Een scherp Zwitsers Armée-mes

Ik ben weer eens met mijn Gazelle op weg, deze keer naar Georgië. Daar ben ik nog nooit geweest en dat is een goede reden om er heen te gaan, want een naam erbij op mijn landenlijstje is als een nieuwe postzegel in het plakboek van een filatelist. 
Een andere reden is dat het een erg interessant land moet zijn met een mooie natuur en een vriendelijke bevolking.
En dan is er nog een derde reden waarom ik Georgië als reisdoel gekozen heb. Door toeval ben ik via via in contact gekomen met de heer Roelofs uit Terneuzen, een enthousiaste fietser die, nu hij gepensioneerd is, meer tijd dan voorheen voor zijn hobby’s heeft. De heer Roelofs is de vader van Sandra Roelofs, de vrouw van de president van Georgië. Toen ik hem vertelde over mijn plan om naar het tweede vaderland van zijn dochter te fietsen, antwoordde hij: “Dan fiets ik van de Turks-Georgische grens met je mee naar Tbilisi, de hoofdstad”. 
Dat lijkt me een goed idee en zo heb ik niet alleen een fietsmaat voor de laatste paar honderd kilometer van deze reis, maar maak ik ook een kans de presidentsvrouw en met een beetje geluk de president van Georgië zelf te ontmoeten. 
Voorlopig ben ik er echter nog niet. Na ruim 1000 km fietsen door Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland zit ik tijdelijk vast in Zwitserland. Hoe lang dat tijdelijk zal zijn hangt van de weergoden af. Die hebben de hemel reeds dagenlang stevig afgedicht met een dik grijs, oververzadigd wolkenpakket waar continu water uitvalt, nu eens in miservorm, dan weer met bakken tegelijk. De laatste drie etappes voerden mij door deze natte, kille, onsympathieke misère, maar tot mijn grote geruststelling doorstonden mijn VAUDE-tent, -regenpak en –fietstassen deze waterige vuurproef. 

Nu logeer ik gelukkig bij mijn vrienden Hans en Maria Koster in St. Gallen, zodat ik in plaats van te staan blauwbekken onder een afdakje, comfortabel de ene Clint Eastwoodfilm na de andere op hun video apparaat kan bekijken in afwachting van betere tijden. Hans, een rasechte Zwitser, die behalve vloeiend Swietserduuts ook Duits spreekt, heb ik in 1993 ontmoet in Oostenrijk en door puur toeval vorig jaar weer in Myanmar (Birma), beide keren op de fiets. In juni vorig jaar ging ik bij hem aan en toen fietste hij van St. Gallen een stuk met me mee richting Afrika. Deze keer gaat hij mij weer een einde vergezellen, maar hoever zal afhangen van de heimwee naar St. Gallen en Maria, die hem zeker parten zal gaan spelen. 
Gisteravond was Hans druk met het in orde brengen van zijn spullen en zijn fiets. Een nieuwe achterband van een duister Chinees merk liet zich moeilijk monteren en na ruim twee uur prutsen werd het hem te machtig. Hij nam zijn Zwitserse Armée-mes en sneed een gat in de band zo groot dat je er een tennisbal doorheen kon duwen. “Dan kom ik tenminste niet nog eens in de verleiding dat pest-ding te gaan monteren” lichtte hij na afloop van deze subtiele oplossing van het probleem, met een verhit gezicht toe. 
Ondertussen heeft deze praktisch ingestelde Hans alles in orde voor de reis, want de oude Schwalbe-band zit weer op het achterwiel. Nu is het wachten op een gat in het grimmige wolkenpak, waar de zon zijn gezicht door kan laten zien en de aarde door kan verwarmen, maar voor zo’n gat is meer nodig dan een Zwitsers Armée-mes. 
Ik houd u via deze website op de hoogte van mijn belevenissen tijdens mijn reis naar Georgië.

Er leiden meerdere wegen naar Dakar

Dakar binnenrijden was een beproeving. De stad ligt op een schiereiland, waardoor al het woon-werkverkeer van één kant komt. De toevoerwegen zitten ’s morgens tussen 7 en 10 uur dan ook stampvol ronkend, dampend en voet voor voetje voortsukkelend blik. In deze vloed van aan alle kanten gedeukte en vervormde koektrommels op wielen kon ik geen fiets ontdekken en dat is begrijpelijk, want voor zo’n vervoermiddel is Dakar verre van een Eldorado. Daar ga je niet voor je plezier een eindje peddelen en dat ik mij met mijn Gazelle in deze arena stortte had dan ook niets met plezier te maken. 

Ik moest de dampende inferno in om twee redenen. Ten eerste was er voor mij een ketting met tandwielen naar toegestuurd omdat mijn oude ketting en tandwielen na 10.000 km aan vervanging toe waren en ten tweede was er een paar dagen eerder weer eens een stuk van een van mijn kiezen afgebroken. Via de Nederlandse ambassade had ik een afspraak kunnen maken met de beste tandarts van Dakar en nu hoopte ik maar dat deze in staat zou zijn het gat te dichten. Zo niet, dan zou ik ernstig moeten overwegen om mijn reis voortijdig te beëindigen en terug te vliegen naar Nederland. Natuurlijk had ik vanaf het op 25 km afstand van het centrum gelegen kampement waar ik logeerde de bus kunnen nemen. De kosten daarvoor bedroegen waarschijnlijk minder dan de slijtage aan mijn banden, maar na wat gesprekken met lokale openbaar-vervoer-kenners was mij duidelijk geworden, dat je dan ruim drie uur lang geplet wordt tussen zwetende medepassagiers, wat me nog erger leek dan mijn gladiatorenwerk op de fiets. 
“Met de fiets rijd je zo langs alle files heen” wist iemand nog aan de informatie toe te voegen, maar die had Dakar stellig nog nooit vanaf twee wielen bekeken. Behalve de files heeft Dakar namelijk nog een attractie, vrijwel elke straat, boulevard, avenue en weg heeft aan beide zijden een ongeveer anderhalve meter brede strook mul zand. Dat zand is door de wind vanuit de Sahara aangevoerd en geeft de stad dus een leuk Parijs-Dakar-sfeertje, maar de fietser, die vrijwel onafgebroken door de kleurrijke busjes de zijkant ingedrukt wordt loopt een vlotte kans in die mulle zijstroken onderuit te gaan. Dakar geeft u dus de nadelen van de Sahara (getob door zand) maar niet de voordelen, want mooie landschappen zijn er tussen de hoofdzakelijk lelijke bebouwing niet te ontdekken en om de stilte, die de woestijn kenmerkt, in deze kolkende zee van dieselmotoren te horen, moet je erg goede oren hebben.

 Hoe anders was mijn vorige entree in Dakar, nu alweer 15 jaar geleden! Toen reden er 10 motoragenten en een paar brandweerauto’s met loeiende sirenes voor me uit, die de weg voor mij schoon veegden. Al het verkeer werd door hen de zandige berm ingedrukt en ik reed als een koning midden op het asfalt in sneltreinvaart naar het stadhuis, waar de burgemeester, de Nederlandse ambassadeur, onze toenmalige minister van ontwikkelingszaken Pronk en vele andere hoogwaardigheidsbekleders op mij wachtten. Ik was toen namelijk aan de laatste etappe van een 15.000 km lange fondsenwervingtocht voor de leprabestrijding bezig en de P.R. afdeling van de Nederlandse Leprastichting had deze spectaculaire ontvangst voor mij geregeld. Dat was mijn Dar-es-Salam-Dakar tocht (zie mijn boek: “De knipoog van het nijlpaard”, uitg. Elmar). 
Na drie uren diesel snuiven en door zandige stroken worstelen en na tweemaal bijna van de sokken gereden te zijn kwam ik, deze keer niet als “King of the Road” maar meer als “Slave of the Road”, bij het stadhuis. De portier herkende me na al die jaren niet meer, maar ik mocht even door het hek om een fotootje te maken van de plek waar ik destijds stond te praten voor het hele sanhedrin. Een paar straten verder op mijn postadres, bleken gelukkig de ketting en tandwielen aangekomen te zijn. 
Wat later, in de wachtkamer van de tandarts, moest ik terugdenken aan mijn eerste Dakar-expeditie. Dat was in 1986. Ik wilde toen Parijs-Dakar fietsen, maar vertrok vanuit Den Haag en sloeg Parijs meteen maar over, want tien miljoen mensen op een kluitje is niks voor mij. Dat ging dus Parijs-Dakar worden, maar dan zonder Parijs. Vele maanden later in Burkina Faso, op de enige asfaltweg van het land, namelijk die van Ouagadougou naar Bobo Dcoulasso, stonden op een verlaten plek twee mannen met een kapotte motorfiets. Ze wenkten me en vroegen of ik hun motorfiets kon repareren. Toen ik antwoordde dat ik geen verstand van motorfietsen had, kreeg ik een pistool op mijn hoofd gedrukt. Ik werd de struiken ingesleurd, verwond, met mijn reserve binnenbanden aan een boom gebonden en beroofd van mijn geld, cheques, paspoort, vliegticket en fototoestel, waarna de helden er in reuzenvaart op hun “kapotte” motorfiets vandoor gingen. (Zie mijn boek “Door Sahara en Sahel”, alweer uitg. Elmar).
 Hoewel Thomas Cook wereldwijd garandeert dat gestolen cheques binnen een dag vervangen worden door nieuwe, kreeg ik na drie dagen formulieren invullen, op de bank in Ouagadougou de vraag van de bankier: 
”Zullen we het geld op uw rekening in Nederland overmaken of wilt u wachten op nieuwe cheques?” 
“Hoe lang duurt dat dan?” vroeg ik. 
“Ongeveer drie maanden; als het meevalt, twee”. 
Ik liet het geld op mijn rekening overmaken, liet ander geld uit Nederland naar mij overmaken, betaalde de Nederlandse ambassade een boete omdat het houders van een Nederlands paspoort verboden is het paspoort aan “derden” uit te lenen en kocht een nieuw paspoort. Alles bij elkaar kostte dat zoveel tijd dat ik mijn plan om door het mooie bergachtige Guinee en het interessante Mali te gaan rondrijden én dan nog door te stoten naar Dakar, moest laten varen. Ik moest kiezen tussen het duffe, maar tot de verbeelding sprekende Dakar en de prachtige Fouta Djalon in Guinee, samen met de boeiende Falaise de Bandiagara in Mali. 
Ik koos voor het laatste en zo werd die tocht mijn Parijs-Dakar, zonder Parijs én zonder Dakar. Deze keer was het dus Doldersum-Dakar en, let wél: mét Doldersum en mét Dakar! Maar Dakar was (en is!) niet het einddoel van deze tocht, hoewel … dat hing in hoge mate af van de plombeer kunsten van de tandarts in wiens wachtkamer in spanning mijn beurt afwachtte. Na 20 minuten van gedachteloos Franse Libellen doorbladeren kwam de assistente van de tandarts naar me toe en vroeg: “Wilt u me maar volgen?” 
Natuurlijk wilde ik dat, want daarvoor was ik door de “Hel van Dakar” gekomen. Ik nam plaats in de luie ligstoel van de arts en een uur later kon in de spreekkamer opgelucht verlaten. De tandarts was er in geslaagd de gebroken kies weer op te bouwen tot een volwaardige notenkraker. En daarmee was Dakar dus gelukkig niet het einde van mijn tocht. Accra is mijn doel omdat ik nog nooit in Ghana ben geweest en dat land me om de een of andere reden trekt. 
Kaapstad zou natuurlijk ook geen onaardig einddoel zijn, maar 3 en 4 februari 2007 wordt de Fiets- en Wandelbeurs gehouden in de RAI van Amsterdam en dat is natuurlijk een evenement waar veel voor moet wijken.
Bamako, 20 december 2006

Welkom Thuis

23 september was het eerste minuscule sikkeltje van de nieuwe maan te zien en dat betekende dat de Ramadan begonnen was. Ik heb de indruk dat vele Islamieten deze maand van vasten een plezierige periode vinden: overdag lijden, maar zich de hele dag verheugen op het moment dat de moskee het signaal geeft dat er weer gegeten en gedronken mag worden. Je zou dit enigszins kunnen vergelijken met een sportman, bijvoorbeeld een wielrenner die zijn longen uit zijn lijf trapt en daarvan geniet, zelfs als het hem grauw voor de ogen gaat schemeren, in de wetenschap dat er een finish is, waarna hij in volle teugen kan genieten van zijn hete douche, zijn glas pils en alle andere dingen die na zo’n inspanning veel beter tot hun recht komen dan wanneer er geen offer aan vooraf gaat.
 
 

Meestal zat ik ’s avonds voor mijn tent in de woestijn en dan maakte het weinig uit of het Ramadan was of niet, maar de 28e september kwam ik rond een uur of vier in de middag in Guelmim aan, waar ik een hotelletje nam. Overal in de stad was activiteit: mensen kochten fruit op de markt en allerlei vers bereide koekjes in cafeetjes of bakkerijtjes. Straten werden vol gezet met stands van speelgoed tot mobiele telefoons (wat voor de meesten ook speelgoed is) en van schrijfbenodigdheden tot televisies en schoenen. 
Een kwartier voor het einde van het vasten die dag, waren de straten echter plotseling geheel verlaten. Iedereen zat natuurlijk thuis om te eten, maar een uurtje later begonnen de straten zich weer te vullen met kuierende, kijkende en kopende mensen. Ik ging op zoek naar een restaurant, maar voordat ik 50 meter gevorderd was, werd ik al door een stel jonge mannen bij een van de vele stands geroepen en werd ik getrakteerd op een kom gebonden linzensoep en een schaal dadels, het traditionele eten voor na de vastentijd. Verder kreeg ik gezoete koekjes, sinaasappelsap, sterke muntthee en pannenkoekjes met siroop. 
Drie of vier stands verder viel me een volgende uitnodiging te beurt en tegen de tijd dat ik het restaurant bereikt had, was mijn maag gevuld, niet alleen voor die avond, maar ook voor een groot deel van de volgende dag. Dat kwam eigenlijk wel goed uit, want mag de Ramadan dan zijn plezierige kanten hebben, zoals die avond in Guelmim, hij heeft voor de fietsreiziger ook zijn mindere aantrekkelijk kanten, vooral op een ruim 1800 km lang woestijntraject als dat van Guelmim in Marokko naar Nouakshott, de hoofdstad van Mauritanië. 
Na uren van fietsen over een zwart lint door een eindeloze, met wat struikjes en pollen begroeide zandvlakte, waarin het passeren van een waarschuwingsbord voor overstekende kamelen zo’n beetje tot de meest enerverende gebeurtenissen behoort, zag ik dan aan de einder langzaam iets uit het zand oprijzen: een wegrestaurant of een winkeltje, meestal in combinatie met een benzinestation.

Als ik dan eindelijk bij dat uitnodigende gebouwtje aan kwam en de ijskoude limonadefles, waar ik me de voorafgaande uren op verheugd had, aan mijn lippen wilde zetten om een reuzendorst te lessen, bleek alleen de benzinepomp open te zijn. Restaurant, winkeltje en cafeetje gesloten! Allicht! Er was geen mens die overdag voor een koude Fanta kwam, dus waarom zou je je winkeltje open houden en je koelkast aanzetten? 
Dan was er weinig anders voor mij dan het lauwe water uit mijn bidons, wat brood uit mijn tassen en de hoop dat het volgende wegrestaurantje 100 km verder, of misschien wel 200 km verder, de uitzondering zou zijn die de regel bevestigt en wel open zou zijn. En jawel! Er waren ook wegrestaurants dag en nacht open: open van voren, open van opzij of van achteren en open van boven: ingegooide ruiten, uit de sponningen gezakte deuren en ingestorte daken, maar dergelijke ruines waren ook geen plekken waar je als hongerige reiziger naar uitziet. Afgezien van de weinige keren dat ik de nacht in een stadje doorbracht was de Ramadan-maand ook voor mij een soort (gedwongen) vastentijd. 
Erger dan dit sobere leven vond ik het ongezellige aspect van deze periode van mijn reis. Normaal kon ik op lange woestijntrajecten enorm genieten van het neerstrijken bij zo’n uiterst sporadisch en primitief eethuisje en smaakt mij de eenvoudige hap die daar geboden wordt honderd maal beter dan een 7 gangen menu in een van Nederlands 8-sterren restaurants. Op deze reis moest ik dat plezier dus keer op keer ontberen. Dat, in combinatie met misschien wel het minst interessante woestijntraject dat ik ooit gereden heb, deed bij mij soms de vraag rijzen, wat de lol van deze tocht eigenlijk was, een gevaarlijke vraag, die ik dan ook snel naar de achtergrond drong met de een of andere mathematische of onnozele puzzel. 
Zo nu en dan doorbrak een passerende vrachtwagen de monotonie van de rechte reep teer door de vlakke zee van zand en een enkele keer tufte er een dure vierwiel aangedreven jeep voorbij met een Franse, Duitse of Spaanse nummerplaat, maar stoppen, zoals ze dat 20 jaar geleden in de veel interessantere woestijn van Algerije wél deden, deed er niet één. Niet dat ik de cola uit hun ijsboxen nodig had, want als het moet kan ik, hoe een Bourgondiër ik ook moge zijn, als een asceet leven. Nee, een gezellig gesprekje om van anderen te horen, waarom dit tóch een geweldige tocht was, dát was waar ik naar verlangde. Welnu, misschien konden die Franse, Duitse en Spaanse, door vier wielen voorgedrevenen dat ook niet vertellen. Maar waarom stopten ze dan niet om het van mij te horen? 
En toen, op het hoogtepunt van deze twijfelperiode reed mij opeens een grote gele vrachtwagen voorbij. Hij hield in waardoor hij gelijk met me opreed. “Ben jij Frank van Rijn?” vroeg de vrouw die rechtsvoor zat. Meteen zag ik dat de zijkant van deze vrachtwagen (Unimog voor de kenners, een machtige six wheel drive op vier reuzen van wielen) volgepakt zat met reclamestickers, waaraan echter Gazelle, Schwalbe en Vaudé wonderlijk genoeg ontbraken. Daaronder stond: “Fietsen voor Onderwijs”. Ik antwoordde bevestigend en kreeg van de chauffeur naast haar, die zich naar mij overboog, te horen dat er een ploeg van 14 fietsers achter me zat, op weg van Bolsward naar Accra, een fondsenwervingtocht voor een onderwijsproject in Ghana. Deze Unimog en een nog grotere witte Daf-truck, die nu ook van achteren naderde, zorgden voor de ondersteuning van de fietsers en vervoerden hun bagage. 

“We hebben op verschillende politieposten al over een eenzame fietser met bagage gehoord en vermoedden dat jij het was”, vervolgde hij. “We gaan een kilometer of 15 verderop kamperen met de hele groep. Heb je zin om erbij te komen staan?” 
En zo kwam het dat ik die avond aardappelen met groente at in plaats van mijn simpele macaroni met zand dat er door de eeuwige wind ingeblazen was. Maar vooral de gesprekken met mijn 14 collega fietsers en hun vier begeleiders vormden een aangename afwisseling op mijn dagelijkse eenzame overpeinzingen voor mijn tent. “Fiets je morgen met ons mee?” vroeg Ipe. 
“Dat red ik niet met die baal bagage”. 
“Die gooi je in de Unimog”, zei Mark. 
Meerijden in een vrachtwagen, bus, auto of trein is tegen mijn wet, maar mijn bagage een dagje laten vervoeren en zo weer eens ervaren hoe een 45 kg lichtere fiets aanvoelt, is iets waar ik geen gewetensbezwaar tegen heb en dus reed ik de volgende dag mee in de groep. We trapten de 152 km lange etappe weg alsof het een spelletje knikkeren was. Wat zeker géén spelletje knikkeren was, was de ijzeren discipline in de groep. We reden twee aan twee met 15 tot 18 cm tussen het voorwiel van de een en het achterwiel van die ervoor. Elke dag was er een andere etappeleider die erop toe moest zien (en dat ook deed!) dat de pauzes onderweg niet zouden ontaarden in verkapte siësta’s en uit de hand lopende koffie-uurtjes: 
“Jullie hebben 13 minuten en 37 seconden om je sinaasappel op te eten en dan gaan we weer!” 
De etappeleider had een secondant, eveneens bij roulatie, die de rij sloot en die bij elke van achter naderende auto luid “van achteren” moest roepen. Deze kreet werd dan onmiddellijk overgenomen door de op één na achterste en plantte zich dan als een akoestische golf voort naar de voorsten in de groep. Reed iemand 27 cm te ver naar links dan werd hem door de secondant vriendelijk doch dringend verzocht beter rechts te houden en als iemand het achterwiel van zijn voorganger te ver naar voren liet lopen werd hem even vriendelijk en dringend verzocht dat gat te dichten, opdat de groep niet te ver uit elkaar getrokken zou worden. Om de 5 km werd er van kop gewisseld. Dan ging de rechtsvoor linksvoor rijden en schoof de hele rechter kolom een positie naar voren en de linker kolom een positie naar achteren, waardoor je steeds een andere buur had.

Allen hadden hetzelfde groen-gele, met sponsorlogo’s versierde shirt aan en als wet van Meden en Perzen: hun valhelm op. Ik, als eenvoudige solo globetrotter zonder helm en met een verbleekt shirtje dat na 5 maanden fietsen vermoeidheidsverschijnselen begon te vertonen, viel natuurlijk nogal uit de toon, wat door de anderen overigens grootmoedig geaccepteerd werd. 
Die 15 tot 18 cm tussen mijn voorwiel en mijn voorgangers achterwiel, hield ik vaak niet nauwgezet in de gaten, vooral als de conversatie met mijn buur te interessant werd. Dan viel er zomaar een gat va 50 meter en had ik de hele formatie van de groep verstoord, wat zo nu en dan tot een lichte frons bij “law-and-order-fietsers” leidde. Met een tijd flink pompen was het gat weer gedicht, maar voor ik het in de gaten had liep dat achterwiel weer te ver weg. Vaak klonk halverwege een interessant verhaal met mijn buur het wisselsignaal van de etappeleider en moest de conversatie meteen worden opgeschort totdat de hele cyclus van wisselen zich herhaald had en ik dezelfde buur weer had. Dan was ik natuurlijk allang vergeten met welk interessant onderwerp we bezig waren en begonnen we maar weer een nieuw verhaal. Op deze wijze flitsten de kilometers teer onder onze wielen weg. 
De sporadische restaurantjes, benzinestations en ruines die langzaam uit de horizon oprezen vielen mij niet meer op en de ongemakken van de Ramadan deerden mij niet meer. Weg was mijn leven van eenzame asceet: ergens verderop stonden de Unimog en de Daf-truck klaar met Friese peperkoek, hete bouillon, koude cola, brood, boter, kaas en jam en voor ik het goed en wel in de gaten had was de etappe voorbij en hadden onze zorgzame begeleiders een prachtige kampeerplek gevonden: 
“Welkom thuis” werd ons dan al toegeroepen, als we door het zand naar ze toe kwamen en inderdaad ervoer ik dat als een beetje thuiskomen. Niet meer gestoord door het wisselsignaal kon ik dan mijn gesprek met filosoof Theo, dammeester Bart, Elfstedentocht-organisator Henk, vogelbotten- en snavel verzamelaar Mark en al de anderen afmaken. In plaats van één dagje reed ik maar liefst vier etappes met de groep mee, maar 125 km voorbij Nouâdhibou in Mauritanië werd het toch weer eens tijd om op eigen benen te staan en laadde ik al mijn spullen weer op mijn fiets. 
Tot St. Louis in Senegal kwamen we elkaar echter nog herhaaldelijk tegen en als ik dan langs het kampement van mijn collega fietsers reed klonk het vertrouwde: “Welkom thuis” en weer kon ik de verleiding dan niet weerstaan om mijn tent tussen de andere tenten te zetten. Dan had ik ’s avonds opnieuw een diner van evenveel sterren als dat er sterren in het firmament boven me schitterden. En als de voorgaande keren hadden we dan de meest diepgaande gesprekken over allerlei grote en kleine, maar uiterst gewichtige onderwerpen. In St. Louis had de groep een rustdag en aangezien ook ik daar heel toevallig een rustdag had kon ik samen met Ipe en Annemiek de stad te voet verkennen, een interessante, Koloniaal-Frans aandoende plaats die echter toch puur Afrikaans is. 
Na deze rustdag bogen mijn nieuwe vrienden naar het oosten af om via Mali en Burkina Faso naar Ghana door te stoten. Ik ging, nu weer geheel alleen, door naar Dakar, Gambia en Guinée Bissau om van daar via Guinée naar Mali verder te trekken, met eveneens Ghana als einddoel. St. Louis was dus het definitieve einde van onze ontmoetingen………, hoewel……. wat is definitief? 
Van mijn dorpje in Drente naar Bolsward is weliswaar ver, maar niet te ver, als je een goede fiets hebt. Ik denk dat ik de meeste van deze 14 voor Onderwijs Fietsende landgenoten met hun 4 begeleiders nog wel eens zal ontmoeten.

Wilt u meer weten over deze groep van 14+4 en hun fondsenwervingtocht voor onderwijs? Probeer dan eens http://www.fietsenvooronderwijs.nl/ uit uw computer naar voren te toveren.

Kerel, ga toch fietsen!

Jan en Marie gaan trouwen en dat belooft een geweldig feest te worden. Terwijl de voorbereidingen in volle gang zijn komt daar opeens Achmed op zijn zwaar bepakte fiets aangereden, een vreemdeling uit een ver land. Trui wit van het zout en bruin van het stof, korte broek die al een heel tijdje geen sopje meer heeft gezien en twee sokken die weliswaar min of meer bij elkaar horen, maar waarvan de linker toevallig niet binnenstebuiten zit, terwijl de rechter een gat ter grootte van een pingpongbal bij de enkel vertoont. 
Oom Kees ziet de vagebond langsrijden, houdt hem aan, trakteert hem op een kop thee en vraagt:”Heb je zin om vandaag bij ons te blijven? Dan kun je een echte Hollandse bruiloft meemaken!” Zoiets zie ik nog niet zo snel gebeuren in Nederland en als oom Kees zich ooit mocht verstouten een dergelijke uitnodiging te lanceren zonder eerst overleg te plegen met de rest van de familie, loopt hij een dikke kans van Jan of Marie te horen te krijgen: “Kerel, ga toch fietsen!” en dan kan hij maar beter met Achmed meegaan. 
In Marokko is een dergelijke situatie heel gewoon en het is me al meerdere keren overkomen dat ik door een familielid in de X-ste graad van de bruid of bruidegom ben uitgenodigd de trouwpartij bij te wonen. Aangezien ik met mijn, niet geheel voor dit doel geschikte, kleding nogal uit de toon val tussen een gezelschap op z’n paasbest en ik bovendien niet echt een groot feestvarken ben, houd ik de boot bij zo’n invitatie meestal beleefd af.

Na een toer door de Hoge Atlas, toen ik op een avond bij een groot alleenstaand landhuis aanging om te vragen of ik mijn tent ergens op het bijbehorende landgoed mocht opzetten, gebeurde het weer eens. 
“Blijf een dag extra”, zei de man die later de oom van de bruid bleek te zijn, “dan kun je morgen een traditionele Marokkaanse bruiloft meemaken.” 
“Heel gastvrij van u, maar ik wil ook nog een toer door de Anti-Atlas maken.” 
“Die loopt niet weg.” 
“Ja, maar ik moet ook nog door naar Mauritanië en dat is een reuze eind.” 
“Mauritanië loopt ook niet weg en wat is één dagje op zo’n reis?” 
Ik sliep er een nachtje over en kwam tot de conclusie: “Als ik dit soort dingen altijd maar weiger, maak ik nooit iets speciaals mee.” En dus bleef ik die dag. 
“De folkloristische dansen beginnen vanmiddag om drie uur”, zei Khaled, de broer van de bruid. In Marokko moet je daar dan natuurlijk wel het Marokkaanse kwartiertje bijtellen en inderdaad, om een uur of zes ’s avonds, toen er al ruim 200 gasten waren, begon er beweging te komen in een groep van ongeveer twintig mannen, elk voorzien van een bendir, een soort platte trom met een diameter van zo’n 40 cm. Onder het zingen en het slaan op de bendir hupten ze met kleine sprongetjes rond. Veel variatie kon ik er niet in ontdekken, maar dat lag stellig aan mijn ongeoefend oor voor dit soort muziek. Wat me opviel was dat de twee hoofdpersonen van het feest ontbraken, maar tegen de schemering kwam een geheel in het wit geklede vrouw naar buiten. 
“Dat is mijn zuster, de bruid”, zei Khaled. 
“En waar is de bruidegom?” vroeg ik 
“Die is in zijn dorp, hier 10 km vandaan.” 
“Trouwt je zus dan alleen of trouwt haar aanstaande man ook?” 
Khaled legde me uit dat de bruidegom het feest bij zijn eigen familie vierde. 
“Morgen gaan we daar met z’n allen naar toe en dan vieren we het feest gezamenlijk verder,” voegde hij er aan toe. De bruid werd bij een andere broer achterop een paard gehesen, waarna er een grote optocht begon: voorop de groep van twintig mannelijke dansers met hun bendirs, daarachter alle mannen van het ondertussen ruim 300 gasten tellende gezelschap, gevolgd door het paard met de bruid en haar broer en tot besluit alle fors gesluierde in mooie kledij gehulde vrouwen. In een grote cirkel trok de stoet, onder het gezang en gedans van de groep van twintig rond het landhuis. Dat nam ruim een uur in beslag. Terug bij het huis verdwenen alle vrouwen in de vertrekken op de benedenverdieping en begaven alle mannen zich naar de ruime kamer op de bovenverdieping om daar op uitgerolde vloerkleden plaats te nemen. 
Als het echter om 150 man gaat, dien je het begrip “ruim” ruim op te vatten. Steeds kwamen er meer mannen binnen en elke keer werd ik verder geplet tussen mijn linker en rechter buur. De “ruime” kamer begon op een bijenkorf te lijken, waarin de bijen als sardines op elkaar geperst werden. Gelukkig kwam de oom van de bruid mij te hulp, plukte me van tussen de massa en voerde me naar het platte dak waar ik comfortabel op een bankje bij een groepje van zes mannen kon zitten. Een van hen sprak goed Frans. Hij bleek computerdeskundige te zijn en vertelde me tijdens het drinken van enkele glaasjes sterke mentholthee veel voor mij nog onbekende dingen over mijn nieuwe digitale camera. Ongelofelijk wat er allemaal mogelijk is met zo’n klein doosje elektronica, maar helaas, wat we ook probeerden, telefoneren en berichtjes zenden ging er niet mee. 
En toen kwam de maaltijd: een overvloedige tajine, één van de culinaire specialiteiten van Marokko. En dat was bovendien al de tweede vandaag, want ’s middags was er ook al een tajine geserveerd. Van half werk hielden deze mensen blijkbaar niet. Na de maaltijd werd er natuurlijk weer uitgebreid en ritueel thee gezet en gedronken want zonder thee is elke sociale bezigheid in Marokko a-priori mislukt. Wat later kwamen de 20 dansers weer naar buiten en hervatten hun zang en dans, dat ging de hele nacht verder door, want ook deze mensen zouden zich schamen half werk te leveren. Rond middernacht toen de vermoeidheid van de voorafgaande dagen hardhandig toesloeg en mij belette nog verder te genieten van het gezang, trok ik mij beleefd terug in het kamertje dat de familie voor mij gereserveerd had. 
Juist voor de slaap mij in zijn greep kreeg, trachtte ik mij voor te stellen hoeveel aardappelen, olijven, peentjes, uien, tomaten, olijfolie, broden en al die andere ingrediënten je nodig hebt voor twee overvloedige tajines voor driehonderd mensen en hoeveel geiten je daarvoor moet opofferen. Die hoofdrekensom alleen zou mij, zo ik de hoofdpersoon van een dergelijk op handen zijnd feest zou zijn, zó moe maken en me zozeer in paniek brengen, dat ik er voor zou kiezen mijn fiets te pakken en verder als vrijgezel de wereld rond te gaan toeren. En dat is eigenlijk precies waar ik nu al ruim een kwart eeuw mee bezig ben.

Brief uit Marokko

Marokko, 9 september 2006

Marokko is nogal veranderd sinds ik er in 1979 voor het eerst rondfietste. Zo ligt er nu, waar ik destijds over keienpaden bonkte, menige asfaltweg. Voorts ziet men tegenwoordig legioenen mensen met een mobiele telefoon rondlopen, waarmee je van veel plaatsen in het land moeiteloos naar alle uithoeken van de wereld kunt bellen. Zevenentwintig jaar geleden was dat anders. Toen kon ik vanuit een vrij grote stad pas na twee mislukte pogingen en 2 uur wachten een krakend lijntje naar Nederland krijgen. Parabolen om Ajax- Benfica op te vangen zijn er nu in de berberdorpen in de bergen ongeveer net zoveel als grazende geiten en Internet maakt het in de grote steden, maar ook in menig klein stadje mogelijk om Gazelle punt en el van het wereldwijde net te plukken. Wat mij echter als grootste verschil met 1979 opvalt, is het feit dat de kinderen hier braaf geworden zijn. Toen ik indertijd met mijn goede vriend Eelco de Haan onderweg was van Tetouan naar Meknes, stonden er al zo’n beetje elke kilometer ventjes van 8 à 10 jaar langs de weg die dwingend: “Donnez moi un Dirham (geld), donnez moi un bonbon“, of simpelweg: “Donnez moi quelque chose” riepen, waarbij ze al een steen in de hand hadden om die van achteren naar ons te gooien voor het geval we niet onmiddellijk naar onze beurs of een zak snoep grepen. Gelukkig hadden we vrij snel in de gaten dat als je, op het moment dat je langs zo’n met een steen gewapende kereltje kwam, een harde schreeuw gaf, hij van schrik de steen liet vallen. Voordat hij zich dan hersteld had, waren we buiten schootsafstand, maar in de verte stonden hun vriendjes alweer klaar met: “Donnez moi votre chappeau, donnez moi un stylo” en opnieuw was een harde brul nodig om een projectiel naar je hoofd te voorkopen. Binnen twee dagen was ik dan ook mijn stem kwijt van al dat gebrul. De ouders van de 8 à 10 jarige jongen die nu langs de weg staan hebben hun kinderen blijkbaar beter opgevoed dan de generatie daarvoor, want tot nu toe heb ik in 976 km langs Marokkaanse wegen nog maar nauwelijks: “donnez moi …” gehoord en nog geen enkele steen naar het hoofd geslingerd gekregen. Merkwaardig is wel dat de ouders van die huidige brave kinderen de uiterst lastige steensmijters van toen waren. Marokko is er dus voor automobilisten, mobiele jongens, Feyenoord-Real Madrid vereerders en fietsers een stuk op vooruit gegaan. vanrijn04Maar helaas heeft de vooruitgang ook zijn keerzijde. In de buurt van plaatsen waar een souk (wekelijkse markt) gehouden wordt, zie je tegenwoordig steeds vaker grote velden met merkwaardige gewassen: groene, roze, witte en zwarte bollen van 10 tot 20 cm in diameter. Dat zijn plastic zakken die handig zijn om gekochte waren in te doen. Als de gekochte waar geconsumeerd is hoef je de zak maar in de lucht of op de grond te gooien en de wind doet de rest. Die voert ze meer totdat ze achter een struik of distel blijven steken en bolt ze vervolgens op tot watermeloenachtige vruchten. Lege plastic flessen worden rondgestrooid als pepernoten op Sinterklaasavond maar er is geen kind en ook geen volwassene die ze opraapt, zodat je soms bijna tot je knieën door het Cola-, Sprite- en Sidi-Ali plastic moet waden om op een markt te komen. Casablanca was in dit opzicht ook een belevenis. Ik ben er enkel en alleen heen gegaan voor mijn visum voor Mauritanië. De naam betekent wit huis, een grapje natuurlijk! Casanegra zou beter passen, want de uitlaatgassen van de auto’s, bussen en vrachtwagens die daar door elkaar krioelen, kleuren de huizen langzaam, maar heel gedegen, zwart. Een kettingroker is daar echter goedkoper uit, want met een dag ademhalen heeft hij dezelfde hoeveelheid rook binnen als van twee pakjes sigaretten en toch zag ik er menig kettingroker zijn twee pakjes bijpaffen, alles om de damp nog dichter te maken. Aangezien ik mijn visum pas om 2 uur in de middag kreeg, kwam ik die dag niet verder dan 60 kilometer van Smoke City (ook geen lelijke naam!) vandaan, maar daarmee was ik in een andere wereld terecht gekomen: een licht, heuvelachtig langschap waarin verspreid boerderijtjes en huisjes lagen en waar het leven zijn rustige gangetje ging, zoals het dat voor eeuwen had gedaan. Omdat er nergens een plekje uit het zicht was om mijn tent op te zetten, vroeg ik bij een winkeltje waar limonade, koekjes, sigaretten, olijfolie en nog wat andere spulletjes verkocht werden, of ik er achter mijn tent mocht opzetten. De winkelier opende meteen de deur van het vertrek naast het winkeltje om mij daar te laten overnachten en kwam twee minuten later aanlopen met een tafeltje en vier minuten later met een blad, waarop een theekan en een aantal glaasjes stonden. Voor de deur, in de rode lucht van de ondergaande zon, dronken we de mentholthee en aten we vers gebakken brood met eigengemaakte boter En daar was dan iets dat onveranderd is gebleven in Marokko: de gastvrijheid. Er kwamen nogal wat kennissen en buren kijken. Blijkbaar zat ik een eind buiten het toeristencircuit en is een Europeaan op een fiets hier nog een zeldzaamheid. Merkwaardig was echter dat er geen mens een woord Frans sprak, terwijl dat in Marokko toch erg veel gesproken wordt. Toen het donker werd verhuisden we naar mijn vertrek om onze gebarenconversatie over de grote wereldproblematiek en over welke fietsen wél en welke beslist niét geschikt zijn voor wereldreizen, voort te zetten. Aangezien de beide bedden die het vertrek rijk was op instorten stonden, zette ik, om insecten van me af te houden, op de grond mijn binnentent op. Toen die stond werd er voor de tent opnieuw thee gedronken. Ik maakte wat foto’s met mijn nieuwe digitale camera waar veel te veel knoppen op zitten, maar toch lukten ze en dus kon ik de mensen meteen laten zien hoe ze eruit zagen. In gebaren vroeg mijn gastheer of ik het niet te heet zou krijgen, die nacht, waarop ik duidelijk maakte dat het voor mij niet gauw te heet wordt. Daarna wees ik naar de vele tientallen butagasflessen, groot en klein, die nogal slordig langs de muur opgestapeld stonden en gebaarde: “als die maar geen “Boem” doen”. Met dat flauwe grapje oogstte ik nog een hoop succes ook, maar het resultaat was wel dat de man, samen met een paar jongens die toekeken, al die flessen meteen naar het vertrek daarachter ging slepen. En hoe maak je nu in Arabische gebarentaal duidelijk dat het slechts een grapje was van dat “Boem”? Bovendien, als die flessen in het vertrek ernaast “Boem” zouden doen, zou mijn nacht ook aan de warme kant worden. Ondertussen ben ik via de fraaie watervallen van Ouzoud in het Atlasgebergte terecht gekomen. De met de rode en roze heuvels versmeltende Berberdorpen boeien mij nog net zo als die eerste keer, nu al meer dan een kwart eeuw geleden. Gisteren ben ik een enorme, 600 meter loodrecht uit het landschap oprijzende rots opgelopen, die “la Cathedrale” wordt genoemd omdat iemand met veel fantasie er ooit een kathedraal in heeft gezien. Aan de achterkant voerde een makkelijk bergpad naar de top en vandaar had ik een prachtig uitzicht op de bergen in het rond en op zo’n mooi Berberdorp in de diepte. Vanochtend ben ik voor mijn Gite d’Etappe, die ook “la Cathedrale” heet, naar dat dorp gelopen, waarvan de huizen op middeleeuwse forten lijken, de typische Marokkaanse Kashba’s. Ik had nog geen tien stappen in het dorp gezet of er kwam al een man naar met toe die me uitnodigde voor de thee. En zo zat ik een later in zo’n Kashba op een prachtig rood tapijt met een groen kussen in mijn rug. En weer proefde ik via de zoete mentholthee en het nog warme brood dat gedompeld werd in vers geperste olijfolie, de Marokkaanse gastvrijheid.