Presentatie van ‘In de ban van Stempelstan’ tijdens de Fiets- en Wandelbeurs 2011

Zaterdag 26 Februari presenteerde ik op de Fiets- en Wandelbeurs in de Rai in Amsterdam mijn nieuwe boek ‘In de ban van Stempelstan’, een reis door Centraal Azië. Dat deed ik tijdens mijn lezing met lichtbeelden over een fietstocht door Afrika. Bij een dergelijke gelegenheid is het gebruikelijk om het eerste exemplaar aan te bieden aan een bekende Nederlander. Ik wilde me bij dat gebruik aansluiten, maar het probleem was: welke bekende Nederlander? De topscorer van een reuze-belangrijk voetbalteam? Een van onze ministers? De algemeen directeur van een geweldig concern? Witteman, Pauw of een andere TieVie-star zoals de weerman of de nieuwslezer? Ongetwijfeld hebben die allemaal al een eerste exemplaar van het een of andere boek en de kans is niet denkbeeldig dat het op de stapel ongelezen papier terecht is gekomen. Na diep nadenken besloot ik het boek te geven aan iemand die erg belangrijk voor mij is en die het ook zeker zou gaan lezen: Erik Stam, bij het grote publiek nog niet erg bekend en misschien zelfs ook niet bij u, maar u kent ongetwijfeld wél zijn werk. U kijkt er op dit moment zelfs naar: mijn prachtige, boeiende website, die al menigeen lange tijd van zijn werk heeft gehouden, want als je er in begint te lezen is het moeilijk om er mee te stoppen, zo hoor ik van velen.


Ik ken Erik al vanaf 1964 toen ik met mijn ouders op vakantie was in het Zuidfranse dorpje Montauroux. Erik was daar ook met zijn ouders. We maakten er lange wandelingen door het dal van de Siagne, naar St. Cézaire en over de Plaine des Rochers. Toen het eens een dag wat minder mooi weer was heb ik hem schaken geleerd. In één middag presteerde ik het om niet alleen alle regels te behandelen, maar ook een flinke dosis openings-, middenspel- en eindspeltheorie, waarbij matdrijven met paard en loper niet ontbrak, een, zelfs voor gevorderde schakers, vrij taaie klus. Hier bleken voor het eerst mijn bijzondere gaven op het gebied van de didactiek, die mij jaren later tijdens mijn docentschap natuurkunde zo goed van pas zijn gekomen, een docentschap dat overigens maar enkele maanden duurde. Het resultaat van die vijf en een half uur durende schaakles: Erik heeft nooit meer een schaakstuk aangeraakt.
Ruim veertig jaar later nam hij revanche. Hij drong er bij mij op aan dat ik me eindelijk eens een computer zou aanschaffen. Toen ik dat had gedaan vertelde hij me in één middag alles (nu ja, toch wel bijna alles) over de computer, waarbij het rangschikken van digitale foto’s niet ontbrak, een zelfs voor gevorderde computerologen vrij gecompliceerde job. Resultaat…….Ik heb nooit meer……..
Ja, dat had u, geachte lezer, gedacht. Neen! Na vijf minuten was mijn hoofd verzadigd met klik-hier-en-klik-daar en heb ik de rest van de tijd uit het raam zitten kijken naar de vogels en alle wijsheid over me heen laten gaan, iets waarin ik altijd heb uitgeblonken. Bij de volgende computerles van Erik heb ik in een schriftje alle klikken en klakken, die ik nodig heb om een zeker doel te bereiken, opgeschreven zonder er één over te slaan. Dat schriftje leidt mij nu feilloos door het gecompliceerde computerlabyrinth en stelt mij zelfs in staat complexe bewerkingen uit te voeren als het rangschikken van digitale foto’s.

digital Frankie

Dankzij Erik en het klein computerboek, is ook mijn elfde boek digitaal uit de verf gekomen, het eerste op die manier, want alle tien voorgaande boeken heb ik de uitgever analoog aangeleverd, ofwel met de hand geschreven. (In dit verband is het aardig op te merken, dat ik van die tien boeken de originele manuscripten nog heb. Ik heb een stille hoop dat die over een paar honderd jaar plotseling zullen opduiken in het programma ‘Tussen Kunst en Kitsch’ en dat de presentator ze dan in de juiste van de twee categorieën zal plaatsen.)
Jammer genoeg ontbrak bij de presentatie van mijn boek in de Rai de tijd om Erik een wederwoord te gunnen, toen hij het boek in ontvangst nam, want ik moest me, in het uur dat mij door de organisatie ter beschikking was gesteld, ook nog door 5925 kilometer Afrika heen werken. Erik is emeritus-legerpredikant en als je een predikant het woord geeft…….. dan zou de reis door Afrika wel eens in een tijdnoodrace kunnen ontaarden.
Zondag 27 Februari hield ik nogmaals de Afrika-lezing op de beurs. Tijdens die lezing was er wéér een, bij het grote publiek niet bekende, maar voor mij en de toeschouwers wel erg belangrijke, Nederlander in de zaal aanwezig, die eigenlijk ook in aanmerking kwam het eerste exemplaar van mijn nieuwe boek overhandigd te krijgen. Gelukkig had ik het tweede exemplaar nog en toen ik het inkeek viel het mij op, dat het erg leek op het eerste, zozeer zelfs, dat ik me afvroeg of dít niet het eerste was. Ik gunde John Telleman het voordeel van de twijfel, riep hem in de zaal naar voren en bood hem dit tweede eerste exemplaar van “In de ban van Stempelstan” aan. En ook hij kreeg geen wederwoord, want weer moest er in een uur een kleine 6000 kilometer over het witte doek gefietst worden.
“Waarom was John Telleman zo belangrijk dat hij een tweede eerste exemplaar uitgereikt kreeg?” zult u zich afvragen. Welnu, voor deze lezing rangschikte ik met behulp van mijn computer en mijn schriftje een serie foto’s waar ik over wilde vertellen en het was John die daar een  powerpointpresentatie van heeft gemaakt. Zonder powerpoint kun je tegenwoordig bijna nergens meer aankloppen en zeker niet bij de Rai, die kort geleden zijn fantastische overvloei-diaprojectoren naar de kringloopwinkel heeft gebracht. Zonder John dus geen plaatjes en zonder plaatjes geen Afrika-lezing. John was het ook, die mij in contact heeft gebracht met Eduard Roelofs, de vader van Sandra Roelofs, die met Mikhail Saakashvili, de president van Georgië, is getrouwd. En het is bij deze president thuis in Tbilisi, dat zowel het eerste exemplaar als het tweede exemplaar van mijn nieuwe boek begint. Overigens beginnen ook het derde en alle volgende exemplaren daar, want om helemaal eerlijk te zijn, lijken alle exemplaren van ‘In de ban van Stempelstan’ op elkaar, zodat als u, geachte lezer, het boek in de winkel koopt of in de bibliotheek leent, u zichzelf ook kunt beschouwen als een, misschien niet zo heel bekende, maar voor mij wel erg belangrijke Nederlander.
“En wat doet een eenvoudige globetrotter, die in een tent hoort te zitten, nu bij een president thuis?”, zult u zich terecht afvragen. Om deze vraag te beantwoorden, laat ik hier het korte eerste hoofdstuk van mijn nieuwe boek volgen:

1-Een straaljager zonder vleugels
Met één hand aan het stuur en in de andere zijn mobiele telefoon, waardoor hij Georgische volzinnen naar de satelliet zendt, koerst onze voortreffelijke chauffeur met een vaart van 140 kilometer per uur, waar slechts 50 is toegestaan, door het drukke stadsverkeer van Tbilisi. SPS 145 is het kenteken van zijn bolide en aangezien SPS staat voor Special Presidential Service, of iets dergelijks, zal geen enkele agent het in zijn hoofd halen om op zijn fluitje te gaan blazen. Voor het eerst in mijn leven knoop ik vrijwillig de veiligheidsgordel om, hoewel die bij een dergelijke snelheid weinig zal uitrichten als het fout loopt.
Achterin zit Joop Verstrate, die zichtbaar geniet van deze kermisrit en naast hem hangt onderuitgezakt, geheel uitgeteld en bleek van de wagenziekte, Natia, een speciaal voor deze gelegenheid opgetrommelde fotografe. Ik hoop dat ze straks nog in staat zal zijn wat foto’s te maken van ons bezoekje aan de president.
“Het lijkt wel of je benauwd bent”, zegt Joop lachend, terwijl we de linker vangrail op een haar na raken en vervolgens schuin over de weg op die aan de rechterkant af koersen, een manoeuvre om wat hinderlijke kruipers van 80 kilometer per uur voorbij te gaan.
“Ik bang??”, vraag ik, met moeite een glimlach producerend, terwijl het zweet op mijn voorhoofd staat. “Kom nu toch!”
Tot mijn verbazing komen we enkele minuten later geheel ongedeerd aan bij het door politie en militairen bewaakte, zwaar ommuurde, huis van Mikhail Saakashvili, de president van Georgië en zijn Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs. Ik tel er een dozijn grote zwarte SPS-wagens en verder ritselt het er van de lijfwachten in zwarte pakken met onder hun onberispelijke jasjes grote schietijzers, waarmee ze iedereen overhoop schieten die een vinger naar de president of Sandra durft uit te steken. Op diverse plaatsen zijn camera’s gemonteerd, die de muur, de metalen poort en de omgeving scherp in de gaten houden, dus veel aardigheid zul je er niet aan beleven om hier over de muur te klauteren.

Joop mocht aanvankelijk niet mee naar de president, want wie was Joop? Toen ik echter gisteren de secretaresse van Sandra uitlegde, dat hij een goede vriend en fietsmaat is van Eduard Roelofs, de vader van Sandra, was ook hij welkom op de ontvangst.
Dat ík er welkom ben lijkt natuurlijk niet zo vanzelfsprekend, want als toerist loop je nu eenmaal niet even bij een president binnen, maar ik ben hier op een speciale missie. Door toeval kwam ik een paar jaar geleden in contact met Eduard Roelofs, een gepensioneerde makelaar uit Terneuzen en enthousiaste amateurwielrenner. Toen hij hoorde dat ik van plan was op de fiets naar Georgië te gaan, het tweede vaderland van zijn dochter, bood hij aan mij op het laatste traject van mijn reis te vergezellen. En zo kwam het dat Eduard vorig jaar, nadat ik van Nederland via de Balkan en Turkije naar Georgië was gefietst, mij ergens in Georgië tegemoet kwam rijden in  de SPS 145. Met die auto op onze hielen fietsten we de volgende dag Tbilisi binnen. Enkele dagen later had hij het voor elkaar dat ik de president wat over mijn fietsreizen mocht komen vertellen, vijf minuutjes slechts, want daarna moest hij spoorslags een Navo-hotemetoot van het vliegveld gaan halen. Die vijf minuutjes werden er 20 vanwege enkele gemeenschappelijke interesses, waaronder fietsen. In de hitte van het gesprek merkte ik op: ”Ik regel voor u en Sandra twee fraaie Gazelles, dan kunt u na uw tweede ambtstermijn samen van Tbilisi naar Terneuzen fietsen”.
Dat was natuurlijk een grapje, hoewel….toen ik er later over nadacht leek het me nog helemaal niet zo’n slecht idee en na mijn terugkeer in Nederland belde ik Peter Cijs erover op, de accountmanager van Gazelle: ”Ik heb Saakashvili en zijn vrouw in een enthousiaste bui twee mooie fietsen beloofd, maar die oude van mij, waarmee ik een paar maal de aarde ben rond geweest, lijken me daar niet zo geschikt voor. Hoe gaan we dat aanpakken?” Peter wist er wel raad mee en liet twee prachtige exemplaren bouwen.
En zo ben ik nu, na bijna een jaar, weer terug in Tbilisi om die twee rijwielen, die al vooruit zijn gestuurd, aan de president en Sandra te overhandigen. Dat is overigens niet de enige reden dat ik naar Tbilisi ben gevlogen. Als ik hier klaar ben ga ik mijn reis van vorig jaar vervolgen naar en door Centraal- Azië.
De poort in de muur rond het huis van de president zit nog op slot, dus Joop en ik moeten wachten. Na drie kwartier heen en weer sloffen, juist als ik me begin af te vragen of het wel zo nodig was dat onze chauffeur op het ritje van 7 km bijna door de geluidsbarrière ging, zwaait de poort open en mogen Joop en ik de daarachter gelegen tuin binnengaan. Sandra komt ons tegemoet en nodigt ons uit aan een tafeltje plaats te nemen, waar enkele glazen en een kan vruchtensap op staan. Links tegen een boompje zie ik twee in het zonlicht fonkelende goudgele fietsen staan. Dat moeten de Gazelles zijn die ik zo dadelijk ga overhandigen.
We praten wat over het weer en drinken een glas sinaasappelsap, terwijl Natia, die na onze avontuurlijke autorit toch weer wat kleur op haar gezicht terug heeft, een aantal foto’s van ons schiet.

“Mijn man komt zo”, merkt Sandra op. “Hij moet zich klaarmaken om straks voor de kanselarij het defilé af te nemen”.
Zoiets vermoedde ik al, want vandaag is het 26 mei, de Onafhankelijkheidsdag van Georgië, en dat wordt natuurlijk groots gevierd.
“Hoe laat begint dat defilé?” vraag ik.
“Om elf uur”, antwoordt Sandra.
Ik kijk op mijn horloge. Het is vijf over half elf. Dat kon dus wel eens tijdnood worden, want natuurlijk ga ik die fietsen niet afgeven zonder een aardig praatje.
Na nog eens tien minuten wachten verschijnt Mikhail Saakashvili in de deuropening. We schudden elkaar de hand en ik vraag of hij mij nog kent.
“Natuurlijk ken ik je nog”, antwoordt hij. Blijkbaar heb ik vorig jaar nogal indruk op hem gemaakt, waarschijnlijk door mijn verhaal dat ik kort daarvoor in Lagodekhi bij de grens van Azerbeidzjan door een klein rothondje in mijn achterwerk gebeten werd, terwijl ik me van voren een grote agressieve hond, bijna van het formaat van een paard, van het lijf hield, die onverwacht uit een rioolput omhoog kwam. Saakashvili had dat nogal vermakelijk gevonden: ”Ha, ha. Je hebt mijn hondjes toch geen kwáád gedaan hoop ik?”
Zijn hondjes?! Ik vertelde maar niet dat ik door heel Georgië wel tientallen keren door ‘zijn’ hondjes was aangevallen. Voor mij was dat voorval in Lagodekhi niet zo vermakelijk, want ik moest als de weerlicht naar Tbilisi om een stel hondsdolheidsprikken te halen.
“Kom, dan gaan we even op de foto”, zegt Saakashvili en hij loopt naar de fietsen. Sandra, Joop en ik volgen en Natia, die weer helemaal bijgekomen is, schiet plaat na plaat. Na anderhalve minuut is de seance voorbij en nog voor ik aan mijn praatje kan beginnen, waarin ik een paar ideeën voor een aardige route naar Nederland wil geven, zegt Saakashvili: “Goede reis verder” en springt in de ondertussen het tuinpad opgereden dienstauto. Geëscorteerd door een stuk of acht grote SPS-wagens met loeiende sirenes en zwaailichten verdwijnt zijn bolide in de richting van het centrum. Ik sta nog een beetje verbluft te kijken, terwijl Sandra in haar witte auto de andere auto’s achterna gaat.
“Kom mee”, zegt onze chauffeur ongeduldig en loopt al in de richting van zijn machine. Joop, Natia en ik volgen gehaast, maar we rijden juist te laat weg om ons in het vacuüm het escorte mee te laten zuigen. De chauffeur zal dus wel weer kunst- en vliegwerk moeten gaan uithalen om ons op tijd af te leveren bij het defilé. Joop steeds alle vertrouwen in hem en glimt van genoegen bij het vooruitzicht op nieuwe actie. Natia voelt waarschijnlijk bij voorbaat haar maag al naar haar keel omhoog kruipen en ik sjor me voor de tweede keer in mijn leven vrijwillig vast aan de zitting. Het enige dat aan deze straaljager ontbreekt, zijn de vleugels.

Benieuwd naar hoe het allemaal afloopt? Lees dan de volgende 299 bladzijden van: ‘In de ban van Stempelstan, een reis door Centraal Azië’, waarbij u ook nog 158 kleurenfoto’s te zien krijgt.
Uitgeverij Elmar. ISBN 978-90-389-2037-5

Mijn nieuwe boek

‘IN DE BAN VAN STEMPELSTAN’, een reis door Centraal Azië.

Het heeft lang geduurd, voor sommigen, mijzelf inbegrepen, te lang, maar eindelijk is het manuscript van mijn reis door Centraal Azië klaar. Alle puntjes staan op de i, de foto’s zijn voorzien van onderschriften en de kaartjes zijn getekend. Tijdens mijn reis door de Verenigde Staten, afgelopen zomer, heb ik de laatste hoofdstukken geschreven en thuis heb ik de in een schriftje gekrabbelde hiëroglyfen met één vinger uitgetypt op mijn gloednieuwe en eerste computer. Daarbij ontplooide dit wonderinstrument soms merkwaardige eigen initiatieven, die niet overeenstemden met mijn intenties, een situatie te vergelijken met een ruiter die voor het eerst van zijn leven op een paard zit en meteen de meeste woeste hengst van de rodeo uitkiest. Het behoeft dan ook geen betoog, dat ik vele virtuele buitelingen en valpartijen heb gemaakt.

Door echter bijtijds op de fiets te springen om stoom af te blazen als het toverapparaat weer eens onvoorspelbare en bijzarre kuren had, wist ik de neiging te onderdrukken om het hele zooitje het raam uit te smijten. Zoiets geeft even opluchting  maar wat heb je er verder aan? Met een handgeschreven manuscript kun je tegenwoordig niet meer aankloppen bij een uitgever, dus zelfs schrijvers moeten hun manuscript digitaal inleveren, wat eigenlijk een contradictie is, want manuscript betekent: met de hand geschreven. (Volgens mij moet een getypt manuscript ‘manutypt’ heten. Zie de volgende editie van de Dikke van Dale.)
Gisteren heb ik het manutypt ingeleverd bij de uitgever en als alles volgens zijn planning verloopt, zal het boek uitkomen op Zaterdag 26 Februari tijdens de Fiets- en Wandelbeurs in de Rai in Amsterdam. Daar houd ik zowel Zaterdag als Zondag een lezing over mijn tocht van dit jaar door Afrika (Egypte, Sudan, Kenia en Oeganda). Ik hoop dan een flink stapeltje van ‘In de ban van Stempelstan’ bij me te hebben om vaste bezoekers in staat te stellen hun verzameling reisverhalen compleet te houden.

Het boek begint met mijn bezoek in Tbilisi aan Mikail Saakashvili, de president van Georgië en diens Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs. Ik overhandigde ze elk een mooie Gazelle waarmee ze t.z.t. van Tbilisi naar Terneuzen kunnen fietsen, voor het geval er voor een president een sabatical year in zit. Door Georgië en Azerbeidzjan reed ik na de overhandigingsplechtigheid naar Bakoe, waar ik me inscheepte voor de tocht over de Kaspische Zee naar Turkmenistan. Tijdens deze oversteek, die lichtelijk uit de hand liep, kwam ik tot het besluit dat ik nooit meer over zee zal reizen naar een plek, die ik ook over land kan bereiken. Vanaf Turkmenbashi, waar de boot uiteindelijk toch nog aan kwam, vervolgde ik mijn reis door de woestijn van Turkmenistan naar Oezbekistan. In dat land bezocht ik de historische en monumentale steden Buchara en Samarkand.
Voort ging het, nu door de bergen, naar Dusjanbe, de hoofdstad van Tadjikistan. Daar haalde ik Hans Koster van het vliegtuig uit Zürich, een Zwitserse fietsvriend die ik jaren geleden in Oostenrijk en enkele jaren geleden door toeval weer in Birma ontmoet heb. Gezamenlijk reden we over hoge passen van het Pamir-gebergte en door de mooie en ruige Bartang-vallei naar Muzkol aan de Pamir-highway, een doorsteek die tot de hoogtepunten van de tocht behoorde.
Tijdens deze reis ben ik in de ban geraakt van de overweldigende natuur, de interessante cultuur en bovenal de bijzonder gastvrije en vriendelijke bevolking onderweg. Dat er nogal wat stempels geplaatst moesten worden op de nodige documenten en formulieren in deze stan-landen, die nog maar betrekkelijk kort onder het juk van het communisme uit zijn en daardoor hun bureaucratie nog niet geheel de rug toegekeerd hebben, zal geen verwondering wekken. Zulk stempelgetob behoort natuurlijk tot de charmes van zo’n tocht, maar waarschijnlijk zijn die charmes charmanter voor de lezer, dan voor de reiziger.

‘In de ban van Stempelstan’ zal verschijnen bij uitgeverij Elmar. Op 14 September ging deze uitgeverij op dramatische wijze failliet, maar onlangs is er door een aantal van de oude werknemers een doorstart gemaakt, zodat Elmar weer op de boekenrails staat. En gelukkig voor hen, en ook voor mij, kunnen ze meteen aan de slag met een nieuw boek.

Mijn tweede prioriteit

Onlangs deed ik Lima aan, een plaatsje waar je, als je een beetje doorfietst, in ongeveer vijf minuten van noord naar zuid doorheen bent en waar naar mijn schatting niet meer dan 300 mensen wonen. Het telt één benzinestation, één café en één schooltje.
Ik kan me voorstellen dat er nu een oplettende lezer is die zich afvraagt of ik geen vier nullen vergeet bij dat inwoneraantal van Peru, of die vijf minuten geen vijf uren zijn en of ik de horeca, de brandstofvoorziening en het onderwijs aldaar niet wat onderschat. Maar nee, ik vergeet geen enkele nul en die vijf minuten kun je, als je je best doet, zelfs terugbrengen tot vier. Dit Lima is dan ook niet de hoofdstad van Peru, maar een dorpje ergens in Montana in de Verenigde Staten en het wordt uitgesproken als Laaimaa, omdat Engelstaligen nu eenmaal graag de woorden uitspreken zoals het niet hoort. Al die drie openbare gebouwen van Lima heb ik aangedaan, waardoor ik er toch bijna vijf uren over deed om er door te komen: het benzinestation om er 0,1 gallon brandstof voor mijn primusje te kopen, het café om er drie en een half uur te schuilen voor een geweldige regen- hagel- en onweersbui en het schooltje om te vragen of er een mogelijkheid was om het wereldwijde web af te speuren, want het drupte nog steeds en dan is het, als er een computer in de buurt is, meeltijd. Die mogelijkheid was er en even later kon ik een paar nieuwe berichten lezen. Eén daarvan luidde: “Ha, die Frank. Alles goed? Ik wilde weten waar je zat en keek daarom op je website. Daar las ik dat je nog steeds in Aswan, in het zuiden van Egypte, zit. Dat schiet dan niet erg op!” Deze kennis wist het weer eens fijntjes te brengen, want na mijn reis door Egypte, Sudan, Kenia en Uganda is hij bij mij thuis geweest, waar ik hem vertelde over mijn plannen om deze zomer door de VS te gaan fietsen. Hij wist dus wel beter, maar zijn berichtje was een kleine steek onder water, om mij te wijzen op mijn laksheid in het bijhouden van mijn webnieuws. Ja, inderdaad, het wordt tijd dat ik daar eens wat aan doe! Bij deze dan.
Van Aswan nam ik de boot over het Nassermeer naar Wadi Halfa in Sudan, een aanrader voor iedereen die van avontuur en boten houdt: 500 man op een schuitje dat met 100 passagiers eigenlijk al overvol is, het dek zo volgestouwd met slapende Sudanezen, dat het een sport was om zonder op ledematen of vingers te trappen van bakboord naar stuurboord te komen en houten bankjes in de longue waar de fabrikant heel ingenieus een houten randje langs de rugleuning had aangebracht dat precies in je rug prikte, zodat achterover leunen een soort fakirisme (nieuw woord! onthouden!) was. Verder werd er een vracht goederen geladen van ijskasten, aggregaten en allerlei andere machines tot balen rijst en aardappelen, alles bij elkaar zo veel dat je benauwd was dat de schuit met man en muis naar de haaien zou gaan. Maar de kapitein wist blijkbaar precies hoe ver hij met het stouwen van goederen kon gaan want we bleven boven water. Na deze avontuurlijke foltering van precies 25 uur, alles verbazend genoeg precies op schema, liepen we de haven van Wadi Halfa binnen. Met mijn geploeter door Sudan in 1981 nog scherp in herinnering (Zie mijn boek: ‘Aan de voet van de Tour de Madeloc’, eerder verschenen onder de titel: ‘Vijfentwintig jaar later’.) was ik aangenaam (of onaangenaam?) verrast met 980 km gloednieuw asfalt door de woestijn tot aan Khartoum, in plaats van zand, stenen en stof.
In Kenia en Uganda bezocht ik een aantal projecten van Cycling outof Poverty, een kleinschalige Nederlandse ontwikkelingsorganisatie, die mij als ambassadeur heeft aangesteld. (Ja, ja! Nooit gedacht nog eens ambassadeur te worden!) Over een van die bezoeken en wel dat in Kisumu in Kenia, heb ik verslag uitgebracht in Op Pad, nummer 4 van 2010, maar als u geen abonnee bent wordt het zoeken op rommelmarkten. (Misschien krijgt u het nummer wel cadeau als u zich alsnog abonneert!)
Terug in Nederland werkte ik hard (voor mijn doen!) aan mijn nieuwe boek ‘In de ban van Stempelstan’, een reis door Centraal Azië, dat, als alles goed gaat, eind Februari 2011 bij uitgeverij Elmar zal verschijnen, juist voor de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam (Rai), waar ik weer present zal zijn voor het houden van lezingen.
Begin Juni vloog ik naar Phoenix in Arizona voor mijn reis door de VS, maar het manuscript van Stempelstan was nog niet klaar. Het laatste hoofdstuk ontbrak nog en het schrijven daarvan was, als mij ‘s avonds bij de tent nog wat tijd restte voordat de zon onderging, mijn eerste prioriteit.
Thuis, bij het plannen van deze reis, met een zak pepernoten naast me en onder het genot van een aantal vioolconcerten van Vivaldi, had ik natuurlijk weer eens te veel hooi op mijn vork genomen. Weliswaar maakte ik het niet zo bont als veel Europese toeristen, die met een huurauto in vijf weken de hele VS afkarren en daarbij alles zien, of althans denken alles te zien, maar als je op een fiets van Phoenix eerst naar Chiricahua National Park wilt, dat dicht bij de Mexicaanse grens ligt en dan een vriend wilt opzoeken die halverwege Idaho woont en vervolgens naar Denver moet voor je vliegtuig naar Nederland, dat alles in 88 dagen, wordt het doortrappen, vooral als je onderweg intensief wandelingen wilt maken in de vele nationale parken die het land rijk is. En dat wilde ik natuurlijk allemaal. Het resultaat van deze te optimistische planning was dat ik inderdaad Chiricahua National Park bezocht, alsmede diverse andere parken, waar ik een flink aantal forse wandelingen maakte en dat ik ook mijn vriend in Idaho bezocht, maar dat ik niet alle parken kon aandoen die ik wilde zien en dat er ‘s avonds na het koken meestal geen tijd over bleef om aan mijn eerste prioriteit oftewel het laatste hoofdstuk van mijn boek te werken. Dankzij enkele heldere momenten van inspiratie en een dag regen, waarop ik de fiets niet aanraakte en geen stap wandelde, kreeg ik dat laatste hoofdstuk toch in mijn schriftje geklad, maar mijn websiteartikel, mijn tweede prioriteit, waarvoor u allen elke dag uw computer raadpleegde en waar ik natuurlijk voortdurend met een zeker schuldgevoel aan dacht, bleef almaar liggen.
En zo brak de laatste dag van mijn reis door de VS aan en nog had ik niets op papier voor het wijde web. Ik fietste naar Denver om het vliegtuig via Houston naar Amsterdam te nemen. Mijn vlucht ging al om 10.45 in de ochtend, wat betekende dat ik, ofwel de avond tevoren op het vliegveld zou moeten aankomen en de nacht daar zou moeten doorbrengen, ofwel een hotel dicht bij het vliegveld zou moeten nemen om op tijd te komen. Nu behoren hotels dicht bij vliegvelden meestal niet tot de goedkoopste onderkomens en dus zou ik de kans lopen voor dat ene nachtje meer neer te moeten tellen dan voor een maand fietsen door de VS. Een dergelijk buitenproportioneel luxe hotel zou me stellig een slapeloze nacht bezorgen. Welnu, als het dan toch een slapeloze nacht moest worden, dan maar slapeloos op het vliegveld. Tijdens die slapeloze nacht zou het er dan eindelijk van moeten komen om iets websitewaardigs op papier te slingeren, besloot ik. En dus installeerde ik me, na aankomst op Denver International Airport op zo’n karakteristiek airportstoeltje, waarop je nooit een oog dicht kunt doen, nam mijn schriftje en begon….met naar omhoog te staren in de hoop dat de wijsheid en inspiratie van boven zouden komen, maar er kwam geen inspiratie en de enige wijsheid die wel kwam was, dat ik de boel na drie bladzijden knoeiwerk weer opborg. Daarna zocht ik een relatief rustig hoekje op, waar het wonder boven wonder niet tochtte, rolde daar mijn slaapzak uit, kroop er in en miste zo mijn slapeloze nacht.
Maar er volgde nóg een wonder: de esprit kwam, zei het aarzelend en misschien niet geheel overtuigend, in het vliegtuig van Denver naar Houston en vergezelde me verder over de oceaan naar Amsterdam. Dit bijpratertje is daarvan het resultaat. Helaas….van wat ik op deze reis in de VS heb beleefd, blijft u voorlopig nog even in het ongewisse. Ik hoop daarover t.z.t. in Op Pad en eventueel in andere bladen het een en ander te schrijven. Mis die Op Pad dus niet (weer)!!

Tot besluit wil ik de mensen bedanken, die zo spontaan en enthousiast het een en ander in mijn web-gastenboek hebben geschreven. Zo’n stukje terugkoppeling geeft me altijd weer het gevoel dat mijn verrichtingen toch niet geheel zinloos zijn. Het zijn duwtjes in de rug, die weliswaar niet direct een verhaal als resultaat hebben, maar die ik wel als erg belangrijk ervaar. Dank daarvoor dus Mark, Martijn, Philippe, Marianne, Bart, Alietonnyhorrebieter, Clara, Jan, Willy, Marino, Margrieta, Bas, Jacomijn, Nel, Hetty,  Emiel en Saskia, Kees, Riet, Reinout, Jackie, Roland en Cess en Mary.

Frank van Rijn.

Lectori Digitali Salutem

Een stel peperdure visa, letters of invitation, travelpermits en een dag lang bureaucratisch mens-erger-je-niet spelen in een sombere overheidsspelonk voor een stukje voddig papier van 6 x 8 cm met een stempel er op …. Je moet er wat voor over hebben om een stel voormalige Sowietrepublieken te mogen bezoeken. Dat erger-je-niet spelen gaat mij normaal al niet zo soepeltjes af maar toen in Dushanbe, de hoofdstad van Tadjikistan, door de een of andere belangrijke bons het honderdeneerste probleem werd gecreëerd, met de opmerking: “Er staat geen nummer boven uw travelpermit”, werd het me te machtig.
“Het barst van de nummers op de permit” antwoordde ik geïrriteerd.
“Maar op het randje hierboven moet ook een nummer staan en dat ontbreekt”
“Dit is mijn laatste reis door zo’n stempel-nummer-registratie-permitland” siste ik in het Nederlands, de wanhoop nabij “volgend jaar ga ik naar het Tjeukemeer”.
“Wablief?” vroeg de bons.
Ik dwong me opnieuw tot geduld en diplomatie van de hoogste orde en na anderhalf etmaal kon ik zo waar het zo vurig verlangde vodje met stempel in ontvangst nemen. Kosten: slechts $ 38,- en daarvoor waren misschien wel vijf mensen een dag voor in de weer geweest. Dat is een uurloon van tweeënzeventig eurocent. Een koopje! Zoiets lukt je in Nederland niet meer!

Afgezien van dit mens-wat-heb-je-je-weer-geërgerd spel, had ik een mooie reis van ruim vier maanden door Centraal Azië, maar verderop doemde al weer een nieuw probleem op. “Hoe meer fietstoeristen in ons land tijdens de Olympische Spelen, hoe meer kans op revolutie” dachten de Chinezen en die bezorgdheid is natuurlijk volkomen terecht. Stel je voor: honderdduizenden fietsers die vanuit Europa komen aanzwermen, zoiets als indertijd de horden van Jengiz Khan op hun paarden. Die zouden gemakkelijk Peking kunnen bezetten met en passant heel Tibet er bij. En daar houden de Chinezen niet van, reden om van de ene dag op de andere, de visum afgifte aan de toeristenstop te zetten.

Mijn plannetje om door China naar Laos en Thailand te fietsen viel daardoor in duigen en bovendien kwam ik, in het in September steeds kouder wordende Centraal Azië, vast te zitten. Om de barre winter te ontlopen bood het vliegtuig de enig redelijke oplossing. Daarbij had ik de keuze tussen terug te keren naar Nederland en daar in mijn comfortabele huisje de winter door te brengen met het inplakken van dertig schoenendozen vol krantenknipsels van Heer Bommel, Panda, Koning Hollewijn en Eric de Noorman of een sprong over de Himalaya te maken naar een warme plek om va deze, door de Chinezen in duigen geslagen tocht toch nog iets te maken. Ik koos voor het laatste, namelijk Delhi en bewaar die Bommels, Panda’s, Hollewijns en Noormannen voor na mijn pensioen. Dan heb ik nog wat te doen en val ik niet in het beruchte vacuüm dat iedere Workaholic als het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt.

Vanaf Delhi trok ik vijf maanden rond door het Indiase subcontinent. In het altijd weer mooie Nepal deed ik hoewel het al vrij laat in het jaar was een trekking naar het basiskamp van de Annapurna midden in een overdonderend sneeuwtoppen massief. Bangladesh, waar ik een week rond reed, was nieuw voor me, hoewel het met zijn mensenmassa’s en legers van fietsriksja’s sterk leek op het India van 1983. Het grootste deel van deze vijf maanden trok ik rond door het reusachtige India voordat ik van Bombay terugvloog naar Nederland.

In mijn vorige web-nieuwsbrief (al weer een tijdje geleden!) schreef ik over de veranderingen in India, de laatste 25 jaar. Ik wil daar nog een drietal opmerkingen aan toe voegen:

1. Filmster
Er blijken, anders dan ik vorige keer schreef, toch nog veel gebieden in India te zijn zoals Bihar en West-Bengalen (en zeker ook het buurland Bangladesh) waar je het absolute middelpunt van de belangstelling bent met elke keer als je een pauze houdt drommen mensen om je heen en waar je als een gevierde filmster handtekeningen kunt uitdelen. Dat zijn voornamelijk de arme en minder ontwikkelde gebieden waar je ook nog veel fietsen en fietsriksja’s ziet die in de rijkere gebieden en steden vrijwel geheel vervangen zijn door motorfietsen en scooter-riksja’s.

2. Banken
Ik schreef in mijn vorige nieuwsbrief dat je tegenwoordig in India heel makkelijk geld kunt wisselen, in tegenstelling tot 25 jaar geleden. Dat geldt zeker voor de toeristische plaatsen waar privé wisselbureaus zijn, maar bij banken gaat dat toch nog steeds op z’n elfendertigst. Loop voor de aardigheid maar eens een bank binnen in een stad die niet toeristisch is. Dat deed ik, hoewel beslist niet voor de aardigheid, toen ik vanuit Bangladesh India weer in reed en dat ging zo:
“Goedemorgen kan ik hier dollars of euro’s wisselen?”
“No sir, deze bank is niet gerechtigd buitenlands geld te wisselen. Ga naar Calcutta.”
“Ik moet helemaal niet naar Calcutta.”
“In Bhupaneshwar, de hoofdstad van Orissa kan het ook. No problems in India!”
“Maar dat is 400 km hier vandaan!”
“Yes, no problem!”
En dus reed ik op een krap budget naar Bhupaneshwar terwijl mijn zakken uitpuilden van de dollars en de euro’s. Waar ik onderweg ook probeerde te wisselen, ik werd doorverwezen naar Bhupaneshwar (merkwaardig toch, die Indiërs die wel graag buitenlandse deviezen krijgen, maar het de wissel- en bestedingsgrage toerist zo moeilijk maken!)
In Bhupaneshwar liep ik een bank binnen.”Goedemorgen kan ik hier dollars of euro’s wisselen?”
“No Sir u moet bij de Main Branch van de Statebank of India zijn, aan de andere kant van de stad”.
Aan de voorkant van die Main Branch stond een groot bord met daarop: “The customer is the most important person in this bank”. Fijn! Eindelijk een bank waar goed zaken mee te doen was! “Goedemorgen kan ik hier dollars of euro’s wisselen?”
“Please Sir, sit down.”
“Nee, ik kom niet om te zitten maar om te wisselen.”
“Yes wait”.
Na een kwartier kwam er al beweging in de zaak. Ik moest mijn pas laten zien en de cheque tekenen. Daarna ging de man aan de slag met zijn computer. Al een geweldige vooruitgang met vroeger, toen alles met een pennetje in grote boeken geschreven werd. Er volgde een klik- en typewerk waar geen einde aan leek te komen, en na dit een tijd aanschouwd te hebben vroeg ik: “Bent u een boek aan het schrijven of alleen maar een artikel?”
“No Sir, sit down.” Eindelijk kwam het computerwerk dan toch tot een einde, maar in plaats van me de rupees te geven haalde de noeste werker een groot boek tevoorschijn en begon daarin met een pennetje het hele verhaal op te schrijven dat hij zojuist met zijn computer had gemaakt.
“Vertrouwt u uw computer niet?”
“Safety first.”Daarin kon ik hem geen ongelijk geven, maar waarom dan al dat computerwerk? Als je geen vertrouwen in het ding hebt, zet hem dan bij het grof vuil!Na het schrijfwerk in zijn grote boek kwam het bonnenboekje met vier carbonvelletjes op tafel, en daarna …. werd het hele spul naar de buurman geschoven die echter met andere gewichtige zaken bezig was. “Mijn” employé ging ondertussen een andere klant “helpen”!
“Hoe is het nu met mijn rupees?” vroeg ik.
“Wait. Over 15 minuten of zo is alles al voor elkaar.”
Nog eens 15 minuten!! Dat werd me te gortig en daarom verloor ik mijn alom geroemde bank-diplomatie:
“Meneer, ik ben naar India gekomen om India te zien, om jullie fraaie tempels te bekijken, om te reizen en om geld uit te geven. Niet om een dag in de catacomben van de State Bank of India door te brengen! Voor dit gebouw heb ik een groot bord gezien waarop staat dat ik hier de belangrijkste persoon ben. Welnu, als ik dan zo belangrijk ben wil ik niet, na al een half uur gewacht te hebben, nog eens 15 minuten wachten enkel om een paar rupees te wisselen. En waarop? Moet het geld nog gedrukt worden? Ik dacht dat India bezig is the Number One in the World te worden, maar op deze manier kan het nog wel een tijdje duren voordat het zover is.”
Daarna had ik verrassend snel mijn rupees en kon ik terug de zon in en de interessante oude tempels van Bhupaneshwar gaan bekijken.

3. Afval
Kort nadat ik mijn vorige nieuwsbrief schreef met daarin een verhaal over hoe men in India met afval omgaat, ontdekte ik dat men hier een grote sprong voorwaarts had genomen, op hygiënisch gebied. Dronk met tot voor kort thee uit glaasjes, die vervolgens in een bak niet al te schoon water werden omgespoeld, nu zie je steeds meer dat men thee drinkt uit kleine plastic bekertjes. Die hoeven niet omgespoeld te worden en kunnen zo de straat op of de goot in. Ik heb uitgerekend dat, aangezien alle Indiërs elke dag herhaaldelijk thee drinken, heel India over ongeveer 5 jaar bedekt zal zijn met een 30 à 40 cm dikke laag van die bekertjes. Als Mars bewoond is zullen de Marsmannen onze mooie aarde meer zien glinsteren dan voorheen. Interessant voor de Marsmannen maar misschien (hopelijk!) gaan de Indiers zich tegen die tijd eens afvragen of ze wel op de juiste weg zijn met hun hygiene.
Afgezien van deze en nog enkele andere merkwaardige en hinderlijke ervaringen, heb ik een mooie aangename reis door India gehad. Het blijft een land dat altijd weer boeit door zijn interessante cultuur en bonte couleur locale, een land waar het weer in de droge tijd elke dag prachtig is, waar erg schilderachtige plaatsjes zijn, waar adembenemend mooie forten, tempels en moskeeën voor het oprapen liggen, waar je in geweldig indrukwekkende landschappen kunt rondtrekken en waar je veel bijzondere ontmoetingen hebt, de meeste sympathiek, maar vaak wel met een groot taalprobleem (als je geen Hindi, Punjabi, Tamil, Telegu, Marati, en nog zo’n 80 andere talen spreekt).

Na elke reis door India denk ik dat ik het er verder maar bij moet laten aangezien ik er al erg veel van heb gezien en het toch in nogal wat opzichten een vermoeiend land is. En toch was dit al weer mijn zesde India-reis. Nu, na bijna 30.000 km op al mijn India-reizen bij elkaar (28.965 volgens mijn grote administratieboek) vind ik het toch echt wel welletjes. Vaarwel India!
Hoewel ….. In Kasjmir, Sikkim en Assam ben ik nog nooit geweest en daar moet het wel erg mooi zijn, dus wie weet? En als ik dan weer de smaak te pakken heb…….

Ik ben u al weer een tijdje terug in Nederland. “Ben je al geacclimatiseerd?” vragen vrienden mij vaak. Na maandenlang zon bij temperaturen van 20 à 30° Celsius, ploffen de Maartse buien natuurlijk hard op me neer, maar wat nog harder op me neerploft is de stapel post van 9 maanden, waarvan sommige brieven leuk en vele brieven (gas, water elektra, belasting, verzekering etc, u kent ze misschien ook wel) vervelend tot ronduit onaangenaam zijn en die erg veel werk en tijd vergen.
Bij een vriend die een computer heeft ontdekte ik dat er ook een flinke stapel digitale post in mijn gastenboek is binnengekomen. Dat is natuurlijk wèl erg aardige post. Helaas heb ik gedurende mijn reis niet veel gelegenheid gehad daarop te reageren, maar nu is er dan eindelijk de tijd gekomen om allen die zo spontaan en sympathiek hun bericht in dit gastenboek hebben geschreven te bedanken. De vele positieve reakties op mijn boeken en lezingen waren erg bemoedigend. Sommigen vroegen me of ik weer met een nieuw boek bezig ben, een vraag waar ik weliswaar “ja” op kan antwoorden, maar waar ik onmiddellijk aan toe moet voegen dat ik er nog niet veel van op papier heb staan. Hopende op genoeg inspiratie pak ik de pen weer op om tijdens mijn verblijf in Nederland mijn belevenissen in Centraal Azie op papier te zetten.

Suzanne, Jackie, Jan, Annie, Nel, Dmitri, Adrie, Jan, Peter en Monique, Jos en Annemarie, Ernie, Rineke, Willy, Samuel, Martijn, Rob, Kor, Michael, Andre, Adriana, Ingeborg, Hans en Joke, Hans en Marianne, Annemiek, Yvette en Vera, allen hartelijk dank voor jullie enthousiaste en aardige reakties in mijn gastenboek. En verder natuurlijk een groet aan al mijn trouwe web-lezers (lectori digitali), die steeds weer (en soms vergeefs) kijken of ik wat nieuws geschreven heb. De frequentie van mijn berichtgeving is wat aan de lage kant, geef ik toe. Ik zal echter proberen die frequentie in de toekomst wat op te voeren. Een goed voornemen, nu eens niet op 1 Januari maar op 1 April.

India toen en nu

Ik bewonder de mensen die kans zien tijdens hun reis verslagen op hun website te zetten die zo lang zijn dat je er een huis mee kunt behangen. Ik vraag me wel eens af waar ze de tijd voor zulk monnikenwerk vandaan halen. Mij kost het fietsen, dingen bekijken, wandelingen maken, voedsel kopen, slaapplekken zoeken, de was doen en uit elkaar vallende kleren oplappen zoveel tijd dat het bijhouden van mijn dagboek soms al in het gedrang komt. Maar gezegend met een vingervlugheid van 750 tot 1000 aanslagen per minuut rammel je toch nog wel redelijk snel een vierkante meter literair behang uit de computer, die dan meteen het web op kan om de verste uithoeken van onze aardbol te veroveren.
Bij mij ontstaat een stuk tekst pas na een hoop geklad in een schriftje met doorhalingen en tussenvoegingen, correcties en correcties op correcties. Maar mijn grootste remmende factor is de inspiratie die het nogal eens laat afweten. En als die dan soms toch de kop op steekt en ik zit juist op de fiets, krijg ik nog niets op papier. Dat is waarom mijn website niet iedere dag bol staat van de nieuwe verhalen. Het wordt nu echter tijd de trouwe volger van deze site tevreden te stellen met een nieuw verhaal en daarom heb ik mijn schriftje maar eens uit de diepten van mijn fietstas omhoog gehaald. Als ik straks tevreden ben over de tekst, wat ik nog maar moet afwachten, gaat die per c-mail (conventional mail, oftewel in een envelop met een postzegel erop) naar mijn geweldige webmaster in Nederland, die vervolgens mijn geknoei omzet in fraai getypte vorm op mijn site. Een even moeizaam proces als het fietsen zelf, en dat is dus eigenlijk heel passend voor deze website.

Na een reis door Centraal Azië , waar ik een boek over aan het schrijven ben (al vijf kantjes in klad klaar, weer in een ander schriftje) ben ik in India aangekomen. Daarbij heb ik helaas wat moeten sjoemelen: per vliegtuig van Almaty in Kazakhstan naar Delhi, want de Chinezen gaven in verband met de Olympische spelen geen toeristen visa meer af. Dat was om een zo goed mogelijke indruk naar de buitenwereld te maken iets wat hen helaas maar zeer ten dele gelukt is aangezien ze daarmee vele duizenden reizigers een spaak in het wiel gestoken hebben.
India is sinds mijn eerste bezoek in 1983 enorm veranderd, gedeeltelijk ten goede en gedeeltelijk ten slechte. Moest ik vroeger vijf tot tien uur wachten tussen drommen mensen in een somber telefoonkantoor, op een peperdure telefoonverbinding met Nederland (zo rond de tien gulden per minuut), iets wat je in een stad kleiner dan een miljoen inwoners in het geheel kon vergeten, nu struikel je in de straten over de PCO’s (Public Call Office) waar je voor een paar centen direct verbinding hebt. Internet bestond niet en een fax was een soort Jules Verne-achtige sciencefiction. Mobiele telefoons waren slechts mobiel tot de spiraaldraad tussen de hoorn en het toestel geheel uitgerekt was, dus daar liep je niet verder mee weg dan één meter dertig. De telecom is dus enorm verbeterd en dat is natuurlijk fijn, hoewel …. als je nu op straat aan iemand de weg vraagt heb je een vlotte kans dat hij “bezet” is met zijn mobiel tegen het oor.
Een andere grote vooruitgang is dat er tegenwoordig in India veel meer Engels wordt gesproken dan vroeger. Nu vind je zelfs buiten de grote steden soms mensen met wie je in mindere of meerdere mate Engels kunt spreken. In 1983 was het buiten de grote steden gebeurd met Engels en kon je met gebarentaal aan de slag die meestal verkeerd begrepen werd.
Tijdens deze reis kan ik er bij een theehuisje of eethuisje halt houden en op mijn gemak een theetje drinken en de kaart bekijken. Dat was in 1983 uitgesloten. Waar en wanneer ik ook maar stopte, meteen verdrongen zich tientallen, zo niet honderden mensen om me heen om me aan te staren alsof ik een vers uit een UFO gestapte Jupiterman was. Soms werkte zich dan een linguïstisch wonder door de menigte naar voren om me te bestoken met vragen als:
“Your sweet name please?”
“Which country belongs to you?”
“What is this?”
“Where are you?”
“Are you married?”
“Do you travel lonely?” en meer van dat soort apekool, want als ik dan vroeg hoe ver het nog naar de de een of andere plek was, dirkte de ijverige vragensteller er gewoon over heen met:
“What are your qualifications?” of
“Where is your headquarters?”
Dat vermoeiende opvoeren van de One Man Show is nu grotendeels voorbij en dat is natuurlijk een opluchting. Maar ja …. daarmee is toch ook wel iets van de charme van India verdwenen. Vroeger kon een Westerling zich twintig maal per dag het absolute middelpunt van het heelal voelen of op z’n minst een gevierde filmster. Nu ben je, zelfs met een fraai gekleurde fiets, gedevalueerd tot een misschien nog enigszins merkwaardige figurant in het Indiase straatbeeld.
Plastic afval is, net zoals op zoveel plekken in de wereld, zachtjesaan een ramp aan het worden. Snoepjes die vroeger per kilogram verkocht werden en in een stuk krant gewikkeld werden, worden nu door de fabrikant netjes elk afzonderlijk in plastic verpakt. Reuze hygiënisch! De winkeltjes hangen vol met plastic zakjes met chips zoutjes en koekjes en elke aankoop wordt nog eens extra in een plastic zakje gedaan. En waar komt al dat plastic uiteindelijk terecht? In de vuilnisbak? Ja, want heel India is druk op weg een groot vuilnisvat te worden. Als je met een zak netjes gespaard vuilnis in de hand vraagt naar een vuilnisbak heb je een vlotte kans vol onbegrip aangestaard te worden.
“Wil je dat verkopen? Nee? Wat wil je er dan mee? O weggooien? Nou doe dat dan! Waar? Gewoon hier op straat of daar in de rivier. In de rivier gaat het vanzelf weg. Dan heb je er helemaal geen omkijken meer naar.”
En als je dan vervolgens de zak weer in je fietstas opbergt in de hoop toch nog ooit ergens een vuilnisbak te vinden, ben je de clown van de dag. En zo kun je tegenwoordig dus toch nog het absolute middelpunt van de belangstelling worden.
Met geld wisselen is sinds 1983 een grote vooruitgang geboekt. Je loopt nu een bank of wisselkantoor binnen en in een paar minuten heb je dollars of euro’s omgezet in rupies. Zelfs voor het verzilveren van een travellercheque is men hier niet meer benauwd (iets waar de banken in Nederland nog wat van kunnen leren!).
In 1983 kon ik voor geld wisselen een halve dag uittrekken. Als ik na veel zoeken uiteindelijk de bank gevonden had waar het kon, waren er tien mensen een paar uur mee bezig: de één moest de cheque bestuderen en vergelijken met afbeeldingen in een voorbeelden boek, een ander moest mijn pas bestuderen, een derde moest een reçu in vijfvoud uitschrijven omdat het carbonpapier zoek was, een vierde zette zijn handtekening op de reçus, een vijfde duwde een speld door de reçus om ze bij elkaar te houden, een zesde trok die er vervolgens weer uit en verving hem door een paperclip. Als er uiteindelijk stempels op stonden en je dacht dat je je rupies nu weldra in de hand gedrukt zou krijgen, kreeg je in plaats daarvan een damschijf met een nummer erop en kon je achter aansluiten bij de rij voor de kassa, een wanordelijke rij met een omvang waar je onpasselijk van werd.
Met het verkeer is het daarentegen niet alleen achteruit gegaan maar veeleer volledig uit de hand gelopen. Vroeger waren de straten gevuld met voetgangers, fietsers en fietsriksja’s, waar zich zo nu en dan een auto scooter of vrachtwagen doorheen wrong, een chaotisch straatbeeld met echter een zekere charme, als je er oog voor had. Nu rijdt iedereen die vroeger fietste op een motorfiets en iedereen die vroeger op een motorfiets reed in een auto. Osse- en kamelenkarren hebben plaats gemaakt voor tractoren en vrachtwagens en het aantal bussen is vertienvoudigd. De charmante chaos van weleer is veranderd in een gemotoriseerde gassen uitstotende heksenketel. Delhi uitfietsen was een onderneming die zelfs Hercules de haren ten berge had doen rijzen. Het leek alsof met mij alle vrachtwagens van India de uitvalsweg richting Chandigarg hadden gekozen. Flyovers en rotondes in aanbouw leverden hun niet geringe bijdrage aan het perfectioneren van de totale inferno.
Dit alles zou nog te overkomen zijn geweest als de Indiër de claxon nooit had ontdekt, maar helaas …. hij heeft hem wèl ontdekt en hem als een soort godheid zijn cultuur binnengesleept zodat India’s straten nu gevuld zijn met zinloos, keihard, krankzinnig makend getoeter. Zodra een weggebruiker iets voor zich ziet bewegen, het doet er niet toe of het een auto, fiets, voetganger, olifant of vlinder is, drukt hij op zijn claxon en blijft dat doen, continu of met een drie, vier of vijftonig zenuwendeuntje, totdat hij het bewegende object een eind voorbij is. Het resultaat is een huiveringwekkend dissonanten-concert dat menig hardrock musicus zou inspireren tot het ontlokken van nog mooiere tonen aan zijn elektrische gitaar. Deze overdosis aan decibels (zo het geen megabels zijn) schijnt geen enkele Indiër te storen, maar mij stoorde het dermate, dat ik na een week fietsen door de staten Haryana en Pujab overwoog het vliegtuig terug naar Nederland te nemen.
De dag na dit psychologische dieptepunt reed ik de bergen van Himachal Pradesh in, waar ik met een redelijke kaart de kleine wegen opzocht. Hoewel daar zo nu en dan ook bussen en vrachtwagens toeterend langs kwamen denderen was het er toch veel rustiger dan in Haryana en Punjab, twee vlakke en relatief dichtbevolkte landbouwstaten. Met de prachtige, met dennenbossen begroeide bergen om me heen, keerde het plezier terug. Over bochtige smalle hobbelige asfaltweggetjes vol gaten en stukken gravel, klom ik naar passen van Alpen-niveau en daalde ik af in valleien waar blauwe kolkende beken en rivieren door stroomden. Het absurde plan om overhaast het vliegtuig terug naar Nederland te nemen smolt uiteraard weg als sneeuw voor de Indiase zon.
centraal Azie
Ondertussen ben ik in Rishikesh aangekomen, een van de belangrijkste spirituele plaatsen van India, gelegen aan de Ganges, niet zo heel ver van de oorsprong van deze heilige rivier. Hier kun je je hart ophalen aan yoga en allerlei soorten meditatielessen en verder kun je er Hindi leren spreken en je bekwamen in koken op z’n Indiaas. En er is nog veel meer te doen en te leren, maar ik heb al die wijsheid voorlopig aan mij voorbij laten gaan aangezien het afmaken van dit stuk tekst prioriteit nummer één was. Die klus is nu bijna voltooid, zodat ik vanmiddag misschien nog even een cursusje Sanskriet of zo kan gaan volgen, iets waar je toch al gauw een paar uur mee bezig bent om dat geheel onder de knie te krijgen. Maar voordat ik de pen neerleg wil ik dit verhaal van veranderingen die zich in India hebben voltrokken besluiten met iets dat in al die 25 jaar geheel onveranderd is gebleven, zo stabiel als een granietrots in de branding en dat is de gewoonte van de Indiër om zijn voedsel overdadig te “verrijken” met chilli’s, pepers, masala en allerlei andere afschuwelijke kruiden die je al in je mond voelt branden als je er alleen nog maar naar kijkt. Maar gelukkig zijn er, net als vroeger, overal bananen te koop dus ook deze reis door India ga ik overleven.

PS:
In mijn boek Pelgrims en Pepers, dat kort geleden bij Rainbow Pockets in herdruk is verschenen (met zwart-wit foto’s) is te lezen hoe het reizen door India vroeger was. Dat boek zal dit najaar (2008) ook weer uitkomen bij Uitgeverij Elmar, maar geheel in kleur.
Een ander boek van mij: “Revanche in de Andes” zal eveneens dit najaar bij uitgeverij Elmar in herdruk verschijnen.