nog een ander aanzicht.

Foto 1 : Kasteel van Mazzarino

Vanaf die ruïne had ik een mooi uitzicht op het plaatsje Mazzarino.

Foto 2: Mazzarino gezien vanaf het kasteel.

Op weg van Mazzarino naar Ravanusa kwam ik, iets voorbij het plaatsje Riesi, langs een mooie rotsberg, waar een riviertje omheen meanderde.

Foto 3: Rots met een riviertje er omheen

Vanaf een zijpaadje kreeg ik de rotspartij vanuit nog een andere hoek te zien. Met de camera op een kleine driepoot probeerde ik een opname van de rots te maken met mezelf plus fiets op de voorgrond. Dat lukte aanvankelijk slecht. Ofwel de rots zakte te ver naar de achtergrond, ofwel ikzelf kwam niet goed uit de verf. Daarna probeerde ik een foto van mezelf plus fiets te maken, met de rots op de achtergrond. Dat lukte beter. De lezer zal het niet geloven, maar deze foto (plus een dertigtal weggegooide) kostte me ruim een uur werk. Je moet er wat voor over hebben om tot iets redelijks te komen.

Foto 4: Zelfopname die me ruim een uur kostte.

Iets verderop kwam ik langs het Museo di Zolfo, oftewel het Zwavelmuseum. Op die plek was al vanaf de oude Griekse tijd zwavel uit de grond gehaald. Aanvankelijk gebeurde dat met dagbouw, maar toen in 1900 de elektriciteit zijn intrede deed werden er mijnschachten tot 530 meter diepte geboord om van ver onder de grond nog meer zwavel te halen. In 1969 sloot de mijn definitief en nu staat daar het zwavelmuseum.

  Er waren vier personen aanwezig in het museum, de kaartjesverkoopster, een man die naast haar zat en nog twee dames, die rondleidingen verzorgden. Allen spraken vloeiend Italiaans, alsmede het plaatselijke Siciliaanse dialect. De bezichtiging met bijbehorende rondleiding kostte 4 euro, maar omdat geen van hen Nederlands sprak, noch Engels, Frans, Duits of Spaans, bedong ik een korting van een euro. Dat vond men redelijk. Bij de bezichtiging liepen beide gidsen mee, omdat er verder geen bezoeker was. Een van hen bleek toch mondjesmaat Frans te spreken, ongeveer van het niveau ‘Papa fume une pipe’ terwijl de ander met Engels drie niveau’s daaronder bleef steken. Steeds als de eerste gids moeizaam iets in het Frans trachtte uit te leggen, kwam de andere er met twee woorden Engels (zo’n beetje haar enige) doorheen met als resultaat dat ik niets wijzer werd, omdat ik, als er door elkaar gepraat wordt, nu eenmaal alles hoor, maar niets versta, zelfs als er Nederlands gesproken wordt. Uiteindelijk ging de ‘Engelstalige gids weg, waarna de ander doorging in langzaam, duidelijk gearticuleerd Italiaans, wat nog altijd beter te verstaan was dan haar Frans.

Een grote rondleiding bleek het niet te zijn, maar wat duidelijk werd, was dat de arbeidsomstandigheden in de mijn abominabel slecht waren. Men schuwde geen kinderarbeid en de mijnwerkers moesten soms dagen achtereen beneden in de mijn blijven en kregen juist zoveel betaald dat ze net niet om kwamen van de honger. Herhaaldelijk gebeurden er ongelukken, die veel dodelijke slachtoffers tot gevolg hadden. De arbeiders waren in feite twintigste-eeuwse slaven.

  De schachten gingen we niet in, maar er werd in een klein hokje met een, door een machientje aangestuurde wiebelende vloer en brommend geluid uit een luidsprekertje gesimuleerd dat we een halve kilometer de aarde in gingen. Met een filmpje dat op de muur van die ‘lift’ geprojecteerd werd konden we als het ware, bij elke etage de sombere half verlichte mijngangen in kijken. Zo zagen we hoe er met pneumatische boren gaten in de rots geboord werden, hoe daar dynamiet in gedaan werd en hoe dat tot ontploffing gebracht werd, waarna de stukken steen in het rond vlogen en de mijngang zich met dikke wolken stof vulde. Dat was een beklemmende ervaring als ik bedacht dat dit voor die mijnwerkers uit het verleden de realiteit van de dag was geweest.

Interessant was, gezien vanuit mijn technische achtergrond, de centrale waar de elektriciteit voor de motoren, die de liften aandreven, werd opgewekt. Daar stonden enorme dieselmotoren met vliegwielen. Helaas waren de generatoren gestolen.

Foto 5: Grote dieselmotor bij de zwavelmijn.

Voor kinderen was een bord aangebracht, waarop met lampjes en tekeningen werd verklaard hoe de elektriciteit werd opgewekt en hoe de elektromotoren geschakeld waren. Wat ik in het bijzonder interessant vond, was dat naast de Wet van Ohm, ons allen natuurlijk overbekend (U = I x R), foto’s met jaartallen te zien waren van Ohm, Volta en Ampère. Je kunt je hele leven schemerlampjes, televisies of wasmachines aansluiten op het net van 220 Volt, zonder je ooit af te vragen hoe Alessandro Volta, naar wie de eenheid van elektrische spanning is genoemd, er uit zag en wanneer hij leefde. En dat zelfde geldt voor André-Marie Ampère (stroomsterkte) en Georg Simon Ohm (weerstand). En hier, in de zwavelmijn van Riesi, stonden hun foto’s met jaartallen zomaar afgebeeld. Razend interessant, niet waar?

Op het pleintje van Ravanussa, een stadje verderop, zaten zoals waarschijnlijk elke ochtend, oude mannen met elkaar te praten. Ongetwijfeld waren het elke dag dezelfde gesprekken, want waarover moet je het, als je twintig jaar lang elke ochtend uren bij elkaar zit, nog hebben. Misschien hadden ze door mijn verschijning weer een weekje een nieuw onderwerp. 

Foto 9: Oude lieden die daar elke dag uren lang zitten te praten.

Agrigento, was de volgende interessante plek, die ik tijdens mijn tocht over Sicilië bezocht. Deze stad werd in de zesde eeuw voor Christus gesticht door de Grieken en later door de Romeinen veroverd. Vanaf de camping van San Leone aan de zee nam ik de bus naar het tempelcomplex, omdat ik voorzag dat het veilig stallen van mijn fiets daar wel eens moeilijk zou kunnen zijn. Na het toegangskaartje van 12 euro betaald te hebben, moest ik dat in een gleuf stoppen, waarna er een soort supermarktdeurtje opendraaide zodat de weg naar de tempels voor mij open lag. Dat dacht ik althans, maar er moest nog een hindernis genomen worden, zoals twintig meter verderop bleek.

Daar werd ik aangehouden door een man met een indrukwekkende pet op zijn hoofd.
“Mag ik uw rugzak zien?” vroeg hij, maar uit de toon waarop hij dat zei klonk: “Geef me die rugzak, dan kijk ik of je daar bommen in hebt zitten.”
Ik gaf hem de rugzak en nadat de man gezien had, dat ik geen bommen en granaten bij me had, moest ik door een poort lopen, zoals die op vliegvelden staan. Natuurlijk piepte het ding. Ik zal eens door zo’n poortje lopen, zonder dat er gepiep klinkt!
“Heeft u een zakmes bij u?” vroeg de veiligheidsinspecteur.
  “Jawel,” zei ik en liet hem het fraaie, uiterst praktische mesje zien, dat ik ooit ergens langs de weg gevonden had en waarmee ik nu al een decennium lang sinaasappels pel. Ik was er zo langzamerhand erg aan gehecht geraakt.
“Zakmes impossible.” zei hij.
“Dat valt wel mee,” antwoordde ik.
“Nee. Mag niet mee.”
“Hoezo niet? 
“Impossible.
“Kunt u het dan zo lang voor mij bewaren?”
“Impossible. Stop het maar in uw auto.”
“Die staat hier 3000 km vandaan.”
“Verstop het dan maar ergens in de tuin.”
Ik keek wel uit en liep terug naar de met dik glas afgeschermde kassa waar ik juist het toegangskaartje had gekocht. Daar vroeg ik of de dame mijn zakmes voor me wilde bewaren totdat ik uitgekeken zou zijn bij de tempels.
“Impossible.”
“Wat moet ik er dan mee doen?” vroeg ik. De dame haalde haar schouders op en trok een gezicht van ‘Weet ik veel? Dat is mijn probleem niet.”
“Geef me dan mijn geld maar terug.”
“Impossible, want u heeft het kaartje al door de elektronische gleuf gedaan.

Buiten het toegangsgebouwtje stond het vol met souvenirtenten, waar je plastic tempeltjes, bordjes met tempels er op en beeldjes zonder hoofd van oude Grieken kon kopen, maar overal waar ik vroeg of men mijn mes voor me wilde bewaren, kreeg ik ‘Impossible’ te horen. Geërgerd stopte ik uiteindelijk, toen niemand het zag, mijn mes onder een steen in de tuin, zoals de veiligheidsbeambte had gesuggereerd. Een andere mogelijkheid werd mij niet geboden, of ik moest de 12 euro opgeven, de bus terug nemen naar de camping, daar mijn mes in de tent leggen, weer de bus hierheen nemen en opnieuw een kaartje voor 12 euro kopen.

Belachelijk dat je bepaalde dingen niet mee mag nemen naar de tempels, zonder dat er een voorziening is om die tijdelijk op te bergen. En waar waren ze eigenlijk bang voor? Dat ik mijn naam ging krassen in de pilaren van die tempels? Nee, dat kon het niet zijn, want die naam zou over 2600 jaar net zo interessant zijn als oude Griekse inscripties nu. Daarmee zou ik deze tempels alleen maar interessanter en waardevoller maken. Misschien dat ik een stel toeristen overhoop zou gaan steken? Maar dat kon ik buiten het archeologische park ook. Als je zo begint is het einde zoek. Misschien alleen maar om problemen te creëren. Daar scheppen sommige mensen behagen in.

Ik liep, nu zonder vreselijk moordtuig in mijn zak, weer naar de toegangsloketten en klom, terwijl ik de dames achter de balie negeerde, over het supermarkthekje. Tot mijn verwondering protesteerde niemand tegen deze provocerende handeling. Ook piepte het veiligheidspoortje deze keer niet. Ik hoefde zelf mijn geld niet in de tuin te verstoppen, hoewel je met een muntstuk van twee euro de tempelmuren flink kunt bekrassen.

Tijdens het bezoek aan al die fraaie oude tempels ebde mijn ergernis over dat onnozele gedoe van de bewakers langzaam weg en kon ik weer genieten van deze archeologische rijkdom. Het eerste waar ik tegenaan liep was de tempel van Castor en Pollux. Daar stonden nog drie pilaren van overeind met een stuk van het dak er op. De rest van de tempel lag in brokstukken verspreid over de grond. Ook leuk, als je er oog voor hebt.

Foto 10: Tempel van Castor en Pollux. Agrigento

Van de Tempel van Hercules stond meer overeind: een rijtje van zeven en een halve pilaar, met nog een kwart pilaar als toegift.

Foto 11: De tempel van Hercules.
Foto 12: Nogmaals de Tempel van Hercules. Niet compleet, maar toch erg mooi.

Met een van hout gefabriceerd hijswerk werd plausibel gemaakt hoe de oude Grieken de zware stukken pilaar, die ze uit rotsen hadden gebikt, op elkaar plaatsten.

Foto 13: Gereconstrueerd hijswerktuig

De Tempel van Concordia was het meest intact van alle tempels van Agrigento, maar helaas mochten toeristen er niet in, zelfs niet zonder zakmesje. Waarom dan dat vlondertje er naar toe? Er omheen lopen kon je wel en dat was ook een belevenis als je je realiseerde dat hier in een grijs verleden honderden werklieden druk bezig waren geweest om iets op te trekken dat 2600 jaar later toeristen van over de hele wereld ging trekken.

Foto 14: Tempel van Concordia. Agrigento.
Foto 15: Beeld (niet geheel compleet meer) van een oude Griek.
Foto 16: De Tempel van Hera of Juno stond nog aardig overeind.

Van de grootste tempel van Agrigento, de Tempel van Zeus, was helaas slechts puin over. Wel lag daar nog een redelijk intact, gigantisch groot beeld te slapen.

Foto 17: Reusachtig liggend beeld in de Tempel van Zeus, maar de tempel zelf was verdwenen.

Nadat ik bijna drie uren had rondgekeken tussen tempels en oud puin, liep ik het complex af en trof onder de steen in de tuin mijn zakmes nog aan. Afgezien van het getob met de veiligheidsbeambte en de starre lui bij de kassa, was het een erg interessante ochtend geweest met gelukkig ook prachtig weer, maar toen ik naar buiten kwam, zag ik een geweldig dreigende onweerslucht boven de stad Agrigento hangen. Tot een echt onweer kwam het echter niet.

Terwijl ik op de bus zat te wachten, terug naar de camping, liep er plotseling een bidsprinkhaan over mijn arm. Gevaarlijk, want bidsprinkhanen zijn carnivoren. Voor mij liep het goed af, maar de mannetjes bidsprinkhanen lopen het risico na, of zelfs al tijdens de bevruchting, door het vrouwtje opgevreten te worden. Een braaf moedertje, dat goed zorgt voor voedsel voor haar kindertjes in wording!

Foto 18: Bidsprinkhaan op mijn arm.

Op weg van Agrigento naar Palermo, kwam ik door het stadje Corleone, dat mooi tegen een berg aan ligt. Deze plek is, naar verluidt, het epicentrum van de maffia, maar ik had er geen problemen. Ik vreesde, dat ik niet belangrijk genoeg was om de belangstelling van de maffia op te wekken en daarom had ik niets te vrezen.

Foto 19: Corleone.

Na 101 dagen fietsen met flinke omwegen kwam ik in Palermo aan, nog juist op tijd om daar een ochtendje rond te kijken.

Foto 20: Cathedraal van Palermo.
Foto 21: Mooie kerk met een rommelmarkt. ervoor
Foto 22: Nog een kijkje op de rommelmarkt.
Foto 23: Weer een andere rommelmarkt. Hier was alles gratis. En zo zag ik er heel wat in zuid – Italië
Foto 24: Smal straatje in het centrum van Palermo.
Dante Alighieri, bekend van zijn boek ‘La Divina Commedia’. 

Mijn minder goddelijke komedie spoedde zich hier ten einde. Van het centrum van Palermo was het nog maar 30 km naar het vliegveld, waar ik het vliegtuig nam naar Rotterdam. In ruim drie maanden was ik van Nederland naar Palermo gefietst. In minder dan drie uur vloog ik terug. Vliegen is geen reizen. Vliegen is het overslaan van reizen.

                                               LA COMMEDIA E FINITO! 

(Maar die is niet van Dante maar komt uit de opera Paljas van Leoncavallo. Past hier echter wel goed.)

Ondertussen ben ik alweer een tijdje thuis, waar ik ijverig, voor zover ik ijverig kan zijn, bezig ben met het schrijven van een nieuw boek. Dat gaat over een reis door Zuid Amerika. Foto’s 25 en 26 heb ik tijdens die reis geschoten. De titel die het boek zal dragen, weet ik nog niet, maar zal ik te zijner tijd op mijn website bekend maken. Wees dus alert!

Foto 25: Op de enorme zoutvlakte van Uyuni, 3600 meter boven zeeniveau. Bolivia
Foto 26: Processie in Cuzco. Peru.
Foto 27: Op een pas van 5000 meter in Peru.