Salutti di Francesco.

Bericht 4.

Blijkbaar fiets ik sneller dan dat ik ‘blog’. Ik kan mezelf dus ‘bloggend’ niet bijhouden en lig momenteel een dikke duizend ‘blogkilometers’ achter. Tot gistermiddag genoot ik van hemelse temperaturen van rond de 40 graden. Dat was ideaal fietsweer en dus ook de reden dat ik niet toekwam aan mijn blog. Veel van mijn volgers zullen elke ochtend hun computer of mobiele telefoon aangezet hebben in de hoop daarop een nieuw bericht van mij aan te treffen. Vergeefs dus steeds weer, dankzij het mooie weer, of, zoals je het ook zou kunnen noemen, slechte ‘blogweer’.

Gistermiddag ging de hemel helaas zwaar betrekken en dat resulteerde in donder, bliksem en bakken hemelwater. Dat ging vannacht door en voor vandaag is er ook nog heel wat regen voorspeld. Blogtime, dus! Ik hoop dan ook, al ‘bloggend’ een paar honderd kilometer in te lopen op mijn fiets. Misschien kom ik zelfs wel gelijk met mezelf, hoewel ik dat betwijfel, want het ‘geblog’ op mijn platte Chinese Huawei is een moeizame zaak.

Bij aanhoudend slecht weer zou ik echter theoretisch zelfs mijn fiets kunnen inhalen, maar dat is niet te hopen, want dan moet ik gaan verzinnen wat ik de komende dagen ga meemaken en zien. Onze hoop is dus gevestigd op de terugkomst van de zon of het verdwijnen van de wolken, want met zon zijn zowel de avonturen als de foto’s het mooist.

Ik was blijven steken bij Saint Martin Vesubie. Daar maakte ik een mooie wandeling door het Parc National du Mercantour. Ik fietste eerst naar Le Boreon en liep van daar omhoog naar refuge de Cougourde en door naar Lac de Trecolpas, een mooi bergmeertje  op ongeveer 2200 meter hoogte.

Foto 1 en 2: Op weg naar Lac de Trecolpas.
Foto 2
Foto 3: Lac de Trecolpas

Op de terugweg zag ik nog een groepje gemsen.

Foto 4: Groepje gemsen.

Wat verderop stond er een te grazen, vlak bij het pad. Als zo’n beestje kwaad wil met die enorme hoorns, kun je het nog moeilijk krijgen, maar toen ik langs hem liep keek hij nauwelijks op, dus dat liep weer goed af.

Foto 5: Een sologems met indrukwekkende hoorns,

Over de Col de St. Martin van 1500 m fietste ik naar Roure, een dorpje hoog boven St. Sauveur sur Tinée. Daar zocht ik  Paul Smit op, een beroepsfotograaf die daar al twintig jaar woondt en die ik kende uit de tijd dat het blad Op Pad nog niet ter ziele was. Toevallig was daar ook Mick Palarczyk op bezoek, een al even professionele fotograaf. Beiden waren bezig met het maken van een reportage  over een aantal fraaie bergdorpjes in de omgeving. Ze ontvingen mij gastvrij en de volgende dag maakten we een mooie wandeling vanuit het dorpje Pierlas naar ‘Klein Cappadocië’ zoals Paul een flink geërodeerd rotsgebied noemde, daar niet ver vandaan.

Foto 6:  Mick rechts, Paul in het midden en links een rugzakje voor boterhammen, dat groter lijkt dan het is. (Dankzij mijn artistieke foto)
Foto 7: Het dorpje Pierlas.
Foto 8: De eerste staken van Klein Cappadocië doemen op.
Foto 9: Paul en Mick aan de voet van een flinke pilaar.

De dag daarna maakten we een wandeling van Roure naar Roubion waarop ik nog een paar aardige plaatjes schoot:

Foto 10 en 11: Paul en Mick op pad naar Roubion. (Ik ook, maar aangezien ik mijn selfie-stick niet bij me had ontbreek ik op de foto’s
Foto 11

Na die twee rustdagen werd het weer tijd om door te gaan, want Palermo was nog ver. Ik moest nu een flinke pas over om in Italië te komen: de Col de la Lombarde van 2350 meter. Maar eerst kreeg ik een afdaling van 600 m van Roure naar St. Sauveur. Paul vergezelde me naar Isola aan de voet van de Col de la Lombarde. Dat had mede als voordeel dat hij onderweg foto’s van mij kon maken, waarvan Foto’s 12 en 13 het resultaat waren.

Foto 12: Ik in de gele trui, een bocht lager dan Paul, die mijn camera hanteerde.
Foto 13: Ik nog eens in de gele trui, nu nadat ik die bocht weer omhoog had gereden, omdat ik ook een foto van voren wilde hebben.

In Isola namen we afscheid. Paul reed terug naar Roure en ik begon de lange klim naar Isola 2000, een nogal weerzinwekkend wintersportcentrum op 2000 m hoogte.

Ik haalde het die avond tot dat wintersport Walhalla, maar vond voor mijn tent een mooi rustig plekje iets daarvoor .

Foto 14 : Isola 2000, maar een heel klein stukje daarvan.
Foto 15: Het mooie plekje met mijn tent en fiets. En ook met mezelf, omdat ik gebruik maakte van de driepoot en de zelfontspanner, zodat ik weer eens elegant kon poseren.

De volgende dag was het nog slechts een stukje van 6 km naar de pas. Wel steil overigens. Daar stond het vol met motorrijders, waarvan er mij heel wat met een enorme snelheid, veel lawaai en indrukwekkend machtsvertoon voorbij waren gescheurd. Ja, tegen zoveel geweld ben je als eenvoudig fietsertje met een halve paardenkracht niet opgewassen. Een mens moet zijn plaats in deze wereld kennen.

Foto 16: Een stukje van 6,5% op de klim naar de pas.
Foto 17: Een van de laatste bochten voor de pas.

Reisorganisaties, fiets- en motorclubs fabrikanten, restaurant-eigenaars en vele anderen hebben er een merkwaardig plezier in om hun sticker op zo’n bord te plakken, met als resultaat dat je door al die plakplaatjes het bord niet meer ziet.

Foto 19: Veel stickers laten nog juist een paar letters en 2350m over op het bordje. Ik had er Santos, Schwalbe en Vaude bij moeten plakken, vet over die 2350 heen, maar helaas had ik geen stickers bij me.

Dicht bij dat bord stond een ander bord: Italië, de grens, mijn volgende land.

Foto 20: De Italiaanse grens. Opvallend was, dat het bovenste bord (Italie) een stuk minder bestikkerd was dan het onderste (Italia). De meeste stickkeraars konden daar , zo te zien, niet bij.

Hier laat ik het voor deze keer bij, want mij wacht in het restaurant van de camping die mij deze wifi ter beschikking heeft gesteld, een pizza a la Bolognese, 4 Staggioni of a la Francesco. Die pizza bevindt zich 760 km voorbij dat bestickte grensbordje, waaruit u de conclusie kunt trekken, dat ik met dit bericht 240 km bijgeblogd heb. Nog niet veel, maar ik blijf mijn best doen om de blogachterstand weg te werken.

Tot een volgende keer.

Salutti di Francesco.

Salutti di Francesco.

“Een foto voor de etalage van een herenmodezaak”

Bericht 3

Ik was in mijn vorige bericht blijven steken op de Col de Valouse. Vandaar kreeg ik een afdaling door een mooi rotsachtig gebied naar St. Ferreol Trente Pas. Iets daarvoor was de afslag naar Defilé de Trente Pas, een kloof die er nogal interessant uitzag. Dat lokte aan en het feit dat die weg, waar ik niet heen moest, afgesloten was lokte nog meer aan. Daarom fietste ik toch maar even die kloof in.

Blijkbaar hadden ze daar borden van ‘Route Barree’ en plastic afzettingen te veel, want ik kon er zonder problemen door en voor de enkele auto die van de andere kant kwam vormde het enige opstakel die vier plastic dingen.

Deze omweg bleek de moeite waard te zijn, want de kloof, hoewel misschien niet heel spectaculair, was erg mooi.

Defilé de Trente Pas
Nog een plaat van de kloof

Misschien hadden ze angst dat het pilaartje bovenin de kloof om zou vallen. Als die op de weg valt, blijkt het opeens een enorm groot pilaartje te zijn.

Mooi pilaartje bovenin de kloof

Het pilaartje viel (nog) niet en zo liep dit illegale avontuur goed af.

Vanaf de Col d’ Aulan daalde ik de volgende dag af langs het Chateau d’ Aulan en door weer een kloof naar het mooi op een heuvel gelegen dorpje Montbrun les Bains.

Chateau d’Aulan
Kloof voor Montbrun les Bains
Montbrun les Bains
Veel brem in de berm.

In de buurt van Frejus kwam ik langs een mooie rode rotspartij. Ik wilde daar een sublieme foto van maken met mijn fiets en mijzelf er bij. Dat viel niet mee aangezien ikzelf niet erg fotogeniek ben, maar wat ik tekort kwam, konden mijn fiets en de rotspartij hopelijk goed maken. Om een fantastische zelfopname te maken vond ik een prima plekje bij een andere rots, waarbij ik de camera met statief op een daarvoor uiterst geschikte tak van een knoestige boom kon plaatsen. Het vervelende was dat dat prima plekje een eind van de weg lag en ook nog een stuk hoger. Maar de echte fotograaf spaart kosten noch moeite noch tijd om de ideale plaat te schieten. In dit geval waren de kosten nul, maar loog de moeite er niet om, terwijl het allemaal een reuzetijd ging duren. Ik duwde de zwaarbeladen fiets omhoog over een steile rotshelling tot de plek waar het meesterschot gelost moest worden en zette mijn camera met statief op de tak die zo vriendelijk was geweest zodanig te groeien dat het statief er redelijk stabiel op geplaatst kon worden. Daarna drukte ik op de zelfontspanner, rende naar mijn fiets, klom op de rots en poseerde zo nonchalant mogelijk. Het resultaat was een foto die zo in de kortebroeken- afdeling van een gerenommeerde herenmodezaak geplaatst kan worden.

Mijn fiets, de prachtige rode rotswand en ik er ook nog bij

Wat minder mooi was, was dat op 2 december  1959 de Barrage de Malpasset, een stuwdam in de heuvels ten noorden van Frejus het begaf. Door de vloedgolf die daarvan het gevolg was kwamen 423 mensen om het leven. Nu is het een rustige plek, waar je je nauwelijks kunt voorstellen hoe het kolkende water toen als een zondvloed omlaag stortte, daarbij stukken beton zo groot als huizen honderden meters met zich meevoerend.

Ik fietste er heen en liep de laatste paar honderd meter over de nu kurkdroge rivierbedding.

De Barrage de Malpasset, althans wat er nog van over is.
Een blok beton, zo groot als een huis, bijna een kilometer verderop.
De gebroken stuwdam van boven gezien

Via Grasse, waar die ochtend dat ik er reed ongeveer alle auto’s van Frankrijk langs me heen leken te scheuren, fietste ik naar Saint Martin Vesubie in het Parc National du Mercantour (Alpen) waar ik een mooie wandeling ging maken, maar daarover hoop ik een volgende keer te berichten.

De weg naar St. Martin Vesubie.

‘Le Jeudi de la Jeunesse’. Dat zag er bijzonder uit. 1907!!! Meer dan 110 jaar oud!

Van Alesia, tot waar ik met mijn eerste verhaal van deze reis gekomen was, fietste ik via Autun naar Macon.


De kathedraal van Autun
Straatje in Autun

Een kilometer of 40 voor Macon ontmoette ik een Zweedse fietsreiziger van 30 die op weg was naar Montpellier. Terwijl we samen opfietsten werd me al snel duidelijk dat hij niet erg goed voorbereid was op deze tocht. Hij had een ongeveer 40 jaar oude fiets waaraan zowel in het voorwiel als in het achterwiel een paar spaken ontbraken. Dat was allemaal nog niet zo dramatisch, maar de kabel van zijn achter rem stond op afbreken en door de hellingen in de route zou dat minder goed kunnen aflopen. Een reserve kabel had hij net zo min als gereedschap om een kabel te monteren. Gelukkig bleek er een fietsenmaker te zijn in La Roche Vineuse waar we door kwamen, maar gehoorzamend aan de Wet van Murph bleek die juist die middag gesloten te zijn. Daarom haalde ik een van mijn eigen reservekabels tevoorschijn en monteerde die op zijn fiets, een werkje dat hem de mond van verbazing en bewondering deed open vallen. Aangezien hij student medicijnen was, hoopte ik voor zijn toekomstige patiënten dat hij met hetzelfde gemak als waarmee ik het kabeltje geplaatst had, ontstoken blinde darmen zal kunnen verwijderen en lamme hartkleppen zal kunnen repareren.

Toen we weer reden bleek hij over kwaliteiten te beschikken die mij het gevoel gaven een eenentwintigste eeuwse Neanderthaler te zijn. Hij stuurde met zijn rechterhand en had zijn uiterst slimme telefoon vol apps met o.a. een eindeloos opblaasbare wegenkaart van Frankrijk in zijn linkerhand. Met zijn rechteroog op de weg gericht en zijn linkeroog gefixeerd op zijn almachtige apparaat had hij zijn weg van Zweden via Denemarken, Duitsland, Nederland en België naar Macon gevonden. Kaarten had hij niet bij zich. Dat was ouderwetse flauwekul. Alles zou goed verlopen zijn, ware het niet, dat er zich een agressieve donderwolk aan het ontwikkelen was. Nog juist voordat de bui losbarste bereikten we een supermarkt waar we konden schuilen.

“Heb jij zin in kamperen met dit weer?” Vroeg hij.

“Niet veel,” antwoordde ik. “Hopelijk vinden we straks in Macon een toeristenbureau om te vragen of ze een goedkoop pensionnetje weten, maar toeristenbureaus zijn meestal dicht als je ze nodig hebt”

Joel, zoals mijn tijdelijke metgezel heette fiedelde wat op zijn apparaat en zei toen: “Ik heb een pension voor 490 kronen gevonden. Vind je dat goed?”

“Geen idee wat een kroon is, maar volgens mij hebben ze in Frankrijk nog steeds de euro.”

“Ik heb hier een Zweedse B en B site. Het komt neer op 46 euro voor ons beiden. Zullen we dat doen? Als ik op dit ‘accoord’ vakje tik is de reservering gemaakt en heb ik ook meteen betaald” .

Daarmee viel mijn mond net zo open van verbazing en bewondering als een uur tevoren Joels mond was opengevallen.

Toen de bui over was reed ik achter Joel aan, die zich naar het appartement liet leiden door zijn feilloos werkende apparaat.


Mijn Zweedse telefoonkunstenaar voor een fraaie kerk in Macon.

De kathedraal van Macon met een afgrijselijk spiegelende poort

De volgende ochtend bleef Joel nog wat uitslapen. Het was een interessante ontmoeting geweest, maar het leeftijdsverschil deed zich gevoelen en daarom wensten we elkaar een goed vervolg van de reis, waarna we elk weer ons weegs gingen.

Ik wilde het fietspad aan de oostzijde van de Saone volgen, maar dat hield al snel op. Daarom nam ik de D51 naar Thoissey waar het toeristenbureau wonder boven wonder open bleek te zijn. Ik trof er een uiterst behulpzame jonge dame, die me, op mijn vraag of er verder naar het zuiden een fietspad langs de Saone liep, overlaadde met folders, waarvan ik er helaas niet een kon gebruiken. Ik moest haar in haar ijver om folders uit te delen afremmen, anders had ik 25 kg papier met kleurendruk op mijn fiets moeten laden. Toen ik uiteindelijk toch met een soort kaartje, waar uiteraard geen fietspad op stond, omdat het er gewoon niet was, de deur uit liep, volgden er duizend verontschuldigingen van haar kant. Als het aan haar had gelegen was heel Frankrijk plat geasfalteerd met fietspaden, alles speciaal, alleen voor mij.

Met een grote boog reed ik om Lyon heen en bracht de nacht door in het klooster Sainte Croix de Jarez dat in 1280 gesticht is en tot de Franse revolutie in bedrijf was. Nu is het verdeeld in appartementen voor reizigers en toeristen, waarvan ik er dus één was.


Het klooster Sainte Croix de Jarez.

Algemeen overzicht over Sainte Croix de Jarez

Van Sablons volgde ik het fietspad langs de Rhone, dat ten dele goed te volgen was, maar hier en daar chaotisch was aangegeven. Vooral bij Tain l’Hermitage was het een doolhof maar met veel vragen was er uit te komen. De Fransen zijn deze laatste jaren hier en daar vrij serieus bezig met het aanleggen van zogenaamde ‘voies vertes’ oftewel ‘groene wegen’ . Die zijn doorgaans bestemd voor fietsers en wandelaars en soms ook voor ruiters. Daarvoor worden veelal oude spoorweg tracés of jaagpaden langs kanalen gebruikt. Dat is natuurlijk verheugend nieuws, maar de bewegwijzering laat veelal te wensen over.

In Valence bleek geen camping te zijn, maar 10 km zuidelijker, in Charmes sur Rhone, was er wel een en daar bracht ik de nacht door.

De volgende ochtend wilde ik er een flinke zet aan geven, maar na een half uur kwam ik door La Voulte, waar juist een ‘vide grenier’ aan de gag was, oftewel een ‘zolder leegmaker’ , wat wij in goed Nederlands een rommelmarkt noemen. En daar ging mijn plan, om er die ochtend eens flink aan te trekken, in rook op. Ik kan het altijd moeilijk laten om op zo’n markt tussen oude rommel te gaan snuffelen. Daar is altijd de spanning om iets heel bijzonders te vinden. Een etsje van Rembrandt is nooit weg en het originele manuscript van het tweede vioolconcert van Beethoven zou ook al een leuke vondst zijn, temeer daar er slechts één vioolconcert van deze toonkunstenaar bekend is. Ook deze keer geen etsje van mijn verre achter achter oom of een manuscript van componist, maar wat ik wel vond was een stand met stripverhalen, waaronder wat oude, maar helaas dure Tin Tin’s, die bij ons Kuifjes heten.


De vide grenier van La Voulte.

Een boeiende stand met stripverhalen en Kuifje-spulletjes

Tussen al die spulletjes en oude boeken ontdekte ik de ingebonden jaargang 1907 van het jeugd-weekblad ‘Le Jeudi de la Jeunesse’. Dat zag er bijzonder uit. 1907!!! Meer dan 110 jaar oud! Als je bij ons jaargang 1954 van Donald Duck vindt, ben je al de koning te rijk!

De eigenaar van de stand bleek helaas een kenner te zijn, dus “Geef maar 50 cent”, zat er niet in. Twintig euro wilde hij er voor hebben. Dat had ik er natuurlijk grif voor betaald, maar een rommelmarkt zonder afdingen is niet half zo leuk als een pingelmarkt . Uiteindelijk had ik de jaargang voor 15 euro. Dat gaf mij het triomfantelijke gevoel 5 euro van de prijs omlaag gepraat te hebben en de man het voldane gevoel de maximale prijs er voor gekregen te hebben. Had ik hem meteen de 20 euro toegestoken dan zou hij gehinderd kunnen worden door het idee dat hij er ook nog wel 25 euro voor had kunnen vragen.


Voorpagina van Le Jeudi de la Jeunesse, 21 Maart 1907.

Het getoonde spannende verhaal werd in het blad vervolgd op pagina 2. Mochten er van mijn volgers vele verzoeken komen om de afloop van dat spannende verhaal te tonen, dan zal ik daaraan voldoen in mijn volgende bericht.


Chateau van La Voulte

Bij een andere handelaar vond ik de Guide Michelin van Italië uit 1965. Niet zo oud als het jeugdblad, maar toch ook niet echt nieuw te noemen. De bergen kathedralen en kastelen zullen waarschijnlijk wel onveranderd gebleven zijn, dus de gids kan t.z.t. zijn waarde voor me hebben. De man vroeg er een hele euro voor, maar ik bood hem een halve, die hij maar al te graag accepteerde.

Na mijn bezoek aan de rommelmarkt stak ik de Rhone over en verliet die in oostelijke richting, waarmee ik de bergen tegemoet reed. Hiermee begon het serieuze klimwerk en daarover de volgende keer.

Bij een andere…..de volgende keer.

Asterix en Vercingetorix

Een tijdje geleden zag ik een film over Julius Caesar. Een van zijn grote ‘heldendaden’, als je een enorm bloedbad zo zou willen noemen, was zijn Gallische Oorlog, waarin hij zijn tegenstander Vercingetorix op de knieën dwong.

Aangezien de Romeinse geschiedenis mij nogal interesseert, leek het mij een aardig idee om eens een kijkje te gaan nemen op het slagveld, waar de rust ondertussen overigens is weergekeerd, aangezien de slag alweer 2071 jaar geleden plaatsvond. En die plaats was, zoals we uit de geschiedenisboeken weten: Alesia.


Voor wie die plek niet onmiddellijk weet te plaatsen: het ligt vrijwel precies tussen Bussy-Rabutin en Pouillenay.

Na deze overwinning van Caesar was de laatste weerstand van de Galliërs gebroken, op het ons ondertussen erg bekende dorpje in noordwest Gallië na.

In het Centre d’ Interpretation, oftewel het bezoekerscentrum , waar ik via Nederland, Belgie en noord Frankrijk heen fietste, kreeg ik een telefoontje mee, dat mij bij alle tentoongestelde onderdelen haarfijn vertelde waar het om ging en wat er gebeurde. Ik kon uit een flinke serie talen kiezen, waaronder zelfs Nederlands. Alles heel fijn dus, maar aangezien ik altijd in de clinch lig met electronische apparatuur, kostte het me ruim een half uur om uit te zoeken op welke knoppen ik moest drukken. Na afloop van die studie wist ik echter alles over Alesia, Julius Caesar en Vercingetorix (waarvan ik ook het meeste al wist voordat ik naar Alesia fietste).

Vercingetorix werd gevangen naar Rome gebracht waar hij ter meerdere eer en glorie van Caesar ‘en plein publique’ aan de wurgpaal stierf. Dat was niet zo sympathiek van onze Julius, maar met hem liep het enkele jaren later, zoals we weten, ook niet goed af, toen hij de senaat voorzat. Ruim een dozijn dolksteken van onder andere zijn adoptief-zoon Brutus was zelfs deze ‘halfgod’ te veel.

Mijn 8 euro toegang gold ook voor de grote heuvel, 3 km naar het oosten, waar bovenop een enorm standbeeld staat van Vercingetorix.

Dat stamt niet uit zijn tijd, maar is daar in 1865 op last van Napoleon III opgericht. Het aardige is dat het gezicht van deze stenen Vercingetorix de trekken vertoont van Napoleon III. Dat was natuurlijk een aardigheidje van de Franse keizer.

De klim naar de top van de heuvel viel niet mee aangezien de weg erg steil is en ik nog steeds geen electromotor  op de fiets heb.

Behalve het standbeeld van Vercingetorix waren er nog wat ruïnes te bewonderen van de Gallo-Romeinse plaats die na de slag gebouwd werd.

Echt veel te bewonderen viel er echter niet aan het stelletje muurtjes van niet veel meer dan een meter hoog. Maar met deze excursie had ik het historische peil van mijn reis (die nog niet ten einde is) op een aanzienlijk niveau gebracht.

Hier volgen nog wat foto’s van onderweg:


Een weggetje in Brabant. De bomen staan schuin van de harde wind en daar moest ik de hele dag recht tegenin.

Dinant aan de Maas.

Het mooie plein van Charleville Mezières dat helaas volgestouwd was met tenten waar je ongeveer vijftienduizend verschillende soorten bier kon drinken, om het Fête de la Bière te vieren.

Als je nog niet misselijk genoeg van het bier was kon er nog een schepje bovenop door gecentrifugeerd te worden in een prachtige draaimolen.

Mijn tent en fiets bij een boerderij.

ure plezierbootjes in het kanaal tussen Champagne en Bourgondië. Joinville.

Fietspad langs dat kanaal.

Chaumont.

Een mooie oude Franse wegwijzer-paddenstoel, waarvan er nog maar erg weinig over zijn .

Een telefooncabine uit de goede oude tijd, die nu dienst doet als mini- bibliotheek. Ik weet nog dat die cabines gloednieuw waren en dat is nog helemaal niet zo lang geleden.

Firdausi en Rudaki

Bericht 21

De twee voorgaande berichten waren passages uit mijn boek ‘In de ban van Stempelstan’, Een reis door Centraal Azië.

Hier volgt weer een fragment uit datzelfde boek. Ik zit dan bij een duur en slecht restaurant in de oeroude stad Buchara te bladeren in een reisgids.

Het boek is onlangs herdrukt, waarbij het een nieuwe voorkaft heeft gekregen. Ik heb bij die eerste druk namelijk lange tijd getwijfeld tussen een aantal verschillende foto’s voor dat voorblad. Uiteindelijk is het die met die hoge minaret in Buchara geworden, die er een beetje uitziet als het handvat van een stempel, waarmee een immigratiebeambte een stempel in mijn pas plaatst. Helaas verviel daarmee de tweede keuze, een mausoleum in Samarkand, maar die is het dus bij de tweede druk geworden.

20190524_005547
Voorkaft eerste druk.

20190524_005329
Voorkaft tweede druk.

Daar ik nog ongeveer 20 foto’s heb die alle ervoor in aanmerking komen de voorkaft te sieren, zou het niet slecht zijn als het boek nog twintig maal herdrukt gaat worden. Voor elke druk een andere foto. Leuk om t.z.t. 22 verschillende exemplaren van hetzelfde boek in uw boekenkast te hebben staan.

 

Firdausi en Rudaki

Op het terrasje van een toeristenrestaurant naast een vijver in het centrum van Buchara zit ik wat in mijn reisgids te bladeren. Ik heb me zojuist getrakteerd op een etentje, maar een traktatie was het niet: taaie, twee weken oude patatten en een tot een rubberplak gebakken ei, waarmee je een gat in je buitenband zou kunnen dichten. Morgen ga ik voor een vijfde van de prijs in een tentje in de straat iets goeds eten, want daar kunnen ze zich, omdat de lokale bevolking er ook komt, niet permitteren om rommel te bakken. Dan loop ik ook geen kans op een maag- en darmcatarre, wat ik hier nog maar moet afwachten.

Lezend in zo’n gidsje verbaas ik me er elke keer weer over hoe weinig wij in Europa weten van de geschiedenis van Azië. Karel de Vijfde, de Slag bij Nieuwpoort, Jacoba van Beieren, de Batavieren en de Watergeuzen, daar weten we alles van en over Alexander de Grote, Julius Caesar, Napoleon en Cromwell kunnen we ook het een en ander vertellen, maar wie heeft er ooit gehoord van bijvoorbeeld de Manguten, die in1785 de macht in Buchara overnamen, waardoor de stad een Perzisch emiraat werd? En van Nashrullah Khan, die van 1826  tot 1860 over Buchara regeerde? Een film over zijn leven zou nochtans spectaculairder zijn dan Rusland-Nederland, ook al zou die match in een 0-10 overwinning voor de oranjehemden eindigen, want alleen al om aan de macht te komen, liet deze Nashrullah drie broers onthoofden en 28 familieleden vermoorden. En op zijn sterfbed regelde hij nog even dat zijn vrouw en drie dochters over de kling gejaagd werden, waarschijnlijk om niet eenzaam te worden in het hiernamaals. Daarentegen weet iedere Nederlander dat Floris de Vijfde door de edelen werd vermoord.

Ver voor de tijd dat er ooit iemand van Amsterdam had gehoord, was Buchara al een enorm belangrijke stad. In 1997 vierde het zijn 2500-jarig bestaan, wat dus betekent, dat in de zesde eeuw voor Christus de eerste steen al gelegd werd. In de negende en tiende eeuw werd het de hoofdstad van het rijk der Samanieden en ontwikkelde het zich tot een belangrijke stop op de Zijderoute. Met 300.000 inwoners was Buchara voor die tijd een enorme metropool, te vergelijken met New York, Parijs en Tokio nu. Na Mekka was de 300 moskeeën en vele medressen tellende stad het belangrijkste islamitische centrum ter wereld. En desondanks moet ik eerlijk bekennen dat ik mij zelfs niet kan herinneren dat er vroeger op school ooit over Buchara is gesproken, maar misschien heb ik toen niet goed opgelet, wat wel vaker gebeurde.

En wie kent Firdausi en Rudaki? Ja ik, want ik lees hier juist dat ze de Buchariaanse Shakespeare en Goethe waren. Newton en zijn wetten kennen we allemaal en we weten ook te vertellen over die appel die hij op zijn hoofd kreeg, waarna hij, om daarmee een beetje leuk creatief bezig te zijn, even de differentiaal- en integraalrekening uitvond en vervolgens de banen van de planeten berekende, maar ik wed dat als ik een willekeurig iemand op het Spui in Den Haag aanspreek en vraag wie Ibn Sina was, hij of zij toch wel even diep zal moeten nadenken, voordat er een antwoord komt. En toch was die Ibn Sina de Perzische Newton.

Rond 1220 werd Buchara door de Mongolen verwoest. Alles aan puin. En waarom eigenlijk? Dat steden veroverd werden door despoten kan ik nog een beetje begrijpen, maar waarom moest dan meteen ook alles kort en klein geslagen worden? En toch staat de geschiedenis stijf van dit soort gruweldaden. In de zestiende eeuw kwam de stad weer tot nieuw leven als hoofdstad van de Sheibanieten. De handel bloeide weer op onder andere door de passerende karavanen uit Rusland, India en Perzië en met de florerende slavenmarkt was natuurlijk flink wat te verdienen. Maar ook Khan Sheibanied Ubaydallah, die regeerde van 1512 tot 1540 en Abd al-Aziz, die van 1540 tot 1552 aan het roer stond waren voor mij onbekende namen en ik ben er vrij zeker van, dat als ik deze gids dichtsla, het binnen twee minuten opnieuw onbekende namen voor me zullen zijn.

En nu sla ik het gidsje ook dicht. Tijd voor actie, want als je de moeite hebt genomen om naar Buchara te fietsen, ligt het voor de hand om de stad niet alleen uit een gidsje te leren kennen, vruchteloze pogingen te ondernemen om vreemde namen en jaartallen uit je hoofd te leren en plaatjes te kijken, maar ook om de stad in natura te bekijken. Urenlang loop ik door kromme pittoreske straatjes en langs imposante, met blauwe tegels belegde moskeeën, gekroond met turquoise, in de zon glimmende koepels. De poort van menige moskee en medresse is zo hoog dat een giraffe er op z’n tenen lopend en met gestrekte hals makkelijk onderdoor kan. Maar nog veel hoger zijn de sierlijke, taps toelopende, overal bovenuit torenende minaretten.

S6300342.JPG
Moskee in Buchara.

S6300339.JPG
Poort waar een op zijn tenen lopende giraffe met gestrekte nek onderdoor kan.

Via de stadsmuren die helaas wat al te gladjes zijn gerestaureerd, maar waar gelukkig ook nog wat originele, door de tand des tijds aangevreten stukken in zitten, kom ik bij de Ark, een oud ommuurd stadsdeel met een fort. Ik haal mijn reisgids uit mijn rugzakje en lees dat de eerste citadel hier gebouwd is door Siyavash ibn-Keikavus, de schoonzoon van de dochter van Afrasiab, maar dat is slechts een legende. Ik ben blij dat ik na mijn reis hier geen examen in hoef te doen. Veel ligt er in dit stadsdeel nog in puin. In de loop der eeuwen is het diverse malen verwoest. Op zo’n manier kun je wel bezig blijven. Vier jaar geleden ben ik ook in Buchara geweest, op mijn fietsreis naar Tibet, maar in de Ark is men nog niet erg opgeschoten met de restauratiewerkzaamheden. De oude stadswallen ten westen van de stad zijn daarentegen sinds mijn vorige bezoek rigoureus gerestaureerd, waardoor ze nu wat weg hebben van de Afsluitdijk. Ik vraag me af waar je, uit historisch oogpunt beschouwd, beter mee bent: authentiek puin of steriel metselwerk dat er weer vijf eeuwen tegen kan.

S6300304.JPG
Rigoureus gerestaureerde stadswal met gelukkig nog een authentiek stukje er in.

Terwijl ik zo ontspannen door deze stad met zijn vele moskeeën en Koranscholen loop, valt het mij op dat, hoewel Oezbekistan een islamitisch land is, de islam er veel minder merkbaar bedreven wordt dan in landen als Egypte, Pakistan en het Midden-Oosten. Vrouwen zie je hier niet gesluierd, maar hooguit met een hoofddoekje, de oproep tot het gebed, die in andere islamitische landen vijfmaal per dag van de minaretten schalt, hoor je hier niet of nauwelijks en hoogst zelden zie je iemand zijn gebedsmatje uitrollen. Deze zelfde gematigde islam heb ik ook in Azerbaijan en Turkmenistan ervaren.

S6300362.JPG
Kleurrijk marktje in de buurt van Buchara.

Op de terugweg naar mijn pension kom ik langs de tapijtenmarkt waar prachtige grote tapijten over muren hangen om de toerist in verleiding te brengen. Aarzelend loop ik langs een fraai  geweven exemplaar van 8 bij 10 meter en overweeg mijn beurs te trekken, maar ik zie er toch van af. De volgende keer kom ik met een auto ten behoeve van mijn souvenirverzameling, die nu nog slechts uit een paar reageerbuisjes woestijnzand bestaat.

S6300321.JPG
Een mooi tapijt, maar te zwaar voor achterop de fiets.