Parco Nationale d’ Abruzzo, een mooi bergachtig gebied in midden Italië.

Bericht nr 7.

Aangezien ik geen storm van afkeurende reacties heb gekregen op de stripverhaalvorm waarin ik mijn laatste bericht heb gegoten ga ik met dit bericht nog maar op dezelfde wijze door.

Foto 1: Een paar dagen nadat ik de waterval van Marmore had bezocht kwam ik bij het mooi op een heuvel gelegen plaatsje Opi aan. Ik was ondertussen in het Parco Nationale d’ Abruzzo aangekomen een mooi bergachtig gebied in midden Italië.

Foto 2: Uitzicht vanaf Opi op de bergen.

Foto 3: Het aardig tussen de heuvels gelegen Villetta Barrea Abruzzo.

Foto 4: Op de camping aldaar liepen ‘s morgens vroeg en tegen de avond herten te grazen. Ze waren blijkbaar erg aan mensen gewend. Deze kon ik tot vrij dicht naderen voordat hij zich uit de voeten maakte. Ik zou overigens toch wel even vreemd staan te kijken als het beest met zijn gewei recht op mijn hart gericht naar me toe zou komen snellen. Maar dat deed hij gelukkig niet.

Foto 5: ‘s Avonds liep ik het dorp in om wat te gaan eten. Het restaurant was te ver weg en daarom liep ik maar weer een pizzeria binnen, hoewel de pizza’s zo langzamerhand mijn neus uit kwamen. Deze keer werden alle records in negatieve zin gebroken. Het werd een 0,0001sterren pizza. Alle tafels waren bezet en dus kreeg ik mijn Quatro Formagi pizza mee in een mooie doos, om buiten op een bankje en zonder mes en vork op te eten. Het bleek ook nog een flinterdun geval te zijn. Met weinig plezier en smaak werkte ik het ding naar binnen. Aan de hooggespannen verwachting die de voorplaat van de doos wekte werd op geen stukken na voldaan en na afloop van deze eenvoudige, maar niet voedzame en nog minder lekkere maaltijd, besloot ik voorlopig even af te blijven van deze Italiaanse specialiteit.

Foto 6. De uitzichten op de bergen en de daarin gelegen dorpjes compenseerden de volgende dag het  culinaire debacle volledig en met een extra boterham bij het ontbijt had ik weer genoeg om de bergen aan te kunnen op mijn fiets.

Foto 7. In het plaatsje Telese Terme streek ik vroeg in de middag neer bij een bar om mezelf te tracteren op een grote Italiaanse ijsco. Een mens moet zich zo nu en dan eens verwennen. De barhouder vroeg me, zoals zoveel mensen, waar ik vandaan kwam en waar ik naar toe ging. Ik vertelde dat ik op weg was naar Palermo en nog voor ik de ijsco goed en wel op had, schoof er een man bij me aan die een kaart van Sicilië open vouwde. Hij bleek de broer te zijn van de barhouder en vertelde dat hij Sicilië had rondgefietst en dat hij met zijn fiets ook in Argentinië en Chili had gereden. Aangezien ik daar in december, januari en februari ook was geweest konden wij elkaar de hand schudden. Een vriend van hem legde deze ontmoeting vast op de gevoelige chip.

(Als ik nu zo naar de foto kijk, vraag ik me af of ik niet eens moet gaan denken over een kursus poseren)

Foto 8: In Benevento kwam ik langs de in het jaar 114 opgerichte Trajanus- triomfboog. Daar had ik eigenlijk onderdoor willen fietsen, maar de kettingen suggereerden dat dat niet de bedoeling was en om moeilijkheden met de carrabinieri te voorkomen liet ik het bij een plaatje van mijn fiets voor de boog.

Foto 9: Keizer Hadrianus, die Trajanus opvolgde droeg ook een ‘steentje’ bij aan de verfraaiing van Benevento en liet dit niet onaardige theatertje bouwen.

Technici waren bezig met het opbouwen van een licht- en geluidsinstallatie omdat hier de volgende avond de opera Paljas van Leoncavallo  zou worden opgevoerd. Die had ik wel willen zien, maar om daarvoor anderhalve dag in ledigheid te gaan doorbrengen, was mij wat te veel.

Er moet gereisd worden!

Er moeten dingen bekeken worden!

Luieren kan later thuis wel (hoewel er daar meestal ook niet veel van terecht komt. Of eigenlijk toch wel, want een mens brengt gemiddeld zo’n 30 procent van zijn leven op bed door. Als je 100 jaar wordt, heb je maar liefst 30 jaar geluierd!!! Zelfs de ijverigste mens is, in dat licht bezien, dus een enorme luilak!)

Foto 10: De volgende dag werkte ondergetekende luilak zijn fiets weer omhoog naar een pasje van 1228 meter en wel op de Via Appia, waar tegenwoordig asfalt op ligt.

Foto 11: Op de afdaling kwam ik door het pittoreske plaatsje Castelgrande.

Foto 12: Toen ik een paar dagen later de grote weg S 598 langs de rivier de Agri kruiste zag ik links in de verte grillige rotsformaties. Die boeien mij altijd enorm en daarom ging ik er meteen op af en schoot er deze foto.

Foto 13: Ik wilde er dichterbij komen maar flinke bossen benamen mij steeds het zicht, totdat ik de rots uiteindelijk, maar nu van een andere kant, toch nog redelijk kreeg te zien. Ja, voor zo’n fraaie klomp steen rijd je natuurlijk graag een eind om.

Foto 14: Het regende op deze reis mooie dorpjes maar gelukkig geen druppels. Het was steeds mooi weer waarbij de middag temperatuur nogal eens boven de 40 graden uit kwam. Dat waren heerlijke hittegolfjes, maar ‘s avonds kon ik steeds mijn kleren uitwringen van het zweet. Dat hoort er nu eenmaal bij.

Foto 15: Bij een ruïne van een huis zette ik mijn tent  op. Voor mijn liet ik mijn gedachten de vrije loop: wie zou in dit huis gewoond hebben? Een graaf of een boer? Of misschien een geleerde?Wat zou hij gedaan hebben? Filosofische boeken geschreven? Geprobeerd het perpetuüm mobilée uit te vinden? De hemel afgezocht naar toen nog onontdekte planeten? Of gewoon hard op het land gezwoegd om in leven te blijven? In ieder geval had hij een mooie berg in zijn achtertuin om zich te laten inspireren tot grote daden.

Ik was ondertussen bij het plaatsje Castrovillari aangekomen, maar ik bén ondertussen in Isola delle Femmine aangekomen, dat tussen Palermo en het vliegveld van Palermo ligt. Daarmee heb ik mijn blog-achterstand teruggebracht tot slechts 1120 km. Aangezien Palermo (of eigenlijk het vliegveld van Palermo) het einddoel is van mijn reis, kan ik niet meer uitlopen op mijn ‘geblog’. Voorlopig blog ik voort zonder voort te fietsen en daarmee zal mijn blog-achterstand verdwijnen als sneeuw voor de zon. (Het hangt er alleen van af hoevéél sneeuw en onder wát voor een zon, oftewel: wat heb ik allemaal nog te melden van deze reis en hoe ijverig zal ik daarin zijn? U zult het spoedig merken als u mij (mijn blog) blijft volgen.)

Foto 16: Tot besluit van deze aflevering van mijn digi-ton een aardige foto van een intrigerend richting bord. We zitten op de Strada Provinciale (provinciale weg) nummer 41. Dat is duidelijk! Maar waarheen? Waar naar toe? Dat zal de volgende keer duidelijk worden. (Hopelijk!)

San Gimignano in zicht, beroemd om zijn rechthoekige middeleeuwse torens.

Bericht nr. 6.:Achterstand weer vergroot.

Sommige van mijn volgers zal het opgevallen zijn dat ik alweer een tijdje niets op mijn blog heb geplaatst. Met dat tijdje is mijn voorsprong op mijn schrijven, of beter gezegd mijn achterstand van mijn schrijven, ondanks al mijn goede voornemens, opgelopen tot 1825 km. Je zou dat kunnen wijten aan te snel fietsen of aan te langzaam schrijven. En dan zou ook extreme luiheid de oorzaak kunnen zijn.

 Geen van deze drie is echter de reden van die achterstand, hoewel dat laatste  niet zo’n heel slechte veronderstelling is, daar mij over het algemeen geen overdreven ijver verweten kan worden.

De werkelijke reden van die uit de hand gelopen schrijf-achterstand is de sterk verminderde wifi-dichtheid hier in het zuiden van Italië. Campings, waar nog wel eens iets te wiefieën is, heb ik, aangezien ik de kusten mijd als de ziekte, al in tijden niet meer gezien en als ik mijn tent opzet in de rimboe of onder de olijfbomen is daar natuurlijk geen wifi en dus geen mogelijkheid om berichten de wereld in te sturen.

Om met mijn verslag weer een beetje in de buurt te komen van waar ik nu zit, namelijk aan de voet van de Etna op Sicilië, wil ik mijn verhaal als een soort stripverhaal presenteren, dus weinig tekst en veel plaatjes, iets wat overigens goed aansluit bij de tijdgeest, want lezen is lastig en kost maar een hoop tijd. Schrijven helaas nog veel meer.

En met deze lange inleiding heb ik alweer gezondigd tegen dit nieuwe goede voornemen. Daarom niet gedraald. Daar komt de eerste foto:

Foto 1: Uitzicht over Florence.
Foto 2: Florence met spiegelbeeld in de Arno.
Foto 3: Smal straatje naar de grote Piazza. Ik was niet de enige toerist in Florence.
Foto 4: De Dom van Florence
Foto 5: Op weg naar San Gimignano, een plek die je, als je door Toscane komt, niet mag missen, kwam ik door het aardige middeleeuwse stadje Certaldo.
Foto 6: Daar was natuurlijk een kasteel, want wat is een oud Italiaans stadje zonder kasteel?
Hier uitzicht op het kasteel vanaf het dak van het Casa del Boccaccio, waar deze beroemde Renaissance-schrijver zijn Decammerone  schreef.

Hier uitzicht op het kasteel vanaf het dak van het Casa del Boccaccio, waar deze beroemde Renaissance-schrijver zijn Decammerone  schreef.

Foto 7: Dat Casa del Boccaccio is nu een museum waar onder andere een flinke bibliotheek van oeroude boeken is ondergebracht. Allemaal machtig interessant maar al die boeken waren afgeschermd met stevig gaas, zodat zelfs vraatzuchtige krokodillen er niet bij konden. Je kon nog maar nauwelijks zien dat er boeken stonden achter dat gaas.
Foto 8: In de middag kwam, na weer flink wat klimwerk, San Gimignano in zicht, beroemd om zijn rechthoekige middeleeuwse torens. Van hier had het iets weg van Manhattan, gelukkig een heel klein beetje maar.
Foto 9: San Gimignano.
Foto 10: Een aardig doorkijkje in San Gimignano.
Foto 11: Mijn San Tis in San Gimignano. Ik er bij.
Foto 12: Op de camping van Monteriggioni moest ik voor mijn Vaudé-tentje evenveel betalen als deze mensen voor hun verplaatsbare loods, waar je makkelijk twee auto’s in kon parkeren. Ik argumenteerde dat de lengte van deze kasteeltent  4x zo groot was als de lengte van mijn tent, de breedte 3x en de hoogte 2,5x, zodat mijn tent er 30 maal in paste. Dat overtuigde de dame van de receptie in zoverre dat ik een kleine korting kreeg.
Foto 13: Als je eenmaal van Nederland naar Toscane bent gefietst, sla je het fraaie Renaissance stadje Siena natuurlijk niet over. Hier een kiekje door een poort die toegang geeft tot  de Piazza de Campo met daarachter het Palazzo Publico de la Torre del Mangia.
Foto 14: Op dat plein hoorde ik plotseling mijn naam noemen: “Hé, ben jij Frank?” En dat was ik. De man die mij herkend had, waarschijnlijk van een van mijn boeken, was  Hans van Osch uit Drachten. Hij was samen met Thiemen Westrik, de 18 jarige zoon van een vriend, uit Nederland hierheen komen fietsen. Dat leidde natuurlijk tot een flink gesprek, waardoor mijn goede voornemen om die dag nog een eind voorbij Siena te komen, in rook opging.
Foto 15: Bij de kathedraal, een paar straten verder, trakteerden we onszelf op een knots van een ijsco.

Aangezien de tijd ondertussen fors doorgetikt had, zodat de dag al grotendeels voorbij was, besloot ik in Siena te blijven en plaatste daarom mijn tent op de camping, naast die van Hans en Thiemen.

Hans kookte die avond een drie sterrenmaal op zijn brander: macaroni met tomatensaus en een blik sardines er over. Voor mij mocht het een ster minder: zonder de sardines. Als ik zo’n blikje alleen al zie is mijn honger terstond over, dan hoeft het nog niet eens open. Maar met die ster minder was het een vorstelijk maal.

Foto 16: Hans en Thiemen op de camping van Siena. Beiden hadden zich de luxe veroorloofd om een opvouwbaar stoeltje van 800 gram mee te sjouwen op de fiets: “Och, één bidon water minder en je hebt het gewicht er weer uit.” aldus Hans. En ik maar knoeien met een paar fietstassen in mijn rug.
Foto 17: Een paar dagen later bezocht ik de waterval van Marmore, in 271 voor Christus aangelegd op last van de Romeinse consul Curio Dentato om de moeraslanden van de Rieti-vlakte droog te leggen. Dit door afwatering via een kanaal en deze waterval. Toen ik aankwam stond de waterval ‘uit’, maar om 3 uur in de middag werd de sluis omgezet en stortte de enorme hoeveelheid water 165 meter omlaag, daarbij een prachtige regenboog vormend.
Foto 18:  De Marmore waterval van beneden gezien. Het opspattende water zorgde niet alleen voor een mooie regenboog, maar ook voor natte kleren. Je moet er wat voor over hebben om een aardig plaatje te schieten.

Met dit ‘stripverhaal’ heb ik mijn schrijf-achterstand van 1825 km teruggebracht tot 1250 km. We zijn er nog niet maar we verliezen de moed ook niet.

Foto 19: Tot besluit van deze inhaalslag nog een plaatje om te laten zien dat de eenzame fietser, óók in Italië, beren op de weg kan aantreffen.

Op weg naar het schilderachtige middeleeuwse stadje Castel l’Arquato.

Bericht 5

Ik was met mijn vorige bericht blijven steken op de Col de la Lombarde, de Frans- Italiaanse grens. Vandaar kreeg ik een mooie afdaling richting Cuneo, waarvan ik al een plaatje heb laten zien. Ik kwam die avond tot Chiusa die Pesio. (Een leuke puzzel om dat dorpje op te zoeken in de Grote Bosatlas!) Een kilometer of 2 daar buiten zette ik mijn tent op bij een boerderij.

De volgende ochtend wilde ik me in een cafeetje in het plaatsje verwennen met een ‘cafee con latte’ oftewel koffie met melk. Dat was eigenlijk meer om gebruik te kunnen maken van het toilet. Een echte verwenpartij werd het helaas niet: geen koffie met melk, zoals ik die zet , superslappe koffie met veel melk en een paar scheppen suiker, maar koffie op z’n Italiaans: een kopje dat één maatje groter was dan een eierdop. Daar zat 100% zwarte koffie in (misschien wel 200%) aangevuld met twee, hooguit drie druppels melk. Duur was het bakje niet, althans voor Europese begrippen: 1 euro. Omgerekend naar een normale kop, waarvan de diameter, zowel als de hoogte, tweemaal zo groot zijn, was het bakje natuurlijk schreeuwend duur namelijk 8 euro. Te drinken was het elixer nauwelijks, maar daar kwamen mij de minuscule afmetingen van het kopje te hulp. Vanaf dat moment dus geen Italiaanse koffie meer voor mij.

Een paar dagen later fietste ik langs de rivier de Trébbia in de richting van Piacenza. Voorbij Ponte Organasco klom de weg flink waardoor ik een eind boven de daar flink meanderende rivier uit kwam. Dat leverde mooie uitzichten op.

Foto 1: De kloof van de meanderende Fiume Trébbia.
Foto 2: Dorpje een eind boven de Fiume Trébbia

Ik had ondertussen een alternatief verzonnen voor de ‘cafee con latte’, namelijk ciocolatte calda, waarvan ik dacht dat ik dan een heerlijke bak  warme chocolademelk voorgeschoteld zou krijgen. Dat was de tweede miskleun. Ik kreeg een kop met gesmolten pure chocolade dat niet te drinken was, eigenlijk alleen maar uit te lepelen.    (En dat ook maar nauwelijks). Vanaf dat moment voor mij dus ook geen Italiaanse ciocolatte calda meer.

Op weg naar het schilderachtige middeleeuwse stadje Castel l’Arquato kwam ik langs een eveneens erg schilderachtig gebouw. (Als je er oog voor hebt!) Daar stond een prachtige kromme toren bij, een mooi alternatief voor de scheve toren van Pisa, die ik deze reis ga missen.

Foto 3: Een erg schilderachtig gebouw (voor de liefhebber van architectuur) met een kromme toren als alternatief voor de scheve toren van Pisa.
Foto 4: Castel l’Arquato
Foto 5: Nog eens een plaatje in Castel l’Arquato. Hier lijkt de linker toren net zo scheef te staan als die in Pisa terwijl de rechte ook geen loodrechte indruk maakt, maar dat is dankzij mijn fotoartistieke oog.

Een paar dagen later kwam ik door het plaatsje Vignola. Ik was die dag lekker opgeschoten en daarom wilde ik er nog een flinke schep kilometers bovenop doen, maar toen ik het plekje uit reed kwam ik langs alweer een mooi kasteel. En daarmee vervloog mijn hoop op een etappe van 100 km. Ruim anderhalf uur lang doolde ik in het gebouw rond, trap op, trap af, gang linksom, gang rechtsom, toren op, toren af, andere toren op etc. Van boven op de torens had ik mooie uitzichten in het rond. Opmerkelijk was dat de vensters in de torens afgezet waren met kippengaas terwijl er geen kippen te zien waren. Misschien diende dat gaas om te voorkomen dat zwaarmoedige lieden omlaag zouden springen.

Foto 6: Kasteel van Vignola.
Foto 7: Toren van het kasteel van Vignola gefotografeerd vanuit een andere toren. Kippengaas voor het venster om de foto meer diepte te geven.

Tot besluit van deze aflevering nog een plaatje van mijn tent, mijn fiets en mijzelf. De volgende keer halen we waarschijnlijk (hopelijk) Florence.

Foto 8: Een rustig plekje om te kamperen.

Salutti di Francesco.

Bericht 4.

Blijkbaar fiets ik sneller dan dat ik ‘blog’. Ik kan mezelf dus ‘bloggend’ niet bijhouden en lig momenteel een dikke duizend ‘blogkilometers’ achter. Tot gistermiddag genoot ik van hemelse temperaturen van rond de 40 graden. Dat was ideaal fietsweer en dus ook de reden dat ik niet toekwam aan mijn blog. Veel van mijn volgers zullen elke ochtend hun computer of mobiele telefoon aangezet hebben in de hoop daarop een nieuw bericht van mij aan te treffen. Vergeefs dus steeds weer, dankzij het mooie weer, of, zoals je het ook zou kunnen noemen, slechte ‘blogweer’.

Gistermiddag ging de hemel helaas zwaar betrekken en dat resulteerde in donder, bliksem en bakken hemelwater. Dat ging vannacht door en voor vandaag is er ook nog heel wat regen voorspeld. Blogtime, dus! Ik hoop dan ook, al ‘bloggend’ een paar honderd kilometer in te lopen op mijn fiets. Misschien kom ik zelfs wel gelijk met mezelf, hoewel ik dat betwijfel, want het ‘geblog’ op mijn platte Chinese Huawei is een moeizame zaak.

Bij aanhoudend slecht weer zou ik echter theoretisch zelfs mijn fiets kunnen inhalen, maar dat is niet te hopen, want dan moet ik gaan verzinnen wat ik de komende dagen ga meemaken en zien. Onze hoop is dus gevestigd op de terugkomst van de zon of het verdwijnen van de wolken, want met zon zijn zowel de avonturen als de foto’s het mooist.

Ik was blijven steken bij Saint Martin Vesubie. Daar maakte ik een mooie wandeling door het Parc National du Mercantour. Ik fietste eerst naar Le Boreon en liep van daar omhoog naar refuge de Cougourde en door naar Lac de Trecolpas, een mooi bergmeertje  op ongeveer 2200 meter hoogte.

Foto 1 en 2: Op weg naar Lac de Trecolpas.
Foto 2
Foto 3: Lac de Trecolpas

Op de terugweg zag ik nog een groepje gemsen.

Foto 4: Groepje gemsen.

Wat verderop stond er een te grazen, vlak bij het pad. Als zo’n beestje kwaad wil met die enorme hoorns, kun je het nog moeilijk krijgen, maar toen ik langs hem liep keek hij nauwelijks op, dus dat liep weer goed af.

Foto 5: Een sologems met indrukwekkende hoorns,

Over de Col de St. Martin van 1500 m fietste ik naar Roure, een dorpje hoog boven St. Sauveur sur Tinée. Daar zocht ik  Paul Smit op, een beroepsfotograaf die daar al twintig jaar woondt en die ik kende uit de tijd dat het blad Op Pad nog niet ter ziele was. Toevallig was daar ook Mick Palarczyk op bezoek, een al even professionele fotograaf. Beiden waren bezig met het maken van een reportage  over een aantal fraaie bergdorpjes in de omgeving. Ze ontvingen mij gastvrij en de volgende dag maakten we een mooie wandeling vanuit het dorpje Pierlas naar ‘Klein Cappadocië’ zoals Paul een flink geërodeerd rotsgebied noemde, daar niet ver vandaan.

Foto 6:  Mick rechts, Paul in het midden en links een rugzakje voor boterhammen, dat groter lijkt dan het is. (Dankzij mijn artistieke foto)
Foto 7: Het dorpje Pierlas.
Foto 8: De eerste staken van Klein Cappadocië doemen op.
Foto 9: Paul en Mick aan de voet van een flinke pilaar.

De dag daarna maakten we een wandeling van Roure naar Roubion waarop ik nog een paar aardige plaatjes schoot:

Foto 10 en 11: Paul en Mick op pad naar Roubion. (Ik ook, maar aangezien ik mijn selfie-stick niet bij me had ontbreek ik op de foto’s
Foto 11

Na die twee rustdagen werd het weer tijd om door te gaan, want Palermo was nog ver. Ik moest nu een flinke pas over om in Italië te komen: de Col de la Lombarde van 2350 meter. Maar eerst kreeg ik een afdaling van 600 m van Roure naar St. Sauveur. Paul vergezelde me naar Isola aan de voet van de Col de la Lombarde. Dat had mede als voordeel dat hij onderweg foto’s van mij kon maken, waarvan Foto’s 12 en 13 het resultaat waren.

Foto 12: Ik in de gele trui, een bocht lager dan Paul, die mijn camera hanteerde.
Foto 13: Ik nog eens in de gele trui, nu nadat ik die bocht weer omhoog had gereden, omdat ik ook een foto van voren wilde hebben.

In Isola namen we afscheid. Paul reed terug naar Roure en ik begon de lange klim naar Isola 2000, een nogal weerzinwekkend wintersportcentrum op 2000 m hoogte.

Ik haalde het die avond tot dat wintersport Walhalla, maar vond voor mijn tent een mooi rustig plekje iets daarvoor .

Foto 14 : Isola 2000, maar een heel klein stukje daarvan.
Foto 15: Het mooie plekje met mijn tent en fiets. En ook met mezelf, omdat ik gebruik maakte van de driepoot en de zelfontspanner, zodat ik weer eens elegant kon poseren.

De volgende dag was het nog slechts een stukje van 6 km naar de pas. Wel steil overigens. Daar stond het vol met motorrijders, waarvan er mij heel wat met een enorme snelheid, veel lawaai en indrukwekkend machtsvertoon voorbij waren gescheurd. Ja, tegen zoveel geweld ben je als eenvoudig fietsertje met een halve paardenkracht niet opgewassen. Een mens moet zijn plaats in deze wereld kennen.

Foto 16: Een stukje van 6,5% op de klim naar de pas.
Foto 17: Een van de laatste bochten voor de pas.

Reisorganisaties, fiets- en motorclubs fabrikanten, restaurant-eigenaars en vele anderen hebben er een merkwaardig plezier in om hun sticker op zo’n bord te plakken, met als resultaat dat je door al die plakplaatjes het bord niet meer ziet.

Foto 19: Veel stickers laten nog juist een paar letters en 2350m over op het bordje. Ik had er Santos, Schwalbe en Vaude bij moeten plakken, vet over die 2350 heen, maar helaas had ik geen stickers bij me.

Dicht bij dat bord stond een ander bord: Italië, de grens, mijn volgende land.

Foto 20: De Italiaanse grens. Opvallend was, dat het bovenste bord (Italie) een stuk minder bestikkerd was dan het onderste (Italia). De meeste stickkeraars konden daar , zo te zien, niet bij.

Hier laat ik het voor deze keer bij, want mij wacht in het restaurant van de camping die mij deze wifi ter beschikking heeft gesteld, een pizza a la Bolognese, 4 Staggioni of a la Francesco. Die pizza bevindt zich 760 km voorbij dat bestickte grensbordje, waaruit u de conclusie kunt trekken, dat ik met dit bericht 240 km bijgeblogd heb. Nog niet veel, maar ik blijf mijn best doen om de blogachterstand weg te werken.

Tot een volgende keer.

Salutti di Francesco.

Salutti di Francesco.

“Een foto voor de etalage van een herenmodezaak”

Bericht 3

Ik was in mijn vorige bericht blijven steken op de Col de Valouse. Vandaar kreeg ik een afdaling door een mooi rotsachtig gebied naar St. Ferreol Trente Pas. Iets daarvoor was de afslag naar Defilé de Trente Pas, een kloof die er nogal interessant uitzag. Dat lokte aan en het feit dat die weg, waar ik niet heen moest, afgesloten was lokte nog meer aan. Daarom fietste ik toch maar even die kloof in.

Blijkbaar hadden ze daar borden van ‘Route Barree’ en plastic afzettingen te veel, want ik kon er zonder problemen door en voor de enkele auto die van de andere kant kwam vormde het enige opstakel die vier plastic dingen.

Deze omweg bleek de moeite waard te zijn, want de kloof, hoewel misschien niet heel spectaculair, was erg mooi.

Defilé de Trente Pas
Nog een plaat van de kloof

Misschien hadden ze angst dat het pilaartje bovenin de kloof om zou vallen. Als die op de weg valt, blijkt het opeens een enorm groot pilaartje te zijn.

Mooi pilaartje bovenin de kloof

Het pilaartje viel (nog) niet en zo liep dit illegale avontuur goed af.

Vanaf de Col d’ Aulan daalde ik de volgende dag af langs het Chateau d’ Aulan en door weer een kloof naar het mooi op een heuvel gelegen dorpje Montbrun les Bains.

Chateau d’Aulan
Kloof voor Montbrun les Bains
Montbrun les Bains
Veel brem in de berm.

In de buurt van Frejus kwam ik langs een mooie rode rotspartij. Ik wilde daar een sublieme foto van maken met mijn fiets en mijzelf er bij. Dat viel niet mee aangezien ikzelf niet erg fotogeniek ben, maar wat ik tekort kwam, konden mijn fiets en de rotspartij hopelijk goed maken. Om een fantastische zelfopname te maken vond ik een prima plekje bij een andere rots, waarbij ik de camera met statief op een daarvoor uiterst geschikte tak van een knoestige boom kon plaatsen. Het vervelende was dat dat prima plekje een eind van de weg lag en ook nog een stuk hoger. Maar de echte fotograaf spaart kosten noch moeite noch tijd om de ideale plaat te schieten. In dit geval waren de kosten nul, maar loog de moeite er niet om, terwijl het allemaal een reuzetijd ging duren. Ik duwde de zwaarbeladen fiets omhoog over een steile rotshelling tot de plek waar het meesterschot gelost moest worden en zette mijn camera met statief op de tak die zo vriendelijk was geweest zodanig te groeien dat het statief er redelijk stabiel op geplaatst kon worden. Daarna drukte ik op de zelfontspanner, rende naar mijn fiets, klom op de rots en poseerde zo nonchalant mogelijk. Het resultaat was een foto die zo in de kortebroeken- afdeling van een gerenommeerde herenmodezaak geplaatst kan worden.

Mijn fiets, de prachtige rode rotswand en ik er ook nog bij

Wat minder mooi was, was dat op 2 december  1959 de Barrage de Malpasset, een stuwdam in de heuvels ten noorden van Frejus het begaf. Door de vloedgolf die daarvan het gevolg was kwamen 423 mensen om het leven. Nu is het een rustige plek, waar je je nauwelijks kunt voorstellen hoe het kolkende water toen als een zondvloed omlaag stortte, daarbij stukken beton zo groot als huizen honderden meters met zich meevoerend.

Ik fietste er heen en liep de laatste paar honderd meter over de nu kurkdroge rivierbedding.

De Barrage de Malpasset, althans wat er nog van over is.
Een blok beton, zo groot als een huis, bijna een kilometer verderop.
De gebroken stuwdam van boven gezien

Via Grasse, waar die ochtend dat ik er reed ongeveer alle auto’s van Frankrijk langs me heen leken te scheuren, fietste ik naar Saint Martin Vesubie in het Parc National du Mercantour (Alpen) waar ik een mooie wandeling ging maken, maar daarover hoop ik een volgende keer te berichten.

De weg naar St. Martin Vesubie.