India toen en nu

Ik bewonder de mensen die kans zien tijdens hun reis verslagen op hun website te zetten die zo lang zijn dat je er een huis mee kunt behangen. Ik vraag me wel eens af waar ze de tijd voor zulk monnikenwerk vandaan halen. Mij kost het fietsen, dingen bekijken, wandelingen maken, voedsel kopen, slaapplekken zoeken, de was doen en uit elkaar vallende kleren oplappen zoveel tijd dat het bijhouden van mijn dagboek soms al in het gedrang komt. Maar gezegend met een vingervlugheid van 750 tot 1000 aanslagen per minuut rammel je toch nog wel redelijk snel een vierkante meter literair behang uit de computer, die dan meteen het web op kan om de verste uithoeken van onze aardbol te veroveren.
Bij mij ontstaat een stuk tekst pas na een hoop geklad in een schriftje met doorhalingen en tussenvoegingen, correcties en correcties op correcties. Maar mijn grootste remmende factor is de inspiratie die het nogal eens laat afweten. En als die dan soms toch de kop op steekt en ik zit juist op de fiets, krijg ik nog niets op papier. Dat is waarom mijn website niet iedere dag bol staat van de nieuwe verhalen. Het wordt nu echter tijd de trouwe volger van deze site tevreden te stellen met een nieuw verhaal en daarom heb ik mijn schriftje maar eens uit de diepten van mijn fietstas omhoog gehaald. Als ik straks tevreden ben over de tekst, wat ik nog maar moet afwachten, gaat die per c-mail (conventional mail, oftewel in een envelop met een postzegel erop) naar mijn geweldige webmaster in Nederland, die vervolgens mijn geknoei omzet in fraai getypte vorm op mijn site. Een even moeizaam proces als het fietsen zelf, en dat is dus eigenlijk heel passend voor deze website.

Na een reis door Centraal Azië , waar ik een boek over aan het schrijven ben (al vijf kantjes in klad klaar, weer in een ander schriftje) ben ik in India aangekomen. Daarbij heb ik helaas wat moeten sjoemelen: per vliegtuig van Almaty in Kazakhstan naar Delhi, want de Chinezen gaven in verband met de Olympische spelen geen toeristen visa meer af. Dat was om een zo goed mogelijke indruk naar de buitenwereld te maken iets wat hen helaas maar zeer ten dele gelukt is aangezien ze daarmee vele duizenden reizigers een spaak in het wiel gestoken hebben.
India is sinds mijn eerste bezoek in 1983 enorm veranderd, gedeeltelijk ten goede en gedeeltelijk ten slechte. Moest ik vroeger vijf tot tien uur wachten tussen drommen mensen in een somber telefoonkantoor, op een peperdure telefoonverbinding met Nederland (zo rond de tien gulden per minuut), iets wat je in een stad kleiner dan een miljoen inwoners in het geheel kon vergeten, nu struikel je in de straten over de PCO’s (Public Call Office) waar je voor een paar centen direct verbinding hebt. Internet bestond niet en een fax was een soort Jules Verne-achtige sciencefiction. Mobiele telefoons waren slechts mobiel tot de spiraaldraad tussen de hoorn en het toestel geheel uitgerekt was, dus daar liep je niet verder mee weg dan één meter dertig. De telecom is dus enorm verbeterd en dat is natuurlijk fijn, hoewel …. als je nu op straat aan iemand de weg vraagt heb je een vlotte kans dat hij “bezet” is met zijn mobiel tegen het oor.
Een andere grote vooruitgang is dat er tegenwoordig in India veel meer Engels wordt gesproken dan vroeger. Nu vind je zelfs buiten de grote steden soms mensen met wie je in mindere of meerdere mate Engels kunt spreken. In 1983 was het buiten de grote steden gebeurd met Engels en kon je met gebarentaal aan de slag die meestal verkeerd begrepen werd.
Tijdens deze reis kan ik er bij een theehuisje of eethuisje halt houden en op mijn gemak een theetje drinken en de kaart bekijken. Dat was in 1983 uitgesloten. Waar en wanneer ik ook maar stopte, meteen verdrongen zich tientallen, zo niet honderden mensen om me heen om me aan te staren alsof ik een vers uit een UFO gestapte Jupiterman was. Soms werkte zich dan een linguïstisch wonder door de menigte naar voren om me te bestoken met vragen als:
“Your sweet name please?”
“Which country belongs to you?”
“What is this?”
“Where are you?”
“Are you married?”
“Do you travel lonely?” en meer van dat soort apekool, want als ik dan vroeg hoe ver het nog naar de de een of andere plek was, dirkte de ijverige vragensteller er gewoon over heen met:
“What are your qualifications?” of
“Where is your headquarters?”
Dat vermoeiende opvoeren van de One Man Show is nu grotendeels voorbij en dat is natuurlijk een opluchting. Maar ja …. daarmee is toch ook wel iets van de charme van India verdwenen. Vroeger kon een Westerling zich twintig maal per dag het absolute middelpunt van het heelal voelen of op z’n minst een gevierde filmster. Nu ben je, zelfs met een fraai gekleurde fiets, gedevalueerd tot een misschien nog enigszins merkwaardige figurant in het Indiase straatbeeld.
Plastic afval is, net zoals op zoveel plekken in de wereld, zachtjesaan een ramp aan het worden. Snoepjes die vroeger per kilogram verkocht werden en in een stuk krant gewikkeld werden, worden nu door de fabrikant netjes elk afzonderlijk in plastic verpakt. Reuze hygiënisch! De winkeltjes hangen vol met plastic zakjes met chips zoutjes en koekjes en elke aankoop wordt nog eens extra in een plastic zakje gedaan. En waar komt al dat plastic uiteindelijk terecht? In de vuilnisbak? Ja, want heel India is druk op weg een groot vuilnisvat te worden. Als je met een zak netjes gespaard vuilnis in de hand vraagt naar een vuilnisbak heb je een vlotte kans vol onbegrip aangestaard te worden.
“Wil je dat verkopen? Nee? Wat wil je er dan mee? O weggooien? Nou doe dat dan! Waar? Gewoon hier op straat of daar in de rivier. In de rivier gaat het vanzelf weg. Dan heb je er helemaal geen omkijken meer naar.”
En als je dan vervolgens de zak weer in je fietstas opbergt in de hoop toch nog ooit ergens een vuilnisbak te vinden, ben je de clown van de dag. En zo kun je tegenwoordig dus toch nog het absolute middelpunt van de belangstelling worden.
Met geld wisselen is sinds 1983 een grote vooruitgang geboekt. Je loopt nu een bank of wisselkantoor binnen en in een paar minuten heb je dollars of euro’s omgezet in rupies. Zelfs voor het verzilveren van een travellercheque is men hier niet meer benauwd (iets waar de banken in Nederland nog wat van kunnen leren!).
In 1983 kon ik voor geld wisselen een halve dag uittrekken. Als ik na veel zoeken uiteindelijk de bank gevonden had waar het kon, waren er tien mensen een paar uur mee bezig: de één moest de cheque bestuderen en vergelijken met afbeeldingen in een voorbeelden boek, een ander moest mijn pas bestuderen, een derde moest een reçu in vijfvoud uitschrijven omdat het carbonpapier zoek was, een vierde zette zijn handtekening op de reçus, een vijfde duwde een speld door de reçus om ze bij elkaar te houden, een zesde trok die er vervolgens weer uit en verving hem door een paperclip. Als er uiteindelijk stempels op stonden en je dacht dat je je rupies nu weldra in de hand gedrukt zou krijgen, kreeg je in plaats daarvan een damschijf met een nummer erop en kon je achter aansluiten bij de rij voor de kassa, een wanordelijke rij met een omvang waar je onpasselijk van werd.
Met het verkeer is het daarentegen niet alleen achteruit gegaan maar veeleer volledig uit de hand gelopen. Vroeger waren de straten gevuld met voetgangers, fietsers en fietsriksja’s, waar zich zo nu en dan een auto scooter of vrachtwagen doorheen wrong, een chaotisch straatbeeld met echter een zekere charme, als je er oog voor had. Nu rijdt iedereen die vroeger fietste op een motorfiets en iedereen die vroeger op een motorfiets reed in een auto. Osse- en kamelenkarren hebben plaats gemaakt voor tractoren en vrachtwagens en het aantal bussen is vertienvoudigd. De charmante chaos van weleer is veranderd in een gemotoriseerde gassen uitstotende heksenketel. Delhi uitfietsen was een onderneming die zelfs Hercules de haren ten berge had doen rijzen. Het leek alsof met mij alle vrachtwagens van India de uitvalsweg richting Chandigarg hadden gekozen. Flyovers en rotondes in aanbouw leverden hun niet geringe bijdrage aan het perfectioneren van de totale inferno.
Dit alles zou nog te overkomen zijn geweest als de Indiër de claxon nooit had ontdekt, maar helaas …. hij heeft hem wèl ontdekt en hem als een soort godheid zijn cultuur binnengesleept zodat India’s straten nu gevuld zijn met zinloos, keihard, krankzinnig makend getoeter. Zodra een weggebruiker iets voor zich ziet bewegen, het doet er niet toe of het een auto, fiets, voetganger, olifant of vlinder is, drukt hij op zijn claxon en blijft dat doen, continu of met een drie, vier of vijftonig zenuwendeuntje, totdat hij het bewegende object een eind voorbij is. Het resultaat is een huiveringwekkend dissonanten-concert dat menig hardrock musicus zou inspireren tot het ontlokken van nog mooiere tonen aan zijn elektrische gitaar. Deze overdosis aan decibels (zo het geen megabels zijn) schijnt geen enkele Indiër te storen, maar mij stoorde het dermate, dat ik na een week fietsen door de staten Haryana en Pujab overwoog het vliegtuig terug naar Nederland te nemen.
De dag na dit psychologische dieptepunt reed ik de bergen van Himachal Pradesh in, waar ik met een redelijke kaart de kleine wegen opzocht. Hoewel daar zo nu en dan ook bussen en vrachtwagens toeterend langs kwamen denderen was het er toch veel rustiger dan in Haryana en Punjab, twee vlakke en relatief dichtbevolkte landbouwstaten. Met de prachtige, met dennenbossen begroeide bergen om me heen, keerde het plezier terug. Over bochtige smalle hobbelige asfaltweggetjes vol gaten en stukken gravel, klom ik naar passen van Alpen-niveau en daalde ik af in valleien waar blauwe kolkende beken en rivieren door stroomden. Het absurde plan om overhaast het vliegtuig terug naar Nederland te nemen smolt uiteraard weg als sneeuw voor de Indiase zon.
centraal Azie
Ondertussen ben ik in Rishikesh aangekomen, een van de belangrijkste spirituele plaatsen van India, gelegen aan de Ganges, niet zo heel ver van de oorsprong van deze heilige rivier. Hier kun je je hart ophalen aan yoga en allerlei soorten meditatielessen en verder kun je er Hindi leren spreken en je bekwamen in koken op z’n Indiaas. En er is nog veel meer te doen en te leren, maar ik heb al die wijsheid voorlopig aan mij voorbij laten gaan aangezien het afmaken van dit stuk tekst prioriteit nummer één was. Die klus is nu bijna voltooid, zodat ik vanmiddag misschien nog even een cursusje Sanskriet of zo kan gaan volgen, iets waar je toch al gauw een paar uur mee bezig bent om dat geheel onder de knie te krijgen. Maar voordat ik de pen neerleg wil ik dit verhaal van veranderingen die zich in India hebben voltrokken besluiten met iets dat in al die 25 jaar geheel onveranderd is gebleven, zo stabiel als een granietrots in de branding en dat is de gewoonte van de Indiër om zijn voedsel overdadig te “verrijken” met chilli’s, pepers, masala en allerlei andere afschuwelijke kruiden die je al in je mond voelt branden als je er alleen nog maar naar kijkt. Maar gelukkig zijn er, net als vroeger, overal bananen te koop dus ook deze reis door India ga ik overleven.

PS:
In mijn boek Pelgrims en Pepers, dat kort geleden bij Rainbow Pockets in herdruk is verschenen (met zwart-wit foto’s) is te lezen hoe het reizen door India vroeger was. Dat boek zal dit najaar (2008) ook weer uitkomen bij Uitgeverij Elmar, maar geheel in kleur.
Een ander boek van mij: “Revanche in de Andes” zal eveneens dit najaar bij uitgeverij Elmar in herdruk verschijnen.

Een serieus geworden grapje

Onze chauffeur was een waar vakman. Met één hand aan het stuur en in zijn andere zijn mobiele telefoon waardoor hij Georgische volzinnen naar de satelliet zond, koerste hij met een vaart van 140 km/h, waar 50 was toegestaan, door het drukke stadsverkeer van Tbilisi. Als je kenteken met SPS begint (Special Presidential Service) zal geen agent het in zijn hoofd halen op zijn fluitje te blazen. Voor het eerst in mijn leven knoopte ik vrijwillig de veiligheidsgordel om, hoewel zo’n ding bij een dergelijke snelheid weinig uitricht als het fout gaat.
Achterin zat Joop die zichtbaar genoot van deze kermisrit en naast hem lag, geheel uitgeteld, onderuit gezakt en bleek van de wagenziekte, Natia, onze speciaal voor deze gelegenheid toegewezen fotografe.
“Je bent toch niet bang?” vroeg Joop me lachend terwijl we de linker vangrail op een haar na geraakt hadden en in een diagonaal over de weg op die aan de rechterkant afsuisden, een manoeuvre om wat hinderlijke kruipauto’s van 80 km/h voorbij te gaan.
“Ik bang??” vroeg ik, met moeite een glimlach uit mijn gezicht wringend, terwijl het zweet van mijn voorhoofd droop, “Kom nou toch!”
Enkele minuten later kwamen we bij het door militairen en politie bewaakte, zwaar ommuurde, huis van Michael Saakashvili, de president van Georgië en zijn Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs aan. Ik telde een dozijn grote Jeeps. Lijfwachten in nette zwarte pakken, met onder hun onberispelijke jasjes grote schietijzers, liepen rond op het pad voor de grote metalen poort in de met camera’s bewaakte muur.

Joop had aanvankelijk niet mee gemogen naar de president, want wie was Joop? Toen ik echter toegelicht had dat hij een goede vriend en fietsmaat was van Eduard Roelofs, de vader van Sandra, gingen ook voor hem de presidentiële poorten open. Voorlopig bleef de grote metalen poort voor ons echter nog dicht, maar na verloop van tijd ging die toch open en werden we door Sandra op de veranda ontvangen. De president was nog bezig zich klaar te maken, niet zozeer om ons te begroeten, als wel voor het defilé dat hij later voor de kanselarij moest afnemen, want het was 26 Mei, Georgië’s Onafhankelijkheidsdag.
Tegen een boompje in de tuin stonden de cadeaus die ik de president en Sandra zou gaan overhandigen: twee goudglimmende Gazelles. Die waren alvast door de fabrikant vooruit gestuurd, zodat ik er niet mee hoefde te sjouwen. Toen ik vorig jaar van Nederland naar Georgië was gefietst werd ik in Tbilisi door de president ontvangen. Meer als grapje dan serieus, beloofde ik hem toen, dat ik voor hem en Sandra een paar mooie fietsen zou regelen bij Gazelle. “Dan kunt u na uw tweede ambtstermijn samen met Sandra op de fiets van Tbilisi naar Terneuzen” had ik erbij gezegd.
Een grapje? Toen ik er later over nadacht leek het me nog helemaal niet zo’n slecht idee en terug in Nederland belde ik er Peter Cijs over op, de accountmanager van Gazelle. Die vond het zelfs een voortreffelijk idee en zo was het gekomen dat Joop en ik nu hier op de veranda van de presidentiële residentie zaten om die fietsen aan te bieden.

De overdracht van de twee goudglimmende Gazelles was helaas voorbij voordat ik het in de gaten had. Ik had een praatje van ongeveer een half uur willen houden met wat aardige suggesties, maar toen de president eindelijk op de veranda verscheen was het met een handdruk en twee tellen poseren met de fietsen, waarbij de weer wat opgeknapte Natia wat plaatjes schoot, gebeurd. Met loeiende sirenes en zwaailichten stoven de auto’s van de president en zijn escorte na het laatste plaatje weg, maar onze chauffeur was net even te laat om zich daarbij aan te sluiten. Hij moest het dus zonder dat escorte doen, maar dat was natuurlijk helemaal geen probleem, want hij was een vakman. En wederom bewees hij dat door met zijn machtige SPS bij 140 km/h tussen de linker en rechter vangrail te oscilleren, terug naar het centrum. Daar kwamen we enkele minuten later tot onze verbazing geheel ongedeerd aan. Door een politieman werden Joop en ik naar een plek voor ‘tweederangs VIP’s’ gebracht, vanwaar we het defilé goed konden zien. Soldaten, pantserwagens en tanks trokken langs ons heen en onderwijl speelde de militaire kapel aan de overkant het Georgische Wilhelmus.

Op bezoek bij de president van Georgië

Maandag 1 Oktober hield ik tegen de avond halt voor een van de chicste hotels van Tbilisi. Normaal waag ik me niet eens in de búúrt van zo’n luxe tent, maar die dag lag de zaak anders. Ik was hier uitgenodigd voor een diner met Sandra Roelofs, de Nederlandse echtgenote van de president van Georgië. Met de fiets aan de hand liep ik zelfverzekerd op de twee geüniformeerde portiers af, niet anders verwachtend dan dat ze snel en beleefd voor me aan de kant zouden springen om mij door te laten. 


In plaats daarvan blokkeerden ze me echter de weg en beduidden me dat mijn fiets niet naar binnen mocht. Hoe ik ook betoogde dat deze hele avond juist om mijn fiets draaide omdat die mij 10.000km lang over bergen en door vlakten hierheen gebracht had, speciaal om Sandra te ontmoeten, de twee portiers bleven doof voor mijn argumenten. Zelfs toen de gerant erbij gehaald werd lukte het niet de mooiste fiets van het Noordelijk halfrond over de drempel te krijgen. Het bleef bij wat rondjes rijden over het pleintje tegenover het hotel voor de in forse getale toestromende persfotografen en cameralieden, waarna de fiets in een zijgebouwtje werd ondergebracht.
Sandra was ondertussen ook gearriveerd en gaf op de bovenverdieping een persconferentie voor een dozijn naar haar uitgestoken microfoons. Dat ging in het Georgisch, zodat ik niet verstond waar het over ging. Ik vermoedde dat het iets met mijn reis en het (fiets)toerisme in Georgië te maken had. Toen zij klaar was werden alle microfoons op mij gericht en kon ik vertellen over mijn reis en waarom ik dacht dat Georgië zo’n mooi land was en zo geschikt voor toerisme. Dat ging in het Engels zodat nu de pers niet verstond waar het over ging. Gelukkig was daar de secretaresse van Sandra die alles wat ik zei keurig in het Georgisch vertaalde.
Na afloop van de persconferentie volgde het diner, waar behalve Sandra en ik ook de Nederlandse ambassadeur aan deelnam, alsmede twee beambten van het ministerie van toerisme, de secretaresse en de twaalfjarige zoon van Sandra. Ook was er een Nederlands echtpaar van de partij dat op fietsvakantie was en gedurende een maand door Georgië en Armenië toerde: John Telleman en Gudy Rooijakkers, kortweg Zjon en Guud. Deze laatsten zijn actieve leden van Nederlands belangrijkste vereniging: “De Wereldfietser”. Ze hadden met enige moeite hun vakantie zo georganiseerd, dat ze bij deze ontvangst aanwezig konden zijn om daar in woord en beeld verslag van te doen. 
En tenslotte was daar als volmaker van dit illustere tiental het beste renpaard van stal: Eduard Roelofs, de vader van Sandra die mij op mijn laatste etappes naar Tbilisi had vergezeld en die, naar zijn zeggen, “bijna gek” van me was geworden omdat ik niet hard genoeg doortrapte en te vaak stopte om een kilogram taaie Soviet-koek te kopen. Zo is hij het in Zeeuws Vlaanderen waar hij met zijn wielerclub met 35km/h over het effen asfalt suist, niet gewend. Nochtans hadden we het goed met elkaar uitgehouden en was er zelfs sprake van uitwisseling van fietscultuur: Hij begon steeds meer plezier in de keienpaden en de taaie koek te krijgen en ik kwam wat los van mijn eigen tempo waarin ik de laatste 25 jaar, door te veel alleen fietsen, was vastgeroest.
Bij het dineetje ging het er natuurlijk van dik hout zaagt men planken aan toe, wat je in Georgië kunt verwachten: gatchapuri (warm kaasbrood) ghinkali (een soort reuzen ravioli), salades, pkhali (spinaziepasta met walnoten en knoflook), vlees, kaas, patatten en nog zoveel meer dat ik het me allemaal niet herinner. Wat ik me wèl herinner is dat er veel bij zat waarvan ik geen idee had uit welke componenten het was samengesteld en dat alles zó overvloedig was dat er na afloop, toen iedereen zich tonrond had gegeten ongeveer 80% over bleef. Dat hoort zo in Georgië, want o wee als een van de schotels leeg raakt! Dat zou kunnen betekenen dat iemand te weinig van dat gerecht had gekregen en zoiets moet tot elke prijs worden voorkomen. Met mijn Nederlandse “bord-leeg-eten-en-niets-laten-staan-mentaliteit” viel het mij die avond zwaar. Eduard deed mij na afloop het idee aan de hand een van de bedienden een doggy-bag te vragen, maar dat zou er dan een van de afmetingen van een grote vuilniszak moeten zijn. En waar laat je dat alles op je fiets? 
Met een ijsje, zo groot dat de tafelgenoot tegenover je daar geheel achter schuil ging, werd dit bijzondere etentje besloten.

Was het al moeilijk geweest om Sandra te ontmoeten in verband met haar vele bezigheden op het humanitaire vlak, een bezoekje aan haar man, bleek een waar “pièce de résistance” te zijn. Steeds als er een afspraak met zijn staf gemaakt was, kwam er wat tussen en moest het uitgesteld worden. Het heeft me altijd leuk geleken om president te zijn in een grote glimmende auto met vlaggen erop en geëscorteerd door en dozijn andere grote glimmende auto’s rondgereden te worden. Helaas blijkt het vak toch ook een hoop verplichtingen en werk met zich mee te brengen en dat verandert de zaak natuurlijk. 
Na vier dagen wachten in Tbilisi, terwijl de Heer Saakashvili heen en weer vloog tussen Tbilisi, New York, Athene en Parijs, begon ik te betwijfelen of ik de geschikte man voor zo’n job zou zijn. En wat ik ook begon te betwijfelen was of het ooit tot een ontmoeting met de president zou komen. Daarom ging ik mijn tassen maar pakken voor de laatste fase van mijn reis: een rondje Armenië. 
Opeens kwam Zjon, die in hetzelfde 7e-rangs pensionnetje logeerde als ik, binnenrennen met de mededeling: “Eduard belde me zojuist op mijn mobiele telefoon. We worden over een half uur bij de president verwacht”. Dat was om vijf uur in de middag en inderdaad om elf uur ’s avonds was het zover. Na ons met succes door een serie security checks gewerkt te hebben, konden Eduard, Zjon en ik de werkkamer van de president binnen. Ik vond de afmetingen van de kamer wat tegenvallen, want je kon er amper een partij tennis spelen, maar het bleek slechts de wachtkamer te zijn. De werkkamer zelf waar we na een half uur wachten werden toegelaten was gelukkig wat ruimer zodat we onze benen konden uitstrekken.
Mikheil Saakashvili, nog geen 40 jaar oud (!) bleek een gezellige prater te zijn en informeerde nog voor we goed en wel in de zachte kussens van een comfortabele bank waren weggezakt, naar de hondenbeet die ik enkele dagen daarvoor had opgelopen. (Voor meer info over die beet en vele andere voorvallen tijdens mijn reis, zie mijn boek waarvan ik nog geen letter op papier heb staan, maar waarvan al veel zinnen in mijn hoofd zitten. Nog even geduld dus.) Ik antwoordde dat dat wel los liep, maar dat er nog veel meer los liep: ongeveer tien miljoen honden die niet allemaal tot het gezellige schoothondjes-type behoren, en waarbij je het wel uit je hoofd laat om ze over de bol te aaien.

“Zo erg als de honden zijn, zo vriendelijk en gastvrij zijn de mensen” voegde ik er snel aan toe om de balans, die de verkeerde kant uit dreigde te slaan, weer in evenwicht te krijgen.
“Bovendien is Georgië een prachtig land met indrukwekkende bergen en even indrukwekkende kloosters. Een land met een geweldig toeristisch potentieel. Voor fietsers is het op de kleinere wegen met gravel en vol gaten een waar eldorado.”
“Die wegen zullen aan het einde van mijn ambtstermijn allemaal geasfalteerd zijn”
Ik betoogde dat een groot deel van de lol voor fietsers bestaat uit het links en rechts om potholes heen rijden. Hoewel ik Mikheil, die zelf een enthousiast fietser is en elke ochtend, als zijn werk het toelaat, zo’n half uur fietst,  daarvan kon overtuigen, is het de vraag of er na die asfalteerkruistocht nog wel genoeg gaten in de secundaire wegen over zullen zijn om de fervente pothole-fietser tevreden te stellen.
“Kijk” zei hij opstaand, “dit heb ik van een oliesjeik uit het Midden Oosten gekregen”, en hij tilde een puur gouden moskee van 25 bij 25 cm op waar een klokje in zat. ”Leuk, maar wat heb je er eigenlijk aan? Een fiets, dáár kun je wat mee!”  
Dat hete ijzer liet ik natuurlijk niet afkoelen en smeedde het meteen: “Dan breng ik volgend jaar voor u en Sandra een prachtige Gazelle, type Kathmandu, mee, waarop u, als uw ambtstermijn er op zit, naar Nederland kunt fietsen”.
De tijd tikte tijdens dat geanimeerde gesprek genadeloos door, waardoor de geplande vijf minuten, voor slechts een handdruk en een foto, uitliepen tot twintig minuten, gedurende welke Zjon een paar Gigabytes aan digitale foto’s op ons verschoot. Daarna moest de Heer Saakashvili snel naar het vliegveld, want er stond die nacht nog iemand op zijn programma. “De Hoop Scheffer zal al wel geland zijn en vraagt zich nu natuurlijk af waarom ik op me laat wachten”
We namen afscheid en toen Eduard, Zjon en ik buiten kwamen zagen we een sleep auto’s met zwaailichten in snelle vaart de kanselarij verlaten, richting vliegveld.
“Op naar Armenië voor nieuwe belevenissen” zei Zjon, die net als ik blij was dat we de volgende dag deze drukke stad konden verlaten en weer in actie konden komen.  

Bedorven tomatenpuree

In mijn vorige bericht op deze website schreef ik dat als er weer eens weinig te beleven is, bijvoorbeeld in verband met slecht weer, en ik geen zeep had om de was te doen, ik zal proberen meer over mijn belevenissen te schrijven. Welnu, vandaag is het heerlijk weer, ik heb wèl zeep en veel vuile kleren en ik zit in Vardzia dat, zoals velen van u ongetwijfeld zullen weten, in een prachtige canyon ligt. Er is dus veel te beleven en veel te doen en toch heb ik mijn schriftje voor de dag gehaald om verslag uit te brengen van mijn reis. 
Is het mijn plichtsbesef dat opeens zo ongenadig heeft toegeslagen? Nee, want wat mijn plichtsbesef betreft lijk ik een beetje op Pinokkio. Ik heb het wel maar soms duurt het even voordat het zich manifesteert. Nee, het was een blikje met bedorven tomatenpuree waarmee ik gisteravond mijn macaroni wilde opfleuren. Resultaat: diarree, misselijkheid en een algehele slapte die elke fysieke bezigheid verhindert. 
Ik zit hier op een mooie camping in een boomgaard. Op loopafstand bevindt zich een houten hokje waar een scheefgezakte deur voor zit die zowaar nog redelijk dicht kan en er bevindt zich ergens een stuk tuinslang waar, als je geluk hebt, water uit komt. Alle ingrediënten voor een ideale camping dus, afgezien dan van twee waakhonden die me vannacht met al hun gewaak nogal uit mijn slaap hebben gehouden. Vanochtend was ik daarom ondanks mijn lichamelijke ongemakken en het feit dat ik in een van de bijzondere archeologische plekken van Georgië zit, vast van plan om hier onmiddellijk te vertrekken. En aldus deed ik want nóg een nacht zou me teveel masochisme zijn. 
De eerste zes kilometer met flinke klimmen en afdalingen erin waren echter ook een eerstegraads masochisme. Bij een winkeltje stopte ik, spoelde als medicijn twee flesjes limonade door mijn keel en zag af van mijn plan om die dag nog mijn reis te vervolgen. Ik moest kiezen uit twee masochismen en koos voor die van de honden. Veel alternatief was er niet want alles wat in Vardzia naar hotel riekt zakt langzaam uit elkaar en is al tijden verlaten. En dus keerde ik terug naar de door mijn twee vrienden zwaar bewaakte camping die nog wel werkt. 
Na daar drie uur lang uitgeteld op de grond te hebben gelegen had ik de moed om dat schriftje ter hand te nemen en naar goede ideeën te zoeken want voor de websites van Gazelle en VAUDE kun je niet met matige ideeën aankomen. Ik zit nu in de schaduw en dat toont aan dat ik me niet lekker voel. 
Het is de schaduw van een appelboom waar zo nu en dan en halfrijp appeltje afvalt. Mijn gedachten drijven daardoor af naar een grote geest die ook ooit eens onder een appelboom zat en die, toen hij een appel op zijn hoofd kreeg, een geweldige inval kreeg. Niet: “Is het appeltje rijp en zoet?” maar “Waarom valt dat appeltje eigenlijk?” Daar is hij nooit achter gekomen maar hij is er wel mee aan de slag gegaan en om een beetje leuk aan de gravitatie te kunnen rekenen vond hij en passant de differentiaal- en integraalrekening uit. En daarmee heeft deze ingenieuze Isaac het gras voor mijn voeten grotendeels weggemaaid of beter gezegd: de appels voor mij van de boom geplukt. Anders had ik die rekenfoefjes misschien zelf wel uitgevonden want tijdens mijn studie was ik met een 7 en soms wel met een 7,5 een bolleboos in wiskunde. 
Vardzia bestaat dus uit desintegrerende hotels waar bomen door de geopende vensters groeien, daken bij stukjes en beetjes instorten en het oude Sovjet-beton langzaam wegrot. Maar er is meer want deze ruїnes, hoewel archeologisch beslist niet oninteressant, zijn niet waarover de reisgidsen hoog opgeven. Tegenover al deze twintigste-eeuwse archeologische schatten aan de zuidelijke canyonwand bevinden zich in de noordelijke canyonwand zo’n slordige 600 grotten die 1000 jaar geleden in de rots gehakt zijn. Door een zware aardbeving in 1283 scheurde de enorm uitgeholde en geperforeerde wand af en stortte er een enorm stuk rots naar beneden waardoor zo’n 300 kamers zichtbaar werden. Die noordelijke canyonwand is dus een reuzen-gatenkaas waar je urenlang langs en doorheen kunt lopen om van de schitterende uitzichten te genieten, je onderwijl afvragend hoeveel uurtjes (of jaartjes) van bikwerk het gekost heeft om zoiets voor elkaar te krijgen. Er zit zelfs nog een complete kerk vol originele fresco’s in. 
Gelukkig heb ik die “grottenstad” gisteren al uitgebreid bekeken want ik zou er vandaag de fut niet voor hebben. Enkele kilometers verderop moet echter in een diepe bergkloof nog een 1000 jaar oud kerkje liggen dat ik nog niet gezien heb. Het zou jammer zijn als ik dat moest missen en daarom staat er naast me nog een halve liter limonade-medicijn waarmee je de meest afschuwelijk vastgeroeste moeren los kunt krijgen. Ik hoop maar dat dit wondervocht ook bij machte zal zijn alle ellende in mijn maag en ingewanden los te krijgen zodat ik, als dit verhaal af is, dat kerkje alsnog kan gaan bekijken . 

Vanuit Turkije ben ik ruim twee weken geleden Georgië binnengefietst. Hoor je in bijna de hele wereld: “Cruyff, van Basten” en nog een aantal van dat soort halfgoden, als je zegt dat je uit Nederland komt, hier hoor je: “Sandra”. Sandra Roelofs is de Nederlandse vrouw van Mikheil Saakashvili, de president van Georgië. “Sandra good!” zeggen de mensen dan en steken daarbij ook hun duim op. “Laten we wodka drinken op de vriendschap tussen Nederland en Georgië.” Onder die wodka (ruwweg 80% alcohol), dat als een soort brandend vergif door je slokdarm zakt alvorens je maag te bestormen, is vaak moeilijk uit te komen omdat de Georgiërs op dat punt nogal insisteren. Met een toneelstukje (hoestbui en: “Doctor says njet”, waarbij ik mijn rechter wijsvinger als een mes langs mijn keel laat glijden) is het me echter nog steeds gelukt om de wodka-dans te ontspringen.

Georgië is een prachtig land en een van de mooiste gebieden daarvan is Svanetië in het noorden, waar de machtige tot over 5000 meter hoogte reikende Kaukasusketen de grens met Rusland vormt. Dicht onder kubieke kilometers graniet en mijlenlange gletsjers ligt het plaatsje Mestia met zijn zeer bijzondere bijna 1000 jaar oude karakteristieke torens. Vroeger had iedere familie hier zo’n toren om zich in terug te trekken in tijden van gevaar. Er staan er daar nog 30 á 40 van overeind. Ushguli, 45 kilometer verderop, overtrof met zijn woud van soortgelijke torens zelfs het fraaie Mestia en het décor van Bergen en gletsjers was nóg indrukwekkender. Het dorpje ligt op 2200 meter en is daarmee volgens mijn reisgids het hoogst gelegen permanent bewoonde dorp van Europa. En laat ik nu altijd gedacht hebben dat Georgië in Azië ligt! Maar als je het de Georgiërs vraagt krijg je unaniem "Europa" als antwoord. 
Vanaf Ushguli moest ik volgens een reisfoldertje van SNP, een reisorganisatie die zich specialiseert in prachtige wandel- en fietsreizen, nog over een pasje van 2300 meter om af te dalen naar lagere oorden. "Pasje" want als je al op 2200 meter zit is het natuurlijk een fluitje van een cent. Dat fluitje bleek een trompet van een rijksdaalder te zijn. Acht kilometer lang moest ik me op een grove-keienweg te pletter trappen om boven te komen. Daar wees mijn hoogtemeter 2800 meter aan, waarmee deze klim dus vijfmaal zo hoog was als ik had verwacht. Dat was natuurlijk een grapje van een van de reisleiders van SNP om hun klanten te verrassen. Het moet per slot van rekening niet allemaal vanzelf gaan. De afdaling ging ook niet vanzelf: een volledig weggeregend pad van keien, geulen, plassen en beken en zó steil dat ik grote stukken van de eerste 12 kilometer moest lopen met beide remmen zwaar ingeknepen. Maar voor dat soort lol doen we het natuurlijk allemaal en achteraf is die lol nog leuk ook!

En wat ook leuk, of eerder erg fijn is, mijn maag en ingewanden zijn zich flink aan het herstellen en mijn energie keert terug. Tijd dus om dat 1000 jaar oude kerkje in die bergkloof op te gaan zoeken. Tot een volgende keer, maar dan hopelijk niet na een macaronimaal met bedorven tomatenpuree als saus.

Niet te snel en niet te langzaam

Eindelijk dan toch weer eens een berichtje op het web. Ik had mij voorgenomen om u regelmatig op de hoogte te houden van mijn belevenissen onderweg, maar het blijkt dat ik het zo druk heb met het beleven van die belevenissen, dat ik geen tijd overhoud voor het schrijven daarover. En als er eens even toch wat tijd over is en er niets te beleven valt, ben ik druk met triviale dingen als het wassen van kleren of het doen van inkopen. 
Maar nu is er opeens tijd voor schrijven. Weliswaar moet er een reus van een was gedaan worden, maar gelukkig is hier geen gelegenheid om kleren te wassen en dat opent mogelijkheden voor een verhaal. 
Vanaf St. Gallen in Zwitserland, waar ik mijn vorige verhaal schreef, vergezelde Hans Koster, bij wie ik logeerde, me door Oostenrijk naar Ljubljana in Slovenië. Daar waren de 50 sigaren die hij bij zijn speciaalzaak had ingeslagen en die een niet onaanzienlijk deel van zijn bagage vormden, op. Voor Hans is een reis zonder sigaren als thee zonder suiker of soep zonder zout en dus nam hij de trein terug naar St. Gallen. Volgend jaar als hij weer een stuk met me meefietst, zal hij 150 sigaren meenemen, zo beloofde hij me. 
Ik vervolgde alleen mijn tocht door Slovenië, Kroatië, Bosnië Herzegovina, Servië en Bulgarije naar Turkije. In plaats van de relatief rustige route over de Dardanellen te nemen, koos ik voor Istanbul, aangezien de vorige keer toen ik daar was, vrijwel alle bezienswaardigheden gesloten waren i.v.m. het einde van de Ramadan. Topkapi vormde het hoogtepunt van die bezienswaardigheden en een groot deel van mijn rustdag liep ik door de tuinen en gebouwen van dit even fraaie als uitgebreide paleizencomplex. De zalen met gouden en zilveren sierraden vol edelstenen deden me niet veel, maar de architectuur was het bezoek dubbel en dwars waard. 
Voor de harem moest je extra betalen, waarom was met niet duidelijk en hoewel de mensen er wild enthousiast over zijn, verwachtte ik er niet veel van. Dat leverde echter de, in dergelijke gevallen gebruikelijke zelfconflictsituatie op: Ik ben nu hier en hoe vaak zal ik me nog door de jungle van zes miljoen auto’s heen wurmen om weer in Istanbul te komen? Als ik die harem laat varen loop ik weer tijden rond met het zelfverwijt dat ik 10 TL (= fl 12,50) heb uitgespaard ten koste van misschien wel het geweldigste dat deze stad te bieden heeft. En dus kocht ik de ticket en sjouwde in een kwartier door een rijtje zaaltjes met weliswaar fraai tegelwerk, maar dat toch weinig toevoegde aan het geheel. 
De harem was dus precies wat ik ervan verwacht had: een verspilling van tijd en geld. Maar was dat vroeger voor de sultans eigenlijk ook niet het geval? In Istanbul zakte ik naar het Zuidoosten af naar mijn favoriete gebied van Turkije: Capadocië met zin grillige pilaren die door een gigant van een kunstenaar uit de heuvels lijken te zijn gehakt. Vier dagen liep en fietste ik er rond vol ontzag voor deze Artiest. 
Daarna verlegde ik de koers iets naar het Noordoosten om een ander bijzonder gebied aan te doen, de Kaçkar bergen niet ver van de Zwarte Zee en de grens van Georgië. Daar maakte ik een lange dagwandeling naar een top van 3500 m en had er, toen ik mijn weg vervolgde spijt van dat ik er niet wat langer was gebleven. Maar een mens maakt zich soms slaaf van een plan en mijn plan was om voor half oktober, wanneer ik weer terug moet zijn in Nederland, Georgië, Azerbeidjaan en Armenië ook nog te bezoeken. En, ik geef het toe, hier maak ik, zoals zo velen, de fout te veel te willen zien en doen in te korte tijd. 
Berlioz, de beroemde Franse negentiende-eeuwse componist schijnt eens vertwijfeld uitgeroepen te hebben: O, als ik maar 130 jaar zou mogen worden! Dan zou ik alles kunnen componeren wat ik wil! Maar helaas, hij haalde amper de helft. Of ik de 130 ga halen weet ik niet, maar ik vrees dat ik na mijn honderdste niet meer zo flitsend over de bergen zal rijden. Weliswaar heb ik (hopelijk!) nog heel wat tijd, maar de wereld is, zoals ik steeds duidelijker ga zien, ook heel erg groot. Ik zal dus naar een optimale reissnelheid moeten zoeken en dat valt niet mee. 
Morgen fiets ik, als alles naar wens verloopt, Georgië binnen, waar ook veel te zien is. Daarom wil ik daar niet te snel en niet te langzaam doorheen trekken, het optimum zo dicht mogelijk benaderend. Als er weer eens weinig te beleven valt (zoals nu, want het regent) en er ook geen teil is waarin ik mijn kleren kan wassen, zal ik u verder op de hoogte houden van mijn belevenissen.
Hanak, Oost Turkije 17 augustus 2007