‘Een zebrapad voor zebra’s.’

Bericht 11

Terug naar Dakar en Nederland.

‘Een zebrapad voor zebra’s.’

Na mijn lastige doorsteek van Labé in Guinee naar Senegal (waar ik in mijn vorige bericht over schreef), vond ik iets buiten Mako, op de grote weg (N7) van Kedougou naar Tambacounda een plezierig campement. Ik ontmoette er een Engelse collega-fietsreiziger, wat natuurlijk gezellig was, aangezien ik het aantal fietsreizigers dat ik op deze reis had ontmoet op de vingers van één hand kon tellen en dan nog ruim een vinger overhield. Hij ervoer dat ook zo, want, zo vertelde hij mij, hij kwam bij het tellen van de collega-fietsers niet verder dan drie, mij meegerekend. Uit deze getallen was op te maken, dat West Afrika niet erg gefrequenteerd werd (en wordt) door fietsers. Hij was al uren bezig met het prutsen aan zijn benzinebrander, die het naar zijn idee niet goed deed. Ik deed hem een idee aan de hand hoe hij de vlam wat kon versterken.

“Dat kon wel eens werken,” zei hij en dus haalde hij voor de zoveelste maal zijn brander uit elkaar. Ik ging ondertussen op een stoeltje aan de Gambia-rivier zitten, die pal langs het campement stroomde, om mijn dagboek te schrijven. Toen ik daarmee klaar was kwam de Engelsman naar me toe met de verheugende mededeling dat zijn brander weliswaar nog niet perfect, maar toch wel een heel stuk beter werkte dan toen hij aan het sleutelen begon. ‘s Avonds bestelden we beiden bij het restaurantje in het campement patat met omelet. Toen we die eenvoudige en voedzame, maar niet erg typisch Senegalese maaltijd aan het consumeren waren, schoof er een Nederlands stel, dat met een jeep op weg was van Nederland naar Sierra Leone, bij ons aan. Ze vertelden dat ze in Sierra Leone in een ziekenhuis gingen werken en dat ze de jeep aan dat ziekenhuis gingen schenken. Het werd een geanimeerd gesprek, waarbij de conversatie, om de Engelsman niet buitenboord te laten vallen, geheel in het Engels verliep. De Engelsman kwam met de voor mij verbazende opmerking dat hij hier zijn dagboek niet kon schrijven, omdat er geen wifi-verbinding was.

“Maar een Bic doet het toch zonder wifi?” vroeg ik verbaasd en voegde daar met lichte ironie aan toe: “Je hebt dan natuurlijk wel nog een schriftje nodig, maar als je dat niet hebt, kun je van mij wel een paar velletjes krijgen.”

Hierop kreeg ik een hele verhandeling te horen over hoe hij de tekst via zijn telefoon in het een of andere geheugen (de ‘cloud’ of misschien nog wel veel verder weg) invoerde en dat dat veel mooier was dan met een Bic in een schriftje. Dan konden de foto’s er meteen ook bij. Mijn opmerking dat de Romeinen een imperium hadden gebouwd dat zich uitstrekte van het Midden Oosten tot halverwege Engeland en van de Rijn tot een eind in Afrika en dat alles zonder internet (!), leek bij hem geen hout te snijden.

Tijdens dit gesprek, stak hij een sigaret op en merkte daarbij op, dat hij er een stuk of twintig per dag rookte. Er gingen nog een paar sigaretten in de brand en toen die geheel in as en rook waren omgezet, merkte ik bij wijze van scherts op: “Steek nu nog eens een sigaret op, rook die tot halverwege, druk hem dan symbolisch uit in de asbak en beloof je daarbij plechtig: “Dit was mijn laatste sigaret.” En gooi vervolgens het pakje in de vuilnisbak.”

Een erg enthousiaste indruk maakte hij niet over deze wijze raad en wat later liep hij van tafel weg om iets aan zijn fiets te gaan sleutelen. De Nederlanders en ik vervolgden onze conversatie nu in het Nederlands, maar een kwartier later werden we geïnterrumpeerd door de Engelsman, die opeens enorm emotioneel tegen me begon uit te varen: “Niks van wat ik doe is goed in jouw focking ogen! Ik schrijf mijn focking dagboek met behulp van internet en dat is fout, maar voor mij werkt het! Ik rook en dat is fout, maar voor mij werkt het! Schrijf je focking dagboek in je focking schriftje met die focking pen van je en bemoei je niet meer met mijn zaken.”

Dat woord focking had hij die middag al ongeveer driehonderd maal gebruikt voor alle zichtbare en onzichtbare dingen in dit universum en nu bleek mijn schrijfgerei opeens ook onder die omschrijving te vallen. Ik antwoordde dat ik vroeger op school nogal wat jaartjes Engelse les had gehad, maar dat ik nooit het woord ‘focking‘ in een lesboek had zien staan en het ook nooit had horen noemen door de leraar. “Wat betekent het eigenlijk?” vroeg ik, maar een echt duidelijk antwoord kwam daar niet op.

“Woordarmoede soms?” probeerde ik nog, maar de conversatie was voorbij en de Engelsman beende driftig weg, de Nederlanders en mij in een zekere verwarring achterlatend. Later realiseerde ik me dat de man door die opmerking van mij over zijn laatste sigaret in feite niet kwaad was op mij, maar meer op zichzelf, omdat hij mij diep in zijn hart gelijk gaf, maar het niet op kon brengen die laatste sigaret uit te drukken.

Och…. Eigenlijk was (en is) het met mij ongeveer hetzelfde, maar dan wat betreft cola. Ik zie nog altijd uit naar de dag waarop ik een blikje half leeg drink en de rest symbolisch aan Moeder Aarde offer met het vaste voornemen, nooit meer zo’n blikje open te trekken. Maar of ik zo over mijn toeren zou raken van iemand, die mij fijntjes op die zwakheid van mij zou attenderen, dat ik lelijke woorden zou gaan spuien, betwijfel ik. Nee, die zou ik toch zoveel mogelijk trachten te onderdrukken.

Foto 1: Ik voor mijn hut in het campement van Mako.

Enkele kilometers voorbij Mako reed ik het Parc National du Niokolo Koba binnen. Een bord langs de weg waarschuwde voor wilde dieren, zoals panters, leeuwen en flinke apen. Die waarschuwing was meer bedoeld om wilde automobilisten tot bedaren te brengen, dan om bedaarde fietsers wild van angst te maken. Ik werd niet tegen gehouden door een slagboom, een hek of een parkwachter en borden met ‘Verboden voor fietsers en wandelaars’ waren nergens te zien. En dus peddelde ik rustig de ongeveer 100 km door het park naar Dienoun Diala, waar zich de uitgang bevond. Daar stond wél een parkwachter en de verbazing op diens gezicht toen hij mij op de fiets uit het park zag komen, deed mij vermoeden dat als ik van deze kant het park had willen binnenrijden, ik overtuigend had moeten praten om er door te komen. Misschien hangt de bloeddorstigheid van leeuwen af van de richting waarin je ze benadert. Overigens waren de enige wilde dieren die ik op dat traject van 100 km zag, een stel vogels. Om het echte ‘wilde werk’ te zien, moest je waarschijnlijk ver het asfalt af.

Ergens midden in het park bevond zich een curiositeit, althans zo ervoer ik het: een zebrapad over de weg, dus een oversteekplaats voor zebra’s en ander wild. Zebra’s zag ik er niet en leeuwen ook niet, maar toch stopte ik, want van bijzondere zebrapad, een rood-witte nog wel, moest ik toch even op de gevoelige chip vastleggen.

Foto 2: Waarschuwingsbord langs de weg.
Foto 3: Het bord van dichtbij: Pas op voor wilde dieren.
Foto 4: Een zebrapad midden in de wildernis. Geen zebra te zien.
Foto 5: Kamperen in de wildernis.

Via Velingara, waar ik een ruim twee maanden geleden op de heenweg naar Guinee ook was doorgekomen, reed ik naar het oosten van Gambia. Bij Janjangbureh stak ik met een pontje de Gambia-rivier over, waarna ik een kilometer of 25 verder bij de beroemde Cercles Mégalitiques de Senegambie kwam, een Unesco Werelderfgoed monument, dat hier ‘Stone circles’ werd genoemd. Het was nog even zoeken hoe ik er precies moest komen, want in het dorpje Wassu, waar het vlakbij was, zag ik eerst geen wegwijzer die er naar verwees. Na wat heen en weer rijden en vragen aan de plaatselijke bevolking vond ik waarachtig toch een richtingbord met ‘Welcome to Stone-…….’ De rest van de aanduiding was verborgen achter een stapel oude autobanden die bij een vulkanisatie-bedrijf lag. Het werd aan de scherpzinnigheid van de potentiële bezoeker over gelaten om het ontbrekende woord in te vullen.

Foto 6: Wegwijzer naar het werelderfgoed-monument ‘Stone circles’.

Ik sloeg af op het zandige paadje in de richting waarin het bord wees en kwam na een paar honderd meter bij een niet al te hoge stenen muur. Daarachter zag ik vele stenen pilaren die in cirkels stonden opgesteld. Bij een hek in de muur stond: ‘Dagelijks geopend van 8:00 tot 17:00. Indien u dit hek gedurende de openingstijden toch gesloten aantreft, bel dan nummer …………’

En dus parkeerde ik mijn fiets, klom over de muur en ging de intrigerende pilaren bekijken. Terwijl ik daar mee bezig was, kwam de bewaker op zijn bromfiets aangereden en opende het hek. Ik liep naar hem toe om het toegangskaartje te kopen.

“Heeft u het bordje bij dit hek niet gelezen?” vroeg hij.

“Jazeker wel,” antwoordde ik.

“En waarom heeft u me dan niet gebeld?”

“Om te bellen heb je een telefoon nodig.”

“En die heeft u niet?”

“Nee. Er zijn nog steeds mensen op deze aardbol en zelfs in Afrika, die geen telefoon op zak hebben. Ik ben er zo een en aangezien op het bord staat dat het monument nu open is, ben ik over het muurtje geklommen.”

De man moest toegeven, dat er een zekere logica in deze redenering zat. Ik kocht alsnog het toegangskaartje en liep terug naar de pilaren, die in cirkels bestaande uit 8 à 16 stenen pilaren bestonden. In totaal waren er zo’n 6 à 7 van die cirkels, sommige met pilaren van 2,5 meter hoog en anderen waarvan de pilaren dikker maar korter waren. In het museumpje dat er bij stond, las ik dat de bouw van deze cirkels met behulp van de C-14 methode gedateerd was tussen 600 en 1000 AD. Waarschijnlijk hadden ze religieuze en spirituele betekenis, maar aangezien archeologen onder de pilaren menselijke botten hadden gevonden, vermoedde men dat het ook begraafplaatsen waren geweest.

Foto 7:  Een ‘Stone-circle’ bestaande uit 16 pilaren.

Volgens mijn reisgids kun je, als je een steen op zo’n pilaar legt, een wens doen. Zo te zien zijn er heel wat wensen gedaan bij deze pilaren. Of die allemaal zijn uitgekomen, vroeg ik me af. Zonder een steen op zo’n pilaar te leggen kun je overigens ook een wens doen, leek mij.

Vanaf het campement van Kuntaur, waar ik logeerde, maakte ik samen met twee Fransen en onder leiding van een gids een boottochtje over de Gambia-rivier.

Foto 9: Bootje op de Gambia-rivier. Ik had eigenlijk zo’n foto willen maken van het bootje met mezelf er in, maar omdat ik er zelf in zat ging dat niet. Daarom maar een foto van een soortgelijk bootje met andere toeristen er in.

De attractie van het tochtje was om de met uitbundig groen bedekte eilandjes in de rivier te zien, maar vooral om nijlpaarden te bekijken. Groene wouden zagen we in overvloed, maar met de nijlpaarden viel het wat tegen.
Foto 10: Dit was het meest spectaculaire plaatje, wat betreft de nijlpaarden. Als we goed keken, konden we het puntje van de neus van zo’n reusachtig beest zien, maar dan moesten we wel heel erg goed kijken. Zie u dat puntje ook?
Foto 11: Meer succes hadden we toen we langs het Chimpansee-eiland voeren, maar ik denk dat je voor een goede foto van een chimp misschien beter naar Artis of Blijdorp kunt gaan. Hier zaten ze echter in het wild en dat maakte dit boottochtje toch bijzonderder dan een bezoek aan de dierentuin.
Foto 12: Zonsondergang over de Gambia-rivier, gezien vanaf het campement van Kuntaur, dat aan deze rivier lag.
Foto 13: Landelijk tafereel in Gambia. De koeien schijnen hier 1 liter melk per dag te geven, niet genoeg voor een ondernemer om zijn geld in een zuivelfabriek te stoppen

.In Toubakouta, weer terug in Senegal, werd ik door een houtsnijder langs het zandweggetje, dat door het dorp liep, geroepen: “Kom een kijkje nemen in mijn winkel.” Ik antwoordde dat ik niets ging kopen, omdat ik op mijn fiets geen ruimte had voor souvenirs.

“Pour le plaisir des yeux.” (Gewoon voor het plezier om te kijken.) 

“Dat zal voor mij een groot plezier zijn, maar niet voor u, want ik ga toch niets kopen.”

“U vindt vast wel iets moois om mee te nemen naar huis, bijvoorbeeld deze kleine giraffe.” Daarop haalde hij een mooi stukje houtsnijwerk uit zijn winkel en toonde het mij. Het was inderdaad een kleine giraffe, tenminste….. klein ten opzichte van een echte giraffe. 

Foto 14: Een houtsnijder, die een mooie kleine giraffe te koop aanbiedt.

“Die steekt zijn lange nek een eind buiten mijn fietstas.” zei ik. “Dus dat wordt niks.” Omdat de man bleef aandringen en ik hem niet voor het hoofd wilde stoten ging ik zijn winkeltje binnen. Daar kreeg ik het hele arsenaal souvenirs in mijn handen gedrukt. Uiteindelijk kocht ik twee platte koppen, die er aardig uit zagen en die ik met redelijkheid in mijn bagage zou kunnen plaatsen. Ik hoopte dat ik daarmee niet boven het in het vliegtuig toegestane gewicht zou komen. Over vijfhonderd jaar zijn ze antiek en dan brengen ze op een kunstveiling een geweldige bom centen op, dus het was niet alleen een aardig souvenir, maar ook een goede geldbelegging. 

Foto 15: De twee platte koppen, die ik bij de houtsnijder in Toubakouta kocht. Ik heb er, om het spannend te houden, geen lucifer naast gelegd en daarom tast de lezer (U dus) in het duister wat betreft de grootte van dit souvenir. Houtkenners kunnen het misschien aan de nerven van het houten bureaublad onder de koppen zien. In ieder geval hoefde ik op het vliegveld van Dakar niet bij te betalen voor overbagage. 
Foto 16: Ik kwam, fietsend in de richting van Dakar, weer in het gebied van de baobabs en maakte daar deze artistieke foto: een baobab onder een tak van een andere baobab

.Dicht voor de kust, bij het plaatsje Fadial, kwam ik langs een enorme baobab. Ik vroeg me af of deze dikker was dan de dikke baobab, waarover ik in mijn Madagaskar-boek, ‘De dikke baobab’, heb geschreven.

Foto 17: De dikke baobab van Senegal, misschien nog dikker dan die in mijn Madagaskar-boek: ‘De dikke baobab’. (Uitg. Elmar).
Foto 18: Ik voor de reuzenbab, die een omtrek heeft van 33 meter. (Voor de diameter: deel die 33 door pi. (3,14))

Die avond kwam ik, ongeveer 20 km ten zuidoosten van Mbour, bij een campement, waar nomadententen stonden opgesteld tussen nog meer baobabs. Als je je een echte nomade wilt voelen, moet je daar naar toe: ‘Campement Baksungan’. Op een muurtje lag een flinke kat te slapen.  Toen ik hem over zijn bol aaide, kwam hij langzaam overeind en geeuwde zo ongegeneerd, dat ik bang was dat zijn kaak over zijn schedel heen zou schieten en hij daarbij zijn kop zou inslikken. Dat gebeurde gelukkig niet en nadat deze uiting van opperste verveling goed was afgelopen, zat hij mij aan te kijken met een blik van: ‘Wat doet deze vreemde snuiter hier?’

Foto 19: Slapende Felix.
Foto 20: Geeuwende Felix. Goed bruikbaar in een griezelfilm.
Foto 21: Observerende Felix.

Mijn laatste stop voordat ik mij naar het vliegveld van Dakar begaf, was in het aardige kustdorpje Popenguine. Daar bevond zich een prachtige rotsberg, pal achter het strand.

Foto 22: Voetballende kinderen op het strand bij Popenguine, met op de achtergrond de fraaie rotsberg.
Foto 23: De rotsberg van dichtbij met op de achtergrond de Atlantische Oceaan.

18 Februari fietste ik laat in de middag naar het vliegveld van Dakar, dat zich gelukkig 50 km van Dakar bevindt, zodat ik geen last had van de drukte van deze miljoenenstad. Daarmee was mijn West-Afrika-reis definitief ten einde.

19 Februari vloog ik om 2 uur ‘s nachts via Lissabon naar Amsterdam, waar ik rond het middaguur aan kwam. Daar kreeg ik meteen een thermoschok van tientallen graden te verwerken. Nu ik dit schrijf ben nog steeds niet gewend aan het weer in ons land. 

Foto 24: Naar het vliegveld van Dakar.

Inmiddels heb ik een paar lezingen gehouden op de Fiets- en Wandelbeurs in Utrecht en pak ik het werk aan mijn manuscript (een reis door Zuid Amerika) weer op. Ik hoop dat het boek, waarvan ik de titel nog aan het verzinnen ben, met Sinterklaas in de boekhandel ligt. Als dat niet lukt, dan zal het er vrij zeker zijn op de Fiets- en Wandelbeurs van 2021.

Foto 25: Een plaatje uit mijn nog in wording zijnde Zuid-Amerika-boek.

En hiermee is mijn verhaal definitief ten einde, maar misschien volgt er wel weer een nieuwe reis met een nieuw verslag. Tot later.

                                                                                               Frank van Rijn.

Lezing Frank van Rijn, op de Fiets- en Wandelbeurs Utrecht aankomende vrijdag 28 , zaterdag 29 februari en zondag 1 maart 3 dagen van 13.00 tot 14.00 uur

belangrijke mededeling: Volgend weekeind, vrijdag 28 en zaterdag 29 Februari en  zondag 1 Maart wordt in het Jaarbeursgebouw in Utrecht de jaarlijkse Fiets- en Wandelbeurs gehouden. Het is niet toevallig, dat mijn reis juist een week voor die beurs is afgelopen. Ik zal op elk van die drie dagen van 13 tot 14 uur een lezing houden over mijn fietsreis dwars door de Sahara en de Sahel, die ik in 1986/1987 maakte. Een reis dus uit de oude doos, toen er nog weinig asfalt in Afrika lag, reisgidsen nog maar summiere informatie gaven en het leven van de reiziger niet vereenvoudigd (of bemoeilijkt!) werd door internet. 

Tot ziens in Utrecht.

Frank van Rijn

WEER EENS ECHT OUDERWETS OVER DE KEIENPADEN.

Bericht 10.

Ik was met mijn vorige bericht blijven steken in Labé, waar ik twee dagen lang ook echt was blijven steken vanwege de politieke onlusten in Guinee Conakry en vooral in Labé. Na die twee dagen van volledige wegblokkades achtte Roger, mijn Belgische gastheer van het guesthouse Djumtum, het verantwoord, dat ik weer van start ging. Ik had een interessante route uitgezocht: Dwars door het gebergte van de Fouta Djalon en ver van asfalt terug naar Senegal. Roger had mij voorspeld: “La, tu vas souffrir.” (Daar ga je lijden).  Dat traject beloofde een hoog keien-, gruis-, klim-, en daalgehalte te bevatten. Weer eens iets zoals in de goede oude tijd!

Ik kende al een deel van dat traject, want in 2006 was ik van Nederland naar Accra in Ghana gefietst en toen had ik op het traject van Koundara naar Mali-ville (niet het land Mali, maar het stadje Mali in Guinee, ten noorden van Labé) inderdaad ‘gesouffrird’. (Zoekt u het allemaal op in de Grote Bosatlas?). Daar wurmde ik mijn fiets tegen hellingen aan, zo steil, dat ik de beladen fiets nauwelijks meer omhoog kon duwen, omdat mijn schoenen slipten over het gruis van het pad. En deze keer ging ik me weer in die wildernis wagen, want op een fietsreis moet niet alles even gladjes gaan. Bovendien was het alternatief dat ik dezelfde route zou moeten nemen als die op de heenweg om terug te komen in Senegal en dat leek me toch minder aantrekkelijk dan dit souffrir-traject via Mali-ville.

Op de eerste zes kilometer langs en door Labé tot waar ik afsloeg op de laterietweg naar Mali-ville kwam ik langs een stuk of tien blokkades, waarvan de helft verlaten was. Bij drie van de andere vijf, die wel ‘bemand’ waren, werd de doorgang voor mij door vriendelijke mensen snel vrijgemaakt, door takken en balken aan de kant te schuiven. Bij de resterende twee ging het moeilijker.

“Waar wilt u heen?” vroeg een ventje van vijftien, terwijl hij een houding aannam alsof hij de grote hotemetoot van de politie was.

“Naar Mali-ville,” antwoordde ik.

“Weet u wel, dat er vandaag niet gereden mag worden op de wegen van Guinee?”

“Nee, dat weet ik niet. Volgens mij mag er vandaag weer wel gereden worden en zeker met de fiets.”

“U moet betalen om verder te kunnen.”

Met gulle hand gaf ik de jongen 1000 Franc, wat in onze valuta neerkwam op 10 cent. Daarop werd een strookje van de weg voor mij vrij gemaakt, zodat ik mijn tocht kon vervolgen.

Bij de andere ‘moeilijke’ blokkade moest ik zelfs een biljet van 2000 Franc overhandigen, ook aan zo’n toneelspeler (of politiepotentaat) in de dop. Blijkbaar waren de blokkades die dag overgenomen door jongelui die zich verveelden. Dan konden ze er meteen wat Franken uit slaan. Dat had weinig met politiek en het eruit werken van de president te maken. In totaal trof ik op de eerste 25 km een stuk of twintig wegblokkades, waarvan er ongeveer tien ‘bemand’ waren en die mij in totaal toch al gauw 60 cent kostten.

Foto 1: Verlaten en half opgeruimde wegblokkade, ruim 20 km voorbij Labé. Bij de bemande wegblokkades, waar een foto interessanter zou zijn, vond ik het raadzaam, om mijn fototoestel niet tevoorschijn te halen. Dat zou tot grotere problemen of een hogere tol kunnen leiden.

Na die 25 km was het gelukkig gebeurd met de wegblokkades en kon ik, ongestoord door tolheffingen, mijn tocht vervolgen. De weg klom en daalde en klom opnieuw bij herhaling, maar het was allemaal nog redelijk te trappen en na 54 km plaatste ik tegen de avond mijn tent op het terrein van een vriendelijke boer.

Foto 2: Mijn tent op het terrein van een vriendelijke boer, met op de achtergrond zijn huis en een ronde hut voor opslag.
Foto 3: De boer met zijn gezin en een broer. Aan kinderen, zoals overal, geen gebrek.

De volgende dag reed ik een korte, maar veel zwaardere etappe naar het plaatsje Yembering. Ik moest veel steile hellingen op, waar niet meer te fietsen was en ook hier werd het soms zo steil dat mijn schoenen slipten over het pad. Op een erg lastig stuk haalde een vierwielaangedreven jeep me in. De chauffeur stopte en vroeg me waar ik naar op weg was.

“Naar Yembering,”antwoordde ik, waarop hij zei dat hij daar woonde. Ik kon de fiets meteen op de laadbak gooien en meerijden. “Dat scheelt je een hoop werk,” voegde hij eraan toe. Ik antwoordde echter dat meerijden tegen de ethiek van de fietsreiziger is.

“O, ben je er zó één,” merkte de man op. Blijkbaar had hij wel eens vaker zo’n fundamentalistische fietser als ik ontmoet.

Ik haalde een foto uit een van mijn tassen tevoorschijn en liet hem die zien met de vraag: “Kent u de man op deze foto? Die was 13 jaar geleden, toen ik dit traject in tegenovergestelde richting reed, leraar geschiedenis aan het plaatselijke lyceum. Ik heb toen bij hem gelogeerd en nu wil ik proberen hem weer terug te vinden.”

De chauffeur bekeek de foto nauwkeurig en riep toen uit: “Jazeker! Hij is nu burgemeester van Yembering! Iedereen kent hem, dus je zult geen problemen hebben hem te vinden.” Daarop wenste hij me veel sterkte met de laatste 15 km naar Yembering en reed toen weer door.

Anderhalf uur zwoegen later reed ik Yembering binnen, waar ik De burgemeester snel vond.

“Kent u me nog?” vroeg ik en liet hem de foto zien.

“Jazeker,” antwoordde hij. “U was hier jaren geleden ook al op de fiets.”

We haalden herinneringen op aan die keer, waarbij hij zijn dochter voor de nacht verbande naar een familielid, zodat ik in die kamer de nacht kon doorbrengen. Deze keer kreeg ik zelfs een heel nieuw huis, maar nog onbewoond, tot mijn beschikking.

Foto 4: De markt van Yembering met een rijtje bromfietstaxi’s.
Foto 5: Foto, omgezet van een dia, uit 2006 met de leraar van het lyceum, zijn vrouw en twee dochtertjes. Ik stond, zoals oplettende lezers zullen hebben ontdekt, achter het schoolbord dat de leraar tevoorschijn had gehaald en waarop hij aan de linkerkant had geschreven: ‘Monsieur Mamadou Lamarana Barry. Leraar aan het lyceum van Yembering. Mali-Guinee Conakry en familie. 26/11/06.’ Rechts schreef hij: ‘Monsieur FRANK. Hollandse toerist in Yembering, Mali. Republiek Guinee.’  
Foto 6: Dertien jaar later voor hetzelfde huis. De burgemeester Mamadou Lamarana Barry met mij naast hem. Beiden waren ondertussen 13 jaar ouder geworden, zoals natuurlijk wel te verwachten was. De man liep tijdelijk met krukken, aangezien hij, zo vertelde hij me, een zwaar auto-ongeluk had gehad: been op meerdere plekken gebroken en nadien geopereerd, maar nu ging het weer de goede kant met hem op. Voor de geïnteresseerden in de fiets zelf, die het misschien hinderlijk vinden dat wij er voor staan: Het zijn twee verschillende fietsen (ook te zien aan de kleuren). Op de oude foto (5) een oude Gazelle; op de nieuwe foto (6): de nieuwe (ook al weer twee jaar oude) Santos, waarmee ik tegenwoordig mijn fietsreizen maak.

De 42 km van Yembering naar Mali-ville vielen niet mee. De weg ging voortdurend op en neer, maar veel meer op dan neer, aangezien Yembering op ongeveer 900 meter hoogte ligt en Mali-ville op 1538 m. Er zaten steile stukken in, die ik niet allemaal kon fietsen. Na 15 km hielt ik een stop in een dorpje om mijn brood te eten, dat ik wegspoelde met een lauwe cola. Er zat een groep wijze lieden op het bankje voor de winkel en daar maakte ik een paar foto’s van. Daarna vroeg ik een van de wijzen of hij van dezelfde groep, min hem, maar plus mij, een foto wilde nemen en zo kwam ik tussen de wijzen van het dorp te zitten. Ik deed een zwakke poging om ook wijs te lijken, maar witmannen die op de fiets door Afrika reizen in plaats van in een mooie vierwielaangedreven jeep, worden in deze contreien niet voor vol aangezien.

“Waarom reist u op dit moeilijke traject met een fiets?” wilde mijn buurman links weten.

“Omdat ik het leuk vind,” antwoordde ik.

“Leuk??” Nog een graadje minder vol!

“Ja, probeer het ook eens!” probeerde ik nog. “U zult zien hoe geweldig het is,” maar ik kreeg de indruk dat deze poging om de man enthousiast voor de fiets te krijgen schipbreuk ging leiden.

Foto 7: Vijf wijze mannen met een wat minder wijze witman er tussen.

Voorbij dit dorpje werd de weg weer zo steil dat ik moest duwen. Er liepen vijf jongetjes achter me aan en toen ze me zo bezig zagen, gingen ze mee duwen. Dat was natuurlijk aardig en het scheelde ook een stuk in de slavenarbeid. Ik maakte mij hier schuldig aan kinderarbeid, maar voor de kinderen was het een leuk tijdverdrijf, dus ik had er desondanks een goed gevoel bij. Bovendien kregen ze bovenaan de heuvel elk een snoepje en een zakje pinda’s van mij als beloning, waar ze, zo te zien, erg content mee waren.

Foto 8: Mijn vijf duwers op het steile stuk weg.

In Mali-ville bleef ik een dag om een wandeling te maken naar ‘La Dame de Mali’, een grote rots in de vorm van een dame.

Foto 9: ‘La Dame de Mali’, die vanaf dit punt nog niet erg op een dame leek.
Foto 10: Een eind verder op het pad kreeg ik een goed uitzicht op de rots, die vanaf hier zo duidelijk op een dame leek, dat je de indruk zou kunnen hebben dat een kunstenaar met beitel en hamer was bezig geweest om tonnen steen weg te bikken, maar het was toch de natuur, die dit kunstwerk had gecreëerd. 

Voorbij Mali-ville werd het serieus met de weg, die snel degenereerde tot een soort ezelpad met steile hellingen, keien en erosiegeulen.

Foto 11: Een niet verharde, maar wel erg harde weg direct buiten Mali-ville.

Na een hevig gebonk over een stuk weg met lateriet-keien, werd het pad weer iets beter. Zou ik het slechtste dan al gehad hebben? Een ontmoeting met twee Fransen in een 4×4 jeep, hielp me snel uit de droom: “Nog 5 km goed en dan 80 km erg slecht.” was hun opwekkende boodschap.

Foto 12: De twee Fransen naast hun vierwielaangedreven jeep, met een paar jongetjes die er bij kwamen staan om ook op de foto te komen

Nu is het zo, dat wat voor een auto erg slecht is, voor een fiets best prima kan zijn en omgekeerd. Door grote gaten kun je vaak makkelijk fietsen, terwijl een vierwieler daar alle kanten op schommelt. En met een fiets kun je makkelijk om de meeste keien heen fietsen, terwijl een auto aan de ene kant om een grote steen heen kan rijden, maar dan een dikke kans maakt met de wielen aan de andere kant een knots van een kei te raken. Ik dacht dus, dat het wel eens mee zou kunnen vallen, maar ik kwam er al snel achter dat dat toch ook niet het geval was.

Foto 13: Keien over de hele breedte van het steile pad. Om diepte in de foto te krijgen en om een goed idee te geven van de verhoudingen, zet ik vaak mijn fiets er bij. Wat zou ik er anders bij moeten zetten?
Foto 14: Keien op de weg.
Foto 15: Landschap op het traject Mail-ville Kedougou in Senegal. Hier is duidelijk te zien, dat er, zoals bijna elke dag, stof in de lucht zat. Dat was stof uit de Sahara, aangevoerd door de Harmatan, een soms erg harde NO wind. Weliswaar was het bijna altijd mooi zonnig weer met temperaturen tussen 30 en 40 graden, maar de vergezichten werden, zoals hier, nogal eens vertroebeld door stof. 

Die avond kwam ik tot Hamdalaye, een dorpje waarvan ik me kan voorstellen, dat niet iedereen het feilloos en blindelings op de kaart van Afrika kan aanwijzen. Ik mocht er mijn tent opzetten voor de nacht.

Foto 16: Mijn tent, enkele dorpelingen en ikzelf in Hamdalaye.
Foto 17: De vriendelijke mensen kwamen, toen de tent stond, met stoeltjes aanzetten en zo zat ik even later als een eenentwintigste-eeuwse Livingstone (althans, zo voelde ik mij een beetje) tussen de autochtonen. (Over honderd jaar zal zo’n plaatje als dit het goed doen in het boek ‘Afrika toen’.)
Foto 18: De volgende ochtend vulde ik mijn bidons bij de waterpomp van het dorp.

Nog twee dagen ploegde en zwoegde ik voort over het ezelpad naar het dorpje Segou, juist over de grens van Senegal, waarbij ik alle soorten wegdek onder mijn wielen kreeg, behalve asfalt. Hier volgen  wat impressies van deze boeiende route, waarbij ik, door mijn fiets er steeds bij te zetten (ja toch weer!!), getracht heb een interessante voor- of achtergrond te creëren en zo diepte in de foto te krijgen. Gelukkig is het een mooie fiets, dus dat maakt veel goed.

Foto 19: Omdat ik er hier links makkelijk langs kon, was dit zo’n plek waar je beter af bent met een fiets dan met een auto, zelfs als het een prachtige, machtige vierwielaangedreven jeep is.
Foto 20: Hier wordt het al helemaal een getob met een jeep. Met een fiets overigens ook, vooral omdat het hier met 20 % omhoog gaat.
Foto 21: Hier weer even een ‘autoweg’ met ‘fietspad’ er naast en een fraaie berg op de achtergrond.
Foto 22: Dan weer flink er tegenaan. Deze route zat vol afwisseling. Ook weer meer procenten dan er in straf bier zitten.
Foto 23: Een beekdoorwading hoort er op dit soort trajecten zo nu en dan ook bij.
Foto 24: Zand.
Foto 25: Een Drents schelpenpaadje zonder schelpen en zonder paddenstoelen van de ANWB om mij de weg te wijzen. Die moest ik met een kaart van 1 : 2.000.000 en mijn kompas vinden.

Tot slot van deze doorsteek naar Senegal kwam, ongeveer 10 km voorbij de grens, de apotheose. Het pad dook een paar honderd meter omlaag van het plateau waar ik op zat naar de laagvlakte van Senegal. Als ik dat weggetje omlaag aan het begin van de doorsteek had gehad (en dan dus omhoog), had ik me wel driemaal bedacht voordat ik eraan was begonnen, misschien wel viermaal. Mogelijk was ik er na die viervoudige bedenking toch wel aan begonnen, maar dat zou dan van mijn stemming op dat moment hebben afgehangen. Het zag er in ieder geval nogal onapetijtelijk uit, want het was eerder een stenen trap dan een fietspad. Voetje voor voetje en met de remmen stevig aangetrokken, manouvreerde ik mijn fiets uiters voorzichtig omlaag.

Foto 26: Het begin van de ijzingwekkende afdaling van het plateau over de ‘stenen trap’. Ik ontmoette hier een collega fietser, die boodschappen had gedaan in Guinee en ook naar Kedougou in Senegal op weg was.
Foto 27: Daar gaan we omlaag!
Foto 28: Mijn collega keek achterom, om te zien of ik nog wel zin had om verder te gaan. Ja, dat had ik!
Foto 29: Nog meer trap.
Foto 30: Beneden was de weg weer ‘Koninklijk’.
Foto 31: Op het eind pikte ik nog even de waterval van Dindefelo mee, die meer indruk maakte door de hoogte (ik kon hem niet eens in zijn geheel op de plaat krijgen) dan door de hoeveelheid water die daar per seconde vanaf kwam.
Foto 32: Hier kwam ik na 239 km ‘mountainbiken’ sinds ik Labé in Guinee verliet, terug op asfalt in Senegal.

Tot zover deze aflevering van mijn West-Afrika-reis. In de volgende aflevering het besluit van die reis tot aan Dakar.

Tot slot nog een belangrijke mededeling: Volgend weekeind, vrijdag 28 en zaterdag 29 Februari en  zondag 1 Maart wordt in het Jaarbeursgebouw in Utrecht de jaarlijkse Fiets- en Wandelbeurs gehouden. Het is niet toevallig, dat mijn reis juist een week voor die beurs is afgelopen. Ik zal op elk van die drie dagen van 13 tot 14 uur een lezing houden over mijn fietsreis dwars door de Sahara en de Sahel, die ik in 1986/1987 maakte. Een reis dus uit de oude doos, toen er nog weinig asfalt in Afrika lag, reisgidsen nog maar summiere informatie gaven en het leven van de reiziger niet vereenvoudigd (of bemoeilijkt!) werd door internet. 

Mogelijk zet ik er nog een paar plaatjes van deze reis bij, maar ik moet mij houden aan de tijd, want na mij komt er in dezelfde zaal weer een volgende lezing.

Hopelijk tot ziens op die beurs!

                                                                                                          Frank van Rijn

Niet ver voorbij de grens Sierra Leone – Guinee….

Bericht 9

Niet ver voorbij de grens Sierra Leone – Guinee, en dus weer terug in Guinee, kwam ik op de asfaltweg, of beter gezegd: de pothole-weg met nog redelijk wat asfalt om de potholes heen, van Faranah naar Mamou. Die weg had ik in 1987 ook al gefietst en wel op mijn tocht Parijs – Dakar, die overigens begon in Den Haag en waarbij ik met een wijde boog om Parijs heen reed, omdat fietsen door Parijs geen lolletje is. Dat was dus Parijs – Dakar zonder Parijs. Later in Burkina Faso werd ik overvallen door twee bandieten op een motorfiets, die me de struiken in sleepten en me al mijn geld, pas, travellercheques en waardepapieren afnamen, waarna ze me met mijn reserve binnenbanden aan een boom vast bonden en er op hun motorfiets vandoor gingen. Dat avontuur kostte me veel geld en ook tijd, niet om me los te wurmen, maar wel om in Ougadougou een nieuw paspoort aan te vragen en geld te laten overmaken om mijn tocht voort te zetten. (Dat alles is na te lezen in mijn boek: ‘Door Sahara en Sahel’, uitg. Elmar en nog te verkrijgen bij de boekhandel)

Door al dat tijdverlies haalde ik Dakar niet meer, zodat die reis mijn ‘Parijs – Dakar’ werd zonder Parijs en zonder Dakar.

Terug naar het heden. (dat ondertussen ook alweer een week of twee oud is, aangezien ik een tijdje geen wifi kon vinden)

Ik fietste heerlijk ontspannen om de potholes heen, waar vrachtwagens kreunend en stapvoets door al die gaten, zo groot als badkuipen heen moesten kruipen.

Op deze route kwam ik door het dorpje Dian Dian, waar ik 33 jaar geleden de nacht heb doorgebracht in de ronde hut van een erg gastvrije man. Er stond een bed in en de man zei: “Zet je fiets maar in de hoek.” In mijn zojuist genoemde boek hield ik een beschouwing over hoe je een fiets in de hoek van een ronde hut moet zetten. Wat later aten we rijst aan een wiebelend tafeltje met vier poten, waarbij ik tot de

 gedachte kwam dat ofwel één van de poten te kort was, ofwel één te lang. Ja, ja, na zo’n dag fietsen door de tropen kun je soms tot werkelijk diepe gedachten komen!

Helaas wist ik de naam van de man bij wie ik indertijd logeerde niet meer en herkende ik de hut niet, aangezien de misschien wel honderd hutten van het dorp erg veel op elkaar leken. Bovendien vervagen sommige beelden in de loop van 33 jaar ook wel eens. In ieder geval schoot ik er toch een plaatje met een paar van die ronde hutten er op. Misschien was één daarvan wel de hut waarin ik toen de nacht heb doorgebracht.

Foto 1: Ronde hut in het dorpje Dian Dian. Misschien wel de hut waarin ik in 1987 geslapen heb.
Foto 2: Voor Mamou reed ik de bergen weer in. Hier een gaaf stukje asfalt zonder gaten.
Foto 3: Kinderen met zelf gemaakt speelgoed. (van blikjes). Doen kinderen in Nederland dat ook nog? Ik zie het daar niet zo vaak.

Van Mamou kreeg ik een stukje weg ter rijden dat ik deze reis rond 24 december ook al gereden heb, maar nu van de andere kant. Het aardige is dat een weg van de andere kant bereden eigenlijk een andere weg is, althans zo kun je het bekijken en zo bekeek ik het.

In Dalaba trof ik bij het office du tourisme Mamadou Lamarana weer, de gids met wie ik 23 december naar de ‘Pont de Dieu’ ben gelopen. Deze keer leidde hij me op een kort wandelingetje langs een paar aardige rotsformaties.

Foto 4: Mamadou bij een rots in de vorm van een driekoppige zeehond. Maar je kunt er ook een zeerovers schip in zien, als je maar genoeg fantasie hebt.
Foto 5: Nog een mooi stukje winderosie.

Vanaf Pita ten noorden van Dalaba, fietste ik over een ruige laterietweg, die hier en daar wat weg had van een trap, naar Het dorpje Doucki, waar ik op een van mijn vorige West-Afrika reizen (2006) al eens geweest was. Daar bevindt zich (nog steeds) het campement van Hassan Bah (uitgesproken als Bach, hoewel hij geen groot bewonderaar was van de muziek van zijn naamgenoot), een gids die excursies leidt door de Fouta Djalon. Die vorige keer had ik een paar mooie wandelingen met hem gemaakt en dat wilde ik nog eens beleven. We trokken door een fraai rotsachtig gebied naar een waterval.

Foto 6: Even een pauze, na flink wat omhoog duwen, op de weg van Pita naar Doucki.
Foto 7: Hassan Bah, mijn gids in de Fouta Djalon
Foto 8: Op weg naar een waterval.
Foto 9: Pauze op de wandeling naar een waterval.
Foto 10: De waterval.
Foto 11: Hassan en Frank genomen met de zelfontspanner, omdat er niemand in de buurt was.

Voor de volgende dag stond er weer een flinke wandeling op het programma, maar deze keer was het 18 jarige neefje van Hassan, die voor het gemak ook Hassan heette, mijn gids. Om hem van zijn oom te onderscheiden, noemde ik hem Hassan II. Allereerst gingen we naar ‘Indiana Jones’, een labyrint van diepe smalle kloven, zo door Hassan gdnoemd, omdat het geheel hem deed denken aan de films van deze archeoloog-avonturier. Het was werkelijk een stelsel van indrukwekkende canyons, kloven en grotten. Alleen de slangen, schorpioenen, vogelspinnen, tarantula’s en al die andere kruipende, bijtende en stekende beestjes ontbraken en ook de ‘bandietendichtheid’ was er een stuk kleiner dan in de films, maar je kunt nu eenmaal niet alles hebben.

Foto 12: Smalle diepe kloof in het ‘Indiana Jones- stelsel’.
Foto 13: Hassan II, die als Tarzan omhoog klauterde langs boomwortels en lianen.
Foto 14: Een zwakke poging van mij om ook iets Tarzan-achtigs te doen.
Foto 15: In elkaar gegroeide boomwortels op zoek naar water, beneden in een kloof.
Foto 16: ‘Het’ doorkijkje, waar iedere klant van Hassan I en II, achter moet poseren. Ik dus ook maar.

Na een uur door ‘Indiana Jones’ rondgelopen en gekropen te hebben, éénmaal zelfs door zo’n smal gat, dat ik met een extra boterham bij het ontbijt klem zou zijn komen te zitten, liepen we verder over een klein paadje tussen veel struikgewas naar ‘Bob Marley’, weer zo’n originele naam van Hassan I. Dat was een uitsparing in een loodrechte rotswand, waarvoor we een lastige steile afdaling over rotsblokken moesten maken. Ik vroeg Hassan II naar het verband tussen Bob en deze plek. Dat verband was eenvoudig: Zijn oom Hassan I was vroeger erg onder de indruk van deze zanger.

“Nu niet meer?” vroeg ik.

“Nee,”antwoordde Hassan II, want nu is hij erg religieus geworden en gaat liever vijfmaal per dag naar de moskee, dan dat hij zich bezighoudt met triviale zaken als muziek en dans. Dat hoort volgens hem niet zo bij de Islam.”

Foto 17: Hassan II op de ‘Bob Marley-plek’, hoog boven een vallei en diep beneden het plateau.

Van ‘Bob’ klommen we weer omhoog naar het plateau en vervolgden onze wandeling langs ‘La Hyene’, een enorme rotsberg waar vroeger een hyena zat, die de schapen van de herders uit de omgeving opvrat.

Foto 18: La Hyene, een geweldige rots.
Foto 19: En nog een rots, die het in het rotstuintje van een vriend van mij in Steenwijk goed zou doen.
Foto 20: Het kon niet op in dit Eldorado van rotspartijen. Hier een geweldige dinosaurus, die hoog boven ons uit torende.
Foto 21: En passant pikten we ook nog even een watervalletje mee.
Foto 22: Voldaan na deze ‘rotsige wandeling’ liet ik me tegen zonsondergang fotograferen voor mijn hut, waarbij ik, om binnen te komen, steeds diep door de knieën moest zakken. Voor mij had de ‘architect’ de deuropening een paar decimeter hoger mogen maken, eigenlijk wel tien decimeter.

De volgende ochtend maakte ik bij wijze van afscheid nog een foto met de zelfontspanner van beide Hassans en mijzelf, voor mijn hut.

Foto 23: Hassan I, Hassan II  en schrijver dezes voor mijn hut.
Foto 24: Veel getob en gezwoeg (maar leuk!) op de steile, stenige piste naar Labé, waar ik voor mijn tocht door Sierra Leone ook geweest was. Ik ging weer naar het guesthouse van de Belg Roger en zat daar vervolgens twee dagen vast wegens onlusten in de stad. Het rommelde door het hele land ( Guinee Konakry) omdat de mensen van de president af wilden. Wegen waren geblokkeerd en zo nu en dan klonk er geschreeuw in koor, maar in het guesthouse (Djumtum) van Roger, 4 km buiten de stad, zat ik betrekkelijk veilig en daar schreef ik, aangezien ik niets kon ondernemen, mijn vorige bericht.

Deze blokkades deden mij denken aan het gedicht van P.N. van Eyck: ‘De tuinman en de dood’ , na te zoeken door iedereen die net zo handig is met internet als ik.

Kort samengevat: De tuinman is rustig in zijn tuintje aan het wieden, maar plotseling staat Hein, de Dood, achter hem en zegt: ‘Vanavond kom ik u halen.” De tuinman zadelt in paniek zijn paard en rijdt als een bezetene zo ver mogelijk weg en wel naar Ispahaan (Isfahan) waar hij zich in een van de nauwe straatjes verschuilt. En daar staat ‘s avonds Hein plotseling toch weer achter hem en zegt verbaasd: “Ik begreep er al niets van dat ik helemaal hierheen gestuurd werd om u op te halen.’

De moraal van het verhaal: een mens ontloopt zijn noodlot niet.

En waarom moest ik nu aan dat gedicht denken?

Welnu, ik was aanvankelijk van plan deze winter naar Chili te gaan voor een fietstocht van Arica naar Santiago, maar juist op de ochtend dat ik mijn ticket naar Santiago wilde kopen, hoorde ik op de radio dat er onlusten waren in Santiago en andere grote Chileense steden. En dus veranderde ik spoorslags van plan en kocht een ticket naar Dakar, om in ‘rustige’ landen te gaan fietsen, zoals Senegal, Gambia, Guinee en Sierra Leone.

En daar zat ik dus opeens vast in Labé (Guinee) terwijl ik de problemen juist wilde ontvluchten.

Gelukkig liep het met mij beter af dan met de Perzische tuinman en kon ik mijn tocht na die twee dagen weer vervolgen.

En daarover ga ik het in mijn volgende bericht hebben.

Tot dan.

Foto 25: Nog een foto als toegift, speciaal voor de plaatjes kijkers, vanwege te veel tekst op het eind: De dinosaurus rots (zie foto 24), maar nu van opzij. Dat is het fascinerende van rotsen. Van een andere kant zien ze er weer geheel anders uit.

“Het Doel van mijn reis”.

Bericht 8.

Vanuit Makeni (in Sierra Leone) maakte ik de dag na mijn wandeling met de acht gidsen een fietstocht zonder bagage naar de Barrage (stuwdam) van Bumbuna, althans dat was de bedoeling. Volgens mijn Platte Chinese telefoon waarop ik Google Maps tevoorschijn toverde lag die dam slechts 23 mijl (want Sierra Leone was een Engelse kolonie en de Engelsen deden (en doen nog steeds!) alles dwars) = 37 km weg. 12 km daarvan voerde over asfalt, dus daarna zou het nog slechts 25 km over de gravel zijn. Met heen en terug dus 50 km gravel plus 24 km asfalt. Dat moest te doen zijn.

Foto 1: Gravelweg (laterietweg) naar de dam van Bumbuna.

De weg zag er aanvankelijk nogal redelijk uit, zoals te zien is op de foto, maar verderop zaten er ook stukken ‘grof schuurpapier’ in, geen enkel probleem voor mijn Schwalbe banden en ook niet voor mij, maar een dergelijk wegdek eist natuurlijk wel meer tijd dan mooi effen lateriet.

Foto 2: Wegdek van ‘ grof schuurpapier’

De weg voerde langs een paar aardige dorpjes.

Foto 3: Dorpje langs de route naar Bumbuna.

Door het grove wegdek, maar vooral omdat de dam niet 37 km weg blek te liggen, maar 49 km, wat dus 24 km extra fietsen betekende, haalde ik de dam, mijn doel, niet.

De vraag rijst nu natuurlijk: Was mijn telefoon fout of lichte Google Maps mij verkeerd voor? Sommigen die mijn prestaties op het digitale vlak wel eens in twijfel trekken, zouden zelfs de verdenking op mij kunnen laten rusten, maar dat zijn natuurlijk negatief-denkers. In ieder geval Ik kwam slechts tot het dorpje Bumbuna, maar daar bleek ik nog eens 5 km verder te moeten, dus 10 km heen en terug, wat onder deze wegdekcondities bijna een uur extra zou vergen. Dan zou ik pas tegen, of zelfs in het donker terug zijn in Makeni, en wat ik beslist nooit wil, zeker niet in Sierra Leone met het ‘Sierra Leonse’ rijgedrag van menig chauffeur, is in het donker fietsen. Overdag is het rijden door een stad als Makeni al een groot avontuur, maar ‘s nachts is het ‘survival of the fittest’ of eerder ‘survival of the most lucky’.

En dus keerde ik in het zicht van de haven om. ‘Mislukte tocht’ zou je kunnen zeggen, maar nee! Zegt niet een bekend enwijs spreekwoord: ‘De weg is het doel!’ ? Juist, de tocht was het waard gereden te worden, hoewel het aardig was geweest als ik ook die dam, dan andere doel, had gezien.

Wat ik op de terugweg zag, was ook de moeite waard: een fietser in ‘Het land van Duizend Bromfietsen tegen anderhalve Fiets’. Dat was juist toen ik een indrukwekkende rotsberg in de verte aan het fotograferen was.

Foto 4: Een fietser in ‘Het land van Duizend motorfietsen tegen anderhalve Fiets’ . Een ontmoeting die in de krant zou kunnen, maar nu dus op mijn website verschijnt.
Foto 5: De rots van dichterbij.

Van Makeni fietste ik langs meer mooie rotsbergen door naar Kabala .

Foto 6: De weg naar Kabala.

In een café onderweg, waar ik een korte stop hield, zag ik twee lieden een partij dam spelen op een half versleten dambord. Half versleten, omdat bij dammen slechts de helft van het aantal velden gebruikt wordt. Die velden waren door het vele gebruik millimeters diep uitgesleten, terwijl de andere velden, hier blauw in plaats van normaal wit, nog gloednieuw waren. Die bespeelde velden, vroeger zwart geschilderd, zoals hier en daar nog aan restjes verf te zien was, vormden nu dalen in het blauwe plateau. Een ander opmerkelijk verschil met Europa was dat de schijven hier blokken waren, die indien de speler dacht een goede zet te doen, met een zeker geweld op het bord geplaatst werden, waardoor het slijtageproces versneld werd. Een bord met diepe velden is dus ofwel oud, ofwel een bord waar veel goede zetten op gedaan zijn, of beide.

Foto 7: Café op de route naar Kabala.
Foto 8: Ondanks dat de blauw-wit gestreepte dammer enkele malen een van zijn blokken met geweld op het bord deed belanden, schoof geel hem meedogenloos van het bord.

Het spel verliep overigens in alle gemoedelijkheid, zoals hier het leven in het algemeen gemoedelijk verloopt. Ik schrijf dit laatste woord in de tegenwoordige tijd, want zo was het hier drie tot twee decennia geleden beslist niet. Het verbaasde mij elke dag weer, dat een land, dat vrij kort geleden nog in een verschrikkelijke  burgeroorlog verwikkeld was (1991 – 2002), waarin de meest gruwelijke dingen plaats vonden, nu zo rustig is met zulk een vriendelijke bevolking. En na die burgeroorlog kwam daar van 2014 tot 2016 de ebola- epidemie overheen die nog eens zo’n 4000 slachtoffers opeiste.

Maar het land kwam ook deze slag te boven en nu is het een plezier om er te vertoeven en doorheen te fietsen, althans zo heb ik het ervaren.

Foto 9: Een bord langs de weg, waarop gepleid wordt overlevenden van het ebola -virus niet te discrimineren.
Foto 10: De markt van Kabala met op de achtergrond Gbawuria Hill, de zwarte berg van vulkanische oorsprong, waar ik de dag na mijn aankomst tegenop klauterde. Sommige heuvels vragen erom

 beklommen te worden en daar was deze er een van.

Foto 11: Gbawuria Hill van dichtbij.

Ik was de enige die daar die dag (10 januari) omhoog liep, maar ik had in mijn reisgids gelezen dat er elk jaar op Nieuwjaarsdag duizenden mensen omhoog lopen,  een soort pelgrimage, die in onze ogen echter weinig religieus over komt. Er worden dan enorme luidsprekers omhoog gezeuld waar de godganse dag dreunmuziek uit knettert, zo luid dat de hele vallei van Kabala mee resoneert, er gaan duizenden kratten bier mee omhoog, vrouwen kleden zich in minirokjes en lopen op hoge hakken, terwijl de make-up van hun gezichten druipt en de hele vertoning is één grote bizarre orgie. Aangezien al het bier opmoet, alsmede flink wat ladingen sterkere dranken, gaat de situatie later in de middag ‘heet’ worden, zodat vechtpartijen een deel van de pelgrimage kunnen worden.

Dat festijn had dus negen dagen eerder plaats gevonden en hoewel de rust tijdens mijn wandeling intens was, waren de sporen van deze orgie duidelijk zichtbaar: het plateau bovenaan lag bezaaid met de scherven van honderden, eerder duizenden, kapotgegooide bier- en andere flessen. De wind had de lege plastic zakken weggeblazen en die waren blijven steken in de struiken van een bos aan de westkant van het plateau, zodat het gekleurde plastic als rijpe vruchten aan de takken bungelden. Heel Gbawuria was één grote vuilnisbelt. Onbegrijpelijk dat mensen hun natuur zoveel geweld aan doen!

Het verhaal dat je wel eens hoort als zouden Afrikaanse landen te arm zijn om een vuilnisdienst te onderhouden ging hier in ieder geval niet op. Als je een volle fles of zak omhoog kunt dragen, kun je hem ook leeg weer omlaag dragen. Die hemeltergende rotzooi, die je hier op zoveel plaatsen ziet gaat me steeds meer tegenstaan. Maar de deskundigen beweren dat de natuur uiteindelijk dat afval wel weer overwint. Over 2200 jaar is het meeste van dat plastic dat ik daar op die Gbawuria Hill zag alweer afgebroken en door de natuur teruggenomen….. Maar dan zijn er ondertussen wel weer 2200 nieuwe plastic-orgies geweest. Het zou interessant zijn om dan even een kijkje te nemen op deze hill….. en in de rest van de wereld!

Foto 12: Het bos aan de westkant van het plateau.

Een eind verderop was ik verlost van de sporen van dit ‘culturele’ en ‘religieuze’ ‘feest’. Daar was de natuur nog vrijwel onaangetast. Ik klauterde op een rotspartij vanwaar ik een aardig uitzicht had op een andere flinke heuveltop.

Foto 13: Uitzicht van een rotspartij op een andere.

Die top in de verte zag er ook uitnodigend uit en dus probeerde ik daarheen te lopen. Het werd geklauter over rotsen en gekruip door dicht struikgewas, waarbij ik, na mijn benen flink opengehaald te hebben, vast liep in vrijwel ondoordringbare vegetatie. En dus haalde ik ook hier mijn doel niet, hoewel dit Stanley- achtige getob toch een doel op zich was.

Foto 14: De uitnodigende top van dichterbij.
Foto 15: Het Donkerebomenbos.
Foto 16: Dit ziet er dramatisch uit, maar het waren slechts een paar schrammen.

Met een pleistertje er op zag mijn been er weer op z’n paasbest uit.
Voorbij Kabala vervolgde ik mijn route naar de grens van Guinee over een gravelweg en verderop over een bospaadje.

Foto 17: Bospaadje naar de grens van Guinee.
Foto 18: Een mooie erosiegeul over het bosweggetje.
Foto 19: Dorpje met ronde hutten in de buurt van de grens van Guinee.

Ik passeerde de grens via een klein douanepostje. Aan de Sierra Leonse kant moest de beambte, die rustig op een stoeltje voor zijn douanehut zat, zijn registratie boek, zijn stempel en zijn stempelkussen opzoeken uit een laadje van een bureau dat uit de tijd van Cromwell leek te stammen. Zo te zien kwamen hier niet dagelijks toeristen langs. De man noteerde mijn naam, nationaliteit en paspoortnummer in het registratieboek en plaatste het exit stempel in mijn pas. Daar moest zijn handtekening nog overheen, maar helaas werkte zijn ballpoint niet, waarschijnlijk doordat er te veel stof in het kantoortje hing. Gelukkig had ik een pen bij de hand van ‘Save the Children’, een hulporganisatie waar ik wel eens geld naar stuur. Nu redde ik er deze beambte mee, zodat hij het stempel in mijn pas kon bekrachtigen met zijn handtekening. Ik liet hem de pen houden, zodat hij de volgende toerist ermee kon helpen. Dat was mijn goede daad voor deze dag.

Aan de Guinese kant moest ik wachten, omdat de beambte bezig was met zijn middagmaal. Dat duurde gelukkig niet langer dan 20 minuten, waarna ik de man moest volgen naar zijn kantoortje. Voor hij het entree stempel plaatste bladerde hij echter op zijn gemak mijn pas door om alle stempels te bekijken: Senegal, Chili, Cambodja, Namibië, Marokko……..

“U heeft nogal wat gereisd,” merkte hij op, terwijl hij zijn stempel tevoorschijn haalde.

“Zo hier en daar wat,” antwoordde ik.

“En waar gaat u nu heen?” wilde hij weten.

“Naar Dakar om daar mijn vliegtuig te halen, terug naar Nederland.”

Hij drukte het stempel op het stempelkussen en probeerde het eerst op een vel papier. Daar kwam geen overtuigende afdruk op. Uitgedroogd door de hitte en te veel stof op het stempelkussen. Geen nood, want uit een klein flaconnetje smeerde hij verse inkt over het stempelkussen, waardoor dit weer als nieuw was. Vervolgens plaatste hij een fris stempel in mijn pas en plaatste daar zijn handtekening met datum over. Voor hij me echter het paspoort teruggaf hield hij zijn hand op. Ik vroeg wat de bedoeling was, waarop hij antwoordde: “Een bijdrage voor de inkt. Geef maar 10.000 Franc.”

“Lijkt me wat veel voor dat ene stempeltje”.

“Toch niet. De inkt is tegenwoordig duur.”

Ik gaf hem 5.000 Franc, waar hij na wat tegenstribbelen, genoegen mee nam. Dat was mijn tweede goede daad voor die dag, want voor een exitstempel dient er niet betaald te worden.

Na deze formaliteiten, die aan het informele grensden, lag Sierra Leone definitief achter mij. Dat was een land waar ik nog niet eerder was geweest en dat was dan ook mijn doel van deze reis: een mooi land met een, zoals ik al schreef, vriendelijke bevolking. Dit doel heb ik dus wél gehaald, in tegenstelling tot die stuwdam van Bumbuna en die rotstop bij Kabala. En bovendien heb ik het doel gehaald van de weg vanaf Dakar er naar toe en de weg er doorheen. Nu ging ik ook proberen mijn doel te verwezenlijken van de weg terug naar Dakar, een andere dan de heenweg, maar daarover wil ik het de volgende keer hebben.

Foto 20 Een mooie bloem als toegift van dit bericht. Wie weet de naam?