Op bezoek bij de president van Georgië

Maandag 1 Oktober hield ik tegen de avond halt voor een van de chicste hotels van Tbilisi. Normaal waag ik me niet eens in de búúrt van zo’n luxe tent, maar die dag lag de zaak anders. Ik was hier uitgenodigd voor een diner met Sandra Roelofs, de Nederlandse echtgenote van de president van Georgië. Met de fiets aan de hand liep ik zelfverzekerd op de twee geüniformeerde portiers af, niet anders verwachtend dan dat ze snel en beleefd voor me aan de kant zouden springen om mij door te laten. 


In plaats daarvan blokkeerden ze me echter de weg en beduidden me dat mijn fiets niet naar binnen mocht. Hoe ik ook betoogde dat deze hele avond juist om mijn fiets draaide omdat die mij 10.000km lang over bergen en door vlakten hierheen gebracht had, speciaal om Sandra te ontmoeten, de twee portiers bleven doof voor mijn argumenten. Zelfs toen de gerant erbij gehaald werd lukte het niet de mooiste fiets van het Noordelijk halfrond over de drempel te krijgen. Het bleef bij wat rondjes rijden over het pleintje tegenover het hotel voor de in forse getale toestromende persfotografen en cameralieden, waarna de fiets in een zijgebouwtje werd ondergebracht.
Sandra was ondertussen ook gearriveerd en gaf op de bovenverdieping een persconferentie voor een dozijn naar haar uitgestoken microfoons. Dat ging in het Georgisch, zodat ik niet verstond waar het over ging. Ik vermoedde dat het iets met mijn reis en het (fiets)toerisme in Georgië te maken had. Toen zij klaar was werden alle microfoons op mij gericht en kon ik vertellen over mijn reis en waarom ik dacht dat Georgië zo’n mooi land was en zo geschikt voor toerisme. Dat ging in het Engels zodat nu de pers niet verstond waar het over ging. Gelukkig was daar de secretaresse van Sandra die alles wat ik zei keurig in het Georgisch vertaalde.
Na afloop van de persconferentie volgde het diner, waar behalve Sandra en ik ook de Nederlandse ambassadeur aan deelnam, alsmede twee beambten van het ministerie van toerisme, de secretaresse en de twaalfjarige zoon van Sandra. Ook was er een Nederlands echtpaar van de partij dat op fietsvakantie was en gedurende een maand door Georgië en Armenië toerde: John Telleman en Gudy Rooijakkers, kortweg Zjon en Guud. Deze laatsten zijn actieve leden van Nederlands belangrijkste vereniging: “De Wereldfietser”. Ze hadden met enige moeite hun vakantie zo georganiseerd, dat ze bij deze ontvangst aanwezig konden zijn om daar in woord en beeld verslag van te doen. 
En tenslotte was daar als volmaker van dit illustere tiental het beste renpaard van stal: Eduard Roelofs, de vader van Sandra die mij op mijn laatste etappes naar Tbilisi had vergezeld en die, naar zijn zeggen, “bijna gek” van me was geworden omdat ik niet hard genoeg doortrapte en te vaak stopte om een kilogram taaie Soviet-koek te kopen. Zo is hij het in Zeeuws Vlaanderen waar hij met zijn wielerclub met 35km/h over het effen asfalt suist, niet gewend. Nochtans hadden we het goed met elkaar uitgehouden en was er zelfs sprake van uitwisseling van fietscultuur: Hij begon steeds meer plezier in de keienpaden en de taaie koek te krijgen en ik kwam wat los van mijn eigen tempo waarin ik de laatste 25 jaar, door te veel alleen fietsen, was vastgeroest.
Bij het dineetje ging het er natuurlijk van dik hout zaagt men planken aan toe, wat je in Georgië kunt verwachten: gatchapuri (warm kaasbrood) ghinkali (een soort reuzen ravioli), salades, pkhali (spinaziepasta met walnoten en knoflook), vlees, kaas, patatten en nog zoveel meer dat ik het me allemaal niet herinner. Wat ik me wèl herinner is dat er veel bij zat waarvan ik geen idee had uit welke componenten het was samengesteld en dat alles zó overvloedig was dat er na afloop, toen iedereen zich tonrond had gegeten ongeveer 80% over bleef. Dat hoort zo in Georgië, want o wee als een van de schotels leeg raakt! Dat zou kunnen betekenen dat iemand te weinig van dat gerecht had gekregen en zoiets moet tot elke prijs worden voorkomen. Met mijn Nederlandse “bord-leeg-eten-en-niets-laten-staan-mentaliteit” viel het mij die avond zwaar. Eduard deed mij na afloop het idee aan de hand een van de bedienden een doggy-bag te vragen, maar dat zou er dan een van de afmetingen van een grote vuilniszak moeten zijn. En waar laat je dat alles op je fiets? 
Met een ijsje, zo groot dat de tafelgenoot tegenover je daar geheel achter schuil ging, werd dit bijzondere etentje besloten.

Was het al moeilijk geweest om Sandra te ontmoeten in verband met haar vele bezigheden op het humanitaire vlak, een bezoekje aan haar man, bleek een waar “pièce de résistance” te zijn. Steeds als er een afspraak met zijn staf gemaakt was, kwam er wat tussen en moest het uitgesteld worden. Het heeft me altijd leuk geleken om president te zijn in een grote glimmende auto met vlaggen erop en geëscorteerd door en dozijn andere grote glimmende auto’s rondgereden te worden. Helaas blijkt het vak toch ook een hoop verplichtingen en werk met zich mee te brengen en dat verandert de zaak natuurlijk. 
Na vier dagen wachten in Tbilisi, terwijl de Heer Saakashvili heen en weer vloog tussen Tbilisi, New York, Athene en Parijs, begon ik te betwijfelen of ik de geschikte man voor zo’n job zou zijn. En wat ik ook begon te betwijfelen was of het ooit tot een ontmoeting met de president zou komen. Daarom ging ik mijn tassen maar pakken voor de laatste fase van mijn reis: een rondje Armenië. 
Opeens kwam Zjon, die in hetzelfde 7e-rangs pensionnetje logeerde als ik, binnenrennen met de mededeling: “Eduard belde me zojuist op mijn mobiele telefoon. We worden over een half uur bij de president verwacht”. Dat was om vijf uur in de middag en inderdaad om elf uur ’s avonds was het zover. Na ons met succes door een serie security checks gewerkt te hebben, konden Eduard, Zjon en ik de werkkamer van de president binnen. Ik vond de afmetingen van de kamer wat tegenvallen, want je kon er amper een partij tennis spelen, maar het bleek slechts de wachtkamer te zijn. De werkkamer zelf waar we na een half uur wachten werden toegelaten was gelukkig wat ruimer zodat we onze benen konden uitstrekken.
Mikheil Saakashvili, nog geen 40 jaar oud (!) bleek een gezellige prater te zijn en informeerde nog voor we goed en wel in de zachte kussens van een comfortabele bank waren weggezakt, naar de hondenbeet die ik enkele dagen daarvoor had opgelopen. (Voor meer info over die beet en vele andere voorvallen tijdens mijn reis, zie mijn boek waarvan ik nog geen letter op papier heb staan, maar waarvan al veel zinnen in mijn hoofd zitten. Nog even geduld dus.) Ik antwoordde dat dat wel los liep, maar dat er nog veel meer los liep: ongeveer tien miljoen honden die niet allemaal tot het gezellige schoothondjes-type behoren, en waarbij je het wel uit je hoofd laat om ze over de bol te aaien.

“Zo erg als de honden zijn, zo vriendelijk en gastvrij zijn de mensen” voegde ik er snel aan toe om de balans, die de verkeerde kant uit dreigde te slaan, weer in evenwicht te krijgen.
“Bovendien is Georgië een prachtig land met indrukwekkende bergen en even indrukwekkende kloosters. Een land met een geweldig toeristisch potentieel. Voor fietsers is het op de kleinere wegen met gravel en vol gaten een waar eldorado.”
“Die wegen zullen aan het einde van mijn ambtstermijn allemaal geasfalteerd zijn”
Ik betoogde dat een groot deel van de lol voor fietsers bestaat uit het links en rechts om potholes heen rijden. Hoewel ik Mikheil, die zelf een enthousiast fietser is en elke ochtend, als zijn werk het toelaat, zo’n half uur fietst,  daarvan kon overtuigen, is het de vraag of er na die asfalteerkruistocht nog wel genoeg gaten in de secundaire wegen over zullen zijn om de fervente pothole-fietser tevreden te stellen.
“Kijk” zei hij opstaand, “dit heb ik van een oliesjeik uit het Midden Oosten gekregen”, en hij tilde een puur gouden moskee van 25 bij 25 cm op waar een klokje in zat. ”Leuk, maar wat heb je er eigenlijk aan? Een fiets, dáár kun je wat mee!”  
Dat hete ijzer liet ik natuurlijk niet afkoelen en smeedde het meteen: “Dan breng ik volgend jaar voor u en Sandra een prachtige Gazelle, type Kathmandu, mee, waarop u, als uw ambtstermijn er op zit, naar Nederland kunt fietsen”.
De tijd tikte tijdens dat geanimeerde gesprek genadeloos door, waardoor de geplande vijf minuten, voor slechts een handdruk en een foto, uitliepen tot twintig minuten, gedurende welke Zjon een paar Gigabytes aan digitale foto’s op ons verschoot. Daarna moest de Heer Saakashvili snel naar het vliegveld, want er stond die nacht nog iemand op zijn programma. “De Hoop Scheffer zal al wel geland zijn en vraagt zich nu natuurlijk af waarom ik op me laat wachten”
We namen afscheid en toen Eduard, Zjon en ik buiten kwamen zagen we een sleep auto’s met zwaailichten in snelle vaart de kanselarij verlaten, richting vliegveld.
“Op naar Armenië voor nieuwe belevenissen” zei Zjon, die net als ik blij was dat we de volgende dag deze drukke stad konden verlaten en weer in actie konden komen.  

Bedorven tomatenpuree

In mijn vorige bericht op deze website schreef ik dat als er weer eens weinig te beleven is, bijvoorbeeld in verband met slecht weer, en ik geen zeep had om de was te doen, ik zal proberen meer over mijn belevenissen te schrijven. Welnu, vandaag is het heerlijk weer, ik heb wèl zeep en veel vuile kleren en ik zit in Vardzia dat, zoals velen van u ongetwijfeld zullen weten, in een prachtige canyon ligt. Er is dus veel te beleven en veel te doen en toch heb ik mijn schriftje voor de dag gehaald om verslag uit te brengen van mijn reis. 
Is het mijn plichtsbesef dat opeens zo ongenadig heeft toegeslagen? Nee, want wat mijn plichtsbesef betreft lijk ik een beetje op Pinokkio. Ik heb het wel maar soms duurt het even voordat het zich manifesteert. Nee, het was een blikje met bedorven tomatenpuree waarmee ik gisteravond mijn macaroni wilde opfleuren. Resultaat: diarree, misselijkheid en een algehele slapte die elke fysieke bezigheid verhindert. 
Ik zit hier op een mooie camping in een boomgaard. Op loopafstand bevindt zich een houten hokje waar een scheefgezakte deur voor zit die zowaar nog redelijk dicht kan en er bevindt zich ergens een stuk tuinslang waar, als je geluk hebt, water uit komt. Alle ingrediënten voor een ideale camping dus, afgezien dan van twee waakhonden die me vannacht met al hun gewaak nogal uit mijn slaap hebben gehouden. Vanochtend was ik daarom ondanks mijn lichamelijke ongemakken en het feit dat ik in een van de bijzondere archeologische plekken van Georgië zit, vast van plan om hier onmiddellijk te vertrekken. En aldus deed ik want nóg een nacht zou me teveel masochisme zijn. 
De eerste zes kilometer met flinke klimmen en afdalingen erin waren echter ook een eerstegraads masochisme. Bij een winkeltje stopte ik, spoelde als medicijn twee flesjes limonade door mijn keel en zag af van mijn plan om die dag nog mijn reis te vervolgen. Ik moest kiezen uit twee masochismen en koos voor die van de honden. Veel alternatief was er niet want alles wat in Vardzia naar hotel riekt zakt langzaam uit elkaar en is al tijden verlaten. En dus keerde ik terug naar de door mijn twee vrienden zwaar bewaakte camping die nog wel werkt. 
Na daar drie uur lang uitgeteld op de grond te hebben gelegen had ik de moed om dat schriftje ter hand te nemen en naar goede ideeën te zoeken want voor de websites van Gazelle en VAUDE kun je niet met matige ideeën aankomen. Ik zit nu in de schaduw en dat toont aan dat ik me niet lekker voel. 
Het is de schaduw van een appelboom waar zo nu en dan en halfrijp appeltje afvalt. Mijn gedachten drijven daardoor af naar een grote geest die ook ooit eens onder een appelboom zat en die, toen hij een appel op zijn hoofd kreeg, een geweldige inval kreeg. Niet: “Is het appeltje rijp en zoet?” maar “Waarom valt dat appeltje eigenlijk?” Daar is hij nooit achter gekomen maar hij is er wel mee aan de slag gegaan en om een beetje leuk aan de gravitatie te kunnen rekenen vond hij en passant de differentiaal- en integraalrekening uit. En daarmee heeft deze ingenieuze Isaac het gras voor mijn voeten grotendeels weggemaaid of beter gezegd: de appels voor mij van de boom geplukt. Anders had ik die rekenfoefjes misschien zelf wel uitgevonden want tijdens mijn studie was ik met een 7 en soms wel met een 7,5 een bolleboos in wiskunde. 
Vardzia bestaat dus uit desintegrerende hotels waar bomen door de geopende vensters groeien, daken bij stukjes en beetjes instorten en het oude Sovjet-beton langzaam wegrot. Maar er is meer want deze ruїnes, hoewel archeologisch beslist niet oninteressant, zijn niet waarover de reisgidsen hoog opgeven. Tegenover al deze twintigste-eeuwse archeologische schatten aan de zuidelijke canyonwand bevinden zich in de noordelijke canyonwand zo’n slordige 600 grotten die 1000 jaar geleden in de rots gehakt zijn. Door een zware aardbeving in 1283 scheurde de enorm uitgeholde en geperforeerde wand af en stortte er een enorm stuk rots naar beneden waardoor zo’n 300 kamers zichtbaar werden. Die noordelijke canyonwand is dus een reuzen-gatenkaas waar je urenlang langs en doorheen kunt lopen om van de schitterende uitzichten te genieten, je onderwijl afvragend hoeveel uurtjes (of jaartjes) van bikwerk het gekost heeft om zoiets voor elkaar te krijgen. Er zit zelfs nog een complete kerk vol originele fresco’s in. 
Gelukkig heb ik die “grottenstad” gisteren al uitgebreid bekeken want ik zou er vandaag de fut niet voor hebben. Enkele kilometers verderop moet echter in een diepe bergkloof nog een 1000 jaar oud kerkje liggen dat ik nog niet gezien heb. Het zou jammer zijn als ik dat moest missen en daarom staat er naast me nog een halve liter limonade-medicijn waarmee je de meest afschuwelijk vastgeroeste moeren los kunt krijgen. Ik hoop maar dat dit wondervocht ook bij machte zal zijn alle ellende in mijn maag en ingewanden los te krijgen zodat ik, als dit verhaal af is, dat kerkje alsnog kan gaan bekijken . 

Vanuit Turkije ben ik ruim twee weken geleden Georgië binnengefietst. Hoor je in bijna de hele wereld: “Cruyff, van Basten” en nog een aantal van dat soort halfgoden, als je zegt dat je uit Nederland komt, hier hoor je: “Sandra”. Sandra Roelofs is de Nederlandse vrouw van Mikheil Saakashvili, de president van Georgië. “Sandra good!” zeggen de mensen dan en steken daarbij ook hun duim op. “Laten we wodka drinken op de vriendschap tussen Nederland en Georgië.” Onder die wodka (ruwweg 80% alcohol), dat als een soort brandend vergif door je slokdarm zakt alvorens je maag te bestormen, is vaak moeilijk uit te komen omdat de Georgiërs op dat punt nogal insisteren. Met een toneelstukje (hoestbui en: “Doctor says njet”, waarbij ik mijn rechter wijsvinger als een mes langs mijn keel laat glijden) is het me echter nog steeds gelukt om de wodka-dans te ontspringen.

Georgië is een prachtig land en een van de mooiste gebieden daarvan is Svanetië in het noorden, waar de machtige tot over 5000 meter hoogte reikende Kaukasusketen de grens met Rusland vormt. Dicht onder kubieke kilometers graniet en mijlenlange gletsjers ligt het plaatsje Mestia met zijn zeer bijzondere bijna 1000 jaar oude karakteristieke torens. Vroeger had iedere familie hier zo’n toren om zich in terug te trekken in tijden van gevaar. Er staan er daar nog 30 á 40 van overeind. Ushguli, 45 kilometer verderop, overtrof met zijn woud van soortgelijke torens zelfs het fraaie Mestia en het décor van Bergen en gletsjers was nóg indrukwekkender. Het dorpje ligt op 2200 meter en is daarmee volgens mijn reisgids het hoogst gelegen permanent bewoonde dorp van Europa. En laat ik nu altijd gedacht hebben dat Georgië in Azië ligt! Maar als je het de Georgiërs vraagt krijg je unaniem "Europa" als antwoord. 
Vanaf Ushguli moest ik volgens een reisfoldertje van SNP, een reisorganisatie die zich specialiseert in prachtige wandel- en fietsreizen, nog over een pasje van 2300 meter om af te dalen naar lagere oorden. "Pasje" want als je al op 2200 meter zit is het natuurlijk een fluitje van een cent. Dat fluitje bleek een trompet van een rijksdaalder te zijn. Acht kilometer lang moest ik me op een grove-keienweg te pletter trappen om boven te komen. Daar wees mijn hoogtemeter 2800 meter aan, waarmee deze klim dus vijfmaal zo hoog was als ik had verwacht. Dat was natuurlijk een grapje van een van de reisleiders van SNP om hun klanten te verrassen. Het moet per slot van rekening niet allemaal vanzelf gaan. De afdaling ging ook niet vanzelf: een volledig weggeregend pad van keien, geulen, plassen en beken en zó steil dat ik grote stukken van de eerste 12 kilometer moest lopen met beide remmen zwaar ingeknepen. Maar voor dat soort lol doen we het natuurlijk allemaal en achteraf is die lol nog leuk ook!

En wat ook leuk, of eerder erg fijn is, mijn maag en ingewanden zijn zich flink aan het herstellen en mijn energie keert terug. Tijd dus om dat 1000 jaar oude kerkje in die bergkloof op te gaan zoeken. Tot een volgende keer, maar dan hopelijk niet na een macaronimaal met bedorven tomatenpuree als saus.

Niet te snel en niet te langzaam

Eindelijk dan toch weer eens een berichtje op het web. Ik had mij voorgenomen om u regelmatig op de hoogte te houden van mijn belevenissen onderweg, maar het blijkt dat ik het zo druk heb met het beleven van die belevenissen, dat ik geen tijd overhoud voor het schrijven daarover. En als er eens even toch wat tijd over is en er niets te beleven valt, ben ik druk met triviale dingen als het wassen van kleren of het doen van inkopen. 
Maar nu is er opeens tijd voor schrijven. Weliswaar moet er een reus van een was gedaan worden, maar gelukkig is hier geen gelegenheid om kleren te wassen en dat opent mogelijkheden voor een verhaal. 
Vanaf St. Gallen in Zwitserland, waar ik mijn vorige verhaal schreef, vergezelde Hans Koster, bij wie ik logeerde, me door Oostenrijk naar Ljubljana in Slovenië. Daar waren de 50 sigaren die hij bij zijn speciaalzaak had ingeslagen en die een niet onaanzienlijk deel van zijn bagage vormden, op. Voor Hans is een reis zonder sigaren als thee zonder suiker of soep zonder zout en dus nam hij de trein terug naar St. Gallen. Volgend jaar als hij weer een stuk met me meefietst, zal hij 150 sigaren meenemen, zo beloofde hij me. 
Ik vervolgde alleen mijn tocht door Slovenië, Kroatië, Bosnië Herzegovina, Servië en Bulgarije naar Turkije. In plaats van de relatief rustige route over de Dardanellen te nemen, koos ik voor Istanbul, aangezien de vorige keer toen ik daar was, vrijwel alle bezienswaardigheden gesloten waren i.v.m. het einde van de Ramadan. Topkapi vormde het hoogtepunt van die bezienswaardigheden en een groot deel van mijn rustdag liep ik door de tuinen en gebouwen van dit even fraaie als uitgebreide paleizencomplex. De zalen met gouden en zilveren sierraden vol edelstenen deden me niet veel, maar de architectuur was het bezoek dubbel en dwars waard. 
Voor de harem moest je extra betalen, waarom was met niet duidelijk en hoewel de mensen er wild enthousiast over zijn, verwachtte ik er niet veel van. Dat leverde echter de, in dergelijke gevallen gebruikelijke zelfconflictsituatie op: Ik ben nu hier en hoe vaak zal ik me nog door de jungle van zes miljoen auto’s heen wurmen om weer in Istanbul te komen? Als ik die harem laat varen loop ik weer tijden rond met het zelfverwijt dat ik 10 TL (= fl 12,50) heb uitgespaard ten koste van misschien wel het geweldigste dat deze stad te bieden heeft. En dus kocht ik de ticket en sjouwde in een kwartier door een rijtje zaaltjes met weliswaar fraai tegelwerk, maar dat toch weinig toevoegde aan het geheel. 
De harem was dus precies wat ik ervan verwacht had: een verspilling van tijd en geld. Maar was dat vroeger voor de sultans eigenlijk ook niet het geval? In Istanbul zakte ik naar het Zuidoosten af naar mijn favoriete gebied van Turkije: Capadocië met zin grillige pilaren die door een gigant van een kunstenaar uit de heuvels lijken te zijn gehakt. Vier dagen liep en fietste ik er rond vol ontzag voor deze Artiest. 
Daarna verlegde ik de koers iets naar het Noordoosten om een ander bijzonder gebied aan te doen, de Kaçkar bergen niet ver van de Zwarte Zee en de grens van Georgië. Daar maakte ik een lange dagwandeling naar een top van 3500 m en had er, toen ik mijn weg vervolgde spijt van dat ik er niet wat langer was gebleven. Maar een mens maakt zich soms slaaf van een plan en mijn plan was om voor half oktober, wanneer ik weer terug moet zijn in Nederland, Georgië, Azerbeidjaan en Armenië ook nog te bezoeken. En, ik geef het toe, hier maak ik, zoals zo velen, de fout te veel te willen zien en doen in te korte tijd. 
Berlioz, de beroemde Franse negentiende-eeuwse componist schijnt eens vertwijfeld uitgeroepen te hebben: O, als ik maar 130 jaar zou mogen worden! Dan zou ik alles kunnen componeren wat ik wil! Maar helaas, hij haalde amper de helft. Of ik de 130 ga halen weet ik niet, maar ik vrees dat ik na mijn honderdste niet meer zo flitsend over de bergen zal rijden. Weliswaar heb ik (hopelijk!) nog heel wat tijd, maar de wereld is, zoals ik steeds duidelijker ga zien, ook heel erg groot. Ik zal dus naar een optimale reissnelheid moeten zoeken en dat valt niet mee. 
Morgen fiets ik, als alles naar wens verloopt, Georgië binnen, waar ook veel te zien is. Daarom wil ik daar niet te snel en niet te langzaam doorheen trekken, het optimum zo dicht mogelijk benaderend. Als er weer eens weinig te beleven valt (zoals nu, want het regent) en er ook geen teil is waarin ik mijn kleren kan wassen, zal ik u verder op de hoogte houden van mijn belevenissen.
Hanak, Oost Turkije 17 augustus 2007

Een scherp Zwitsers Armée-mes

Ik ben weer eens met mijn Gazelle op weg, deze keer naar Georgië. Daar ben ik nog nooit geweest en dat is een goede reden om er heen te gaan, want een naam erbij op mijn landenlijstje is als een nieuwe postzegel in het plakboek van een filatelist. 
Een andere reden is dat het een erg interessant land moet zijn met een mooie natuur en een vriendelijke bevolking.
En dan is er nog een derde reden waarom ik Georgië als reisdoel gekozen heb. Door toeval ben ik via via in contact gekomen met de heer Roelofs uit Terneuzen, een enthousiaste fietser die, nu hij gepensioneerd is, meer tijd dan voorheen voor zijn hobby’s heeft. De heer Roelofs is de vader van Sandra Roelofs, de vrouw van de president van Georgië. Toen ik hem vertelde over mijn plan om naar het tweede vaderland van zijn dochter te fietsen, antwoordde hij: “Dan fiets ik van de Turks-Georgische grens met je mee naar Tbilisi, de hoofdstad”. 
Dat lijkt me een goed idee en zo heb ik niet alleen een fietsmaat voor de laatste paar honderd kilometer van deze reis, maar maak ik ook een kans de presidentsvrouw en met een beetje geluk de president van Georgië zelf te ontmoeten. 
Voorlopig ben ik er echter nog niet. Na ruim 1000 km fietsen door Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk en Duitsland zit ik tijdelijk vast in Zwitserland. Hoe lang dat tijdelijk zal zijn hangt van de weergoden af. Die hebben de hemel reeds dagenlang stevig afgedicht met een dik grijs, oververzadigd wolkenpakket waar continu water uitvalt, nu eens in miservorm, dan weer met bakken tegelijk. De laatste drie etappes voerden mij door deze natte, kille, onsympathieke misère, maar tot mijn grote geruststelling doorstonden mijn VAUDE-tent, -regenpak en –fietstassen deze waterige vuurproef. 

Nu logeer ik gelukkig bij mijn vrienden Hans en Maria Koster in St. Gallen, zodat ik in plaats van te staan blauwbekken onder een afdakje, comfortabel de ene Clint Eastwoodfilm na de andere op hun video apparaat kan bekijken in afwachting van betere tijden. Hans, een rasechte Zwitser, die behalve vloeiend Swietserduuts ook Duits spreekt, heb ik in 1993 ontmoet in Oostenrijk en door puur toeval vorig jaar weer in Myanmar (Birma), beide keren op de fiets. In juni vorig jaar ging ik bij hem aan en toen fietste hij van St. Gallen een stuk met me mee richting Afrika. Deze keer gaat hij mij weer een einde vergezellen, maar hoever zal afhangen van de heimwee naar St. Gallen en Maria, die hem zeker parten zal gaan spelen. 
Gisteravond was Hans druk met het in orde brengen van zijn spullen en zijn fiets. Een nieuwe achterband van een duister Chinees merk liet zich moeilijk monteren en na ruim twee uur prutsen werd het hem te machtig. Hij nam zijn Zwitserse Armée-mes en sneed een gat in de band zo groot dat je er een tennisbal doorheen kon duwen. “Dan kom ik tenminste niet nog eens in de verleiding dat pest-ding te gaan monteren” lichtte hij na afloop van deze subtiele oplossing van het probleem, met een verhit gezicht toe. 
Ondertussen heeft deze praktisch ingestelde Hans alles in orde voor de reis, want de oude Schwalbe-band zit weer op het achterwiel. Nu is het wachten op een gat in het grimmige wolkenpak, waar de zon zijn gezicht door kan laten zien en de aarde door kan verwarmen, maar voor zo’n gat is meer nodig dan een Zwitsers Armée-mes. 
Ik houd u via deze website op de hoogte van mijn belevenissen tijdens mijn reis naar Georgië.

Er leiden meerdere wegen naar Dakar

Dakar binnenrijden was een beproeving. De stad ligt op een schiereiland, waardoor al het woon-werkverkeer van één kant komt. De toevoerwegen zitten ’s morgens tussen 7 en 10 uur dan ook stampvol ronkend, dampend en voet voor voetje voortsukkelend blik. In deze vloed van aan alle kanten gedeukte en vervormde koektrommels op wielen kon ik geen fiets ontdekken en dat is begrijpelijk, want voor zo’n vervoermiddel is Dakar verre van een Eldorado. Daar ga je niet voor je plezier een eindje peddelen en dat ik mij met mijn Gazelle in deze arena stortte had dan ook niets met plezier te maken. 

Ik moest de dampende inferno in om twee redenen. Ten eerste was er voor mij een ketting met tandwielen naar toegestuurd omdat mijn oude ketting en tandwielen na 10.000 km aan vervanging toe waren en ten tweede was er een paar dagen eerder weer eens een stuk van een van mijn kiezen afgebroken. Via de Nederlandse ambassade had ik een afspraak kunnen maken met de beste tandarts van Dakar en nu hoopte ik maar dat deze in staat zou zijn het gat te dichten. Zo niet, dan zou ik ernstig moeten overwegen om mijn reis voortijdig te beëindigen en terug te vliegen naar Nederland. Natuurlijk had ik vanaf het op 25 km afstand van het centrum gelegen kampement waar ik logeerde de bus kunnen nemen. De kosten daarvoor bedroegen waarschijnlijk minder dan de slijtage aan mijn banden, maar na wat gesprekken met lokale openbaar-vervoer-kenners was mij duidelijk geworden, dat je dan ruim drie uur lang geplet wordt tussen zwetende medepassagiers, wat me nog erger leek dan mijn gladiatorenwerk op de fiets. 
“Met de fiets rijd je zo langs alle files heen” wist iemand nog aan de informatie toe te voegen, maar die had Dakar stellig nog nooit vanaf twee wielen bekeken. Behalve de files heeft Dakar namelijk nog een attractie, vrijwel elke straat, boulevard, avenue en weg heeft aan beide zijden een ongeveer anderhalve meter brede strook mul zand. Dat zand is door de wind vanuit de Sahara aangevoerd en geeft de stad dus een leuk Parijs-Dakar-sfeertje, maar de fietser, die vrijwel onafgebroken door de kleurrijke busjes de zijkant ingedrukt wordt loopt een vlotte kans in die mulle zijstroken onderuit te gaan. Dakar geeft u dus de nadelen van de Sahara (getob door zand) maar niet de voordelen, want mooie landschappen zijn er tussen de hoofdzakelijk lelijke bebouwing niet te ontdekken en om de stilte, die de woestijn kenmerkt, in deze kolkende zee van dieselmotoren te horen, moet je erg goede oren hebben.

 Hoe anders was mijn vorige entree in Dakar, nu alweer 15 jaar geleden! Toen reden er 10 motoragenten en een paar brandweerauto’s met loeiende sirenes voor me uit, die de weg voor mij schoon veegden. Al het verkeer werd door hen de zandige berm ingedrukt en ik reed als een koning midden op het asfalt in sneltreinvaart naar het stadhuis, waar de burgemeester, de Nederlandse ambassadeur, onze toenmalige minister van ontwikkelingszaken Pronk en vele andere hoogwaardigheidsbekleders op mij wachtten. Ik was toen namelijk aan de laatste etappe van een 15.000 km lange fondsenwervingtocht voor de leprabestrijding bezig en de P.R. afdeling van de Nederlandse Leprastichting had deze spectaculaire ontvangst voor mij geregeld. Dat was mijn Dar-es-Salam-Dakar tocht (zie mijn boek: “De knipoog van het nijlpaard”, uitg. Elmar). 
Na drie uren diesel snuiven en door zandige stroken worstelen en na tweemaal bijna van de sokken gereden te zijn kwam ik, deze keer niet als “King of the Road” maar meer als “Slave of the Road”, bij het stadhuis. De portier herkende me na al die jaren niet meer, maar ik mocht even door het hek om een fotootje te maken van de plek waar ik destijds stond te praten voor het hele sanhedrin. Een paar straten verder op mijn postadres, bleken gelukkig de ketting en tandwielen aangekomen te zijn. 
Wat later, in de wachtkamer van de tandarts, moest ik terugdenken aan mijn eerste Dakar-expeditie. Dat was in 1986. Ik wilde toen Parijs-Dakar fietsen, maar vertrok vanuit Den Haag en sloeg Parijs meteen maar over, want tien miljoen mensen op een kluitje is niks voor mij. Dat ging dus Parijs-Dakar worden, maar dan zonder Parijs. Vele maanden later in Burkina Faso, op de enige asfaltweg van het land, namelijk die van Ouagadougou naar Bobo Dcoulasso, stonden op een verlaten plek twee mannen met een kapotte motorfiets. Ze wenkten me en vroegen of ik hun motorfiets kon repareren. Toen ik antwoordde dat ik geen verstand van motorfietsen had, kreeg ik een pistool op mijn hoofd gedrukt. Ik werd de struiken ingesleurd, verwond, met mijn reserve binnenbanden aan een boom gebonden en beroofd van mijn geld, cheques, paspoort, vliegticket en fototoestel, waarna de helden er in reuzenvaart op hun “kapotte” motorfiets vandoor gingen. (Zie mijn boek “Door Sahara en Sahel”, alweer uitg. Elmar).
 Hoewel Thomas Cook wereldwijd garandeert dat gestolen cheques binnen een dag vervangen worden door nieuwe, kreeg ik na drie dagen formulieren invullen, op de bank in Ouagadougou de vraag van de bankier: 
”Zullen we het geld op uw rekening in Nederland overmaken of wilt u wachten op nieuwe cheques?” 
“Hoe lang duurt dat dan?” vroeg ik. 
“Ongeveer drie maanden; als het meevalt, twee”. 
Ik liet het geld op mijn rekening overmaken, liet ander geld uit Nederland naar mij overmaken, betaalde de Nederlandse ambassade een boete omdat het houders van een Nederlands paspoort verboden is het paspoort aan “derden” uit te lenen en kocht een nieuw paspoort. Alles bij elkaar kostte dat zoveel tijd dat ik mijn plan om door het mooie bergachtige Guinee en het interessante Mali te gaan rondrijden én dan nog door te stoten naar Dakar, moest laten varen. Ik moest kiezen tussen het duffe, maar tot de verbeelding sprekende Dakar en de prachtige Fouta Djalon in Guinee, samen met de boeiende Falaise de Bandiagara in Mali. 
Ik koos voor het laatste en zo werd die tocht mijn Parijs-Dakar, zonder Parijs én zonder Dakar. Deze keer was het dus Doldersum-Dakar en, let wél: mét Doldersum en mét Dakar! Maar Dakar was (en is!) niet het einddoel van deze tocht, hoewel … dat hing in hoge mate af van de plombeer kunsten van de tandarts in wiens wachtkamer in spanning mijn beurt afwachtte. Na 20 minuten van gedachteloos Franse Libellen doorbladeren kwam de assistente van de tandarts naar me toe en vroeg: “Wilt u me maar volgen?” 
Natuurlijk wilde ik dat, want daarvoor was ik door de “Hel van Dakar” gekomen. Ik nam plaats in de luie ligstoel van de arts en een uur later kon in de spreekkamer opgelucht verlaten. De tandarts was er in geslaagd de gebroken kies weer op te bouwen tot een volwaardige notenkraker. En daarmee was Dakar dus gelukkig niet het einde van mijn tocht. Accra is mijn doel omdat ik nog nooit in Ghana ben geweest en dat land me om de een of andere reden trekt. 
Kaapstad zou natuurlijk ook geen onaardig einddoel zijn, maar 3 en 4 februari 2007 wordt de Fiets- en Wandelbeurs gehouden in de RAI van Amsterdam en dat is natuurlijk een evenement waar veel voor moet wijken.
Bamako, 20 december 2006