WEER EENS ECHT OUDERWETS OVER DE KEIENPADEN.

Bericht 10.

Ik was met mijn vorige bericht blijven steken in Labé, waar ik twee dagen lang ook echt was blijven steken vanwege de politieke onlusten in Guinee Conakry en vooral in Labé. Na die twee dagen van volledige wegblokkades achtte Roger, mijn Belgische gastheer van het guesthouse Djumtum, het verantwoord, dat ik weer van start ging. Ik had een interessante route uitgezocht: Dwars door het gebergte van de Fouta Djalon en ver van asfalt terug naar Senegal. Roger had mij voorspeld: “La, tu vas souffrir.” (Daar ga je lijden).  Dat traject beloofde een hoog keien-, gruis-, klim-, en daalgehalte te bevatten. Weer eens iets zoals in de goede oude tijd!

Ik kende al een deel van dat traject, want in 2006 was ik van Nederland naar Accra in Ghana gefietst en toen had ik op het traject van Koundara naar Mali-ville (niet het land Mali, maar het stadje Mali in Guinee, ten noorden van Labé) inderdaad ‘gesouffrird’. (Zoekt u het allemaal op in de Grote Bosatlas?). Daar wurmde ik mijn fiets tegen hellingen aan, zo steil, dat ik de beladen fiets nauwelijks meer omhoog kon duwen, omdat mijn schoenen slipten over het gruis van het pad. En deze keer ging ik me weer in die wildernis wagen, want op een fietsreis moet niet alles even gladjes gaan. Bovendien was het alternatief dat ik dezelfde route zou moeten nemen als die op de heenweg om terug te komen in Senegal en dat leek me toch minder aantrekkelijk dan dit souffrir-traject via Mali-ville.

Op de eerste zes kilometer langs en door Labé tot waar ik afsloeg op de laterietweg naar Mali-ville kwam ik langs een stuk of tien blokkades, waarvan de helft verlaten was. Bij drie van de andere vijf, die wel ‘bemand’ waren, werd de doorgang voor mij door vriendelijke mensen snel vrijgemaakt, door takken en balken aan de kant te schuiven. Bij de resterende twee ging het moeilijker.

“Waar wilt u heen?” vroeg een ventje van vijftien, terwijl hij een houding aannam alsof hij de grote hotemetoot van de politie was.

“Naar Mali-ville,” antwoordde ik.

“Weet u wel, dat er vandaag niet gereden mag worden op de wegen van Guinee?”

“Nee, dat weet ik niet. Volgens mij mag er vandaag weer wel gereden worden en zeker met de fiets.”

“U moet betalen om verder te kunnen.”

Met gulle hand gaf ik de jongen 1000 Franc, wat in onze valuta neerkwam op 10 cent. Daarop werd een strookje van de weg voor mij vrij gemaakt, zodat ik mijn tocht kon vervolgen.

Bij de andere ‘moeilijke’ blokkade moest ik zelfs een biljet van 2000 Franc overhandigen, ook aan zo’n toneelspeler (of politiepotentaat) in de dop. Blijkbaar waren de blokkades die dag overgenomen door jongelui die zich verveelden. Dan konden ze er meteen wat Franken uit slaan. Dat had weinig met politiek en het eruit werken van de president te maken. In totaal trof ik op de eerste 25 km een stuk of twintig wegblokkades, waarvan er ongeveer tien ‘bemand’ waren en die mij in totaal toch al gauw 60 cent kostten.

Foto 1: Verlaten en half opgeruimde wegblokkade, ruim 20 km voorbij Labé. Bij de bemande wegblokkades, waar een foto interessanter zou zijn, vond ik het raadzaam, om mijn fototoestel niet tevoorschijn te halen. Dat zou tot grotere problemen of een hogere tol kunnen leiden.

Na die 25 km was het gelukkig gebeurd met de wegblokkades en kon ik, ongestoord door tolheffingen, mijn tocht vervolgen. De weg klom en daalde en klom opnieuw bij herhaling, maar het was allemaal nog redelijk te trappen en na 54 km plaatste ik tegen de avond mijn tent op het terrein van een vriendelijke boer.

Foto 2: Mijn tent op het terrein van een vriendelijke boer, met op de achtergrond zijn huis en een ronde hut voor opslag.
Foto 3: De boer met zijn gezin en een broer. Aan kinderen, zoals overal, geen gebrek.

De volgende dag reed ik een korte, maar veel zwaardere etappe naar het plaatsje Yembering. Ik moest veel steile hellingen op, waar niet meer te fietsen was en ook hier werd het soms zo steil dat mijn schoenen slipten over het pad. Op een erg lastig stuk haalde een vierwielaangedreven jeep me in. De chauffeur stopte en vroeg me waar ik naar op weg was.

“Naar Yembering,”antwoordde ik, waarop hij zei dat hij daar woonde. Ik kon de fiets meteen op de laadbak gooien en meerijden. “Dat scheelt je een hoop werk,” voegde hij eraan toe. Ik antwoordde echter dat meerijden tegen de ethiek van de fietsreiziger is.

“O, ben je er zó één,” merkte de man op. Blijkbaar had hij wel eens vaker zo’n fundamentalistische fietser als ik ontmoet.

Ik haalde een foto uit een van mijn tassen tevoorschijn en liet hem die zien met de vraag: “Kent u de man op deze foto? Die was 13 jaar geleden, toen ik dit traject in tegenovergestelde richting reed, leraar geschiedenis aan het plaatselijke lyceum. Ik heb toen bij hem gelogeerd en nu wil ik proberen hem weer terug te vinden.”

De chauffeur bekeek de foto nauwkeurig en riep toen uit: “Jazeker! Hij is nu burgemeester van Yembering! Iedereen kent hem, dus je zult geen problemen hebben hem te vinden.” Daarop wenste hij me veel sterkte met de laatste 15 km naar Yembering en reed toen weer door.

Anderhalf uur zwoegen later reed ik Yembering binnen, waar ik De burgemeester snel vond.

“Kent u me nog?” vroeg ik en liet hem de foto zien.

“Jazeker,” antwoordde hij. “U was hier jaren geleden ook al op de fiets.”

We haalden herinneringen op aan die keer, waarbij hij zijn dochter voor de nacht verbande naar een familielid, zodat ik in die kamer de nacht kon doorbrengen. Deze keer kreeg ik zelfs een heel nieuw huis, maar nog onbewoond, tot mijn beschikking.

Foto 4: De markt van Yembering met een rijtje bromfietstaxi’s.
Foto 5: Foto, omgezet van een dia, uit 2006 met de leraar van het lyceum, zijn vrouw en twee dochtertjes. Ik stond, zoals oplettende lezers zullen hebben ontdekt, achter het schoolbord dat de leraar tevoorschijn had gehaald en waarop hij aan de linkerkant had geschreven: ‘Monsieur Mamadou Lamarana Barry. Leraar aan het lyceum van Yembering. Mali-Guinee Conakry en familie. 26/11/06.’ Rechts schreef hij: ‘Monsieur FRANK. Hollandse toerist in Yembering, Mali. Republiek Guinee.’  
Foto 6: Dertien jaar later voor hetzelfde huis. De burgemeester Mamadou Lamarana Barry met mij naast hem. Beiden waren ondertussen 13 jaar ouder geworden, zoals natuurlijk wel te verwachten was. De man liep tijdelijk met krukken, aangezien hij, zo vertelde hij me, een zwaar auto-ongeluk had gehad: been op meerdere plekken gebroken en nadien geopereerd, maar nu ging het weer de goede kant met hem op. Voor de geïnteresseerden in de fiets zelf, die het misschien hinderlijk vinden dat wij er voor staan: Het zijn twee verschillende fietsen (ook te zien aan de kleuren). Op de oude foto (5) een oude Gazelle; op de nieuwe foto (6): de nieuwe (ook al weer twee jaar oude) Santos, waarmee ik tegenwoordig mijn fietsreizen maak.

De 42 km van Yembering naar Mali-ville vielen niet mee. De weg ging voortdurend op en neer, maar veel meer op dan neer, aangezien Yembering op ongeveer 900 meter hoogte ligt en Mali-ville op 1538 m. Er zaten steile stukken in, die ik niet allemaal kon fietsen. Na 15 km hielt ik een stop in een dorpje om mijn brood te eten, dat ik wegspoelde met een lauwe cola. Er zat een groep wijze lieden op het bankje voor de winkel en daar maakte ik een paar foto’s van. Daarna vroeg ik een van de wijzen of hij van dezelfde groep, min hem, maar plus mij, een foto wilde nemen en zo kwam ik tussen de wijzen van het dorp te zitten. Ik deed een zwakke poging om ook wijs te lijken, maar witmannen die op de fiets door Afrika reizen in plaats van in een mooie vierwielaangedreven jeep, worden in deze contreien niet voor vol aangezien.

“Waarom reist u op dit moeilijke traject met een fiets?” wilde mijn buurman links weten.

“Omdat ik het leuk vind,” antwoordde ik.

“Leuk??” Nog een graadje minder vol!

“Ja, probeer het ook eens!” probeerde ik nog. “U zult zien hoe geweldig het is,” maar ik kreeg de indruk dat deze poging om de man enthousiast voor de fiets te krijgen schipbreuk ging leiden.

Foto 7: Vijf wijze mannen met een wat minder wijze witman er tussen.

Voorbij dit dorpje werd de weg weer zo steil dat ik moest duwen. Er liepen vijf jongetjes achter me aan en toen ze me zo bezig zagen, gingen ze mee duwen. Dat was natuurlijk aardig en het scheelde ook een stuk in de slavenarbeid. Ik maakte mij hier schuldig aan kinderarbeid, maar voor de kinderen was het een leuk tijdverdrijf, dus ik had er desondanks een goed gevoel bij. Bovendien kregen ze bovenaan de heuvel elk een snoepje en een zakje pinda’s van mij als beloning, waar ze, zo te zien, erg content mee waren.

Foto 8: Mijn vijf duwers op het steile stuk weg.

In Mali-ville bleef ik een dag om een wandeling te maken naar ‘La Dame de Mali’, een grote rots in de vorm van een dame.

Foto 9: ‘La Dame de Mali’, die vanaf dit punt nog niet erg op een dame leek.
Foto 10: Een eind verder op het pad kreeg ik een goed uitzicht op de rots, die vanaf hier zo duidelijk op een dame leek, dat je de indruk zou kunnen hebben dat een kunstenaar met beitel en hamer was bezig geweest om tonnen steen weg te bikken, maar het was toch de natuur, die dit kunstwerk had gecreëerd. 

Voorbij Mali-ville werd het serieus met de weg, die snel degenereerde tot een soort ezelpad met steile hellingen, keien en erosiegeulen.

Foto 11: Een niet verharde, maar wel erg harde weg direct buiten Mali-ville.

Na een hevig gebonk over een stuk weg met lateriet-keien, werd het pad weer iets beter. Zou ik het slechtste dan al gehad hebben? Een ontmoeting met twee Fransen in een 4×4 jeep, hielp me snel uit de droom: “Nog 5 km goed en dan 80 km erg slecht.” was hun opwekkende boodschap.

Foto 12: De twee Fransen naast hun vierwielaangedreven jeep, met een paar jongetjes die er bij kwamen staan om ook op de foto te komen

Nu is het zo, dat wat voor een auto erg slecht is, voor een fiets best prima kan zijn en omgekeerd. Door grote gaten kun je vaak makkelijk fietsen, terwijl een vierwieler daar alle kanten op schommelt. En met een fiets kun je makkelijk om de meeste keien heen fietsen, terwijl een auto aan de ene kant om een grote steen heen kan rijden, maar dan een dikke kans maakt met de wielen aan de andere kant een knots van een kei te raken. Ik dacht dus, dat het wel eens mee zou kunnen vallen, maar ik kwam er al snel achter dat dat toch ook niet het geval was.

Foto 13: Keien over de hele breedte van het steile pad. Om diepte in de foto te krijgen en om een goed idee te geven van de verhoudingen, zet ik vaak mijn fiets er bij. Wat zou ik er anders bij moeten zetten?
Foto 14: Keien op de weg.
Foto 15: Landschap op het traject Mail-ville Kedougou in Senegal. Hier is duidelijk te zien, dat er, zoals bijna elke dag, stof in de lucht zat. Dat was stof uit de Sahara, aangevoerd door de Harmatan, een soms erg harde NO wind. Weliswaar was het bijna altijd mooi zonnig weer met temperaturen tussen 30 en 40 graden, maar de vergezichten werden, zoals hier, nogal eens vertroebeld door stof. 

Die avond kwam ik tot Hamdalaye, een dorpje waarvan ik me kan voorstellen, dat niet iedereen het feilloos en blindelings op de kaart van Afrika kan aanwijzen. Ik mocht er mijn tent opzetten voor de nacht.

Foto 16: Mijn tent, enkele dorpelingen en ikzelf in Hamdalaye.
Foto 17: De vriendelijke mensen kwamen, toen de tent stond, met stoeltjes aanzetten en zo zat ik even later als een eenentwintigste-eeuwse Livingstone (althans, zo voelde ik mij een beetje) tussen de autochtonen. (Over honderd jaar zal zo’n plaatje als dit het goed doen in het boek ‘Afrika toen’.)
Foto 18: De volgende ochtend vulde ik mijn bidons bij de waterpomp van het dorp.

Nog twee dagen ploegde en zwoegde ik voort over het ezelpad naar het dorpje Segou, juist over de grens van Senegal, waarbij ik alle soorten wegdek onder mijn wielen kreeg, behalve asfalt. Hier volgen  wat impressies van deze boeiende route, waarbij ik, door mijn fiets er steeds bij te zetten (ja toch weer!!), getracht heb een interessante voor- of achtergrond te creëren en zo diepte in de foto te krijgen. Gelukkig is het een mooie fiets, dus dat maakt veel goed.

Foto 19: Omdat ik er hier links makkelijk langs kon, was dit zo’n plek waar je beter af bent met een fiets dan met een auto, zelfs als het een prachtige, machtige vierwielaangedreven jeep is.
Foto 20: Hier wordt het al helemaal een getob met een jeep. Met een fiets overigens ook, vooral omdat het hier met 20 % omhoog gaat.
Foto 21: Hier weer even een ‘autoweg’ met ‘fietspad’ er naast en een fraaie berg op de achtergrond.
Foto 22: Dan weer flink er tegenaan. Deze route zat vol afwisseling. Ook weer meer procenten dan er in straf bier zitten.
Foto 23: Een beekdoorwading hoort er op dit soort trajecten zo nu en dan ook bij.
Foto 24: Zand.
Foto 25: Een Drents schelpenpaadje zonder schelpen en zonder paddenstoelen van de ANWB om mij de weg te wijzen. Die moest ik met een kaart van 1 : 2.000.000 en mijn kompas vinden.

Tot slot van deze doorsteek naar Senegal kwam, ongeveer 10 km voorbij de grens, de apotheose. Het pad dook een paar honderd meter omlaag van het plateau waar ik op zat naar de laagvlakte van Senegal. Als ik dat weggetje omlaag aan het begin van de doorsteek had gehad (en dan dus omhoog), had ik me wel driemaal bedacht voordat ik eraan was begonnen, misschien wel viermaal. Mogelijk was ik er na die viervoudige bedenking toch wel aan begonnen, maar dat zou dan van mijn stemming op dat moment hebben afgehangen. Het zag er in ieder geval nogal onapetijtelijk uit, want het was eerder een stenen trap dan een fietspad. Voetje voor voetje en met de remmen stevig aangetrokken, manouvreerde ik mijn fiets uiters voorzichtig omlaag.

Foto 26: Het begin van de ijzingwekkende afdaling van het plateau over de ‘stenen trap’. Ik ontmoette hier een collega fietser, die boodschappen had gedaan in Guinee en ook naar Kedougou in Senegal op weg was.
Foto 27: Daar gaan we omlaag!
Foto 28: Mijn collega keek achterom, om te zien of ik nog wel zin had om verder te gaan. Ja, dat had ik!
Foto 29: Nog meer trap.
Foto 30: Beneden was de weg weer ‘Koninklijk’.
Foto 31: Op het eind pikte ik nog even de waterval van Dindefelo mee, die meer indruk maakte door de hoogte (ik kon hem niet eens in zijn geheel op de plaat krijgen) dan door de hoeveelheid water die daar per seconde vanaf kwam.
Foto 32: Hier kwam ik na 239 km ‘mountainbiken’ sinds ik Labé in Guinee verliet, terug op asfalt in Senegal.

Tot zover deze aflevering van mijn West-Afrika-reis. In de volgende aflevering het besluit van die reis tot aan Dakar.

Tot slot nog een belangrijke mededeling: Volgend weekeind, vrijdag 28 en zaterdag 29 Februari en  zondag 1 Maart wordt in het Jaarbeursgebouw in Utrecht de jaarlijkse Fiets- en Wandelbeurs gehouden. Het is niet toevallig, dat mijn reis juist een week voor die beurs is afgelopen. Ik zal op elk van die drie dagen van 13 tot 14 uur een lezing houden over mijn fietsreis dwars door de Sahara en de Sahel, die ik in 1986/1987 maakte. Een reis dus uit de oude doos, toen er nog weinig asfalt in Afrika lag, reisgidsen nog maar summiere informatie gaven en het leven van de reiziger niet vereenvoudigd (of bemoeilijkt!) werd door internet. 

Mogelijk zet ik er nog een paar plaatjes van deze reis bij, maar ik moet mij houden aan de tijd, want na mij komt er in dezelfde zaal weer een volgende lezing.

Hopelijk tot ziens op die beurs!

                                                                                                          Frank van Rijn

Niet ver voorbij de grens Sierra Leone – Guinee….

Bericht 9

Niet ver voorbij de grens Sierra Leone – Guinee, en dus weer terug in Guinee, kwam ik op de asfaltweg, of beter gezegd: de pothole-weg met nog redelijk wat asfalt om de potholes heen, van Faranah naar Mamou. Die weg had ik in 1987 ook al gefietst en wel op mijn tocht Parijs – Dakar, die overigens begon in Den Haag en waarbij ik met een wijde boog om Parijs heen reed, omdat fietsen door Parijs geen lolletje is. Dat was dus Parijs – Dakar zonder Parijs. Later in Burkina Faso werd ik overvallen door twee bandieten op een motorfiets, die me de struiken in sleepten en me al mijn geld, pas, travellercheques en waardepapieren afnamen, waarna ze me met mijn reserve binnenbanden aan een boom vast bonden en er op hun motorfiets vandoor gingen. Dat avontuur kostte me veel geld en ook tijd, niet om me los te wurmen, maar wel om in Ougadougou een nieuw paspoort aan te vragen en geld te laten overmaken om mijn tocht voort te zetten. (Dat alles is na te lezen in mijn boek: ‘Door Sahara en Sahel’, uitg. Elmar en nog te verkrijgen bij de boekhandel)

Door al dat tijdverlies haalde ik Dakar niet meer, zodat die reis mijn ‘Parijs – Dakar’ werd zonder Parijs en zonder Dakar.

Terug naar het heden. (dat ondertussen ook alweer een week of twee oud is, aangezien ik een tijdje geen wifi kon vinden)

Ik fietste heerlijk ontspannen om de potholes heen, waar vrachtwagens kreunend en stapvoets door al die gaten, zo groot als badkuipen heen moesten kruipen.

Op deze route kwam ik door het dorpje Dian Dian, waar ik 33 jaar geleden de nacht heb doorgebracht in de ronde hut van een erg gastvrije man. Er stond een bed in en de man zei: “Zet je fiets maar in de hoek.” In mijn zojuist genoemde boek hield ik een beschouwing over hoe je een fiets in de hoek van een ronde hut moet zetten. Wat later aten we rijst aan een wiebelend tafeltje met vier poten, waarbij ik tot de

 gedachte kwam dat ofwel één van de poten te kort was, ofwel één te lang. Ja, ja, na zo’n dag fietsen door de tropen kun je soms tot werkelijk diepe gedachten komen!

Helaas wist ik de naam van de man bij wie ik indertijd logeerde niet meer en herkende ik de hut niet, aangezien de misschien wel honderd hutten van het dorp erg veel op elkaar leken. Bovendien vervagen sommige beelden in de loop van 33 jaar ook wel eens. In ieder geval schoot ik er toch een plaatje met een paar van die ronde hutten er op. Misschien was één daarvan wel de hut waarin ik toen de nacht heb doorgebracht.

Foto 1: Ronde hut in het dorpje Dian Dian. Misschien wel de hut waarin ik in 1987 geslapen heb.
Foto 2: Voor Mamou reed ik de bergen weer in. Hier een gaaf stukje asfalt zonder gaten.
Foto 3: Kinderen met zelf gemaakt speelgoed. (van blikjes). Doen kinderen in Nederland dat ook nog? Ik zie het daar niet zo vaak.

Van Mamou kreeg ik een stukje weg ter rijden dat ik deze reis rond 24 december ook al gereden heb, maar nu van de andere kant. Het aardige is dat een weg van de andere kant bereden eigenlijk een andere weg is, althans zo kun je het bekijken en zo bekeek ik het.

In Dalaba trof ik bij het office du tourisme Mamadou Lamarana weer, de gids met wie ik 23 december naar de ‘Pont de Dieu’ ben gelopen. Deze keer leidde hij me op een kort wandelingetje langs een paar aardige rotsformaties.

Foto 4: Mamadou bij een rots in de vorm van een driekoppige zeehond. Maar je kunt er ook een zeerovers schip in zien, als je maar genoeg fantasie hebt.
Foto 5: Nog een mooi stukje winderosie.

Vanaf Pita ten noorden van Dalaba, fietste ik over een ruige laterietweg, die hier en daar wat weg had van een trap, naar Het dorpje Doucki, waar ik op een van mijn vorige West-Afrika reizen (2006) al eens geweest was. Daar bevindt zich (nog steeds) het campement van Hassan Bah (uitgesproken als Bach, hoewel hij geen groot bewonderaar was van de muziek van zijn naamgenoot), een gids die excursies leidt door de Fouta Djalon. Die vorige keer had ik een paar mooie wandelingen met hem gemaakt en dat wilde ik nog eens beleven. We trokken door een fraai rotsachtig gebied naar een waterval.

Foto 6: Even een pauze, na flink wat omhoog duwen, op de weg van Pita naar Doucki.
Foto 7: Hassan Bah, mijn gids in de Fouta Djalon
Foto 8: Op weg naar een waterval.
Foto 9: Pauze op de wandeling naar een waterval.
Foto 10: De waterval.
Foto 11: Hassan en Frank genomen met de zelfontspanner, omdat er niemand in de buurt was.

Voor de volgende dag stond er weer een flinke wandeling op het programma, maar deze keer was het 18 jarige neefje van Hassan, die voor het gemak ook Hassan heette, mijn gids. Om hem van zijn oom te onderscheiden, noemde ik hem Hassan II. Allereerst gingen we naar ‘Indiana Jones’, een labyrint van diepe smalle kloven, zo door Hassan gdnoemd, omdat het geheel hem deed denken aan de films van deze archeoloog-avonturier. Het was werkelijk een stelsel van indrukwekkende canyons, kloven en grotten. Alleen de slangen, schorpioenen, vogelspinnen, tarantula’s en al die andere kruipende, bijtende en stekende beestjes ontbraken en ook de ‘bandietendichtheid’ was er een stuk kleiner dan in de films, maar je kunt nu eenmaal niet alles hebben.

Foto 12: Smalle diepe kloof in het ‘Indiana Jones- stelsel’.
Foto 13: Hassan II, die als Tarzan omhoog klauterde langs boomwortels en lianen.
Foto 14: Een zwakke poging van mij om ook iets Tarzan-achtigs te doen.
Foto 15: In elkaar gegroeide boomwortels op zoek naar water, beneden in een kloof.
Foto 16: ‘Het’ doorkijkje, waar iedere klant van Hassan I en II, achter moet poseren. Ik dus ook maar.

Na een uur door ‘Indiana Jones’ rondgelopen en gekropen te hebben, éénmaal zelfs door zo’n smal gat, dat ik met een extra boterham bij het ontbijt klem zou zijn komen te zitten, liepen we verder over een klein paadje tussen veel struikgewas naar ‘Bob Marley’, weer zo’n originele naam van Hassan I. Dat was een uitsparing in een loodrechte rotswand, waarvoor we een lastige steile afdaling over rotsblokken moesten maken. Ik vroeg Hassan II naar het verband tussen Bob en deze plek. Dat verband was eenvoudig: Zijn oom Hassan I was vroeger erg onder de indruk van deze zanger.

“Nu niet meer?” vroeg ik.

“Nee,”antwoordde Hassan II, want nu is hij erg religieus geworden en gaat liever vijfmaal per dag naar de moskee, dan dat hij zich bezighoudt met triviale zaken als muziek en dans. Dat hoort volgens hem niet zo bij de Islam.”

Foto 17: Hassan II op de ‘Bob Marley-plek’, hoog boven een vallei en diep beneden het plateau.

Van ‘Bob’ klommen we weer omhoog naar het plateau en vervolgden onze wandeling langs ‘La Hyene’, een enorme rotsberg waar vroeger een hyena zat, die de schapen van de herders uit de omgeving opvrat.

Foto 18: La Hyene, een geweldige rots.
Foto 19: En nog een rots, die het in het rotstuintje van een vriend van mij in Steenwijk goed zou doen.
Foto 20: Het kon niet op in dit Eldorado van rotspartijen. Hier een geweldige dinosaurus, die hoog boven ons uit torende.
Foto 21: En passant pikten we ook nog even een watervalletje mee.
Foto 22: Voldaan na deze ‘rotsige wandeling’ liet ik me tegen zonsondergang fotograferen voor mijn hut, waarbij ik, om binnen te komen, steeds diep door de knieën moest zakken. Voor mij had de ‘architect’ de deuropening een paar decimeter hoger mogen maken, eigenlijk wel tien decimeter.

De volgende ochtend maakte ik bij wijze van afscheid nog een foto met de zelfontspanner van beide Hassans en mijzelf, voor mijn hut.

Foto 23: Hassan I, Hassan II  en schrijver dezes voor mijn hut.
Foto 24: Veel getob en gezwoeg (maar leuk!) op de steile, stenige piste naar Labé, waar ik voor mijn tocht door Sierra Leone ook geweest was. Ik ging weer naar het guesthouse van de Belg Roger en zat daar vervolgens twee dagen vast wegens onlusten in de stad. Het rommelde door het hele land ( Guinee Konakry) omdat de mensen van de president af wilden. Wegen waren geblokkeerd en zo nu en dan klonk er geschreeuw in koor, maar in het guesthouse (Djumtum) van Roger, 4 km buiten de stad, zat ik betrekkelijk veilig en daar schreef ik, aangezien ik niets kon ondernemen, mijn vorige bericht.

Deze blokkades deden mij denken aan het gedicht van P.N. van Eyck: ‘De tuinman en de dood’ , na te zoeken door iedereen die net zo handig is met internet als ik.

Kort samengevat: De tuinman is rustig in zijn tuintje aan het wieden, maar plotseling staat Hein, de Dood, achter hem en zegt: ‘Vanavond kom ik u halen.” De tuinman zadelt in paniek zijn paard en rijdt als een bezetene zo ver mogelijk weg en wel naar Ispahaan (Isfahan) waar hij zich in een van de nauwe straatjes verschuilt. En daar staat ‘s avonds Hein plotseling toch weer achter hem en zegt verbaasd: “Ik begreep er al niets van dat ik helemaal hierheen gestuurd werd om u op te halen.’

De moraal van het verhaal: een mens ontloopt zijn noodlot niet.

En waarom moest ik nu aan dat gedicht denken?

Welnu, ik was aanvankelijk van plan deze winter naar Chili te gaan voor een fietstocht van Arica naar Santiago, maar juist op de ochtend dat ik mijn ticket naar Santiago wilde kopen, hoorde ik op de radio dat er onlusten waren in Santiago en andere grote Chileense steden. En dus veranderde ik spoorslags van plan en kocht een ticket naar Dakar, om in ‘rustige’ landen te gaan fietsen, zoals Senegal, Gambia, Guinee en Sierra Leone.

En daar zat ik dus opeens vast in Labé (Guinee) terwijl ik de problemen juist wilde ontvluchten.

Gelukkig liep het met mij beter af dan met de Perzische tuinman en kon ik mijn tocht na die twee dagen weer vervolgen.

En daarover ga ik het in mijn volgende bericht hebben.

Tot dan.

Foto 25: Nog een foto als toegift, speciaal voor de plaatjes kijkers, vanwege te veel tekst op het eind: De dinosaurus rots (zie foto 24), maar nu van opzij. Dat is het fascinerende van rotsen. Van een andere kant zien ze er weer geheel anders uit.

“Het Doel van mijn reis”.

Bericht 8.

Vanuit Makeni (in Sierra Leone) maakte ik de dag na mijn wandeling met de acht gidsen een fietstocht zonder bagage naar de Barrage (stuwdam) van Bumbuna, althans dat was de bedoeling. Volgens mijn Platte Chinese telefoon waarop ik Google Maps tevoorschijn toverde lag die dam slechts 23 mijl (want Sierra Leone was een Engelse kolonie en de Engelsen deden (en doen nog steeds!) alles dwars) = 37 km weg. 12 km daarvan voerde over asfalt, dus daarna zou het nog slechts 25 km over de gravel zijn. Met heen en terug dus 50 km gravel plus 24 km asfalt. Dat moest te doen zijn.

Foto 1: Gravelweg (laterietweg) naar de dam van Bumbuna.

De weg zag er aanvankelijk nogal redelijk uit, zoals te zien is op de foto, maar verderop zaten er ook stukken ‘grof schuurpapier’ in, geen enkel probleem voor mijn Schwalbe banden en ook niet voor mij, maar een dergelijk wegdek eist natuurlijk wel meer tijd dan mooi effen lateriet.

Foto 2: Wegdek van ‘ grof schuurpapier’

De weg voerde langs een paar aardige dorpjes.

Foto 3: Dorpje langs de route naar Bumbuna.

Door het grove wegdek, maar vooral omdat de dam niet 37 km weg blek te liggen, maar 49 km, wat dus 24 km extra fietsen betekende, haalde ik de dam, mijn doel, niet.

De vraag rijst nu natuurlijk: Was mijn telefoon fout of lichte Google Maps mij verkeerd voor? Sommigen die mijn prestaties op het digitale vlak wel eens in twijfel trekken, zouden zelfs de verdenking op mij kunnen laten rusten, maar dat zijn natuurlijk negatief-denkers. In ieder geval Ik kwam slechts tot het dorpje Bumbuna, maar daar bleek ik nog eens 5 km verder te moeten, dus 10 km heen en terug, wat onder deze wegdekcondities bijna een uur extra zou vergen. Dan zou ik pas tegen, of zelfs in het donker terug zijn in Makeni, en wat ik beslist nooit wil, zeker niet in Sierra Leone met het ‘Sierra Leonse’ rijgedrag van menig chauffeur, is in het donker fietsen. Overdag is het rijden door een stad als Makeni al een groot avontuur, maar ‘s nachts is het ‘survival of the fittest’ of eerder ‘survival of the most lucky’.

En dus keerde ik in het zicht van de haven om. ‘Mislukte tocht’ zou je kunnen zeggen, maar nee! Zegt niet een bekend enwijs spreekwoord: ‘De weg is het doel!’ ? Juist, de tocht was het waard gereden te worden, hoewel het aardig was geweest als ik ook die dam, dan andere doel, had gezien.

Wat ik op de terugweg zag, was ook de moeite waard: een fietser in ‘Het land van Duizend Bromfietsen tegen anderhalve Fiets’. Dat was juist toen ik een indrukwekkende rotsberg in de verte aan het fotograferen was.

Foto 4: Een fietser in ‘Het land van Duizend motorfietsen tegen anderhalve Fiets’ . Een ontmoeting die in de krant zou kunnen, maar nu dus op mijn website verschijnt.
Foto 5: De rots van dichterbij.

Van Makeni fietste ik langs meer mooie rotsbergen door naar Kabala .

Foto 6: De weg naar Kabala.

In een café onderweg, waar ik een korte stop hield, zag ik twee lieden een partij dam spelen op een half versleten dambord. Half versleten, omdat bij dammen slechts de helft van het aantal velden gebruikt wordt. Die velden waren door het vele gebruik millimeters diep uitgesleten, terwijl de andere velden, hier blauw in plaats van normaal wit, nog gloednieuw waren. Die bespeelde velden, vroeger zwart geschilderd, zoals hier en daar nog aan restjes verf te zien was, vormden nu dalen in het blauwe plateau. Een ander opmerkelijk verschil met Europa was dat de schijven hier blokken waren, die indien de speler dacht een goede zet te doen, met een zeker geweld op het bord geplaatst werden, waardoor het slijtageproces versneld werd. Een bord met diepe velden is dus ofwel oud, ofwel een bord waar veel goede zetten op gedaan zijn, of beide.

Foto 7: Café op de route naar Kabala.
Foto 8: Ondanks dat de blauw-wit gestreepte dammer enkele malen een van zijn blokken met geweld op het bord deed belanden, schoof geel hem meedogenloos van het bord.

Het spel verliep overigens in alle gemoedelijkheid, zoals hier het leven in het algemeen gemoedelijk verloopt. Ik schrijf dit laatste woord in de tegenwoordige tijd, want zo was het hier drie tot twee decennia geleden beslist niet. Het verbaasde mij elke dag weer, dat een land, dat vrij kort geleden nog in een verschrikkelijke  burgeroorlog verwikkeld was (1991 – 2002), waarin de meest gruwelijke dingen plaats vonden, nu zo rustig is met zulk een vriendelijke bevolking. En na die burgeroorlog kwam daar van 2014 tot 2016 de ebola- epidemie overheen die nog eens zo’n 4000 slachtoffers opeiste.

Maar het land kwam ook deze slag te boven en nu is het een plezier om er te vertoeven en doorheen te fietsen, althans zo heb ik het ervaren.

Foto 9: Een bord langs de weg, waarop gepleid wordt overlevenden van het ebola -virus niet te discrimineren.
Foto 10: De markt van Kabala met op de achtergrond Gbawuria Hill, de zwarte berg van vulkanische oorsprong, waar ik de dag na mijn aankomst tegenop klauterde. Sommige heuvels vragen erom

 beklommen te worden en daar was deze er een van.

Foto 11: Gbawuria Hill van dichtbij.

Ik was de enige die daar die dag (10 januari) omhoog liep, maar ik had in mijn reisgids gelezen dat er elk jaar op Nieuwjaarsdag duizenden mensen omhoog lopen,  een soort pelgrimage, die in onze ogen echter weinig religieus over komt. Er worden dan enorme luidsprekers omhoog gezeuld waar de godganse dag dreunmuziek uit knettert, zo luid dat de hele vallei van Kabala mee resoneert, er gaan duizenden kratten bier mee omhoog, vrouwen kleden zich in minirokjes en lopen op hoge hakken, terwijl de make-up van hun gezichten druipt en de hele vertoning is één grote bizarre orgie. Aangezien al het bier opmoet, alsmede flink wat ladingen sterkere dranken, gaat de situatie later in de middag ‘heet’ worden, zodat vechtpartijen een deel van de pelgrimage kunnen worden.

Dat festijn had dus negen dagen eerder plaats gevonden en hoewel de rust tijdens mijn wandeling intens was, waren de sporen van deze orgie duidelijk zichtbaar: het plateau bovenaan lag bezaaid met de scherven van honderden, eerder duizenden, kapotgegooide bier- en andere flessen. De wind had de lege plastic zakken weggeblazen en die waren blijven steken in de struiken van een bos aan de westkant van het plateau, zodat het gekleurde plastic als rijpe vruchten aan de takken bungelden. Heel Gbawuria was één grote vuilnisbelt. Onbegrijpelijk dat mensen hun natuur zoveel geweld aan doen!

Het verhaal dat je wel eens hoort als zouden Afrikaanse landen te arm zijn om een vuilnisdienst te onderhouden ging hier in ieder geval niet op. Als je een volle fles of zak omhoog kunt dragen, kun je hem ook leeg weer omlaag dragen. Die hemeltergende rotzooi, die je hier op zoveel plaatsen ziet gaat me steeds meer tegenstaan. Maar de deskundigen beweren dat de natuur uiteindelijk dat afval wel weer overwint. Over 2200 jaar is het meeste van dat plastic dat ik daar op die Gbawuria Hill zag alweer afgebroken en door de natuur teruggenomen….. Maar dan zijn er ondertussen wel weer 2200 nieuwe plastic-orgies geweest. Het zou interessant zijn om dan even een kijkje te nemen op deze hill….. en in de rest van de wereld!

Foto 12: Het bos aan de westkant van het plateau.

Een eind verderop was ik verlost van de sporen van dit ‘culturele’ en ‘religieuze’ ‘feest’. Daar was de natuur nog vrijwel onaangetast. Ik klauterde op een rotspartij vanwaar ik een aardig uitzicht had op een andere flinke heuveltop.

Foto 13: Uitzicht van een rotspartij op een andere.

Die top in de verte zag er ook uitnodigend uit en dus probeerde ik daarheen te lopen. Het werd geklauter over rotsen en gekruip door dicht struikgewas, waarbij ik, na mijn benen flink opengehaald te hebben, vast liep in vrijwel ondoordringbare vegetatie. En dus haalde ik ook hier mijn doel niet, hoewel dit Stanley- achtige getob toch een doel op zich was.

Foto 14: De uitnodigende top van dichterbij.
Foto 15: Het Donkerebomenbos.
Foto 16: Dit ziet er dramatisch uit, maar het waren slechts een paar schrammen.

Met een pleistertje er op zag mijn been er weer op z’n paasbest uit.
Voorbij Kabala vervolgde ik mijn route naar de grens van Guinee over een gravelweg en verderop over een bospaadje.

Foto 17: Bospaadje naar de grens van Guinee.
Foto 18: Een mooie erosiegeul over het bosweggetje.
Foto 19: Dorpje met ronde hutten in de buurt van de grens van Guinee.

Ik passeerde de grens via een klein douanepostje. Aan de Sierra Leonse kant moest de beambte, die rustig op een stoeltje voor zijn douanehut zat, zijn registratie boek, zijn stempel en zijn stempelkussen opzoeken uit een laadje van een bureau dat uit de tijd van Cromwell leek te stammen. Zo te zien kwamen hier niet dagelijks toeristen langs. De man noteerde mijn naam, nationaliteit en paspoortnummer in het registratieboek en plaatste het exit stempel in mijn pas. Daar moest zijn handtekening nog overheen, maar helaas werkte zijn ballpoint niet, waarschijnlijk doordat er te veel stof in het kantoortje hing. Gelukkig had ik een pen bij de hand van ‘Save the Children’, een hulporganisatie waar ik wel eens geld naar stuur. Nu redde ik er deze beambte mee, zodat hij het stempel in mijn pas kon bekrachtigen met zijn handtekening. Ik liet hem de pen houden, zodat hij de volgende toerist ermee kon helpen. Dat was mijn goede daad voor deze dag.

Aan de Guinese kant moest ik wachten, omdat de beambte bezig was met zijn middagmaal. Dat duurde gelukkig niet langer dan 20 minuten, waarna ik de man moest volgen naar zijn kantoortje. Voor hij het entree stempel plaatste bladerde hij echter op zijn gemak mijn pas door om alle stempels te bekijken: Senegal, Chili, Cambodja, Namibië, Marokko……..

“U heeft nogal wat gereisd,” merkte hij op, terwijl hij zijn stempel tevoorschijn haalde.

“Zo hier en daar wat,” antwoordde ik.

“En waar gaat u nu heen?” wilde hij weten.

“Naar Dakar om daar mijn vliegtuig te halen, terug naar Nederland.”

Hij drukte het stempel op het stempelkussen en probeerde het eerst op een vel papier. Daar kwam geen overtuigende afdruk op. Uitgedroogd door de hitte en te veel stof op het stempelkussen. Geen nood, want uit een klein flaconnetje smeerde hij verse inkt over het stempelkussen, waardoor dit weer als nieuw was. Vervolgens plaatste hij een fris stempel in mijn pas en plaatste daar zijn handtekening met datum over. Voor hij me echter het paspoort teruggaf hield hij zijn hand op. Ik vroeg wat de bedoeling was, waarop hij antwoordde: “Een bijdrage voor de inkt. Geef maar 10.000 Franc.”

“Lijkt me wat veel voor dat ene stempeltje”.

“Toch niet. De inkt is tegenwoordig duur.”

Ik gaf hem 5.000 Franc, waar hij na wat tegenstribbelen, genoegen mee nam. Dat was mijn tweede goede daad voor die dag, want voor een exitstempel dient er niet betaald te worden.

Na deze formaliteiten, die aan het informele grensden, lag Sierra Leone definitief achter mij. Dat was een land waar ik nog niet eerder was geweest en dat was dan ook mijn doel van deze reis: een mooi land met een, zoals ik al schreef, vriendelijke bevolking. Dit doel heb ik dus wél gehaald, in tegenstelling tot die stuwdam van Bumbuna en die rotstop bij Kabala. En bovendien heb ik het doel gehaald van de weg vanaf Dakar er naar toe en de weg er doorheen. Nu ging ik ook proberen mijn doel te verwezenlijken van de weg terug naar Dakar, een andere dan de heenweg, maar daarover wil ik het de volgende keer hebben.

Foto 20 Een mooie bloem als toegift van dit bericht. Wie weet de naam?

Oliebollen op z’n Afrikaans, helaas zonder rozijnen.

Bericht nr 7

Van de ‘Voile de marié’ de waterval dicht achter de ruïne-bungalowas, waar ik met mijn vorige bericht was blijven steken, fietste ik over een 100 km lange lateriet-piste, zo’n rode, echt Afrikaanse stofweg, langs een mooie, maar niet erg hoge bergrug naar Forécariah, 32 km ten noorden van de grens van Sierra Leone.

Foto 1: De bergketen ten westen van mijn route
Foto 2: De rode lateriet piste met een reus van een boom er naast
Foto 3: Flinke rotswand.
Foto 4: De weg was niet overal even effen.

In een dorpje hield ik halt bij een café om wat te drinken. Iets met suiker voor de energie. Er naast zat een vrouw oliebollen te bakken, die je hier het hele jaar vind. Lekker druipend van het vet, dus ook goed voor de energie.

Foto 5: Café op de route.
Foto 6: Oliebollen op z’n Afrikaans, helaas zonder rozijnen.

Hoe meer ik er fotografeerde, hoe meer de dorpelingen naar voren drongen om op de foto te komen. Er werd bijna gevochten om voorop te staan, terwijl mensen op andere plekken vaak niet op de foto willen.

Foto 7: Dorpelingen die zich graag vereeuwigd zien.
Foto 8: Het begon iets weg te krijgen van een modeshow. (Correctie,)

Na dit intermezzo vervolgde ik mijn rode weg.

Foto 9: Vervolg van de rode weg.
Foto 10: Uitzicht vanaf de weg.

In Forécariah kwam ik op de asfaltweg van Conakry, de hoofdstad van Guinee, naar Freetown, de hoofdstad van Sierra Leone. 32 Kilometer naar het zuiden reed ik Sierra Leone binnen en nog eens 10 km verder beleefde ik in het plaatsje Kambia het hachelijke en zenuwslopende sim-avontuur, waar ik in mijn vorige bericht over schreef.

Foto 11: De brede asfaltweg tussen Conakry en Freetown. Een Sierra Leons jongetje speelt met een autoband (en niet eens virtueel!! Dat blijkt nog te kunnen in Afrika)

Ik  bleef twee dagen in Kambia om uit te rusten van de voorgaande fietsdagen ……. en van het sim-avontuur.

Op een van die twee rustdagen maakte ik een ontspannen fietstochtje een eind de rimboe in, weer over zo’n aardige lateriet piste. In het dorpje Sumbuya ( wie kent het nog?) zag ik tot mijn verbazing een enorme container van Kuil Banden uit Groningen staan, die was omgebouwd tot winkel. 

Foto 12: Zo’n beetje het gehele dorp Sumbuya met aan de rechterkant van de weg Kuils container.
Foto 13: Kuils container van dichtbij. Aan de palmboom helemaal links, is te zien dat dit niet in Groningen is.

Wie belt Kuil op om te melden dat zijn, waarschijnlijk verloren gewaande, container is teruggevonden?

Bij Port Loko liet ik Freetown rechts liggen. Hoofdsteden, en zeker de meeste in Afrika, mijd ik het liefst. De onbeschrijfelijke herrie van motorfietsen, vrachtwagens, bussen en luidsprekers, zo groot dat je er nauwelijks overheen kunt kijken, ging me in Makeni, de vierde stad van Sierra Leone al over de pijngrens, dus een uitstapje naar Freetown zou aan mij niet besteed zijn.

Een van de aardige dingen van Makeni was Wusum Hill, een vulkanische granietberg ten westen van de stad. Daar wilde ik op mijn vrije dag tegenop klauteren. In de westelijke buitenwijk vroeg ik waar ik het beste omhoog kon. Meteen liep er een jongeman mee om me de weg te wijzen. Hij bleef echter mee lopen en toen ik vroeg wat de bedoeling was, antwoordde hij dat hij mijn gids was.

“En wat is je honorarium?” vroeg ik.

“Één dollar,” antwoordde hij.

Dat leek me niet tot een financiële catastrofe te leiden, maar toen we een kwartier gelopen hadden en aan het steile gedeelte van de heuvel kwamen, wilde hij terug. Ik stond inmiddels al 30 meter hoger dan hij op het 40% steile graniet en riep terug dat hij dan eerst zijn dollar maar moest komen ophalen. Hij riep terug dat hij moe was en eigenlijk nog nooit op de top van die heuvel was geweest.

“Dus dan ben ik nu jóu gids,” antwoordde ik. “Kom míj dan maar één dollar brengen.”

Ondertussen kwam zijn jongere broer als een berggeit omhoog gesneld en nam de taak van zijn broer over. Omdat mijn ‘gids’ zijn dollar zag vervluchtigen vermande hij zich en kwam nu ook  omhoog. Gedrieën bereikten we de platte top van de heuvel, waar ik mijn ‘gids’, zowel als zijn jongere broer elk 10.000 Leones gaf. De ‘gids’ bleef echter bij zijn eis van een dollar, ook toen ik hem vertelde dat die slechts 9.500 Leones waard was. Daarop gaf ik zijn broer 10.000 Leones en ontsloeg beiden van de plicht mij verder te volgen. Daar wilden ze echter niet van horen. Blijkbaar vonden ze dit uitstapje toch wel erg interessant en in plaats van dat ze naar huis gingen kwam daar een tweede jongere broer omhoog en voegde zich bij ons, waardoor het wandelingetje zo langzamerhand uitgroeide tot een ware expeditie.

Foto 14: Mohammed, mijn ‘gids’ samen met zijn jongere broer,ergens halverwege de klim.
Foto 15: De drie broers bovenop de heuvel.
Foto 16: Nog een plaat van de drie broers.

Mohamed was steeds aan het praten door zijn telefoon en ja hoor, een tijdje later kwamen er nog een stuk of wat broers omhoog. Waarschijnlijk was hij zo razend enthousiast geworden door deze wandeling, die hij, hoewel hij zijn hele leven al in Makeni woonde, nog nooit gemaakt had, dat hij zijn broers wilde laten delen in die vreugde.

Foto: 17: Het kon niet op met de broers van Mohammed. Bijna een elftal bij elkaar.
Foto 18: Coach Van Rijn bij het elftal van acht ‘gidsen’.

Gevoetbald werd er die dag niet, maar het achttal had genoeg gespreksstof om er ‘s avonds de rest van de familie mee te onderhouden.

De dag na dit ‘teamwork’ maakte ik vanuit Makeni een fietstochtje zonder bagage, maar daarover ga ik het de volgende keer hebben. Tot dan.

Fouta Djalon, het groene bergland van Guinee.

Bericht 6

Ik ben ondertussen Guinee door en zit nu in Sierra Leone en wel in Kambia, het eerste plaatsje voorbij de grens met Guinee. In heel Guinee heb ik geen enkele wifi gevonden. In Labé kon ik paraciteren op de telefoon van Roger, de Belg in wiens guesthouse ik logeerde, maar daarna was het gebeurd met de digitale pret. Niet echter met de échte pret, zoals ik hoop duidelijk te maken met dit bericht.

Hier in Sierra Leone vond ik ook al geen wifi, maar ik wilde mijn volgers niet nog langer in het ongewisse laten zitten, met elke ochtend, als zij met een hart kloppend van verwachting hun computer aanzetten, wéér geen nieuws van Frank zouden vernemen. En daarom waagde ik mij vanochtend in een klein obscuur telefoonwinkeltje, waar simkaarten verkocht worden. Met zo’n simkaart en wat gigabites-tegoed erop, zou de wereld in digitale zin aan mijn voeten liggen.

Het bleek allemaal echter niet van een leien dakje te gaan, hoewel ik maar liefst een halve ton aan Leones op het gammele houten toonbankje neertelde. De ‘telefoonexpert’ wist niet hoe hij het miniscuul kleine simmetje in mijn telefoon moest frutselen. Het werd een reuze gepriegel met het kaartje, waarbij de geheugenkaart, die in hetzelfde schuifje zit en waar al mijn foto’s op staan, er herhaaldelijk uit viel. Als dat op de grond van zijn ‘laboratorium’ (lees: rommelhok) terecht zou komen, werd het een dubieuze zaak of er nog wel foto’s bij dit bericht geplaatst zouden kunnen worden. Ik raakte dus in de zenuwen, maar met z’n tweeën brachten we zwetend van de inspanning en de spanning deze knutselproef toch tot een goed einde.

Gewapend met mijn platte Chinese telefoon, nu geladen met dat kleine, maar o zo belangrijke stukje plastic, zet ik mij op de avond van de laatste dag van 2019 op een stoeltje voor hut nr. C6 van Hotel African Village , om mijn ‘avonturen’ op te sturen naar mijn webmaster, die het relaas vervolgens op mijn website zal plaatsen.

Waarschijnlijk kom ik pas volgend jaar klaar met deze klus, maar dat kan morgen al zijn

De weg van Labé naar het zuiden zat vol met prachtige potholes, waar je met een fiets makkelijk omheen kunt manoeuvreren, maar die voor auto’s, de vaak overbeladen taxi’s en busjes nogal een beproeving vormen.

Foto 1: Een gave pothole in de, voor de rest, eveneens gave asfaltweg.
Foto 2: Nog twee in serie geschakeld. Ik kon er niet genoeg van krijgen.
Foto 3: Een café onderweg, waar ik een café au lait bestelde. In deze uitspanning had ik geen problemen met fotograferen, hoewel dat hier en daar wel het geval is. Met fotograferen moet je in Afrika voorzichtig zijn.
Foto 4: Hier gebeurde het omgekeerde: drie jonge mensen riepen, toen ik langs fietste, of ze een foto van mij mochten maken. Dat mocht, maar toen de fotograaf afgedrukt had, hield ik mijn hand op en vroeg ik om 1000 Franc CFA (=1,50 euro), het bedrag dat men mij nogal eens vraagt als ik een foto maak. Daar schrok het drietal nogal van en daarom zei ik: “Of ik neem een foto van jullie” En daar heb ik deze foto aan overgehouden.

Bij Pita sloeg ik af op een gravel weggetje naar de waterval van Kinkon, die ik in 1987 op mijn tweede Afrika-reis ook al eens had bekeken. Het water viel nog steeds . Wonderlijk toch!

Foto 5: De waterval van Kinkon, een kilometer of 14 ten westen van Pita.

In de buurt van de waterval stond het struikgewas in de brand. Dat was geen ongelukje met een achteloos weggeworpen peuk, maar hier werd de bush, zoals op zoveel plekken in West Afrika tijdens de droge tijd, met opzet afgefikt, dit om plaats te maken voor nieuw vers gras voor de koeien, het

zogenaamde ‘Feux de brousse’, een erg onaangename gewoonte, vooral voor wildkamperders .

Foto 6: Feux de brousse.
Foto 6: Kilometerpaaltje uit de Franse tijd, maar  nieuw opgeschilderd.

Mijn volgende doel was het op 1200 meter hoogte gelegen plaatsje Dalaba.

In Dalaba vond ik zowaar een toeristenbureau. De toeristen-informant zat op een stoeltje te wachten op een toerist. Ik had in de negen dagen die ik al in Guinee was nog geen toerist gezien, waardoor het me waarschijnlijk leek dat de man niet overwerkt was. Hij veerde, toen hij me zag komen aanfietsen dan ook enthousiast overeind om mij te overladen met stapels folders, kaarten en verbale informatie, althans dat dacht ik, maar dat was een wat al te optimistische gedachte. Binnen in het bureau hing wat Afrikaanse kunst aan de muur, maar folders en kaarten waren er niet.

“Op,” zo verklaarde de informant.

Ik vroeg maar niet hoe lang die al op waren. Hij stelde mij voor om de volgende dag een wandeling te gaan maken naar de ‘Pont de Dieu’. Hij was namelijk niet allen informant, maar ook gids.

Foto 7: Mamadou Lamarana, de toeristen-informant en gids van Dalaba voor zijn office.
Foto 8: Het interieur van het informatie bureau. De kasten moeten hebben volgestaan met folders en kaarten van de omgeving, maar ik was juist te laat. Alles was op, maar nu was er Afrikaanse kunst te bewonderen.

De volgende dag gingen we op pad naar de ‘Pont de Dieu’. Onderweg vulden we onze bidons met water en meteen kwamen er kinderen kijken. Als een Afrikaan bij de waterpomp van het dorp zijn bidon vult, is dat de normaalste zaak van de wereld, maar als een witman dat doet is het natuurlijk héél bijzonder.

Foto 9: Mamadou vult zijn bidon bij de voetbediende waterpomp
Foto 10: Mamadou met een stel kinderen.

Na een paar uur lopen kwamen we bij de ‘Pont de Dieu’, een mooie natuurlijke brug.

Foto 11: Mamadou onder de ‘Pont de Dieu’

Aangezien het kerst was plukte Mamadou twee takjes van een in bloei staande struik en gaf mij er één. “Bonne fête” zei hij en samen poseerden we voor mijn op de selfiestick geplaatste toestel.

Foto 12: Kerst 2019.
Foto 13: Vlak voor de natuurlijke brug bevond zich een watervalletje waarvan het water onder de brug door stroomde.
Foto 14: Op de terugweg kwamen we langs een vrouw die op een vuurtje oliebollen aan het bakken was. Dat had niets te maken met het feit dat het jaar op zijn eind liep. Oliebollen (hier gateau genoemd) kun je in West Afrika het hele jaar vinden, meestal op wekelijkse marktjes.

Na deze wandeldag fietste ik verder in zuidelijke richting door de Fouta Djalon, het groene bergland van Guinee.

Foto 15: Fouta Djalon
Foto 16: Nog een berg-plaatje.
Foto 17: Sinaasappel verkoopsters langs de weg.

Iets buiten het plaatsje Linsan vond ik een prachtig hotel, althans dat was het in de goede oude tijd geweest. De beheerder had de boel volledig laten versloffen: balen plastic vuilnis in de tuin, planten verdroogd en afgefikt, zwembad gevuld met water dat op erwtensoep leek, lampen in de kamer kapot of verdwenen, toilet spoelde niet, geen water uit de Kranenburg en de douchekop, alles vies en onder het stof, bed niet opgemaakt, etc.

De beheerder lag, toen ik aankwam, onderuitgezakt op een stoel voor de televisie te slapen, maar kwam tot actie toen ik hem wakker porde en hij in de gaten kreeg dat er wat te verdienen was. Hij schroefde een nieuwe lamp in de fitting, bracht een emmer water en liet een jongetje de kamer aandweilen. Ook bracht hij een handdoek, maar die was vuil en vochtig. Toen ik hem daarop wees, haalde hij die weg en kwam even later met een keurig opgevouwen handdoek terug. Die was ook vochtig en vuil. Het was dezelfde.

Toen ik de volgende ochtend vertrok lag de noeste werker alweer onderuitgezakt voor de televisie.

Ik geef toe dat mij geen overdreven werkijver verweten kan worden, maar er zijn blijkbaar toch gradaties in luiheid. Deze hotelbeheerder zou, zo er een competitie in die tak van sport bestond, ongetwijfeld tot de grootmeesters behoren.

Foto 18: Het prachtige hotel van Linsan.

Dat plastic op de voorgrond en die as maken de sfeer….. als je er oog voor hebt.

Iets voor Kindia sloeg ik af op een laterietweg naar het zuiden, die vrij recht op de grens van Sierra Leone af ging. Volgens een man op de afslag was er een prachtig hotel drie kilometer verderop. Dat klopte met het accent echter op ‘was’. Een nog mooiere tuin dan bij dat vorige hotel, met mooie ronde bungalows er in. Helaas was er sinds de Fransen in de jaren zestig vertrokken uit Guinee, niets meer aan gedaan en had de natuur de bungalows alweer vrijwel geheel teruggenomen, op één na, die de beheerder min of meer bewoonbaar had gehouden. Hij beheerde dan ook niet het ‘prachtige hotel’, dat slechts uit ruïnes bestond, maar de waterval die er 500 meter achter lag. Ik mocht mijn tent bij zijn huisje opzetten, waarna ik de waterval ging bekijken.

Foto 19: Mijn tent bij de bungalow van de beheerder.
Foto 20: De waterval achter het ruïne-hotel.

De waterval voerde helaas niet overweldigend veel water, maar als je er onder zou staan, zou je snel van gedachten over de hoeveelheid water veranderen, ik althans wel.

Tegen donker warmde ik een handjevol macaroni op als culinair besluit van deze dag.

Foto 21: Chef kok François in actie met Macaroni a la Francesco, deze keer geen Quattro Stagioni, maar slechts Due Stagioni, aangezien ik er alleen een ui in schilde en er een bouillonblok aan toevoegde.

Met dit verrukkelijke diner dat ik op Tweede Kerstdag voor mezelf bereidde en waarvoor ik de beheerder van het ruïne- hotel niet enthousiast kon krijgen, besluit ik deze aflevering van mijn Eeuwig Durende (nou ja, bijna eeuwigdurende, want niets op onze wereldbol is eeuwig) reisfeuilleton . Dan houd ik nog iets over voor een volgende aflevering.

Allen een voorspoedig 2020 gewenst met veel mooie fietskilometers en/ of andere mooie dingen.

Frank van Rijn.