NOG MEER PEPERS

‘Mijn boek is nu ten einde. Mijn tocht was dat op de theeplantages aan de voet van Adam’s Peak nog niet. Die zou nog door gaan. Die zál nog doorgaan, want wanneer eindigt De Tocht van een wereldreiziger? Mijn boek zou dus in zekere zin als onvoltooid beschouwd kunnen worden, maar evenmin als de Onvoltooide Symfonie van Schubert onvoltooid is, is mijn boek dat. Het beschrijft een afgerond deel van mijn reis naar het Verre Oosten, van mijn pelgrimstocht door de wereld.
En het vervolg op het boek? Het vervolg van het vervolgverhaal zonder eind? Wie zal het zeggen. Misschien zal ik nog eens de pen ter hand nemen om dat vervolg in een nieuw boek te verwoorden.’

Zo luidt de laatste strofe van mijn boek ‘Pelgrims en pepers’ dat ik jaren geleden schreef naar aanleiding van mijn fietsreis van Nederland naar Bali. Met alle omwegen die ik maakte was dat een tocht van ruim 35.000 km waar ik twaalf en een halve maand over deed. Het boek eindigt, zoals uit de bovenstaande tekst blijkt, op de theeplantages aan de voet van Adam’s Peak. Die Adam’s Peak is een berg van 2242 meter hoogte op Sri Lanka. Het is een belangrijk pelgrimsoord voor Islamieten, Boeddhisten en Hindu’s, want bovenop staat een tempeltje met daarin een rotsblok waar de voetafdruk van Adam in staat, een meter groot. Vandaar de naam Adam’s Peak. Volgens de Boeddhisten is die afdruk natuurlijk van Boeddha en volgens de Hindu’s van Vishnu.
Nadat ik deze berg had beklommen voelde ik me een beetje een pelgrim. Daar kwam dan ook de helft van de titel van mijn boek vandaan. De andere helft, ‘pepers’ had ik te danken aan de vele beproevingen die ik moest doorstaan tijdens het eten van heerlijke Aziatische maaltijden, waar niets meer van te proeven was omdat ze verzadigd waren met pepers en chilli’s. In ieder geval doodden die gevreesde ingrediënten rigoureus alle bacteriën in mijn maag. Al snel ging ik over op het eten van bananen en chapati’s, omdat de branden in mijn mond niet meer te blussen waren.

Nadien hebben mensen mij vaak gevraagd waarom het boek daar aan de voet van die Adam’s Peak zomaar pardoes ophield. Waarom beschreef ik het vervolg van die reis naar het Verre Oosten niet? Sri Lanka was voor hen blijkbaar niet ver genoeg.
De reden was natuurlijk duidelijk: het boek was vol. De laatste 11.000 km konden er niet meer bij. Misschien had ik Kuifje beter moeten bestuderen. Achterin ‘De zeven kristallen bollen’ staat immers: ‘Lees het vervolg in ‘De Zonnetempel’. Ik had achterin mijn Pelgrims en pepers-boek kunnen schrijven: ‘Lees het vervolg in ‘Een zak vol pepers’ of ‘Nog meer pepers’. Ik was toen echter alweer bezig met de voorbereiding van een reis door Australië en die nam mij zo in beslag dat het er niet meer van kwam om het vervolg op Pelgrims en pepers te schrijven. En na Australië volgden andere reizen en andere boeken: China, Ethiopië, Tibet, Centraal Azië etc. En zo werd die pepers-reeks nooit voortgezet. Helaas!
In de winter van 2012 op 2013 maakte ik een fietstocht van drie maanden door Thailand, Laos en Cambodja en de winter daarop, dus afgelopen winter, reed ik weer een maand of drie in die regio rond, waarbij ik ook Vietnam aandeed. Tijdens die reis werd het idee geboren om over beide Zuidoost-Azië-reizen een boek te gaan schrijven. Dat zou je dus in zekere zin als het vervolg kunnen zien op mijn twintig jaar geleden verschenen ‘Pelgrims en pepers’.
Eindelijk!!
Ja, eindelijk, maar dat is toch een beetje te vroeg gejuicht, want het boek is er nog niet. Wel heb ik al heel wat papier vol geklad, maar er moet nog heel wat bij geklad worden om er een manuscript van te maken en daarna moet het nog uitgetypt, zeven maal herzien, gedrukt en gebonden worden. Het gaat dus nog wel een tijdje duren voordat het boek in de winkel en in de bibliotheek ligt, maar ik ben er mee bezig! Of het inderdaad ‘Nog meer pepers’ zal heten valt sterk te betwijfelen. Ik moet daar nog diep over nadenken.
Om u alvast wat in de stemming te brengen volgen hier wat foto’s die ik tijdens die recente reizen door Zuidoost Azië heb gemaakt.

Frank van Rijn.          Doldersum, 6 September 2014

Een nieuw boek op komst: ‘Even naar de evenaar’.

Een maand geleden ben ik teruggekeerd van mijn fietsreis door Marokko, Spanje, Portugal en Zuidelijk Frankrijk. Thuisgekomen ben ik onmiddellijk aan de slag gegaan met het leggen van de laatste hand aan mijn manuscript ‘Even naar de evenaar’, een reis door Kenia en Oeganda. Enkele dagen geleden heb ik het verhaal voorzien van ruim honderd foto’s ingeleverd bij uitgeverij Elmar, die er zoals gewoonlijk weer een prachtig boek van gaat maken.

000

Op die reis door Kenia en Oeganda heb ik enkele projecten bezocht van ‘Cycling out of Poverty’, een kleinschalige hulporganisatie waar ik onbezoldigd ambassadeur van ben. Cycling out of Poverty (CooP) geeft fietsen aan arme mensen in Afrika. Met die fietsen kunnen boeren meer groenten en fruit in kortere tijd naar locale markten brengen, waardoor hun inkomsten drastisch omhoog gaan.  Tijdens de Fiets- en Wandelbeurs, die 1 en 2 Maart 2014 gehouden wordt in de Rai in Amsterdam en waar ik een paar lezingen ga houden, zal ik het eerste exemplaar van ‘Even naar de evenaar’ presenteren aan Luuk Eickmans, de directeur van CooP. Ik breng dan een extra stapeltje ‘Evenaars‘ mee om verzamelaars en geïnteresseerden de gelegenheid te geven zich het boek aan te schaffen. Vanaf de Maandag daarop zal het bij de boekhandel verkrijgbaar zijn.

Ik begon mijn reis door Kenia en Oeganda in Nairobi, waar ik meteen al het slachtoffer werd van truc nummer 17A uit ‘Het Standaardwerk voor de Nairobische Oplichter’. Het kostte me slechts één euro, maar het gevoel bij de neus genomen te zijn door een handige jongen zat me danig dwars. Wat me nog meer dwars zat was regen in de droge tijd. Onder dreigende wolken fietste ik Nairobi uit, maar gelukkig klaarde het weer op en verlicht door een plezierig zonnetje kruiste ik enkele dagen later de evenaar, waar een professor in de mechanica me het Corioliseffect demonstreerde: het door een gat onderin een pannetje weglopende water draaide tien passen ten noorden van het evenaar-bord rechtsom en tien passen ten zuiden ervan linksom. “Dat komt door de rotatie van de aarde.” lichtte de professor toe. Na dit verbazingwekkende experiment moest ik mee naar de souvenirwinkel. Mijn argument dat souvenirs te zwaar waren om op de fiets mee te zeulen door Afrika werd door de professor weggewuifd met: “Er zijn vast wel kleine aandenkens die niets wegen”. Ik antwoordde daarop met: “Mijn fiets is loodzwaar beladen met allemaal dingetjes die niets wegen”, maar om niet vervelend te zijn kocht ik toch wat: een stenen ganzenei met de wereldkaart erop, waarover een dikke equator-lijn liep.

182
Ik vervolgde mijn tocht via nog een paar evenaarpassages, de mooie Thomson Falls, Lake Baringo met nijlpaarden en krokodillen, de Great Rift Valley en een mooi groen gebergte naar Oeganda. Daar bezocht ik een aantal projecten van CooP.
Bij Jinja aan het Victoriameer, waar ik 53.886 dagen na Speke bij de Ripon Falls kwam voelde ik me, ondanks al die dagen te laat, toch nog een beetje de ontdekker van de bron van de Nijl. Zoveel mogelijk via kleine wegen keerde ik terug naar Kenia, waar ik in Kisumu een lint doorknipte. Daarmee was de Bicycle Workshop van Cycling out of Poverty geopend. Hier konden (en kunnen voortaan) de vele fietstaxi-rijders van de stad hun rijwielen laten repareren. Door het gebied van de Masaai, een stam van veeboeren in zuidelijk Kenia, fietste in terug naar Nairobi. Ik was weer eens even, en zelfs een paar keer, op de evenaar geveest.

In dit boek voer ik de lezer mee langs kleurrijke Afrikaanse marktjes en door pittoreske dorpjes, langs interessante plaatsen en door prachtige natuur. Een plezierige dienstreis voor een ambassadeur!

Met de Goldline naar de Golden Triangle

Als je van Oldemarkt 3615 km pal naar het zuiden gaat en dan 9627 km pal naar het oosten zit je precies in Mae Sai. Vandaar kun je, zoals bekend, over een aardig weggetje in oostelijke richting naar Sob Ruak rijden, slechts 21 km verder. Praktischer is het echter om het vliegtuig naar Suvarnabhumi te nemen en dan bijvoorbeeld via Lat Krabang, Ko Ta Moi, Pak Chong, Si Thep. Krai Nok, Si Satchanalai, Wang Chin, Mae Tha en Chiang Dao naar Tha Ton te fietsen, want dan is het nog maar een kippe-eindje. Voor dat praktische alternatief koos ik.
Op gevaar af de geografische kennis van mijn lezers te onderschatten en hen wellicht zelfs te beledigen laat ik de bovengenoemde plaatsen even de revue passeren en geef daarbij een ruwe plaatsbepaling want misschien heeft een enkeling vroeger wel eens een dag van school gespijbeld of was hij juist ziek toen Thailand tijdens de aardrijkskundeles behandeld werd. Dat de lezer Suvarnabhumi niet weet te plaatsen zij hem vergeven, want dat is het nieuwe vliegveld van Bangkok, dat nog geen 10 jaar in gebruik is. Het ligt een kilometer of 20 ten oosten van Bangkok.
Na 11 uren film, drankjes, kleine hapjes en een onnoemelijke verveling, gedurende welke ik door KLM op 10 km hoogte en over een afstand van 10.000 km met een reuze snelheid  door het luchtruim werd gesleept, kwam ik op Suvarnabhumi aan. Mijn Gazelle-Goldline-Marco Polo (ofwel kortweg: mijn fiets) kwam gaaf uit het vliegtuig, zodat ik daar mijn Vaudé-tassen, die tot mijn opluchting ook werden afgeleverd, aan kon hangen.

P1120027

Mijn eerste etappe was een heel korte: slechts 9 km naar het oosten, naar de stad Lat Krabang, maar na een kwart van de aardbol te hebben ‘afgereisd’ vond ik hem lang genoeg. Ik zocht het ‘Orchid-resort’ uit, een onderkomen van – schrik niet!- 900 Baht, wat neerkomt op maar liefst 900/39,4 = 22,50 euro, aangezien je 39,4 Baht voor een euro krijgt. Ja, ja, vooruit maar! “Geld moet rollen” hoorde ik eens iemand zeggen en een nogal filosofisch ingestelde vriend wist daaraan toe te voegen: “Je kunt het later toch niet meenemen.” Hij doelde hiermee op het hiernamaals. Deze stelling is in het verleden wel eens in twijfel getrokken. Denk maar aan wat Toetankhamon allemaal meekreeg nadat hij zijn laatste adem had uitgeblazen. Helaas voor hem is daar niet alles van in het hiernamaals aangekomen. Het meeste staat nu in het Nationaal Museum van Caïro. Die pech van onze Toet deed mij besluiten om  mij aan die geweldige luxe van het Orchid Resort te buiten te gaan, waar ik zelfs als attentie een tandenborstel, een tubetje tandpasta van 2 cm en een stukje zeep van 3 cm cadeau kreeg, dus je kunt wel nagaan wat voor een chique tent het was. Verder stonden er op de kamer een TV en een Airco, die ik natuurlijk meteen uitzette.
De volgende dag reed ik het Orchid-resort uit en kwam ik na een vlakke rit van twee dagen in Ko Ta Moi aan, een dorpje aan de voet van een fraai gebergte bedekt met een tropisch regenwoud, het nationale park van Khao Yai. Het was een forse klim om in dat park te komen. Onderweg bezocht ik een fraaie waterval en in het park zette ik ‘s avonds op een mooie natuurcamping mijn tent op. Ik maakte er een flinke dagwandeling, waarbij ik ergens op een omgevallen boomstam in een riviertje een heuse krokodil van 2,5 meter zag liggen. Het spannende avontuur liep gelukkig goed af, want het dier was in een luie bui.
Pak Chong is een duffe plek aan de noordkant van het nationale park van Khao Yai, maar Si Thep, een kilometer of 100 verder naar het noorden, was de moeite van een bezoek waard, want daar staat een setje duizend jaar oude ruïnes, waarover niets in mijn reisgids staat. Die heb ik dus zelf ontdekt, althans, zo voelt het aan. Negenentwintig jaar geleden, op mijn reis van Nederland naar Indonesië, had ik die ook al ontdekt en nu liep ik opnieuw gefascineerd rond tussen de uit lateriet en baksteen opgetrokken pittoreske tempels.
Van Krai Nok, waar ik 4 dagen later door kwam, is weinig anders te melden dan dat ik er een kom noodle-soup bestelde, iets wat ik eigenlijk zo’n beetje elke dag deed, maar mijn bezoek aan Sukhothai, een kilometer of 30 naar het westen, was een belevenis.

Sukhothai
Sukhothai

Het was de hoofdstad van Thailand van de 13e tot de 15e eeuw. Toen ik er 25 November binnenreed was er juist het Loi Krathong-festival aan de gang, een van de belangrijkste jaarfeesten van Thailand. De riviergodin wordt dan dank gezegd voor het schenken van leven aan de velden en bossen. Tegen de achtergrond van duizend jaar oude tempels werd er ‘s avonds een erg kleurrijk licht- en geluidspel opgevoerd met honderden mooi aangeklede figuranten. De geschiedenis van Sukhothai, door de eeuwen heen, werd hier opgevoerd. Geweldig interessant, alleen jammer dat het allemaal in het Thai ging, maar toch ving ik gedurende deze twee uur durende show een keer of zeven de naam ‘Sukhothai’ op, zodat ik in ieder geval contact hield met het onderwerp. Maar zelfs zonder die zeven te herkennen woorden zou het een prachtige avond zijn geweest, want de lichteffecten op de verweerde stenen tempels, de muziek en een fraai professioneel vuurwerk tot besluit compenseerden het gemis van het verhaal volledig. Na afloop werden er lampionnen opgelaten. Die kon je voor een paar centen kopen. Een plak brandend kaarsvet onder een omgekeerde papieren zak ter grootte van een flinke vuilniszak maakte dat de lucht in de zak warmer werd dan die er buiten, waardoor de soortelijke massa van die lucht omlaag ging, zodat de zak omhoog ging. Het principe van een heteluchtballon dus.

lampionnen oplaten
lampionnen oplaten

Er werden er honderden van opgelaten. De hemel hing dan ook na een tijdje vol lichtgevende cylinders en met een beetje fantasie zou je er ‘Mars valt aan’ in kunnen zien, behalve dan dat de lampions omhoog gingen en niet omlaag kwamen als vijandige ruimteschepen. Met al dat brandende kaarsvet in de lucht zouden ze er in bijvoorbeeld de VS, Australië, Spanje, Zuid Frankrijk en Portugal minder enthousiast over zijn, maar hier in Thailand was men blijkbaar niet zo benauwd voor bosbranden.
In Lampang, dat zo’n 190 km naar het noorden ligt en waar ik via Si Satchanalai, Wang Chin en Mae Tha heen reed, was ook veel te beleven. Ook daar werd het Loi Krathong-festival gehouden.
“Vanavond op de voetgangersbrug, daar verderop, zal er veel te doen zijn,” zei een Amerikaanse toerist in het Riverside-guesthouse en wees daarbij op een bruggetje over de rivier, een paar honderd meter verderop. “Dat moet iets geweldigs zijn.”
Dat wilde ik natuurlijk zien en dus begaf ik mij er ‘s avonds naar op weg. De straat die er heen leidde stond vol met ronkende en dampende auto’s en daar tussendoor zigzagden honderden motorfietsen. Je kon er leunen tegen de uitlaatgassen. Om bij de voetgangersbrug te komen moest ik me tussen duizenden mensen door werken. Toen ik na veel getob en gewring eindelijk op de brug stond constateerde ik dat er inderdaad heel wat te doen was: veel mensen waren met rotjes en ander knaltuig gekomen om de feestvreugde kracht bij te zetten. Hoe meer geknal, hoe geweldiger, net als bij ons op Oudejaarsavond. Iedereen moest natuurlijk die brug op, dus ik stond er min of meer platgedrukt tussen de enorme dringende menigte. Met één hand op mijn broekzak waar ik de poen in had zitten terwijl ik met de andere mijn ogen zo goed mogelijk afschermde om niet straks naar het oogziekenhuis gebracht te hoeven worden, stond ik een beetje verloren over de reling te kijken naar allerlei bloemstukjes met brandende kaarsen er in, die onder mij door kwamen drijven. Ik voelde me daar niet op mijn gemak en ik genoot er al evenmin van. Zo geweldig ik het licht- en geluidsspel van Sukhothai had gevonden, zo waardeloos vond ik dit banale herriespektakel. Bovendien: met zoveel mensen op een klein rot bruggetje staan duwen, trekken en dansen van plezier leek mij vragen om moeilijkheden. Evenals elke mechanische constructie had dit bruggetje zijn begrenzing. Nee, ik moest zo snel mogelijk van die brug af en tussen de mensenmenigte uit.
In het straatje naar mijn hotel werd een Chinese opera opgevoerd. Dat was van hoger cultureel gehalte dan het geknal op de brug, hoopte ik. Ik liep een binnenplein op waar enige honderden Chinezen aan tafeltjes zaten te eten. Op een toneel achterin werd de opera opgevoerd. Een paar verklede Chinezen waren daar hard en schel tegen elkaar aan het schreeuwen. Even later renden ze links en rechts van het toneel om plaats te maken voor weer een paar andere mooi uitgedoste hard tegen elkaar krijsende Chinezen, alles in het Chinees natuurlijk, dus het fijne ervan ontging me. Het aanwezige volk was te druk met eten om acht te slaan op de opera, waarin overigens geen noot gezongen werd, dus de enige voor wie de acteurs eigenlijk bezig waren was ik.
Nadat de spelers weer flink verbaal tegen elkaar hadden staan uitpakken en van het toneel verdwenen waren, kwam de derde golf akoestische geweldenaars zijn portie Chinees spuien. Daarna volgde een oorverdovend geknal van rotjes. Ik dacht eerst dat de brugbezoekers kwamen oprukken naar de Chinezen, maar nee, het geknal maakte deel uit van de opera.
Dat was het dus ook niet en snel verliet ik het binnenplein. In een rustig zijstraatje liep ik het terrein van een Wat (een Boeddhistische tempel) op. Daar zag ik weer mensen bezig met het oplaten van lampionnen. Een familie wenkte me en vroeg of ik hun lampion wilde oplaten. Misschien dachten ze wel dat zo’n Europese toerist geluk brengt, want vaak willen Aziaten ook graag dat je als wildvreemde tussen hen in komt staan voor een foto. Ik hield de van dun papier vervaardigde lampion vast terwijl deze zich vulde met warme lucht van de brandende kaars er onder, maar liet hem te snel los, waardoor hij een vreemde zwabber maakte en op plein van de tempel terecht kwam. Ik probeerde het opnieuw, maar nu wachtte ik totdat ik voelde dat de lampion omhoog wilde. Toen ik hem los liet schoot hij schuin omhoog, zwabberde even alsof hij twijfelde of hij wel wilde, maar ging vervolgens vrij resoluut de hemel tegemoet. Een moeizame, maar achteraf gezien toch geslaagde start. Ik zag er een beetje de loop van mijn eigen leven in.
Chiang Dao ligt een kilometer of 68 ten noorden van Chang Mai. Niet ver daar vandaan bezocht ik een grot waarin ik behalve stalagmieten en stalactieten ook een aantal gouden Boeddhabeelden zag. Na nog via vele treden een tempel langs de flank van een forse met tropisch regenwoud begroeide berg bezocht te hebben vond ik een guesthouse met aardige bungalows in een fraaie tuin. Daar ontmoette ik James, een 62 jarige Canadees, van origine Macedoniër, die ook met de fiets onderweg was, inderdaad meer mét dan óp, want hij schuwde het niet, zo vertelde hij, om veelvuldig gebruik te maken van bussen, treinen en taxi’s. “Maar,” voegde hij eraan toe,”in en om de steden die ik bezoek fiets ik toch heel wat af. Zo’n fiets is best handig, weet je!” Ja, dat wist ik.

James en ik
James en ik

De eigenaar van het guesthouse, een aardige man die goed Engels sprak, had een verrassing voor ons in petto: “Vanavond komen er zestien vrienden van me op bezoek. Dan hebben we hier een diner waaraan jullie ook mogen deelnemen. En als extra …….  karaoke!” Hij zei het alsof we de hoofdprijs in de staatsloterij hadden gewonnen en wees daarbij trots naar een tafeltje in de tuin, waar een TV op stond met een microfoon er naast. “Kunnen jullie zingen? Zing dan mee!”
Als ze me bij een guesthouse, hotel of waar dan ook zo snel mogelijk weg willen hebben, moeten ze met karaoke beginnen, maar hier, bij deze gastvrije man kon ik natuurlijk niet mijn biezen pakken en aftaaien. Het diner was, zolang ik van de gepeperde gerechten en de vis afbleef prima en de karaoke bleek gelukkig erg mee te vallen. Enkele gasten zongen met de microfoon in de hand een liedje, maar de bungalows dansten niet van hun fundamenten af, wat er bij een serieuze karaoke natuurlijk wel bij hoort. James en ik waagden ons niet aan de microfoon. Toen onze gastheer aandrong overwoog ik nog even om een paar passages uit Wagners  Götterdämmerung te zingen, maar ik voelde me op dat punt niet honderd procent en liet daarom de eer aan de anderen.
Samen met James reed ik de volgende dag 105 km naar Tha Ton, pal aan de Birmese grens. Mijn reisgenoot had permanent een dikke lange trainingsbroek en een jas met lange mouwen aan. “Om mijn ledematen te beschermen tegen de zon.” vertrouwde hij mij toe. Daardoor zweette hij als een otter. Verder viel het me op dat zijn bagage nogal onorthodox op de fiets zat: vóór had hij niets en achter één zijtas en een flinke rugzak, die als een zoutzak op de bagagedrager gesjord was.
“Is dat handig met één zo’n zijtas?” vroeg ik hem.
“Nee, maar de andere is gestolen.”
“Gestolen? Hoe ging dat in zijn werk?”
Daarop kreeg ik een verhaal van anderhalf uur te horen, dat vijf dagen voor het incident begon en dat uiteindelijk, toen ik het allang had opgegeven, toch nog bij de eigenlijke diefstal uit kwam. Het antwoord had ook kunnen luiden: “Toen ik met een taxi van het station van Xian naar een hotel gebracht was, ontdekte ik dat de rechter zijtas niet was afgeleverd, maar toen was de taxi al weg. De chauffeur is daarna nooit meer komen opdagen.” Elk verhaal van James was een compleet hoofdstuk en daarom raadde ik hem aan boeken te gaan schrijven: “Voor je het weet heb je een pil van 2500 woorden bij elkaar gepend.” Het idee scheen hem aan te lokken, dus binnenkort kunnen we een stapel zware fietspillen verwachten.
Op onze rustdag in Tha Ton fietsten we 19 km in oostelijke richting naar Baan Yapa, waar de Padong-longnecks wonen, een stam waarvan de vrouwen vele ringen om hun nek dragen. Daardoor lijkt die nek langer dan hij is. James was daar erg in geïnteresseerd. Ik wat minder omdat ik een toeristenval vermoedde. Toen ik twaalf grote souvenirstands vol houten en plastic longnecks in alle kleuren en maten zag staan langs het pad dat naar het dorpje leidde, alsmede een ticketoffice waar we een voor Thailandse begrippen astronomisch bedrag moesten neertellen om door te mogen, was voor mij de val compleet. James zag er opeens ook niet zo veel meer in en onverrichter zake keerden we terug naar Tha Ton, behalve dan dat ik bij een van de stands een setje van vijf houten olifantjes kocht, meer omdat ik te doen had met de standhouders die daar de hele dag achter hun koopwaar stonden dan om mijn olifant verzameling uit te breiden. Toen we het paadje uit fietsten en weer bij de weg kwamen naderde er juist een grote bus vol toeristen. Met kleine scootertaxi’s, die opeens uit een ander zijpaadje kwamen, werden de toeristen de 500 meter naar het dorpje gereden, omdat het ‘te warm en te ver’ was om te lopen. Ik was blij voor de standhouders want deze toeristen gingen zich natuurlijk vol energie op de longnecks werpen, zowel de houden als de echten.
En tenslotte Mae Sai, het noordelijkste plaatsje van Thailand, een kilometer of 80 ten noordoosten van Tha Ton! Het ligt op de grens van Birma en via de brug over de Nam Ruak-rivier kun je een paar uur Birma in, als je op de grens je paspoort afgeeft. Als je daarna weer terugkomt en tien dollar betaalt, krijg je je pas weer en wordt je opnieuw Thailand ingestempeld, waar je vervolgens 15 dagen mag vertoeven. Van Mae Sai ging James per bus terug naar Chiang Mai om per trein naar Bangkok door te reizen ten einde vandaar het vliegtuig naar Australië te nemen. Ik fietste over een leuk weggetje in oostelijke richting naar Sob Ruak, waar de Nam Ruak in de Mekong stroomt. De Nam Ruak vormt daar de grens tussen Thailand en Birma en de Mekong de grens tussen Thailand en Laos. Sob Ruak ligt dus op het drielandenpunt en wordt de ‘Golden Triangle’ genoemd.

Golden Triangle
Golden Triangle

Vroeger werd hier veel papaver verbouwd, waar opium en heroïne van werden gemaakt. Toen ik in 1984 op deze plek rondreed, heb ik die papavervelden, als ik me goed herinner, nog gezien. Nu zijn ze verdwenen en leeft de bevolking van het toerisme. Bussen rijden af en aan en toeristen laten zich individueel en in groepsverband fotograferen voor de diverse bordjes waar ‘Golden Triangle’ op staat. Ik moet bekennen dat ik me daar ook schuldig aan heb gemaakt: met mijn Goldline-shirtje aan en mijn Goldline-petje op naast mijn Goldline-fiets voor het Golden Triangle-bord. Het was alles goud wat er blonk want de gouden zon belichtte het geheel uitbundig.
“En wat heeft Oldemarkt, dat je als eerste referentiepunt voor deze alternatieve aardrijkskundeles koos, met dit alles te maken?” zal de lezer zich mogelijk afvragen. Welnu, in Oldemarkt werd mijn Gazelle Goldline Marco Polo in elkaar gezet, compleet met Schwalbe- Marathon Mondial-banden, en wel door Klaas Ten Veen, de plaatselijke fietsenmaker. Oldemarkt is dus, zo gezegd, de geboorteplaats van deze formidabele fiets waarmee ik menig Aziaat de ogen heb uitgestoken, figuurlijk, natuurlijk.
Van Sob Ruak fietste ik door naar Chiang Khong, waar ik in een bootje de Mekong overstak om mijn reis door Laos te vervolgen. Over mijn lotgevallen aldaar hoop ik u te zijner tijd te berichten, ofwel op deze website, ofwel in het een of andere magazine en wellicht schrijf ik er ook nog eens een boek over.
PS:     9 Februari j.l. presenteerde ik op de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam mijn 12e boek: ‘De dikke baobab’, over mijn reis door Madagaskar. Het boek is verschenen bij uitgeverij Elmar en is nu in elke goede boekhandel verkrijgbaar.

DE DIKKE BAOBAB, een reis door Madagaskar

De dikke baobab

De vorige winter heb ik hard gewerkt aan een boek over mijn reis door Madagaskar die ik in September,  Oktober en November 2011 maakte. Ik ben er zelfs voor thuis gebleven in plaats van een nieuwe verkenningstocht te gaan maken ergens in een mooi warm land. Daarbij heb ik de, voor mijn doen, extreem lage temperaturen getrotseerd die ons land toen teisterden. (Of die de schaatsers onder ons verwenden). Een mens moet er wat voor over hebben om een boek te schrijven. En dat had ik!
Ondertussen is het manuscript, nadat ik het zeven keer heb doorgenomen en gecorrigeerd, geheel klaar. Samen met ongeveer 140 kleurenfoto’s ligt het bij Elmar, die er, zoals we van die uitgeverij gewend zijn, weer een prachtig boek van gaat maken. Of de tekst ook prachtig is, is natuurlijk aan de lezer (dus aan u) om te beoordelen.
Op de Fiets- en Wandelbeurs in de RAI op 9 en 10 Februari 2013, waar ik lezingen ga houden over mijn reis van afgelopen zomer door Mongolië, zal ik het Madagaskar-boek met de titel ‘De dikke baobab’ presenteren. Dan zal ik ook een doosje kersverse baobabs bij me hebben om de bezoekers in de gelegenheid te stellen hun verzameling reisboeken uit te breiden. Het boek zal volgens de raming van de uitgever rond de 18 euro gaan kosten. Indien ik mijn pen dan niet abusievelijk thuis laat liggen zal ik er, op verzoek van de koper, een handtekening in zetten, want – let wel!- dan brengt het boek over 100 jaar op een veiling veel meer op dan zonder handtekening.
Mocht u het beide beursdagen zo druk hebben met andere dingen, dat u niet in de gelegenheid bent naar de RAI te komen, wat natuurlijk niet te hopen is, dan kunt u vanaf de maandag na de beurs voor ‘De dikke baobab’ terecht bij de boekhandel, maar dan staat er natuurlijk geen handtekening in, iets wat u over een eeuw gaat betreuren.
Dus op naar de Fiets- en Wandelbeurs in de RAI in Amsterdam op 9 en 10 Februari 2013, waar nog veel meer te zien zal zijn dan alleen baobabs!

PS: Een week na de RAI, dus het weekend van 16 en 17 Februari, houd ik lezingen over Madagaskar op de Fiets- en Wandelbeurs in Mechelen en ook daar zal ik een doosje baobabs bij me hebben, alsmede een pen. Adres: Nekkerspoel – Borcht 19, Mechelen, België.
PS2: Zie ook de omslag

Weer eens over asfalt

Na mijn interessante reis door Mongolië leek het mij een goed idee om voor de verandering even een wat meer ontspannende tocht te maken door landen waar op regelmatige afstanden winkels staan, zodat ik niet voor dagen voedsel mee hoef te slepen, waar ik me niet in allerlei bochten hoef te wringen om de meest elementaire dingen duidelijk te maken en waar ik over asfalt vooruit kan, want –  geloof het of niet – ook dat heeft zo nu en dan zijn charme.
Aangezien ik al in geen jaren meer in Portugal was geweest viel mijn keuze op dat land, te meer omdat daar sinds enige jaren vrienden van mij wonen, die een ruïne aan het ombouwen zijn tot een landhuis, een onderneming die ook mij altijd heeft aangelokt, maar waar ik nooit de moed voor heb gehad er aan te beginnen. En dus stapte ik naar mijn reisbureau en bestelde een vliegticket enkele reis Faro-Amsterdam.
“Alleen de terugweg?” vroeg de dame in het bureau.
“Ja.”
“Maar hoe gaat u dan naar Faro?” Dat was natuurlijk vragen naar de bekende weg, want ze kennen mij daar zo langzamerhand wel.

Op 8 Augustus vertrok ik op mijn nieuwe Gazelle Goldline Marco Polo, voorzien van Schwalbe-banden en Vaude-tassen vanuit Drenthe in zuidelijke richting. Zoals altijd nam ik zoveel mogelijk secondaire, tertiaire en quaternaire wegen en soms zelfs een octernaire. (Volgens mijn computer is dat woord fout geschreven. Hij maakt er veterinaire van dus wat ik bedoel gaat hem duidelijk boven de pet.)

Het puzzelbord

Na een week rijden kwam ik ergens in Noord Frankrijk op een afslag met een richtingbord dat naar links wees. Er stond op:

D 412
S?OUE
BREBA
RA??RU?T

De meeste letters waren redelijk te lezen als je er vlak voor stond, sommige zelfs vanaf een zekere afstand, maar er stonden er ook bij, waarop je moest studeren, terwijl de letters waarvoor ik hier vraagtekens heb geplaatst, geheel verdwenen waren. Het leek een soort TV quiz. (Misschien leuk voor u, lezer, om m.b.v. Google uit te zoeken waar ik precies stond)
Dat soort borden zie je meer in Frankrijk. Een aantal jaar geleden zijn door vrijwel heel het land alle oude, nog in goede staat verkerende richtingborden rigoureus weggehaald en vervangen door nieuwe, die blijkbaar snel verkleuren in het zonlicht. Op de oude borden stonden de afstanden tot de erop aangeduide plaatsen vermeld, maar op de nieuwe heeft men die maar weggelaten in de veronderstelling dat iedereen ondertussen toch wel een Tom Tom heeft. (Maar waarom dan nog die borden geplaatst?) De nieuwe borden zijn hoger geplaatst dan de oude, waarschijnlijk om meer pijp te kunnen fabriceren. Als ik er even aan denk hoe groot Frankrijk is en wat er allemaal aan borden staat, lijkt het mij dat de fabrikant, die de opdracht voor dit project kreeg alles bij elkaar een pijp heeft gemaakt die tot halverwege Mars reikt. Het mes snijdt aan meerdere kanten, want de oude, mooie, goed afleesbare borden zijn waarschijnlijk op de schroothoop gedumpt, waardoor de oud-ijzerhandelaren een flinke financiële zet in de rug hebben gekregen. Ik vraag me af of de hotemetoten van het ministerie van verkeer (Ponts et Chaussees) ook een zetje in de rug hebben gekregen van de pijpmagnaat en de bordenfabrikant, want ook die laatste heeft natuurlijk een graantje meegepikt van dit geweldige project. Als ik even ruw mag schatten, denk ik dat het totale oppervlak plaat dat tot borden is omgevormd een heel departement kan bedekken (of schat ik nu iets te krap?). Alles bij elkaar een geniale vondst, die in Nederland navolging heeft gevonden, want hier hebben ze door heel het land alle plaatsnaamborden even rigoureus vervangen. Of waren wíj de uitvinders van deze originele manier om geld over de balk te smijten?
Ik vond uiteindelijk de oplossing van de puzzel op het bordje bij de D 412  en kon daardoor de ontbrekende letters invullen (die ik hier niet vermeld om het puzzelplezier van de lezer niet te bederven), zodat ik de goede weg richting Portugal vond. En zo kwam het dat ik die middag in Géraudot aankwam, een dorpje aan het Lac de la Foret d’Oriënt, een kilometer of 20 ten oosten van Troyes. Daar trof ik op de plaatselijke, erg luxe camping Hans Koster, mijn Zwitserse fietsmaat die mij de laatste jaren soms een stukje vergezelt op mijn reizen. Dat was natuurlijk geen toeval, want dat hadden we zo afgesproken. Ook deze keer ging hij een eind mee. Gezamenlijk fietsten we in anderhalve dag naar Chatel Censoir, waar we op de Camping Municipal ongeveer een kwart betaalden van wat we aan die van Géraudot kwijt waren, terwijl het eigenlijk een veel aardigere camping was. Er stonden daar meer fietsers met hun tentjes, waarschijnlijk omdat de camping aan een fietsroute langs het Canal du Nivernais lag. De jaagpaden van veel kanalen in Frankrijk heeft men de laatste jaren omgebouwd tot mooie fietspaden en zo ook deze. Ik sprak er een Nederlands echtpaar van in de zeventig. De man vertelde me dat hij thuis al mijn boeken in de kast heeft staan. “Ook gelezen, natuurlijk.” voegde hij eraan toe. “Ik heb mijn hele leven met de auto in de file gestaan naar en van mijn werk en, misschien wel door toedoen van jouw boeken, gedroomd van fietsreizen. De dag na mijn pensionering heb ik mijn auto verkocht en voor het geld twee mooie fietsen gekocht, een voor mij en een voor mijn vrouw. Sindsdien trekken we ‘s zomers door Europa.” Zijn vrouw kwam er bij staan en knikte instemmend: “Een goed besluit. We maken nu een tocht langs de kanalen in Frankrijk. Geweldig!”  Zo’n ontmoeting geeft me altijd weer het voldane gevoel dat ik mijn boeken niet voor niets schrijf.

Cathedraal van Vézelay

Op onze rustdag ondernamen Hans en ik een uitstapje naar Vézelay, het kleine plaatsje met de reuzen basiliek van Sainte Madelaine, waar volgens een folder, die ik op het toeristenbureau kreeg, enkele relikwieën van Maria Magdalena worden bewaard. Het is ook een bedevaartsplaats en van hier lopen pelgrimsroutes naar Assisi en Santiago de Compostela. Het was dan ook niet verwonderlijk dat we enkele wandelaars met rugzak en grote stok zagen lopen door de steile straatjes op weg naar de basiliek. Een van hen had een hond aan de lijn, die als een pakezel links en rechts tasjes met bagage voerde, waar waarschijnlijk zijn hondenbrokken in zaten. Ik vroeg me af of  het arme dier in Santiago toegelaten zou worden in de crypte waar Jacobus begraven ligt. Het zou sneu voor deze ondernemende viervoeter zijn als hem, na 1500 km lopen, de toegang ontzegd zou worden.
De dagen na ons bezoek aan Vézelay werd het echt lekker zomerweer, maar voor Hans waren ze een kwelling: “Zu heiss. Er is zo geen lol meer aan.” Op een bankje in de schaduw in het dorpje met de voor hem toepasselijke naam Feux goot hij puffend bidonnetje na bidonnetje over zijn hoofd en shirtje.
“Je moet dat water niet over je hoofd gooien”, raadde ik hem aan, “maar drinken! Dat is veel effectieven.”
Dankzij een liter water, die hij met moeite naar binnen werkte, en vijf liter die hij met gemak over zich heen goot en natuurlijk zijn geweldige basisconditie, kwam hij weer vlot en konden we onze heerlijke tocht bij de ideale temperatuur van 37 graden vervolgen. 37 graden is namelijk de lichaamstemperatuur, dus dan hoeft het lichaam niet te koelen en niet te verwarmen, zodat je al je energie in het fietsen kunt steken. Dat is althans mijn theorie, die echter door sommige knappe bollen aangevochten wordt. Ik heb bij mijzelf echter nooit geconstateerd dat er iets niet aan klopte, dus voor mij geldt hij. (De 5e Wet van Van Rijn)
Voort ging het in zuidelijke richting, steeds maar over kleine weggetjes door prachtig, licht heuvelachtig land met bossen van tamme kastanjes en weilandjes met hagen er omheen. Bij Bussière Dunoise streken we neer op een mooie schaduwrijke camping aan een meertje. Ik had mijn fiets nog niet afgeladen of Hans lag al te plonzen in het water.
“Dit is goed voor een mens.” riep hij me vanaf het midden van het meertje toe. “Daar kom je weer geheel van bij. Kom ook!”
“Ik hoef niet bij te komen.” riep ik terug. “Ik ben al bij, maar als ik ga zwemmen moet ik bijkomen, als ik nog bij de oever kan komen.” Daarop ging ik op een zonnig plekje zitten schrijven aan mijn dagboek, met een van mijn tassen als rugsteun.
Op 22 Augustus, na een mooie reis door midden-Frankrijk, vrijwel alles over voortdurend slingerende departementale weggetjes met weinig verkeer en flink wat klim- en daalwerk, kwamen we in de buurt van Brive la Gaillarde, een vrij grote stad. Het verkeer werd drukker en drukker en terwijl we gewoon braaf de bordjes ‘Brive’ volgden zaten we plotseling op de autosnelweg. Auto’s stoven met 120 km/uur langs ons terwijl we uiterst rechts op de vluchtstrook reden. Sommige intolerante chauffeurs tikten op hun voorhoofd. Ik vroeg me af of deze ‘die-zijn-gedeukt’-gebaren ons golden of degenen die voor de bewegwijzering hadden gezorgd. In Frankrijk wordt zo hier en daar het een en ander voor de fiets gedaan, soms zelfs in de vorm van mooie fietspaden, maar doorgaans merk je daar weinig van omdat de aanduidingen langs de wegen die je er heen moeten leiden meestal ontbreken. Ook hier had men het niet nodig geacht ook maar het geringste bordje te plaatsen om een alternatief voor de fietser aan te geven, terwijl er voor de automobilist borden stonden zo groot dat je er schuren van kon bouwen.

Roque Gageac aan de Dordogne

Nadat we enkele kilometers illegaal langs deze kermisbaan hadden gereden, gelukkig zonder interventie van de politie, namen we de eerste afslag en kwamen op een van de vele rotondes van Brive. Daar zag een Franse fietser ons verloren onze rondjes draaien tussen borden voor het grote glimmende blik die verwezen naar Limoges, Toulouse en Bordeaux, terwijl we vergeefs zochten naar een te fietsen route naar het centrum.
“Problemen?” vroeg hij in het voorbijgaan.
“Ja”, antwoordde ik. “Is er een legale mogelijkheid om bij het station van Brive te komen?”
“Ja, die is er wel, maar je moet hem kennen anders is het een doolhof.” antwoordde hij. “Voor de fiets doen ze hier niet veel. Alles voor auto’s, maar volg me maar. Ik loods jullie er wel heen.” en hij bracht ons feilloos via secondaire wegen naar de stad en verder naar het station. Daar kocht Hans een kaartje terug naar huis, want zijn tijd zat er op. Ik fietste alleen door naar de Dordogne, waar ik prompt een regenbui kreeg. Daar had Hans, hoewel hij net als ik een grote hekel aan regen heeft, in zijn wanhoop vanwege ‘die grosse Hitze’ de weergoden om gesmeekt. Het gebed was blijkbaar verhoord, maar te laat voor hem. Daarom smeekte ik de goden op mijn beurt die bui zo snel mogelijk naar Zwitserland te laten afdrijven, het liefst tot pal boven Hans’ huis, zodat hij lekker kon afkoelen na zijn hete avontuur in Frankrijk.

Sarlat, een aardig middeleeuws stadje met heel veel restaurantjes

Langs de Dordogne volgde ik een oud spoorwegtracé, dat tot fietspad was omgebouwd, een leuke route met spoorbruggen en tunnels, maar helaas kwam het 4 km voor Sarlat, een erg mooi stadje volgens de informatrice van een toeristenbureau, op een gewone weg uit, waar ook auto’s mochten rijden. En die reden er! Op die 4 km naar de stad passeerden mij ongeveer  1.000.000.000.000.000.000 auto’s, maar ik kan er een paar naast zitten, want met zulke aantallen zie je er wel eens een paar over het hoofd. Na deze beproeving kreeg ik het erg aardige middeleeuwse stadje te zien. Kleine hoekige en kronkelige straatje geplaveid met hobbelkeien voerden lang fraaie oeroude huizen bedekt met leistenen dakpannen. De commercie was er, zoals in dergelijke plaatsjes meestal het geval is, ingesprongen met terrasjes en eettafeltjes. Tekenaars slingerden met enkele potloodhalen in 3 minuten je portret op papier en in vele winkeltjes kon je specialiteiten en producten van de omgeving kopen, zoals wijn, noten, chocolade, kaas en nog veel meer. Een originele attractie was een als Charlie Chaplin verkleedde man, die doodstil op een sokkeltje stond en met verf geheel wit gespoten was. De aardigheid zat hem natuurlijk hierin, dat hij zo nu en dan tegen een argeloze voorbijganger, die hem voor een standbeeld hield, ‘Bonjour’ fluisterde. Charlie had naast zich een omgekeerde hoge hoed staan en het was natuurlijk de bedoeling dat de passant die zich wezenloos geschrokken was door het ‘betoverde’ standbeeld daar een duit, of liever een euro in deed. Kortom, het was een gezellig plekje, te gezellig eigenlijk, want het krioelde er van de toeristen, waarvan gelukkig de meesten zich hadden teruggetrokken op de terrasjes en aan de eettafeltjes, want het was ondertussen lunchtijd geworden. Ik nam mijn lunch op een bankje op het pleintje: een baguette met puntkaasjes van de vache qui rit en vervolgde daarna mijn tocht.

Vier van de drie Musketiers

Op de rustige route tussen Vic Fezensac en Plaisance kwam ik door het kleine dorpje Lupiac. Bij het naambordje stond vermeld dat dit de geboorteplaats van d’Artagnan was, de vierde van de drie musketiers. En laat ik nou altijd gedacht hebben dat dat verhaal van die nobele degenvechters geheel aan de fantasie van Alexandre Dumas was ontsproten! Aan een man in de straat vroeg ik of d’Artagnan echt had bestaan, waarop hij antwoordde: “Als hij hier geboren is zal hij wel echt bestaan hebben, dacht u niet?” Daar zat een zekere logica in. Hij voegde eraan toe dat Athos, Porthos en Aramis, de drie maten van d’Artagnan, ook echt hadden bestaan, maar dat Alexandre Dumas er wel een hoop bijgehaald had en de zaak flink had geromantiseerd.
“Daar aan het eind van het dorp bevindt zich het museum van d’Artagnan.” zei hij en wees naar de straat die langs de kerk voerde. Dat wilde ik natuurlijk zien, maar helaas was het gesloten. Dat is meestal zo als ik een museum echt wil zien, terwijl musea waar ik mijn twijfels over heb altijd open zijn als ik er langs kom. Dan moet ik de kruis of munt methode toepassen, waarbij het muntje meestal op zijn verkeerde kant terecht komt.
Na een periode van mooi weer, die weer volgde op Hans’ verlate regenbui, was het in de Pyreneeën opnieuw malaise. In Gabas, op de route naar de Col du Pourtalet, de grens met Spanje, was het zelfs zo belabberd met zware duistere wolken die over de bergen omlaag zakten, dat ik een kijkje ging nemen in de refuge van de Alpinistenclub. Daar kon ik voor 13,40 euro in een zaaltje met zeven anderen slapen op een plank die, ruw geschat, 5 meter bij 1,80 meter mat en op een hoogte van ongeveer 80 cm was geplaatst. Die plank was het 8-persoonsbed, wat dus per persoon neerkwam op een strookje van 62,5 cm breed en 1,80 meter lang. Misschien was mijn schatting wat aan de krappe kant en was de plank nog 16 cm langer, wat per persoon toch maar weer twee centimeter extra breedte opleverde. Maar twee centimeter meer of minder: de privacy was nul komma nul. Daarom overwoog ik toch maar mijn tentje op te zetten in het bos of op een Pyrenese Alpenweide…..Hoewel…. De wolken werden steeds donkerder, dreigender en massiever en bovendien was er voor die nacht zwaar weer voorspeld. En dus was er weer eens een dilemma.
Sommige mensen vinden het getik van regen op het tentzeil gezellig en vallen dan in een heerlijke slaap, die hen soms gelukzalige dromen brengt. Bij mij worden het in het gunstigste geval nachtmerries, maar als het ‘gezellige’ getik overgaat in hevig geraas in combinatie met lichtflitsen en donderslagen, slaap ik natuurlijk helemaal niet, wat eigenlijk beter is, want dan kan ik om de paar minuten aan het grondzeil voelen hoe hoog de laag water is die er onder staat. Dat hoort bij de romantiek van het wild kamperen, maar ik heb het eigenlijk liever wat minder romantisch.
Iets terug in het dorp had ik een hotel gezien. Daar kon ik voor 26 euro een kamer krijgen. Dat is 169,50 Franc. Vroeger zou je je wild schrikken van zo’n bedrag, maar met onze geweldige euro schrik je nergens meer van, want 26 ziet er sympathieker uit dan 169,50. Alles is in Frankrijk een factor 6,52 goedkoper geworden nadat de geleerde heren in Parijs besloten hadden de Brusselse sprong in het duister te wagen. En omdat het maar 26 in plaats van 169,50 was, sloeg ik toe. Geen 7-voudig geronk om me heen op een strookje van een paar decimeter en ook geen getik of gehoos op mijn tent, maar het comfort van een kamer met bed. Decadent, maar een mens moet zich zo nu en dan eens in de watten leggen.
Het voorspelde zware weer bleef niet uit. De hele nacht regende het en dat deed het de volgende ochtend nog steeds. De toppen van de bergen lagen nog verder onder de vette mist en het enige wat goed te zien was toen ik uit mijn raampje keek, was de van regenwater glimmende weg en de bellen op de vele grote plassen er langs. Ik had dus de juiste keuze gemaakt door dit hotelletje te nemen, wat wel in de krant mocht, want als er wat te beslissen is zit ik er meestal naast. Met zulk weer was het geen lolletje om van Gabas, op ongeveer 1000 meter hoogte, naar de pas op 1794 meter te fietsen en dus bracht ik een groot deel van de ochtend lezend door in een spannend boek van Alistair Maclean waarin het ging over een expeditie ergens in de buurt van de Noordpool bij 50 graden onder nul. Als je al het ongerief dat bij zo’n onderneming hoort leest, verbleekt zo’n klim in de gietende regen naar de Col du Pourtalet tot een futiliteit.
Om een uur of elf stopte de regen zowaar en dus sloeg ik het boek dicht, laadde mijn bagage op de fiets en vertrok voor de laatste 15 km in Frankrijk. De hoteleigenaar had mij gezegd dat het weer aan de andere kant van de pas mooi was en zowaar kwam er dicht voor de pas wat beweging in de grimmige wolkenmassa. Precies boven op de pas scheurden de wolken uiteen en verscheen de zon, die de grauwe massa van de rotspartijen kleurde tot een prachtig berglandschap. ‘Bienvenido en Espaňa’ stond er op een bord. Jammer van die laatste sombere kilometers, maar afgezien daarvan was het een mooie tocht door Frankrijk geweest, met over het algemeen mooi weer, iets wat Hans volmondig had kunnen beamen. Hier wachtte mij Spanje en verderop Portugal. Over mijn belevenissen daar hoop ik te zijner tijd verslag te doen.