“Het Doel van mijn reis”.

Bericht 8.

Vanuit Makeni (in Sierra Leone) maakte ik de dag na mijn wandeling met de acht gidsen een fietstocht zonder bagage naar de Barrage (stuwdam) van Bumbuna, althans dat was de bedoeling. Volgens mijn Platte Chinese telefoon waarop ik Google Maps tevoorschijn toverde lag die dam slechts 23 mijl (want Sierra Leone was een Engelse kolonie en de Engelsen deden (en doen nog steeds!) alles dwars) = 37 km weg. 12 km daarvan voerde over asfalt, dus daarna zou het nog slechts 25 km over de gravel zijn. Met heen en terug dus 50 km gravel plus 24 km asfalt. Dat moest te doen zijn.

Foto 1: Gravelweg (laterietweg) naar de dam van Bumbuna.

De weg zag er aanvankelijk nogal redelijk uit, zoals te zien is op de foto, maar verderop zaten er ook stukken ‘grof schuurpapier’ in, geen enkel probleem voor mijn Schwalbe banden en ook niet voor mij, maar een dergelijk wegdek eist natuurlijk wel meer tijd dan mooi effen lateriet.

Foto 2: Wegdek van ‘ grof schuurpapier’

De weg voerde langs een paar aardige dorpjes.

Foto 3: Dorpje langs de route naar Bumbuna.

Door het grove wegdek, maar vooral omdat de dam niet 37 km weg blek te liggen, maar 49 km, wat dus 24 km extra fietsen betekende, haalde ik de dam, mijn doel, niet.

De vraag rijst nu natuurlijk: Was mijn telefoon fout of lichte Google Maps mij verkeerd voor? Sommigen die mijn prestaties op het digitale vlak wel eens in twijfel trekken, zouden zelfs de verdenking op mij kunnen laten rusten, maar dat zijn natuurlijk negatief-denkers. In ieder geval Ik kwam slechts tot het dorpje Bumbuna, maar daar bleek ik nog eens 5 km verder te moeten, dus 10 km heen en terug, wat onder deze wegdekcondities bijna een uur extra zou vergen. Dan zou ik pas tegen, of zelfs in het donker terug zijn in Makeni, en wat ik beslist nooit wil, zeker niet in Sierra Leone met het ‘Sierra Leonse’ rijgedrag van menig chauffeur, is in het donker fietsen. Overdag is het rijden door een stad als Makeni al een groot avontuur, maar ‘s nachts is het ‘survival of the fittest’ of eerder ‘survival of the most lucky’.

En dus keerde ik in het zicht van de haven om. ‘Mislukte tocht’ zou je kunnen zeggen, maar nee! Zegt niet een bekend enwijs spreekwoord: ‘De weg is het doel!’ ? Juist, de tocht was het waard gereden te worden, hoewel het aardig was geweest als ik ook die dam, dan andere doel, had gezien.

Wat ik op de terugweg zag, was ook de moeite waard: een fietser in ‘Het land van Duizend Bromfietsen tegen anderhalve Fiets’. Dat was juist toen ik een indrukwekkende rotsberg in de verte aan het fotograferen was.

Foto 4: Een fietser in ‘Het land van Duizend motorfietsen tegen anderhalve Fiets’ . Een ontmoeting die in de krant zou kunnen, maar nu dus op mijn website verschijnt.
Foto 5: De rots van dichterbij.

Van Makeni fietste ik langs meer mooie rotsbergen door naar Kabala .

Foto 6: De weg naar Kabala.

In een café onderweg, waar ik een korte stop hield, zag ik twee lieden een partij dam spelen op een half versleten dambord. Half versleten, omdat bij dammen slechts de helft van het aantal velden gebruikt wordt. Die velden waren door het vele gebruik millimeters diep uitgesleten, terwijl de andere velden, hier blauw in plaats van normaal wit, nog gloednieuw waren. Die bespeelde velden, vroeger zwart geschilderd, zoals hier en daar nog aan restjes verf te zien was, vormden nu dalen in het blauwe plateau. Een ander opmerkelijk verschil met Europa was dat de schijven hier blokken waren, die indien de speler dacht een goede zet te doen, met een zeker geweld op het bord geplaatst werden, waardoor het slijtageproces versneld werd. Een bord met diepe velden is dus ofwel oud, ofwel een bord waar veel goede zetten op gedaan zijn, of beide.

Foto 7: Café op de route naar Kabala.
Foto 8: Ondanks dat de blauw-wit gestreepte dammer enkele malen een van zijn blokken met geweld op het bord deed belanden, schoof geel hem meedogenloos van het bord.

Het spel verliep overigens in alle gemoedelijkheid, zoals hier het leven in het algemeen gemoedelijk verloopt. Ik schrijf dit laatste woord in de tegenwoordige tijd, want zo was het hier drie tot twee decennia geleden beslist niet. Het verbaasde mij elke dag weer, dat een land, dat vrij kort geleden nog in een verschrikkelijke  burgeroorlog verwikkeld was (1991 – 2002), waarin de meest gruwelijke dingen plaats vonden, nu zo rustig is met zulk een vriendelijke bevolking. En na die burgeroorlog kwam daar van 2014 tot 2016 de ebola- epidemie overheen die nog eens zo’n 4000 slachtoffers opeiste.

Maar het land kwam ook deze slag te boven en nu is het een plezier om er te vertoeven en doorheen te fietsen, althans zo heb ik het ervaren.

Foto 9: Een bord langs de weg, waarop gepleid wordt overlevenden van het ebola -virus niet te discrimineren.
Foto 10: De markt van Kabala met op de achtergrond Gbawuria Hill, de zwarte berg van vulkanische oorsprong, waar ik de dag na mijn aankomst tegenop klauterde. Sommige heuvels vragen erom

 beklommen te worden en daar was deze er een van.

Foto 11: Gbawuria Hill van dichtbij.

Ik was de enige die daar die dag (10 januari) omhoog liep, maar ik had in mijn reisgids gelezen dat er elk jaar op Nieuwjaarsdag duizenden mensen omhoog lopen,  een soort pelgrimage, die in onze ogen echter weinig religieus over komt. Er worden dan enorme luidsprekers omhoog gezeuld waar de godganse dag dreunmuziek uit knettert, zo luid dat de hele vallei van Kabala mee resoneert, er gaan duizenden kratten bier mee omhoog, vrouwen kleden zich in minirokjes en lopen op hoge hakken, terwijl de make-up van hun gezichten druipt en de hele vertoning is één grote bizarre orgie. Aangezien al het bier opmoet, alsmede flink wat ladingen sterkere dranken, gaat de situatie later in de middag ‘heet’ worden, zodat vechtpartijen een deel van de pelgrimage kunnen worden.

Dat festijn had dus negen dagen eerder plaats gevonden en hoewel de rust tijdens mijn wandeling intens was, waren de sporen van deze orgie duidelijk zichtbaar: het plateau bovenaan lag bezaaid met de scherven van honderden, eerder duizenden, kapotgegooide bier- en andere flessen. De wind had de lege plastic zakken weggeblazen en die waren blijven steken in de struiken van een bos aan de westkant van het plateau, zodat het gekleurde plastic als rijpe vruchten aan de takken bungelden. Heel Gbawuria was één grote vuilnisbelt. Onbegrijpelijk dat mensen hun natuur zoveel geweld aan doen!

Het verhaal dat je wel eens hoort als zouden Afrikaanse landen te arm zijn om een vuilnisdienst te onderhouden ging hier in ieder geval niet op. Als je een volle fles of zak omhoog kunt dragen, kun je hem ook leeg weer omlaag dragen. Die hemeltergende rotzooi, die je hier op zoveel plaatsen ziet gaat me steeds meer tegenstaan. Maar de deskundigen beweren dat de natuur uiteindelijk dat afval wel weer overwint. Over 2200 jaar is het meeste van dat plastic dat ik daar op die Gbawuria Hill zag alweer afgebroken en door de natuur teruggenomen….. Maar dan zijn er ondertussen wel weer 2200 nieuwe plastic-orgies geweest. Het zou interessant zijn om dan even een kijkje te nemen op deze hill….. en in de rest van de wereld!

Foto 12: Het bos aan de westkant van het plateau.

Een eind verderop was ik verlost van de sporen van dit ‘culturele’ en ‘religieuze’ ‘feest’. Daar was de natuur nog vrijwel onaangetast. Ik klauterde op een rotspartij vanwaar ik een aardig uitzicht had op een andere flinke heuveltop.

Foto 13: Uitzicht van een rotspartij op een andere.

Die top in de verte zag er ook uitnodigend uit en dus probeerde ik daarheen te lopen. Het werd geklauter over rotsen en gekruip door dicht struikgewas, waarbij ik, na mijn benen flink opengehaald te hebben, vast liep in vrijwel ondoordringbare vegetatie. En dus haalde ik ook hier mijn doel niet, hoewel dit Stanley- achtige getob toch een doel op zich was.

Foto 14: De uitnodigende top van dichterbij.
Foto 15: Het Donkerebomenbos.
Foto 16: Dit ziet er dramatisch uit, maar het waren slechts een paar schrammen.

Met een pleistertje er op zag mijn been er weer op z’n paasbest uit.
Voorbij Kabala vervolgde ik mijn route naar de grens van Guinee over een gravelweg en verderop over een bospaadje.

Foto 17: Bospaadje naar de grens van Guinee.
Foto 18: Een mooie erosiegeul over het bosweggetje.
Foto 19: Dorpje met ronde hutten in de buurt van de grens van Guinee.

Ik passeerde de grens via een klein douanepostje. Aan de Sierra Leonse kant moest de beambte, die rustig op een stoeltje voor zijn douanehut zat, zijn registratie boek, zijn stempel en zijn stempelkussen opzoeken uit een laadje van een bureau dat uit de tijd van Cromwell leek te stammen. Zo te zien kwamen hier niet dagelijks toeristen langs. De man noteerde mijn naam, nationaliteit en paspoortnummer in het registratieboek en plaatste het exit stempel in mijn pas. Daar moest zijn handtekening nog overheen, maar helaas werkte zijn ballpoint niet, waarschijnlijk doordat er te veel stof in het kantoortje hing. Gelukkig had ik een pen bij de hand van ‘Save the Children’, een hulporganisatie waar ik wel eens geld naar stuur. Nu redde ik er deze beambte mee, zodat hij het stempel in mijn pas kon bekrachtigen met zijn handtekening. Ik liet hem de pen houden, zodat hij de volgende toerist ermee kon helpen. Dat was mijn goede daad voor deze dag.

Aan de Guinese kant moest ik wachten, omdat de beambte bezig was met zijn middagmaal. Dat duurde gelukkig niet langer dan 20 minuten, waarna ik de man moest volgen naar zijn kantoortje. Voor hij het entree stempel plaatste bladerde hij echter op zijn gemak mijn pas door om alle stempels te bekijken: Senegal, Chili, Cambodja, Namibië, Marokko……..

“U heeft nogal wat gereisd,” merkte hij op, terwijl hij zijn stempel tevoorschijn haalde.

“Zo hier en daar wat,” antwoordde ik.

“En waar gaat u nu heen?” wilde hij weten.

“Naar Dakar om daar mijn vliegtuig te halen, terug naar Nederland.”

Hij drukte het stempel op het stempelkussen en probeerde het eerst op een vel papier. Daar kwam geen overtuigende afdruk op. Uitgedroogd door de hitte en te veel stof op het stempelkussen. Geen nood, want uit een klein flaconnetje smeerde hij verse inkt over het stempelkussen, waardoor dit weer als nieuw was. Vervolgens plaatste hij een fris stempel in mijn pas en plaatste daar zijn handtekening met datum over. Voor hij me echter het paspoort teruggaf hield hij zijn hand op. Ik vroeg wat de bedoeling was, waarop hij antwoordde: “Een bijdrage voor de inkt. Geef maar 10.000 Franc.”

“Lijkt me wat veel voor dat ene stempeltje”.

“Toch niet. De inkt is tegenwoordig duur.”

Ik gaf hem 5.000 Franc, waar hij na wat tegenstribbelen, genoegen mee nam. Dat was mijn tweede goede daad voor die dag, want voor een exitstempel dient er niet betaald te worden.

Na deze formaliteiten, die aan het informele grensden, lag Sierra Leone definitief achter mij. Dat was een land waar ik nog niet eerder was geweest en dat was dan ook mijn doel van deze reis: een mooi land met een, zoals ik al schreef, vriendelijke bevolking. Dit doel heb ik dus wél gehaald, in tegenstelling tot die stuwdam van Bumbuna en die rotstop bij Kabala. En bovendien heb ik het doel gehaald van de weg vanaf Dakar er naar toe en de weg er doorheen. Nu ging ik ook proberen mijn doel te verwezenlijken van de weg terug naar Dakar, een andere dan de heenweg, maar daarover wil ik het de volgende keer hebben.

Foto 20 Een mooie bloem als toegift van dit bericht. Wie weet de naam?

Oliebollen op z’n Afrikaans, helaas zonder rozijnen.

Bericht nr 7

Van de ‘Voile de marié’ de waterval dicht achter de ruïne-bungalowas, waar ik met mijn vorige bericht was blijven steken, fietste ik over een 100 km lange lateriet-piste, zo’n rode, echt Afrikaanse stofweg, langs een mooie, maar niet erg hoge bergrug naar Forécariah, 32 km ten noorden van de grens van Sierra Leone.

Foto 1: De bergketen ten westen van mijn route
Foto 2: De rode lateriet piste met een reus van een boom er naast
Foto 3: Flinke rotswand.
Foto 4: De weg was niet overal even effen.

In een dorpje hield ik halt bij een café om wat te drinken. Iets met suiker voor de energie. Er naast zat een vrouw oliebollen te bakken, die je hier het hele jaar vind. Lekker druipend van het vet, dus ook goed voor de energie.

Foto 5: Café op de route.
Foto 6: Oliebollen op z’n Afrikaans, helaas zonder rozijnen.

Hoe meer ik er fotografeerde, hoe meer de dorpelingen naar voren drongen om op de foto te komen. Er werd bijna gevochten om voorop te staan, terwijl mensen op andere plekken vaak niet op de foto willen.

Foto 7: Dorpelingen die zich graag vereeuwigd zien.
Foto 8: Het begon iets weg te krijgen van een modeshow. (Correctie,)

Na dit intermezzo vervolgde ik mijn rode weg.

Foto 9: Vervolg van de rode weg.
Foto 10: Uitzicht vanaf de weg.

In Forécariah kwam ik op de asfaltweg van Conakry, de hoofdstad van Guinee, naar Freetown, de hoofdstad van Sierra Leone. 32 Kilometer naar het zuiden reed ik Sierra Leone binnen en nog eens 10 km verder beleefde ik in het plaatsje Kambia het hachelijke en zenuwslopende sim-avontuur, waar ik in mijn vorige bericht over schreef.

Foto 11: De brede asfaltweg tussen Conakry en Freetown. Een Sierra Leons jongetje speelt met een autoband (en niet eens virtueel!! Dat blijkt nog te kunnen in Afrika)

Ik  bleef twee dagen in Kambia om uit te rusten van de voorgaande fietsdagen ……. en van het sim-avontuur.

Op een van die twee rustdagen maakte ik een ontspannen fietstochtje een eind de rimboe in, weer over zo’n aardige lateriet piste. In het dorpje Sumbuya ( wie kent het nog?) zag ik tot mijn verbazing een enorme container van Kuil Banden uit Groningen staan, die was omgebouwd tot winkel. 

Foto 12: Zo’n beetje het gehele dorp Sumbuya met aan de rechterkant van de weg Kuils container.
Foto 13: Kuils container van dichtbij. Aan de palmboom helemaal links, is te zien dat dit niet in Groningen is.

Wie belt Kuil op om te melden dat zijn, waarschijnlijk verloren gewaande, container is teruggevonden?

Bij Port Loko liet ik Freetown rechts liggen. Hoofdsteden, en zeker de meeste in Afrika, mijd ik het liefst. De onbeschrijfelijke herrie van motorfietsen, vrachtwagens, bussen en luidsprekers, zo groot dat je er nauwelijks overheen kunt kijken, ging me in Makeni, de vierde stad van Sierra Leone al over de pijngrens, dus een uitstapje naar Freetown zou aan mij niet besteed zijn.

Een van de aardige dingen van Makeni was Wusum Hill, een vulkanische granietberg ten westen van de stad. Daar wilde ik op mijn vrije dag tegenop klauteren. In de westelijke buitenwijk vroeg ik waar ik het beste omhoog kon. Meteen liep er een jongeman mee om me de weg te wijzen. Hij bleef echter mee lopen en toen ik vroeg wat de bedoeling was, antwoordde hij dat hij mijn gids was.

“En wat is je honorarium?” vroeg ik.

“Één dollar,” antwoordde hij.

Dat leek me niet tot een financiële catastrofe te leiden, maar toen we een kwartier gelopen hadden en aan het steile gedeelte van de heuvel kwamen, wilde hij terug. Ik stond inmiddels al 30 meter hoger dan hij op het 40% steile graniet en riep terug dat hij dan eerst zijn dollar maar moest komen ophalen. Hij riep terug dat hij moe was en eigenlijk nog nooit op de top van die heuvel was geweest.

“Dus dan ben ik nu jóu gids,” antwoordde ik. “Kom míj dan maar één dollar brengen.”

Ondertussen kwam zijn jongere broer als een berggeit omhoog gesneld en nam de taak van zijn broer over. Omdat mijn ‘gids’ zijn dollar zag vervluchtigen vermande hij zich en kwam nu ook  omhoog. Gedrieën bereikten we de platte top van de heuvel, waar ik mijn ‘gids’, zowel als zijn jongere broer elk 10.000 Leones gaf. De ‘gids’ bleef echter bij zijn eis van een dollar, ook toen ik hem vertelde dat die slechts 9.500 Leones waard was. Daarop gaf ik zijn broer 10.000 Leones en ontsloeg beiden van de plicht mij verder te volgen. Daar wilden ze echter niet van horen. Blijkbaar vonden ze dit uitstapje toch wel erg interessant en in plaats van dat ze naar huis gingen kwam daar een tweede jongere broer omhoog en voegde zich bij ons, waardoor het wandelingetje zo langzamerhand uitgroeide tot een ware expeditie.

Foto 14: Mohammed, mijn ‘gids’ samen met zijn jongere broer,ergens halverwege de klim.
Foto 15: De drie broers bovenop de heuvel.
Foto 16: Nog een plaat van de drie broers.

Mohamed was steeds aan het praten door zijn telefoon en ja hoor, een tijdje later kwamen er nog een stuk of wat broers omhoog. Waarschijnlijk was hij zo razend enthousiast geworden door deze wandeling, die hij, hoewel hij zijn hele leven al in Makeni woonde, nog nooit gemaakt had, dat hij zijn broers wilde laten delen in die vreugde.

Foto: 17: Het kon niet op met de broers van Mohammed. Bijna een elftal bij elkaar.
Foto 18: Coach Van Rijn bij het elftal van acht ‘gidsen’.

Gevoetbald werd er die dag niet, maar het achttal had genoeg gespreksstof om er ‘s avonds de rest van de familie mee te onderhouden.

De dag na dit ‘teamwork’ maakte ik vanuit Makeni een fietstochtje zonder bagage, maar daarover ga ik het de volgende keer hebben. Tot dan.

Fouta Djalon, het groene bergland van Guinee.

Bericht 6

Ik ben ondertussen Guinee door en zit nu in Sierra Leone en wel in Kambia, het eerste plaatsje voorbij de grens met Guinee. In heel Guinee heb ik geen enkele wifi gevonden. In Labé kon ik paraciteren op de telefoon van Roger, de Belg in wiens guesthouse ik logeerde, maar daarna was het gebeurd met de digitale pret. Niet echter met de échte pret, zoals ik hoop duidelijk te maken met dit bericht.

Hier in Sierra Leone vond ik ook al geen wifi, maar ik wilde mijn volgers niet nog langer in het ongewisse laten zitten, met elke ochtend, als zij met een hart kloppend van verwachting hun computer aanzetten, wéér geen nieuws van Frank zouden vernemen. En daarom waagde ik mij vanochtend in een klein obscuur telefoonwinkeltje, waar simkaarten verkocht worden. Met zo’n simkaart en wat gigabites-tegoed erop, zou de wereld in digitale zin aan mijn voeten liggen.

Het bleek allemaal echter niet van een leien dakje te gaan, hoewel ik maar liefst een halve ton aan Leones op het gammele houten toonbankje neertelde. De ‘telefoonexpert’ wist niet hoe hij het miniscuul kleine simmetje in mijn telefoon moest frutselen. Het werd een reuze gepriegel met het kaartje, waarbij de geheugenkaart, die in hetzelfde schuifje zit en waar al mijn foto’s op staan, er herhaaldelijk uit viel. Als dat op de grond van zijn ‘laboratorium’ (lees: rommelhok) terecht zou komen, werd het een dubieuze zaak of er nog wel foto’s bij dit bericht geplaatst zouden kunnen worden. Ik raakte dus in de zenuwen, maar met z’n tweeën brachten we zwetend van de inspanning en de spanning deze knutselproef toch tot een goed einde.

Gewapend met mijn platte Chinese telefoon, nu geladen met dat kleine, maar o zo belangrijke stukje plastic, zet ik mij op de avond van de laatste dag van 2019 op een stoeltje voor hut nr. C6 van Hotel African Village , om mijn ‘avonturen’ op te sturen naar mijn webmaster, die het relaas vervolgens op mijn website zal plaatsen.

Waarschijnlijk kom ik pas volgend jaar klaar met deze klus, maar dat kan morgen al zijn

De weg van Labé naar het zuiden zat vol met prachtige potholes, waar je met een fiets makkelijk omheen kunt manoeuvreren, maar die voor auto’s, de vaak overbeladen taxi’s en busjes nogal een beproeving vormen.

Foto 1: Een gave pothole in de, voor de rest, eveneens gave asfaltweg.
Foto 2: Nog twee in serie geschakeld. Ik kon er niet genoeg van krijgen.
Foto 3: Een café onderweg, waar ik een café au lait bestelde. In deze uitspanning had ik geen problemen met fotograferen, hoewel dat hier en daar wel het geval is. Met fotograferen moet je in Afrika voorzichtig zijn.
Foto 4: Hier gebeurde het omgekeerde: drie jonge mensen riepen, toen ik langs fietste, of ze een foto van mij mochten maken. Dat mocht, maar toen de fotograaf afgedrukt had, hield ik mijn hand op en vroeg ik om 1000 Franc CFA (=1,50 euro), het bedrag dat men mij nogal eens vraagt als ik een foto maak. Daar schrok het drietal nogal van en daarom zei ik: “Of ik neem een foto van jullie” En daar heb ik deze foto aan overgehouden.

Bij Pita sloeg ik af op een gravel weggetje naar de waterval van Kinkon, die ik in 1987 op mijn tweede Afrika-reis ook al eens had bekeken. Het water viel nog steeds . Wonderlijk toch!

Foto 5: De waterval van Kinkon, een kilometer of 14 ten westen van Pita.

In de buurt van de waterval stond het struikgewas in de brand. Dat was geen ongelukje met een achteloos weggeworpen peuk, maar hier werd de bush, zoals op zoveel plekken in West Afrika tijdens de droge tijd, met opzet afgefikt, dit om plaats te maken voor nieuw vers gras voor de koeien, het

zogenaamde ‘Feux de brousse’, een erg onaangename gewoonte, vooral voor wildkamperders .

Foto 6: Feux de brousse.
Foto 6: Kilometerpaaltje uit de Franse tijd, maar  nieuw opgeschilderd.

Mijn volgende doel was het op 1200 meter hoogte gelegen plaatsje Dalaba.

In Dalaba vond ik zowaar een toeristenbureau. De toeristen-informant zat op een stoeltje te wachten op een toerist. Ik had in de negen dagen die ik al in Guinee was nog geen toerist gezien, waardoor het me waarschijnlijk leek dat de man niet overwerkt was. Hij veerde, toen hij me zag komen aanfietsen dan ook enthousiast overeind om mij te overladen met stapels folders, kaarten en verbale informatie, althans dat dacht ik, maar dat was een wat al te optimistische gedachte. Binnen in het bureau hing wat Afrikaanse kunst aan de muur, maar folders en kaarten waren er niet.

“Op,” zo verklaarde de informant.

Ik vroeg maar niet hoe lang die al op waren. Hij stelde mij voor om de volgende dag een wandeling te gaan maken naar de ‘Pont de Dieu’. Hij was namelijk niet allen informant, maar ook gids.

Foto 7: Mamadou Lamarana, de toeristen-informant en gids van Dalaba voor zijn office.
Foto 8: Het interieur van het informatie bureau. De kasten moeten hebben volgestaan met folders en kaarten van de omgeving, maar ik was juist te laat. Alles was op, maar nu was er Afrikaanse kunst te bewonderen.

De volgende dag gingen we op pad naar de ‘Pont de Dieu’. Onderweg vulden we onze bidons met water en meteen kwamen er kinderen kijken. Als een Afrikaan bij de waterpomp van het dorp zijn bidon vult, is dat de normaalste zaak van de wereld, maar als een witman dat doet is het natuurlijk héél bijzonder.

Foto 9: Mamadou vult zijn bidon bij de voetbediende waterpomp
Foto 10: Mamadou met een stel kinderen.

Na een paar uur lopen kwamen we bij de ‘Pont de Dieu’, een mooie natuurlijke brug.

Foto 11: Mamadou onder de ‘Pont de Dieu’

Aangezien het kerst was plukte Mamadou twee takjes van een in bloei staande struik en gaf mij er één. “Bonne fête” zei hij en samen poseerden we voor mijn op de selfiestick geplaatste toestel.

Foto 12: Kerst 2019.
Foto 13: Vlak voor de natuurlijke brug bevond zich een watervalletje waarvan het water onder de brug door stroomde.
Foto 14: Op de terugweg kwamen we langs een vrouw die op een vuurtje oliebollen aan het bakken was. Dat had niets te maken met het feit dat het jaar op zijn eind liep. Oliebollen (hier gateau genoemd) kun je in West Afrika het hele jaar vinden, meestal op wekelijkse marktjes.

Na deze wandeldag fietste ik verder in zuidelijke richting door de Fouta Djalon, het groene bergland van Guinee.

Foto 15: Fouta Djalon
Foto 16: Nog een berg-plaatje.
Foto 17: Sinaasappel verkoopsters langs de weg.

Iets buiten het plaatsje Linsan vond ik een prachtig hotel, althans dat was het in de goede oude tijd geweest. De beheerder had de boel volledig laten versloffen: balen plastic vuilnis in de tuin, planten verdroogd en afgefikt, zwembad gevuld met water dat op erwtensoep leek, lampen in de kamer kapot of verdwenen, toilet spoelde niet, geen water uit de Kranenburg en de douchekop, alles vies en onder het stof, bed niet opgemaakt, etc.

De beheerder lag, toen ik aankwam, onderuitgezakt op een stoel voor de televisie te slapen, maar kwam tot actie toen ik hem wakker porde en hij in de gaten kreeg dat er wat te verdienen was. Hij schroefde een nieuwe lamp in de fitting, bracht een emmer water en liet een jongetje de kamer aandweilen. Ook bracht hij een handdoek, maar die was vuil en vochtig. Toen ik hem daarop wees, haalde hij die weg en kwam even later met een keurig opgevouwen handdoek terug. Die was ook vochtig en vuil. Het was dezelfde.

Toen ik de volgende ochtend vertrok lag de noeste werker alweer onderuitgezakt voor de televisie.

Ik geef toe dat mij geen overdreven werkijver verweten kan worden, maar er zijn blijkbaar toch gradaties in luiheid. Deze hotelbeheerder zou, zo er een competitie in die tak van sport bestond, ongetwijfeld tot de grootmeesters behoren.

Foto 18: Het prachtige hotel van Linsan.

Dat plastic op de voorgrond en die as maken de sfeer….. als je er oog voor hebt.

Iets voor Kindia sloeg ik af op een laterietweg naar het zuiden, die vrij recht op de grens van Sierra Leone af ging. Volgens een man op de afslag was er een prachtig hotel drie kilometer verderop. Dat klopte met het accent echter op ‘was’. Een nog mooiere tuin dan bij dat vorige hotel, met mooie ronde bungalows er in. Helaas was er sinds de Fransen in de jaren zestig vertrokken uit Guinee, niets meer aan gedaan en had de natuur de bungalows alweer vrijwel geheel teruggenomen, op één na, die de beheerder min of meer bewoonbaar had gehouden. Hij beheerde dan ook niet het ‘prachtige hotel’, dat slechts uit ruïnes bestond, maar de waterval die er 500 meter achter lag. Ik mocht mijn tent bij zijn huisje opzetten, waarna ik de waterval ging bekijken.

Foto 19: Mijn tent bij de bungalow van de beheerder.
Foto 20: De waterval achter het ruïne-hotel.

De waterval voerde helaas niet overweldigend veel water, maar als je er onder zou staan, zou je snel van gedachten over de hoeveelheid water veranderen, ik althans wel.

Tegen donker warmde ik een handjevol macaroni op als culinair besluit van deze dag.

Foto 21: Chef kok François in actie met Macaroni a la Francesco, deze keer geen Quattro Stagioni, maar slechts Due Stagioni, aangezien ik er alleen een ui in schilde en er een bouillonblok aan toevoegde.

Met dit verrukkelijke diner dat ik op Tweede Kerstdag voor mezelf bereidde en waarvoor ik de beheerder van het ruïne- hotel niet enthousiast kon krijgen, besluit ik deze aflevering van mijn Eeuwig Durende (nou ja, bijna eeuwigdurende, want niets op onze wereldbol is eeuwig) reisfeuilleton . Dan houd ik nog iets over voor een volgende aflevering.

Allen een voorspoedig 2020 gewenst met veel mooie fietskilometers en/ of andere mooie dingen.

Frank van Rijn.

Op weg naar Guinee Konakry.

Bericht 5,    18 December 2019.

Door de Casamance, de smalle strook van zuidelijk Senegal tussen Gambia en Guinee Bissau fietste ik in oostelijke richting op weg naar Guinee Konakry.

Bij een café langs de weg stopte ik voor een omelet in een baguette, mat daarbij een café au lait, oftewel koffie met melk. Hier in Afrika moet je dan oppassen dat er niet te veel suiker in gedaan wordt, want met dat artikel zijn ze hier erg scheutig. Ik kan op dat gebied heel wat aan maar zo zoet als de koffie hier soms geserveerd wordt , is het zelfs voor mij niet meer te harden. Ik denk dat er twee koppen suiker in één kop koffie opgelost worden, als dat althans fysiek mogelijk is.

Foto 1: Afrikaans café langs de weg met vriendelijk poserende eigenaars.

Wat verderop kwam ik langs een waterpoel waar een grote zwerm vogels op een omgehakte boom  zat.

Foto 2: Zwerm vogels (welke?) op de takken van een omgehakte boom.

Het zonnetje klom ondertussen hoger en het werd tijd dat ik me in ging vetten met zonnebrandcrème. Terwijl ik daarmee bezig was kwam er een echtpaar langs lopen. De man had een zak pinda’s op zijn hoofd en de vrouw een grote pot margarine. Ze was bijzonder geïnteresseerd in het spul dat ik op mijn armen smeerde en vroeg in gebarentaal of ze daar ook wat van kon krijgen. Ik antwoordde dat ze met haar zwarte huid niet erg benauwd hoefde te zijn voor verbranding van de zon, maar aangezien ze mij niet verstond gaf ik haar een klodder crème op haar hand, die ze meteen gretig op haar gezicht smeerde. Ik vroeg me af of ze daar nu nog donkerder van zou worden, of juist helemaal wit.

Foto 3: Senegalese die zich insmeert met zonnebrandcrème.

In het stadje Velingara vond ik een mooie Auberge met aardige bungalows in de tuin. Zo leek het althans, maar de beheerder had de boel enorm laten versloffen: toilet spoelde niet door, kamer niet schoon, geen handdoek, geen toiletpapier, licht werkte niet en een enorme rotzooi in de tuin.

Foto 4: Een ontspannen pose voor mijn bungalow, maar veel ontspanning was er niet. Een eindeloos geknetter van motorfietsen vlak langs deze hut.
Foto 5: En als je blikjes of plastic had waar je vanaf wilde hoefde je niet op zoek te gaan naar een vuilnisbak. Het hele terrein van de bungalows was één grote vuilnisbelt.
Foto 6: Gieren kijken toe of er wat te halen is.
Foto 7: Kijkje in een van de marktstraatjes van Velingara.
Foto 8: Nog slechts 58 km naar de grens van Guinee. Weer eens een selfiestick-actie, waardoor de foto in spiegelbeeld komt. Iemand heeft mij eens uitgelegd hoe ik zo,’n gespiegelde foto weer kan spiegelen om hem normaal te krijgen, maar dat ging me te ver boven de digitale pet. Ik hoop erop dat de lezer thuis een spiegel aan de wand heeft hangen, om het paaltje af te lezen.

Ik kwam weer langs erg mooie termietenheuvels.

Foto 9: Termietenheuvels bij een huisje.
Foto 10 : De bewoner van het huisje voor een van de termietenheuvels.

Voorbij de grens zag ik hele velden met paddenstoel vormige  termietenheuvels .

Foto 11: Een heel veld met paddenstoelvormige termietenheuvels.
Foto 12: Zo’n termieten -kasteel van dichtbij.

Voorbij Koundara, waar ik 13 jaar geleden ook door ben gekomen, op weg van Nederland naar Accra in Ghana, reed ik de Fouta Djalon binnen, het mooie groene bergland van Guinee.

Foto 13: Het begin van de bergen in Guinee.

Hier haalde een jongen van een jaar of 12 me met veel machtsvertoon in op zijn fietsje. Een paar honderd meter verder zakte zijn tempo echter in elkaar, maar toen ik hem bijna ingehaald had, versnelde hij weer. Opnieuw liep zijn terug, maar juist voordat ik hem voorbij ging rijden, demarreerde hij voor de tweede keer. Dit spel van snel vooruit stuiven en dan weer afzakken, om opnieuw flink aan te zetten als mijn voorwiel ter hoogte van zijn achterwiel kwam, herhaalde zich een keer of tien, waarna zijn lust om mij voor te blijven zodanig bekoelde dat hij naast me bleef rijden en me vroeg waar ik vandaan kwam.

“Hollande,” antwoordde ik.

“Op de fiets?”

“Nee, op de fiets van Dakar”

“Van Dakar???”

“Ja.”

“Op die fiets??”

“Deze, ja. Ik heb geen andere.” Dat was echter niet waar. In mijn schuurtje staan er wel zeven en dan staat er nog een in het fietsmuseum Velorama in Nijmegen, maar dat zou deze jongen misschien niet zo veel zeggen. Dus om het eenvoudig te houden had ik nu even geen andere fiets dan deze Santos.

Dat ik op de fiets van Dakar kwam, maakte op hem, zo te horen, een stuk meer indruk, dan dat ik van Nederland hierheen zou zijn komen fietsen. Nederland was voor hem slechts een vaag begrip, alleen bekend van het feit dat er scheepsladingen topvoetballers vandaan kwamen. Maar Dakar!! Ja dat lag wat meer binnen het gezichtsveld, maar nog wel een reuze-eind weg! Daar waren maar weinigen uit zijn dorp geweest, misschien wel niet één. Mogelijk een rijke achteroom uit Konakry.

Na een tijdje zei hij dat hij het fietsen voor vandaag voor gezien hield en terug ging naar zijn dorp. We stopten en ik maakte een foto van hem. Veel fietsers had ik op deze reis nog niet gezien. Ik schat dat er voor elke fiets hier, duizend motorfietsen zijn. Waar al die machines vandaan komen is me een raadsel, maar geknord, gebromd en geknetterd wordt hier naar hartenlust, vooral in en vlak buiten de steden. Hoe verder weg van het motor-epicentrum hoe rustiger, gelukkig. Hier ver van het drukke Velingara en Koundara overheerste tot mijn vreugde de rust, afgezien dan van de fietscours die we zojuist gereden hadden.

Foto 14: Wielrenner in de dop op de weg door de Fouta Djalon.

Het grootste deel van de weg naar Labé was asfalt. Volgens een winkelier, die ik in Koundara had gesproken en bij wie ik tomaten had gekocht, was er slechts een stukje van 10 km niet geasfalteerd. Dat bleek naar beneden afgerond te zijn en nogal fors, want ik mat 24,5 km en wel met mijn beide tellers. Ik heb namelijk twee, onafhankelijk van elkaar werkende kilometertellers. De een houdt de ander, zo gezegd, in de gaten en omgekeerd, zodat als beiden het met elkaar eens zijn, de kans dat ik fout meet vrijwel nihil is. Meten is weten en ik wil weten dat ik goed meet. Een afwijking die ik heb overgehouden uit mijn studietijd.

En het waren niet alleen maar 24,5 km gravel (lateriet), maar ook nog vrijwel de gehele route omhoog. Bovendien kwamen er wel honderd volbeladen taxi’s omlaag gestoven. Ik vermoedde dat die allemaal naar een grote markt onderweg waren. Stof, stof en nog veel meer stof. Alles rood van de lateriet, zodat ik er, toen ik uiteindelijk boven op de ca 1150 meter hoge pas stond, uit zag als een roodhuid. Winnetou in Guinee! (Lees dat meest zeldzame boek van Karl May!)

Foto 15: De rode weg naar Labé.
Foto 16: Nog een rood plaatje. In de verte een volbeladen taxi, die een stilstaande vrachtwagen voorbij rijdt. De taxi is wit en de bagage op het dak, benevens een paar passagiers die niet meer in de auto pasten, zijn donker van kleur. Gaarne had ik gewacht met afdrukken tot de taxi pal voor mijn lens zat, maar dan zou ik gehuld zijn geweest in stof en zou de foto slechts rood zijn. Bovendien scheurden de chauffeurs, alsof hun leven er van afhing en dan sta je als er een waggelende, aan alle kanten gedeukte en vrijwel uit elkaar gerammelde Peugeot over de potholes op je af komt springen, niet lekker op je gemak te fotograferen. Vandaar dat de lezer (U) het met dit magere plaatje moet doen.

Ik zou voor geen goud plaats nemen op het dak van zo’n taxi, hoewel het ongetwijfeld de belevenis van mijn leven zou zijn. Misschien wel de laatste.

Foto 17: ‘s Avonds zette ik mijn tent op een rustige plek, dicht bij het dorpje Tiânguel-Bôri.
Foto 18 en 19: Na nog een mooie, groene bergetappe, kwam ik in Labé aan waar het gebeurd was met de rust.
Foto 20: Straat in Labé, gonzend van de mensen en knetterend van de motorfietsen. De meeste van die motorfietsen zijn taxi’s. Daar kun je je voor een paar Franc laten vervoeren…. als je het aandurft! De meeste Guineeërs (of Guineeanen? Welke Neerlandicus helpt?) durven het wel; ik voor geen zilver.
Foto 21: Marktstraatje in Labé.

Gelukkig vond ik een mooi rustig guesthouse, 4 km buiten Labé, waar ik kon uitrusten van de etappes vanaf Velingara tot hier en vooral van het anderhalf uur dat ik mijn fiets een weg moest banen door de chaos van Labé.

De eigenaar van Djamtum, zoals de naam van het guesthouse luidde, was een Belg. Hij heette mij welkom en verzorgde ‘s avonds een forse maaltijd voor mij. Ik vroeg hem of hij Wallon of Flamand was, waarop hij antwoordde: “Moi, je suis Belge.” Blijkbaar moest Roger niets hebben van die linguïstische tweedeling van België, althans de politieke problematiek daaromheen. Daar hij Franstalig was opgevoed verliep de conversatie in het Frans, hoewel hij 100% Vlaams verstond en vloeiend Engels sprak.

Ik waarschuwde hem, dat als ik hem in mijn blog noemde, hij het risico liep dat er binnenkort honderden Nederlandse fietsers bij hem aan zouden komen, waarop hij antwoordde: “Die zijn allen welkom.”

Foto 22: Roger en ik voor Roger’s guesthouse ‘Djamtum’, dat in de locale taal ‘Alles gaat goed’ betekend, oftewel ‘Tout van bien’, wat je hier ongeveer tweehonderd keer per dag hoort.

Tot zover dit bericht. Ik wens alle lezers en volgers alvast een goede kerst. Daar de wifi-dichtheid in Guinee nog niet erg groot is, kan het zijn dat ik voor de kerst geen bericht meer de ruimte in kan sturen.

De reïncarnatie van Albert Einstein

Bericht 4.  6 December 2019.

In Gunjur zat ik als een neo koloniaal in een resort naast een zwembad. Niet dat ik er ook maar één seconde over peinsde om er in te duiken, want ik houd helemaal niet van zwemmen, maar het idee om zo ontspannen naast een luxe zwembad te zitten was mij voldoende. Daar schreef ik ook mijn vorige bericht.

Foto 1: Schrijver dezes naast een fraai zwembad.

Met een gids maakte ik een wandeling van twee uur door een bos en langs een riviertje dat uitmondde in zee. Hij liet me door zijn telescoop, geplaatst op een statief diverse vogels zien. De telescoop was erg goed, zodat ik een paar aardige vogels zag. Met mijn platte Chinese telefoon werden de plaatjes helaas niet erg spectaculair.

Foto 2: Mijn gids met telescoop en statief op de rug.
Foto 3: Dit is het meest spectaculaire wat ik met mijn platte telefoon op het gebied van vogels voor elkaar kon krijgen . Zie het vogeltje rechts in het midden. De palmboom kwam beter uit de verf.

Ons pas werd gekruist door een mierenleger. Die beestjes waren makkelijker te fotograferen. Zo’n mierenconvooi kan soms kilometers lang zijn. Drukke beestjes. Er werd zo te zien weinig gerust.

Foto 4: Een mieren highway.
Foto 5: De mieren van dichtbij. Die rennen tenminste niet meteen weg als je met je camera in de buurt komt.

Via Serekunda (bij Banjul), waar ik mijn visum voor Sierra Leone haalde, fietste ik naar de grens van Senegal en door in zuidelijke richting naar het kustplaatsje Abéné. Daar ontmoette ik de reïncarnatie van Albert Einstein, althans zo kwam hij mij voor. Het was een Bask uit de buurt van Pamplona, die hier naartoe was getrokken. Hij nodigde me uit in zijn hut te overnachten.

Bijzonder was, dat hij werd geboren in het jaar dat Einstein overleed. Ik vroeg hem of hij nog wat nieuwe ideeën had over de relativiteitstheorie, waarop hij antwoordde dat hij erg veel theorieën had over van alles. Het werd dus een gecompliceerd avondje, waar ik de lezer niet mee ga lastigvallen.

Foto 6: De reïncarnatie van Albert Einstein, bij wie ik in Abéné logeerde.

Bij Abéné verliet ik definitief de kust en vervolgde ik mijn tocht in oostelijke richting. Niet ver voor Bignona zag ik op een grote vlakte, die in de regentijd onder water staat, maar nu grotendeels droog stond, een intrigerende vogel zitten.

Foto 7: Intrigerende vogel op een grote vlakte.

De vogel vloog niet weg toen ik stopte en zelfs niet toen ik nader kwam. Het was dus een vreemde vogel. Uiteindelijk bleek het een heel vreemde vogel te zijn, een houten vogel. De rest van een dode boom die hier ooit gegroeid was, toen de vlakte nog niet onder water kwam te staan tijdens de natte tijd.

Foto 8: De heel erg vreemde vogel van vlakbij genomen: een dood stuk wortel van een inmiddels verdwenen boom.
Foto 9: Vandaag kwam ik weer langs zo’n half ondergelopen stuk land vol houten vogels. Er zaten ook echte vogels maar die kozen, nog voordat ik mijn camera getrokken had, het hazenpad.

Een kilometer verderop stroomde de rivier de Soungrougrou. Daar moest ik de pont nemen naar Marsassoum aan de overkant. Helaas was de pont juist vertrokken, maar ik kon overvaren in een pirogue met buitenboordmotor.

Foto 10: Met de pirogue over de Soungrougrou.
Foto 11: De bemanning van de pirogue plus een paar passagiers. Het lijkt alsof de rivier scheef staat, maar door de passage van een andere boot deinde onze pirogue enorm, waardoor ik mijn camera niet goed horizontaal kon houden. Dat was reuze spannend, maar we kapseisden niet.

Met nog een drietal pelikanen als toegift besluit ik dit bericht. Tot een volgende keer.

Foto 12: Een drietal pelikanen op de rivier