Een oude bekende in Abu Simbel

Na een interessante tocht vanaf Caïro via de oasen van Farafra, Dakhla en El Kharga naar Luxor en verder naar het zuiden door het Nijldal kwam ik in Aswan aan waar in 1962 een grote dam in de Nijl gebouwd is die het Nassermeer deed ontstaan. Ik nam er een hotelletje en het eerste wat de hoteleigenaar me na inschrijven vroeg was: “Abu Simbel?”
Ik antwoordde natuurlijk bevestigend, want helemaal naar Aswan fietsen en dan niet Abu Simbel gaan zien is als Parijs bezoeken en niet op de Eifeltoren klimmen, naar Rome reizen en het Colosseum links laten liggen of een expeditie naar Havelte ondernemen en als cultuurbarbaar de hunebedden voorbij peddelen.
“We hebben een dagelijkse toeristenbus naar Abu Simbel voor 80 pond per persoon. Reveille om 3 uur ’s morgens, vertrek 3h30′ en terug hier in Aswan om 3 uur ’s middags” zei de hotelier.
Ik antwoordde dat ik mijn eigen transport had en wees op mijn fiets.
“De politie zal je niet laten gaan met een fiets.”
“Waarom niet?”
“Er mag daarheen alleen in konvooi gereden worden met politie escorte.”
“Is het daar dan zo gevaarlijk?”
“Er zitten wilde dieren. De regering wil toeristen zo veilig mogelijk door Egypte laten reizen, vandaar het dagelijkse konvooi.”
“Wat voor wilde dieren?”
“Slangen bijvoorbeeld en schorpioenen. En wat doet u als er plotseling voor uw fiets een vos oversteekt?”
“Dan probeer ik hem aan zijn staart te trekken, maar dat is me zelfs in Nederland nog nooit gelukt.”
Dat er van Aswan naar Abu Simbel slechts in konvooi gereden mag worden is me al jaren bekend, maar ik wilde toch een poging wagen er op de fiets heen te gaan. Daarom toog ik de volgende dag naar het bureau van de toeristen politie.
“Kunt u mij toestemming geven om naar Abu Simbel te fietsen?” vroeg ik, nadat ik de chef te spreken had gekregen.
“Er gaan bussen heen.”
“Mijn fiets is comfortabeler.”
“Aha een motorfiets! Haalt u daar 120 km/h mee?”
“Nee een echte fiets en daar haal ik misschien wel 20 km/h mee.”
“Dan kunt u het konvooi niet bijhouden.”
“Dat lijkt me geen bezwaar.”
“Ja dat is wel een bezwaar, want er mag daar alleen in konvooi gereden worden.”
“Maar daarvoor ben ik nu speciaal naar u gekomen. Kunt u mij toestemming geven om naar Abu Simbel te fietsen, dus zonder konvooi?”
Hierop ging de chef een paar nummers bellen, sommige met zijn vaste telefoon op zijn bureau, andere met zijn mobiele telefoon. Geen van alle gaven echter antwoord. Er volgde een gesprek in het Arabisch met een man die aan een bureau tegenover dat van de chef zat, waarna de chef op zijn gemak weer wat nummers ging bellen. Uiteindelijk werd er een beantwoord wat resulteerde in een gesprek, lang genoeg om een leek de volledige relativiteitstheorie tot in de finesses uit te leggen. Vervolgens legde de chef de telefoon neer, stak op zijn gemak een sigaret op en zei: “Helaas”.
Ik antwoordde dat ik het niet erg vond dat ik het konvooi niet kon bijhouden en voegde er aan toe: “Ik heb een kaart en een compas, dus ik vind de weg zelf wel.”
“Ik twijfel niet aan uw navigatietalent maar het is nu eenmaal de regel dat er naar Abu Simbel in konvooi gereden wordt.”
“Elke regel heeft zijn uitzondering, en ik zou het zeer op prijs stellen als u voor mij die uitzondering kunt maken. Ik ben namelijk schrijver en het lijkt me razend interessant om het een en ander over die tocht naar Abu Simbel te schrijven.”
De chef zoog peinzend aan zijn sigaret, legde die vervolgens nog peinzender in een asbak, nam bedachtzaam zijn mobiele telefoon ter hand en belde weer een nummer, maar na een aanvullende relativiteitstheorie in het Arabisch was het resultaat: “Helaas.”
In ieder geval had de man de indruk gewekt zijn best voor me te doen, maar achteraf gezien stond het resultaat natuurlijk van tevoren al vast. Toch interessant om weer eens een politiechef gesproken te hebben en bovendien had het een gratis kop thee kunnen opleveren. Waarom dat deze keer niet lukte is me niet geheel duidelijk.
Meestal begint een dergelijk gesprek in Arabische landen met het laten aanrukken van een glinsterende kan hete thee op een even glinsterend serveerblad. Misschien was de chef toch lichtelijk gepikeerd dat ik hem voor zoiets onnozels als fietsen van zijn werk had gehouden.

De volgende ochtend om 3 uur werd er op mijn deur gebonsd en rond half vier stopte er een minibus met 16 zitplaatsen voor het hotel. Met een lichte verwondering constateerde ik dat er, met mijzelf inbegrepen, ook 16 toeristen in zaten, maar bij de verzamelplaats van het konvooi werd die verbazing verdreven door een zeventiende toerist die er bij gewrongen moest worden. Die moest op een klapstoeltje in het middenpad plaatsnemen. Met een gul gebaar bood ik de nieuwkomer mijn plek aan, en nam ik plaats op het klapstoeltje, wat mij de mogelijkheid gaf mijn benen languit naar voren te plaatsen, terwijl de rest van het gezelschap met de knieën zo ongeveer tegen de neus zat. Comfort was hier van niet te onderschatten belang, want ons wachtte niet een uitje naar de golfbaan of de sociëteit. Er moesten 280 harde kilometers gekraakt worden om in Abu Simbel te komen en dan later natuurlijk ook weer zo’n lang eind terug. Voor geharde busreizigers natuurlijk een peulenschil, maar voor iemand die zich zijn leven lang verwend heeft met een fiets, een beproeving.
Op het verzamelpunt telde ik 20 minibusjes en 10 grote bussen, wat, uitgaande van een 100% bezetting in plaats van 106%, zoals bij ons, op een totaal van ongeveer 800 toeristen uitkwam. Dat leek me een voorspelbare en rijke prooi voor een groepje gewapende bandieten, politie escorte er bij of niet.
Om 4h 30′ ging het konvooi van start en zodra we de dam in de Nijl over waren zaten we op de asfaltweg door de woestijn. Daar werd meteen fors op het gaspedaal gedrukt. Ik kon de snelheidsmeter van onze minibus goed in het oog houden en zag dat die tussen de 115 en 120 km/h zweefde. Regelmatig zag ik in de berm een bord langssuizen waarop de maximaal toegestane snelheden van de diverse weggebruikers vermeld stond: Personenauto’s 90km/h, minibusjes 80km/h, grote bussen 70km/h en vrachtwagens 60km/h. Een chauffeur die zich daaraan hield, zou in overtreding zijn, want die zou dan het konvooi niet bijhouden, maar door het bijhouden van het konvooi overschreed hij dus de maximale snelheid. Ik vroeg me af of het politie escorte deze snelheid zelf aangaf, maar eigenlijk heb ik de hele rit heen, zowel als terug nooit een politieauto gezien, wat niet wil zeggen dat die er niet was, want zo’n autootje kun je natuurlijk in de massa van dertig voortjagende stukken blik makkelijk over het hoofd zien.
Er werd geracet, ingehaald alsof het een wedstrijd was en veelal links gereden, waarschijnlijk omdat het asfalt daar iets effener was dan rechts. Tegenliggers en ook vele bussen van ons konvooi reden zonder licht, misschien om benzine te sparen, het milieu te ontzien, of, zoals iemand mij later uitlegde “om de tegenliggers niet te verblinden”. Werd het dan werkelijk spannend dan gooide zo’n tegenligger even zijn grote lichten aan om te laten zien dat het nu toch een keertje tijd werd om naar de rechterkant terug te keren. Dat gebeurde dan ook steeds op het laatste moment, waarop de minibus meteen weer naar links zwenkte voor meer rijcomfort.
Ja, ja, mijn hotelier had het bij het rechte eind: “De regering wil toeristen zo veilig mogelijk door Egypte laten reizen”.
Dus ’s nachts in een bus, zonder licht en op de linker weghelft met 115 km/h waar 80 is toegestaan. Dan ben je er in ieder geval zeker van dat er geen vos voor je fiets oversteekt en mocht er een voor de bus oversteken dan wordt die gewoon platgereden, dus veiliger kan het al niet.

En waarvoor nu om 3 uur ’s morgens opstaan, 80 Egyptische ponden neertellen en vervolgens beangstigend veilig enige uren door de woestijn voortgesleept worden? Wat plaatst Abu Simbel op een lijn met de Eifeltoren van Parijs, het Colosseum in Rome en de hunebedden van Havelte? Mijn geachte weblezers zullen het ongetwijfeld weten, maar voor het geval zich onder hen iemand bevindt die er even niet op kan komen, het volgende geheugenopfrissertje:
Zo’n 4000 jaar geleden kwam Ramses II, Farao van Egypte, op het aardige idee om, ter meerdere eer en glorie van zichzelf en om de werkloosheid in zijn land terug te dringen en zo tienduizenden slaven weer een baan te bezorgen, twee grote tempels uit te laten hakken in de rotsen naast de Nijl. Het werden twee meesterwerkjes waar Ramses en zijn bouwmeesters, alsmede de tienduizenden nogal onderbetaalde medewerkers met recht trots op konden zijn: Voor de ene tempel bleven, na fors bik- en hakwerk vier zittende, en voor de andere tempel zes staande giganten over. En dan de wanden! Zowel binnen als buiten werden die volgebeiteld met figuren en tekens in reliëf die hele verhalen en sagen uitbeeldden, eigenlijk dus historische stripverhalen in steen, de Egyptische Asterix, zou je kunnen zeggen. Alles werd natuurlijk oerdegelijk uitgevoerd, want het moest de millennia trotseren, ja de eeuwigheid benaderen. Maar helaas …. Ramses had er geen rekening mee gehouden dat enkele van zijn verre nazaten 4000 jaar later op het voor hem onzalige idee zouden komen om 280 km stroomafwaarts van zijn mooie tempels een hoge stuwdam in de Nijl te gaan plaatsen. Door die dam dreigden zijn pronkstukken voor eeuwig onder het Nijlwater te verdwijnen. Om Ramses te hulp te komen zaagde men de tempels en de beelden in brokken en bouwde de aldus ontstane driedimensionale legpuzzel een eind hoger op het droge weer precies in de originele stand weer op.
Ziedaar een bezienswaardigheid, waar je wat voor over moet hebben om hem te zien. Logisch dat elke dag weer zo’n 800 toeristen hun fiets laten voor wat hij is en plaats nemen in de Egyptische Dinky Toys om zich afgrijselijk veilig naar Abu Simbel te laten vervoeren.

“Over twee uur terug bij de bus” zei de chaufeur, voordat we, gaar van de rit, naar buiten mochten. Meestal kijk ik een beetje meewarig toe als een gezelschap toeristen gekraakt een bus uitstrompelt dat dan binnen zoveel tijd weer terug moet zijn omdat anders het zo fraai berekende en opgestelde tijdschema in de soep loopt. Nu spoelde ik zelf mee in zo’n groep!
Twee uur slechts! Ik had gedacht dat we daar een dagje rustig konden rondkijken. Op zo’n moment realiseer je je in ieder geval weer eens hoeveel vrijheid een fiets je verschaft!
Het toegangsloket voor de tempel had moeite om de golf van 800 bezoekers te verwerken, maar uiteindelijk stond ik dan toch voor de grote tempel van Ramses II. Van de vier grote zittende beelden lag de tweede van links volledig aan puin op de grond maar de drie andere zaten er nog puntgaaf bij. Zeker een ongelukje met een hijsmachine, veronderstelde ik, maar voor de rest hadden ze het toch allemaal netjes voor elkaar gekregen met die hele verhuizing van die twee reuzentempels. Waar gehakt wordt valt wel eens een spaandertje. Daar moet je niet te moeilijk over doen!
Terwijl ik wat foto’s maakte, probeerde ik me voor te stellen hoe je je als machinist van een enorme hijskraan voelt als er een 4000 jaar oude farao uit je grijper schiet en als een vers ei onder je op de stenen uiteen spat. “Ik drukte op het verkeerde knopje” zal hij ’s avonds tegen zijn vrouw hebben gezegd “maar ik deed het niet met opzet”.
Op dat moment kwam me dat andere Islamitische land voor de geest: Afghanistan, waar ze een aantal jaar geleden ongeveer even oude, even grote, historische even waardevolle uit de rots gehakte beelden wel met opzet uit elkaar hebben laten spatten, want Buddha was geen Islamiet en moest er dus aan geloven, te meer daar afbeeldingen van levende wezens door de Islam verboden zijn.
Heel de wereld keek met afgrijzen toe hoe die kunstschat vernietigd werd, net zoals de hele wereld in 1962 met bewondering toekeek hoe Egypte deze Farao’s redde van de ondergang.
“Waarachtig! Als dat Frank van Rijn niet is!” hoorde ik plotseling achter me zeggen. Ik draaide me verbaasd om en stond oog in oog met een bekende Nederlander: Fred uit Nijmegen. Nu zal niet iedere Nederlander deze bekende persoonlijkheid kennen, maar daar zal in de toekomst vrij zeker verandering in komen. Niet alleen weet Fred allemachtig veel van belastingzaken, wat al zeer bewonderenswaardig is, maar ook heeft hij ondertussen een onmetelijke kennis verzameld op het gebied van wereldreizen op de fiets. De laatste keer dat ik hem zag, al weer een paar jaar geleden, was hij al 16 jaar bezig met het voorbereiden van zijn eerste wereld-fietstoer. Hij vertelde me toen dat hij soms nachtmerries had van de gedachte aan een lekke band of een gebroken spaak, ergens in de rimboe van Afrika, maar dat hij een schriftelijke cursus fietsreparatie wilde gaan volgen om zijn kennis op het gebied van fietsreizen te vervolmaken.
Terwijl we elkaar de hand schudden merkte ik op: “Jij bent nu zeker op wereldreis”
“Een kleine” antwoord Fred bescheiden, “van Istanboel via het Midden Oosten naar Tunis”
“En je fiets staat zeker ook in Aswan omdat ze je daarop niet hierheen lieten gaan. Of kon je ongemerkt om de politieposten heen komen?”
“Mijn fiets staat in Nijmegen.”
“In Nijmegen?”
“Ja ik ben met een reisgezelschap in een omgebouwde vrachtwagen onderweg. Maar die wereldreis per fiets komt er gegarandeerd. Daar twijfelt zelfs mijn buurvrouw niet meer aan. De voorbereiding is nu bijna rond.”
We praatten nog wat over Freds’ plannen maar veranderden snel van onderwerp want we hadden allebei niet voor niets een enerverende busreis gemaakt. We moesten die tempels niet laten ondersneeuwen door herinneringen aan Drenthe, Nijmegen of theorieën over hoe je een gebroken trapper vervangt.
“Jammer van dat ene beeld dat ze bij het verplaatsen van de tempel aan puin hebben laten vallen” merkte ik op terwijl ik op de brokstukken wees.
“Nee” antwoordde Fred, “dat is niet aan puin gevallen. Ik hoorde zojuist van een gids die een groep toeristen rondleidde dat dat al in de tijd van Ramses II is gebeurd. Het was een beeld van de een of andere hotemetoot waar Ramses bonje mee kreeg. In plaats van de kerel op zijn gezicht te slaan of hem levend te mummificeren, liet hij uit nijd het beeld aan puin slaan. Die brokstukken hebben ze na het omhoog hijsen van de tempel precies in dezelfde positie neergelegd ten opzichte van de tempel als ze ze hebben aangetroffen.”

De kritische lezer zal zich nu ongetwijfeld afvragen of dit verhaal wel historisch verantwoord is. Het is altijd goed kritisch tegenover mooie historische verhalen te staan, maar waarom zou die gids zomaar iets uit zijn duim zuigen? Nee, die heeft het verhaal natuurlijk van een andere historicus gehoord die ook niet zwetst en die het op zijn beurt uit weer een andere oerbetrouwbare bron heeft vernomen …. En wat Fred betreft, de laatste schakel in de keten van de betrouwbare doorvertellers …. Beste kritische lezer, denk alleen maar aan zijn met Nijmeegse degelijkheid voorbereide wereld fietsreis! Nee, deze versie van “Het kapotte beeld van Abu Simbel” staat net zo stevig als de tempel zelf. Daar kan zelfs geen Egyptoloog meer omheen zonder zich onsterfelijk belachelijk te maken. En dat moet een grote geruststelling zijn voor de hijskraanmachinist, die dat beeld dus niet uit zijn grijper heeft laten vallen, zodat hij ’s avonds tegen zijn vrouw kon zeggen: “Ik drukte vandaag niet op een verkeerd knopje.”

Nadat we de tempels tot in detail hadden bekeken en Fred nog een poging had gedaan om de hiëroglyphen te ontcijferen, waarin hij ook een schriftelijke cursus had gevolgd, was het tijd om onze bussen weer op te zoeken voor de terugreis naar Aswan.
“Zullen we vanavond uit eten gaan in Aswan, als die busrit goed afloopt?” stelde Fred voor, “dan kan ik je vertellen over mijn wereldreis per fiets die er gegarandeerd komt”.
“Dat lijkt me een goed idee” antwoordde ik, “ik weet een tent waar je je voor een halve Euro ongans kunt eten aan een groot bord tuinbonen.”
“Ik dacht eigenlijk meer aan een grote dikke pizza voor tien Euro.”
Ja, Fred zat blijkbaar een paar sterren hoger dan ik op de luxe-schaal, maar een etentje in gezelschap van zo’n fietsreisexpert is iets dat geen enkele reiziger zich wil laten ontglippen en daarom sprong ik voor die ene avond uit de band.

Abu Simbel ligt ondertussen al weer een flink eind achter me, want fietsen gaat een stuk sneller dan schrijven. De dikke pizza in Aswan was weer eens heel wat anders dan elke dag een bord fijngestampte tuinbonen (foul in het Arabisch). Fred zal nu met zijn gezelschap in de buurt van Tunis zitten, waarna zijn wereldfietsreis niet lang meer op zich zal laten wachten. Houd daarom het nieuws in de kranten goed bij!
Ik zit nu in Kenia en ben op weg naar Katakwi en Butagaya in Uganda waar ik projecten ga bezoeken van de Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Cycling out of poverty. Van daar keer ik terug naar Kenia om aan het Victoriameer nog zo’n project te bezoeken. Ik zal daar t.z.t. verslag van uitbrengen. Zie ondertussen cyclingoutofpoverty.com en eenfietsmaakthetverschil.nl

501.089 kilometer met toeclips

De ontwikkelingen in de fietswereld hebben de laatste jaren een grote vlucht genomen, waardoor het door een fiets zakken een sensatie is die slechts weinigen meer te beurt valt. Ook de droge harde, vroeger zo vertrouwde tik van een brekende spaak is in onze tijd een zeldzaamheid en het plakken van banden is druk op weg een curieus oud ambacht te worden. Dat zijn natuurlijk allemaal grote verdiensten van bedrijven als Gazelle, Schwalbe en Shimano, waar elke fietser blij mee is, maar deze gouden medaille heeft helaas ook een keerzijde: de toeclip, een metalen beugel aan de trapper die de voet veel steun bij het rijden geeft is van het toneel verdreven door een vernuftig kliksysteem waarmee de fietser vast vergrendeld zit aan zijn machine.
Sinds mijn eerste escapades op de fiets heb ik met toeclips gereden en een van mijn gulden regels is: als iets goed voldoet moet je het zo houden en het niet verruilen voor iets dat misschien beter is maar misschien ook wel slechter. En voorts wil ik niet aan mijn fiets vastgeklikt zitten. En dus houd ik het bij de toeclip, ook al loop ik daarmee het risico door menig fietscollega als ouderwets bestempeld te worden. Nu zit ik er absoluut niet mee een ouderwetse indruk te maken, maar waar ik wèl mee zit is dat het door deze klikmode steeds moeilijker wordt om aan die, zo langzamerhand antieke, clips te komen. Zelfs Gazelle kan me er niet meer aan helpen. Ze gaven me fraaie pedalen met kliksysteem en degelijke Shimano klikschoenen in de hoop mijn conservatieve houding op dit punt te doorbreken, maar ik schroefde de klikdingen van de schoenen, draaide de pedalen om en monteerde daar mijn oude toeclips aan.
De laatste jaren heb ik rommelmarkten afgelopen op zoek naar die voor mij zo onontbeerlijke clips. Soms had ik geluk en vond ik tussen stapels oud ijzer een verroeste trapper waar nog zo’n eveneens verroest wondertje van bijna prehistorische mechanische technologie aan vast zat, maar meestal was het zoeken vergeefs.
Voor deze reis, van Nederland naar Griekenland, kreeg ik van een verzamelaar van oude fietsen een stel tweedehands toeclips cadeau. Met zo’n driehonderd tweewielers in zijn schuur in het Drentse Echten (waaronder een van mij, waarmee ik in 1986 door de Sahara ben getrokken) valt er hier en daar wel eens een clipje los te schroeven. Met dat setje kan ik weer 10.000 km vooruit, eventueel geholpen door een paar lassers onderweg.
Dicht voor Thonon Les Bains wees mijn teller 3070 km aan (na een omweg via Normandië, Bretagne en het Massif Central) sinds mijn vertrek op 1 Juni uit Drenthe. Op zich is dat natuurlijk niets bijzonders, maar aangezien ik op al mijn vorige fietsreizen 496930 km bij elkaar getrapt had was dat een mijlpaal die gepast gevierd diende te worden. Ik had me voorgenomen me bij deze 500.000ste kilometer eens heerlijk te verwennen met een koude Cola, want een luxe mag op z’n tijd wel, te meer daar er bij mijn 400.000ste kilometer, die ik in de rimboe van Botswana vol trapte, in de verste verte geen winkeltje met Cola te bekennen was. Nu beleefde ik het tegenovergestelde, want ik stond juist voor een gigant van een supermarkt, aan de grote weg naar Thonon Les Bains. Veel Cola maar weinig sfeer en een decor van niks voor een foto. En dus reed ik, voorzien van een Freeway-Cola, 5 km verder op een zijweggetje. Daar vond ik een boom als decor waar ik wat matig interessante foto’s maakte van mijn fiets met een velletje papier er aan geplakt waarop ik 500.005 km had geschreven. Mijn Freeway drankje was helaas al niet ijskoud meer en zo ging het feestje, waar ik me honderdduizend kilometer op had verheugd, de mist in. Misschien kar ik voor mijn 600.000ste kilometerparty wel naar het bordje “Poolcirkel”. Dat vormt een aardig decor en het zal voor mij een dubbele mijlpaal zijn want noordelijker dan Ameland ben ik nooit geweest. En dan het extra voordeel: de Arctic Cola die ik daar in mijn fietstas zal hebben zal ongetwijfeld nog ijskoud zijn.
Via St.Gallen en over de Resia-pas zakte ik af naar Verona waar ik, om het mislukte mijlpaalfeestje te compenseren, in de grote Romeinse arena een uitvoering van Verdi’s Aïda bijwoonde. Ook dat drama liep verkeerd af, maar dat was geen verrassing, want Verdi’s opera’s lopen vrijwel allemaal verkeerd af. Dat hoort er nu eenmaal een beetje bij met Verdi. Hoe fouter het loopt , hoe mooier de muziek en dus hoe geweldiger de avond.
Na dit hoogtepunt volgde er nog een: een bezoek aan het Italiaanse Giethoorn, de mooiste stad van Europa. Ik slenterde er een dag rond en dat was vandaag. Ik logeer nu bij een marketingmanager van Brooks-zadels (het Engelse Brooks is opgekocht door het Italiaanse Selle Royal). Hij woont in een oud fraai landhuis, dat veel weg heeft van een paleis, 15 km buiten Venetië. En zo geniet ik weer eens wat luxe.
“Kijk” zegt Andrea, mijn gastheer, ’s avonds na een overvloedig diner, “hier heb ik de nieuwste Brooks brochure. Jij staat er ook in.” en hij wijst op een foto waarop ik naast mijn tent aan de voet van een hoge berg zit, ergens op het Tibetaanse plateau. Dat is eigenlijk geen toeval, want ik heb hem die foto zelf gestuurd.

Als ik wat later in de brochure zit te bladeren ontdek ik dat Brooks behalve uitmuntende zadels, waarmee ik al twaalf en een half maal de aardomtrek heb gereden, ook andere producten maakt. En wat zie ik daar opeens? Leren toeclipsriempjes!!

“Maken jullie er ook toeclips bij?” vraag ik Andrea.
“Jazeker, want wat heb je aan toeclipsriempjes zonder toeclips?”


En hier, na 501.089 km dolen over de wereld is mijn toeclipprobleem plotseling opgelost. Voortaan hoef ik, als ik over rommelmarkten slenter, niet meer uit te kijken naar oude verroeste trappers waar misschien nog een bruikbaar clipje aan zit en kan ik al mijn aandacht wijden aan schoteltjes uit de Ming-dynastie, etsen van Rembrandt, originele, zoekgeraakte manuscripten van Johan Sebastiaan  Bach en cowboyfilms van John Wayne op de video.

PS
Door te grote (of gepaste?) zelfkritiek heb ik een aantal passages van bovenstaand verhaal wel tien keer overgeschreven. Daardoor heeft dit verhaaltje in status nascendi 1985 km meegereisd in mijn fietstas sinds ik het Italiaanse Giethoorn achter me liet. Ondertussen ben ik ben ik dan ook al via Slovenië, Kroatië, Bosnië, en Herzegowina en Montenegro tot in het noorden van Albanië doorgedrongen.
Ik zit nu in een dorpje van 10 huizen aan de voet van hoge bergen. Nu moet ik het verhal nog kopiëren, in een envelop stoppen, een postzegel er op plakken en in een brievenbus gooien, maar in dit dorpje is natuurlijk geen kopieerapparaat  en zeker geen postkantoor.
Daarna moet de brief nog bij mijn webmaster afgeleverd worden, maar dan staat het ook binnen een kwartier op mijn website.
Hoeveel kilometers gaat dat hele proces nog duren, oftewel hoe ver zal ik dit dorpje al weer voorbij zijn als u dit leest?

Lectori Digitali Salutem

Een stel peperdure visa, letters of invitation, travelpermits en een dag lang bureaucratisch mens-erger-je-niet spelen in een sombere overheidsspelonk voor een stukje voddig papier van 6 x 8 cm met een stempel er op …. Je moet er wat voor over hebben om een stel voormalige Sowietrepublieken te mogen bezoeken. Dat erger-je-niet spelen gaat mij normaal al niet zo soepeltjes af maar toen in Dushanbe, de hoofdstad van Tadjikistan, door de een of andere belangrijke bons het honderdeneerste probleem werd gecreëerd, met de opmerking: “Er staat geen nummer boven uw travelpermit”, werd het me te machtig.
“Het barst van de nummers op de permit” antwoordde ik geïrriteerd.
“Maar op het randje hierboven moet ook een nummer staan en dat ontbreekt”
“Dit is mijn laatste reis door zo’n stempel-nummer-registratie-permitland” siste ik in het Nederlands, de wanhoop nabij “volgend jaar ga ik naar het Tjeukemeer”.
“Wablief?” vroeg de bons.
Ik dwong me opnieuw tot geduld en diplomatie van de hoogste orde en na anderhalf etmaal kon ik zo waar het zo vurig verlangde vodje met stempel in ontvangst nemen. Kosten: slechts $ 38,- en daarvoor waren misschien wel vijf mensen een dag voor in de weer geweest. Dat is een uurloon van tweeënzeventig eurocent. Een koopje! Zoiets lukt je in Nederland niet meer!

Afgezien van dit mens-wat-heb-je-je-weer-geërgerd spel, had ik een mooie reis van ruim vier maanden door Centraal Azië, maar verderop doemde al weer een nieuw probleem op. “Hoe meer fietstoeristen in ons land tijdens de Olympische Spelen, hoe meer kans op revolutie” dachten de Chinezen en die bezorgdheid is natuurlijk volkomen terecht. Stel je voor: honderdduizenden fietsers die vanuit Europa komen aanzwermen, zoiets als indertijd de horden van Jengiz Khan op hun paarden. Die zouden gemakkelijk Peking kunnen bezetten met en passant heel Tibet er bij. En daar houden de Chinezen niet van, reden om van de ene dag op de andere, de visum afgifte aan de toeristenstop te zetten.

Mijn plannetje om door China naar Laos en Thailand te fietsen viel daardoor in duigen en bovendien kwam ik, in het in September steeds kouder wordende Centraal Azië, vast te zitten. Om de barre winter te ontlopen bood het vliegtuig de enig redelijke oplossing. Daarbij had ik de keuze tussen terug te keren naar Nederland en daar in mijn comfortabele huisje de winter door te brengen met het inplakken van dertig schoenendozen vol krantenknipsels van Heer Bommel, Panda, Koning Hollewijn en Eric de Noorman of een sprong over de Himalaya te maken naar een warme plek om va deze, door de Chinezen in duigen geslagen tocht toch nog iets te maken. Ik koos voor het laatste, namelijk Delhi en bewaar die Bommels, Panda’s, Hollewijns en Noormannen voor na mijn pensioen. Dan heb ik nog wat te doen en val ik niet in het beruchte vacuüm dat iedere Workaholic als het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt.

Vanaf Delhi trok ik vijf maanden rond door het Indiase subcontinent. In het altijd weer mooie Nepal deed ik hoewel het al vrij laat in het jaar was een trekking naar het basiskamp van de Annapurna midden in een overdonderend sneeuwtoppen massief. Bangladesh, waar ik een week rond reed, was nieuw voor me, hoewel het met zijn mensenmassa’s en legers van fietsriksja’s sterk leek op het India van 1983. Het grootste deel van deze vijf maanden trok ik rond door het reusachtige India voordat ik van Bombay terugvloog naar Nederland.

In mijn vorige web-nieuwsbrief (al weer een tijdje geleden!) schreef ik over de veranderingen in India, de laatste 25 jaar. Ik wil daar nog een drietal opmerkingen aan toe voegen:

1. Filmster
Er blijken, anders dan ik vorige keer schreef, toch nog veel gebieden in India te zijn zoals Bihar en West-Bengalen (en zeker ook het buurland Bangladesh) waar je het absolute middelpunt van de belangstelling bent met elke keer als je een pauze houdt drommen mensen om je heen en waar je als een gevierde filmster handtekeningen kunt uitdelen. Dat zijn voornamelijk de arme en minder ontwikkelde gebieden waar je ook nog veel fietsen en fietsriksja’s ziet die in de rijkere gebieden en steden vrijwel geheel vervangen zijn door motorfietsen en scooter-riksja’s.

2. Banken
Ik schreef in mijn vorige nieuwsbrief dat je tegenwoordig in India heel makkelijk geld kunt wisselen, in tegenstelling tot 25 jaar geleden. Dat geldt zeker voor de toeristische plaatsen waar privé wisselbureaus zijn, maar bij banken gaat dat toch nog steeds op z’n elfendertigst. Loop voor de aardigheid maar eens een bank binnen in een stad die niet toeristisch is. Dat deed ik, hoewel beslist niet voor de aardigheid, toen ik vanuit Bangladesh India weer in reed en dat ging zo:
“Goedemorgen kan ik hier dollars of euro’s wisselen?”
“No sir, deze bank is niet gerechtigd buitenlands geld te wisselen. Ga naar Calcutta.”
“Ik moet helemaal niet naar Calcutta.”
“In Bhupaneshwar, de hoofdstad van Orissa kan het ook. No problems in India!”
“Maar dat is 400 km hier vandaan!”
“Yes, no problem!”
En dus reed ik op een krap budget naar Bhupaneshwar terwijl mijn zakken uitpuilden van de dollars en de euro’s. Waar ik onderweg ook probeerde te wisselen, ik werd doorverwezen naar Bhupaneshwar (merkwaardig toch, die Indiërs die wel graag buitenlandse deviezen krijgen, maar het de wissel- en bestedingsgrage toerist zo moeilijk maken!)
In Bhupaneshwar liep ik een bank binnen.”Goedemorgen kan ik hier dollars of euro’s wisselen?”
“No Sir u moet bij de Main Branch van de Statebank of India zijn, aan de andere kant van de stad”.
Aan de voorkant van die Main Branch stond een groot bord met daarop: “The customer is the most important person in this bank”. Fijn! Eindelijk een bank waar goed zaken mee te doen was! “Goedemorgen kan ik hier dollars of euro’s wisselen?”
“Please Sir, sit down.”
“Nee, ik kom niet om te zitten maar om te wisselen.”
“Yes wait”.
Na een kwartier kwam er al beweging in de zaak. Ik moest mijn pas laten zien en de cheque tekenen. Daarna ging de man aan de slag met zijn computer. Al een geweldige vooruitgang met vroeger, toen alles met een pennetje in grote boeken geschreven werd. Er volgde een klik- en typewerk waar geen einde aan leek te komen, en na dit een tijd aanschouwd te hebben vroeg ik: “Bent u een boek aan het schrijven of alleen maar een artikel?”
“No Sir, sit down.” Eindelijk kwam het computerwerk dan toch tot een einde, maar in plaats van me de rupees te geven haalde de noeste werker een groot boek tevoorschijn en begon daarin met een pennetje het hele verhaal op te schrijven dat hij zojuist met zijn computer had gemaakt.
“Vertrouwt u uw computer niet?”
“Safety first.”Daarin kon ik hem geen ongelijk geven, maar waarom dan al dat computerwerk? Als je geen vertrouwen in het ding hebt, zet hem dan bij het grof vuil!Na het schrijfwerk in zijn grote boek kwam het bonnenboekje met vier carbonvelletjes op tafel, en daarna …. werd het hele spul naar de buurman geschoven die echter met andere gewichtige zaken bezig was. “Mijn” employé ging ondertussen een andere klant “helpen”!
“Hoe is het nu met mijn rupees?” vroeg ik.
“Wait. Over 15 minuten of zo is alles al voor elkaar.”
Nog eens 15 minuten!! Dat werd me te gortig en daarom verloor ik mijn alom geroemde bank-diplomatie:
“Meneer, ik ben naar India gekomen om India te zien, om jullie fraaie tempels te bekijken, om te reizen en om geld uit te geven. Niet om een dag in de catacomben van de State Bank of India door te brengen! Voor dit gebouw heb ik een groot bord gezien waarop staat dat ik hier de belangrijkste persoon ben. Welnu, als ik dan zo belangrijk ben wil ik niet, na al een half uur gewacht te hebben, nog eens 15 minuten wachten enkel om een paar rupees te wisselen. En waarop? Moet het geld nog gedrukt worden? Ik dacht dat India bezig is the Number One in the World te worden, maar op deze manier kan het nog wel een tijdje duren voordat het zover is.”
Daarna had ik verrassend snel mijn rupees en kon ik terug de zon in en de interessante oude tempels van Bhupaneshwar gaan bekijken.

3. Afval
Kort nadat ik mijn vorige nieuwsbrief schreef met daarin een verhaal over hoe men in India met afval omgaat, ontdekte ik dat men hier een grote sprong voorwaarts had genomen, op hygiënisch gebied. Dronk met tot voor kort thee uit glaasjes, die vervolgens in een bak niet al te schoon water werden omgespoeld, nu zie je steeds meer dat men thee drinkt uit kleine plastic bekertjes. Die hoeven niet omgespoeld te worden en kunnen zo de straat op of de goot in. Ik heb uitgerekend dat, aangezien alle Indiërs elke dag herhaaldelijk thee drinken, heel India over ongeveer 5 jaar bedekt zal zijn met een 30 à 40 cm dikke laag van die bekertjes. Als Mars bewoond is zullen de Marsmannen onze mooie aarde meer zien glinsteren dan voorheen. Interessant voor de Marsmannen maar misschien (hopelijk!) gaan de Indiers zich tegen die tijd eens afvragen of ze wel op de juiste weg zijn met hun hygiene.
Afgezien van deze en nog enkele andere merkwaardige en hinderlijke ervaringen, heb ik een mooie aangename reis door India gehad. Het blijft een land dat altijd weer boeit door zijn interessante cultuur en bonte couleur locale, een land waar het weer in de droge tijd elke dag prachtig is, waar erg schilderachtige plaatsjes zijn, waar adembenemend mooie forten, tempels en moskeeën voor het oprapen liggen, waar je in geweldig indrukwekkende landschappen kunt rondtrekken en waar je veel bijzondere ontmoetingen hebt, de meeste sympathiek, maar vaak wel met een groot taalprobleem (als je geen Hindi, Punjabi, Tamil, Telegu, Marati, en nog zo’n 80 andere talen spreekt).

Na elke reis door India denk ik dat ik het er verder maar bij moet laten aangezien ik er al erg veel van heb gezien en het toch in nogal wat opzichten een vermoeiend land is. En toch was dit al weer mijn zesde India-reis. Nu, na bijna 30.000 km op al mijn India-reizen bij elkaar (28.965 volgens mijn grote administratieboek) vind ik het toch echt wel welletjes. Vaarwel India!
Hoewel ….. In Kasjmir, Sikkim en Assam ben ik nog nooit geweest en daar moet het wel erg mooi zijn, dus wie weet? En als ik dan weer de smaak te pakken heb…….

Ik ben u al weer een tijdje terug in Nederland. “Ben je al geacclimatiseerd?” vragen vrienden mij vaak. Na maandenlang zon bij temperaturen van 20 à 30° Celsius, ploffen de Maartse buien natuurlijk hard op me neer, maar wat nog harder op me neerploft is de stapel post van 9 maanden, waarvan sommige brieven leuk en vele brieven (gas, water elektra, belasting, verzekering etc, u kent ze misschien ook wel) vervelend tot ronduit onaangenaam zijn en die erg veel werk en tijd vergen.
Bij een vriend die een computer heeft ontdekte ik dat er ook een flinke stapel digitale post in mijn gastenboek is binnengekomen. Dat is natuurlijk wèl erg aardige post. Helaas heb ik gedurende mijn reis niet veel gelegenheid gehad daarop te reageren, maar nu is er dan eindelijk de tijd gekomen om allen die zo spontaan en sympathiek hun bericht in dit gastenboek hebben geschreven te bedanken. De vele positieve reakties op mijn boeken en lezingen waren erg bemoedigend. Sommigen vroegen me of ik weer met een nieuw boek bezig ben, een vraag waar ik weliswaar “ja” op kan antwoorden, maar waar ik onmiddellijk aan toe moet voegen dat ik er nog niet veel van op papier heb staan. Hopende op genoeg inspiratie pak ik de pen weer op om tijdens mijn verblijf in Nederland mijn belevenissen in Centraal Azie op papier te zetten.

Suzanne, Jackie, Jan, Annie, Nel, Dmitri, Adrie, Jan, Peter en Monique, Jos en Annemarie, Ernie, Rineke, Willy, Samuel, Martijn, Rob, Kor, Michael, Andre, Adriana, Ingeborg, Hans en Joke, Hans en Marianne, Annemiek, Yvette en Vera, allen hartelijk dank voor jullie enthousiaste en aardige reakties in mijn gastenboek. En verder natuurlijk een groet aan al mijn trouwe web-lezers (lectori digitali), die steeds weer (en soms vergeefs) kijken of ik wat nieuws geschreven heb. De frequentie van mijn berichtgeving is wat aan de lage kant, geef ik toe. Ik zal echter proberen die frequentie in de toekomst wat op te voeren. Een goed voornemen, nu eens niet op 1 Januari maar op 1 April.

India toen en nu

Ik bewonder de mensen die kans zien tijdens hun reis verslagen op hun website te zetten die zo lang zijn dat je er een huis mee kunt behangen. Ik vraag me wel eens af waar ze de tijd voor zulk monnikenwerk vandaan halen. Mij kost het fietsen, dingen bekijken, wandelingen maken, voedsel kopen, slaapplekken zoeken, de was doen en uit elkaar vallende kleren oplappen zoveel tijd dat het bijhouden van mijn dagboek soms al in het gedrang komt. Maar gezegend met een vingervlugheid van 750 tot 1000 aanslagen per minuut rammel je toch nog wel redelijk snel een vierkante meter literair behang uit de computer, die dan meteen het web op kan om de verste uithoeken van onze aardbol te veroveren.
Bij mij ontstaat een stuk tekst pas na een hoop geklad in een schriftje met doorhalingen en tussenvoegingen, correcties en correcties op correcties. Maar mijn grootste remmende factor is de inspiratie die het nogal eens laat afweten. En als die dan soms toch de kop op steekt en ik zit juist op de fiets, krijg ik nog niets op papier. Dat is waarom mijn website niet iedere dag bol staat van de nieuwe verhalen. Het wordt nu echter tijd de trouwe volger van deze site tevreden te stellen met een nieuw verhaal en daarom heb ik mijn schriftje maar eens uit de diepten van mijn fietstas omhoog gehaald. Als ik straks tevreden ben over de tekst, wat ik nog maar moet afwachten, gaat die per c-mail (conventional mail, oftewel in een envelop met een postzegel erop) naar mijn geweldige webmaster in Nederland, die vervolgens mijn geknoei omzet in fraai getypte vorm op mijn site. Een even moeizaam proces als het fietsen zelf, en dat is dus eigenlijk heel passend voor deze website.

Na een reis door Centraal Azië , waar ik een boek over aan het schrijven ben (al vijf kantjes in klad klaar, weer in een ander schriftje) ben ik in India aangekomen. Daarbij heb ik helaas wat moeten sjoemelen: per vliegtuig van Almaty in Kazakhstan naar Delhi, want de Chinezen gaven in verband met de Olympische spelen geen toeristen visa meer af. Dat was om een zo goed mogelijke indruk naar de buitenwereld te maken iets wat hen helaas maar zeer ten dele gelukt is aangezien ze daarmee vele duizenden reizigers een spaak in het wiel gestoken hebben.
India is sinds mijn eerste bezoek in 1983 enorm veranderd, gedeeltelijk ten goede en gedeeltelijk ten slechte. Moest ik vroeger vijf tot tien uur wachten tussen drommen mensen in een somber telefoonkantoor, op een peperdure telefoonverbinding met Nederland (zo rond de tien gulden per minuut), iets wat je in een stad kleiner dan een miljoen inwoners in het geheel kon vergeten, nu struikel je in de straten over de PCO’s (Public Call Office) waar je voor een paar centen direct verbinding hebt. Internet bestond niet en een fax was een soort Jules Verne-achtige sciencefiction. Mobiele telefoons waren slechts mobiel tot de spiraaldraad tussen de hoorn en het toestel geheel uitgerekt was, dus daar liep je niet verder mee weg dan één meter dertig. De telecom is dus enorm verbeterd en dat is natuurlijk fijn, hoewel …. als je nu op straat aan iemand de weg vraagt heb je een vlotte kans dat hij “bezet” is met zijn mobiel tegen het oor.
Een andere grote vooruitgang is dat er tegenwoordig in India veel meer Engels wordt gesproken dan vroeger. Nu vind je zelfs buiten de grote steden soms mensen met wie je in mindere of meerdere mate Engels kunt spreken. In 1983 was het buiten de grote steden gebeurd met Engels en kon je met gebarentaal aan de slag die meestal verkeerd begrepen werd.
Tijdens deze reis kan ik er bij een theehuisje of eethuisje halt houden en op mijn gemak een theetje drinken en de kaart bekijken. Dat was in 1983 uitgesloten. Waar en wanneer ik ook maar stopte, meteen verdrongen zich tientallen, zo niet honderden mensen om me heen om me aan te staren alsof ik een vers uit een UFO gestapte Jupiterman was. Soms werkte zich dan een linguïstisch wonder door de menigte naar voren om me te bestoken met vragen als:
“Your sweet name please?”
“Which country belongs to you?”
“What is this?”
“Where are you?”
“Are you married?”
“Do you travel lonely?” en meer van dat soort apekool, want als ik dan vroeg hoe ver het nog naar de de een of andere plek was, dirkte de ijverige vragensteller er gewoon over heen met:
“What are your qualifications?” of
“Where is your headquarters?”
Dat vermoeiende opvoeren van de One Man Show is nu grotendeels voorbij en dat is natuurlijk een opluchting. Maar ja …. daarmee is toch ook wel iets van de charme van India verdwenen. Vroeger kon een Westerling zich twintig maal per dag het absolute middelpunt van het heelal voelen of op z’n minst een gevierde filmster. Nu ben je, zelfs met een fraai gekleurde fiets, gedevalueerd tot een misschien nog enigszins merkwaardige figurant in het Indiase straatbeeld.
Plastic afval is, net zoals op zoveel plekken in de wereld, zachtjesaan een ramp aan het worden. Snoepjes die vroeger per kilogram verkocht werden en in een stuk krant gewikkeld werden, worden nu door de fabrikant netjes elk afzonderlijk in plastic verpakt. Reuze hygiënisch! De winkeltjes hangen vol met plastic zakjes met chips zoutjes en koekjes en elke aankoop wordt nog eens extra in een plastic zakje gedaan. En waar komt al dat plastic uiteindelijk terecht? In de vuilnisbak? Ja, want heel India is druk op weg een groot vuilnisvat te worden. Als je met een zak netjes gespaard vuilnis in de hand vraagt naar een vuilnisbak heb je een vlotte kans vol onbegrip aangestaard te worden.
“Wil je dat verkopen? Nee? Wat wil je er dan mee? O weggooien? Nou doe dat dan! Waar? Gewoon hier op straat of daar in de rivier. In de rivier gaat het vanzelf weg. Dan heb je er helemaal geen omkijken meer naar.”
En als je dan vervolgens de zak weer in je fietstas opbergt in de hoop toch nog ooit ergens een vuilnisbak te vinden, ben je de clown van de dag. En zo kun je tegenwoordig dus toch nog het absolute middelpunt van de belangstelling worden.
Met geld wisselen is sinds 1983 een grote vooruitgang geboekt. Je loopt nu een bank of wisselkantoor binnen en in een paar minuten heb je dollars of euro’s omgezet in rupies. Zelfs voor het verzilveren van een travellercheque is men hier niet meer benauwd (iets waar de banken in Nederland nog wat van kunnen leren!).
In 1983 kon ik voor geld wisselen een halve dag uittrekken. Als ik na veel zoeken uiteindelijk de bank gevonden had waar het kon, waren er tien mensen een paar uur mee bezig: de één moest de cheque bestuderen en vergelijken met afbeeldingen in een voorbeelden boek, een ander moest mijn pas bestuderen, een derde moest een reçu in vijfvoud uitschrijven omdat het carbonpapier zoek was, een vierde zette zijn handtekening op de reçus, een vijfde duwde een speld door de reçus om ze bij elkaar te houden, een zesde trok die er vervolgens weer uit en verving hem door een paperclip. Als er uiteindelijk stempels op stonden en je dacht dat je je rupies nu weldra in de hand gedrukt zou krijgen, kreeg je in plaats daarvan een damschijf met een nummer erop en kon je achter aansluiten bij de rij voor de kassa, een wanordelijke rij met een omvang waar je onpasselijk van werd.
Met het verkeer is het daarentegen niet alleen achteruit gegaan maar veeleer volledig uit de hand gelopen. Vroeger waren de straten gevuld met voetgangers, fietsers en fietsriksja’s, waar zich zo nu en dan een auto scooter of vrachtwagen doorheen wrong, een chaotisch straatbeeld met echter een zekere charme, als je er oog voor had. Nu rijdt iedereen die vroeger fietste op een motorfiets en iedereen die vroeger op een motorfiets reed in een auto. Osse- en kamelenkarren hebben plaats gemaakt voor tractoren en vrachtwagens en het aantal bussen is vertienvoudigd. De charmante chaos van weleer is veranderd in een gemotoriseerde gassen uitstotende heksenketel. Delhi uitfietsen was een onderneming die zelfs Hercules de haren ten berge had doen rijzen. Het leek alsof met mij alle vrachtwagens van India de uitvalsweg richting Chandigarg hadden gekozen. Flyovers en rotondes in aanbouw leverden hun niet geringe bijdrage aan het perfectioneren van de totale inferno.
Dit alles zou nog te overkomen zijn geweest als de Indiër de claxon nooit had ontdekt, maar helaas …. hij heeft hem wèl ontdekt en hem als een soort godheid zijn cultuur binnengesleept zodat India’s straten nu gevuld zijn met zinloos, keihard, krankzinnig makend getoeter. Zodra een weggebruiker iets voor zich ziet bewegen, het doet er niet toe of het een auto, fiets, voetganger, olifant of vlinder is, drukt hij op zijn claxon en blijft dat doen, continu of met een drie, vier of vijftonig zenuwendeuntje, totdat hij het bewegende object een eind voorbij is. Het resultaat is een huiveringwekkend dissonanten-concert dat menig hardrock musicus zou inspireren tot het ontlokken van nog mooiere tonen aan zijn elektrische gitaar. Deze overdosis aan decibels (zo het geen megabels zijn) schijnt geen enkele Indiër te storen, maar mij stoorde het dermate, dat ik na een week fietsen door de staten Haryana en Pujab overwoog het vliegtuig terug naar Nederland te nemen.
De dag na dit psychologische dieptepunt reed ik de bergen van Himachal Pradesh in, waar ik met een redelijke kaart de kleine wegen opzocht. Hoewel daar zo nu en dan ook bussen en vrachtwagens toeterend langs kwamen denderen was het er toch veel rustiger dan in Haryana en Punjab, twee vlakke en relatief dichtbevolkte landbouwstaten. Met de prachtige, met dennenbossen begroeide bergen om me heen, keerde het plezier terug. Over bochtige smalle hobbelige asfaltweggetjes vol gaten en stukken gravel, klom ik naar passen van Alpen-niveau en daalde ik af in valleien waar blauwe kolkende beken en rivieren door stroomden. Het absurde plan om overhaast het vliegtuig terug naar Nederland te nemen smolt uiteraard weg als sneeuw voor de Indiase zon.
centraal Azie
Ondertussen ben ik in Rishikesh aangekomen, een van de belangrijkste spirituele plaatsen van India, gelegen aan de Ganges, niet zo heel ver van de oorsprong van deze heilige rivier. Hier kun je je hart ophalen aan yoga en allerlei soorten meditatielessen en verder kun je er Hindi leren spreken en je bekwamen in koken op z’n Indiaas. En er is nog veel meer te doen en te leren, maar ik heb al die wijsheid voorlopig aan mij voorbij laten gaan aangezien het afmaken van dit stuk tekst prioriteit nummer één was. Die klus is nu bijna voltooid, zodat ik vanmiddag misschien nog even een cursusje Sanskriet of zo kan gaan volgen, iets waar je toch al gauw een paar uur mee bezig bent om dat geheel onder de knie te krijgen. Maar voordat ik de pen neerleg wil ik dit verhaal van veranderingen die zich in India hebben voltrokken besluiten met iets dat in al die 25 jaar geheel onveranderd is gebleven, zo stabiel als een granietrots in de branding en dat is de gewoonte van de Indiër om zijn voedsel overdadig te “verrijken” met chilli’s, pepers, masala en allerlei andere afschuwelijke kruiden die je al in je mond voelt branden als je er alleen nog maar naar kijkt. Maar gelukkig zijn er, net als vroeger, overal bananen te koop dus ook deze reis door India ga ik overleven.

PS:
In mijn boek Pelgrims en Pepers, dat kort geleden bij Rainbow Pockets in herdruk is verschenen (met zwart-wit foto’s) is te lezen hoe het reizen door India vroeger was. Dat boek zal dit najaar (2008) ook weer uitkomen bij Uitgeverij Elmar, maar geheel in kleur.
Een ander boek van mij: “Revanche in de Andes” zal eveneens dit najaar bij uitgeverij Elmar in herdruk verschijnen.

Een serieus geworden grapje

Onze chauffeur was een waar vakman. Met één hand aan het stuur en in zijn andere zijn mobiele telefoon waardoor hij Georgische volzinnen naar de satelliet zond, koerste hij met een vaart van 140 km/h, waar 50 was toegestaan, door het drukke stadsverkeer van Tbilisi. Als je kenteken met SPS begint (Special Presidential Service) zal geen agent het in zijn hoofd halen op zijn fluitje te blazen. Voor het eerst in mijn leven knoopte ik vrijwillig de veiligheidsgordel om, hoewel zo’n ding bij een dergelijke snelheid weinig uitricht als het fout gaat.
Achterin zat Joop die zichtbaar genoot van deze kermisrit en naast hem lag, geheel uitgeteld, onderuit gezakt en bleek van de wagenziekte, Natia, onze speciaal voor deze gelegenheid toegewezen fotografe.
“Je bent toch niet bang?” vroeg Joop me lachend terwijl we de linker vangrail op een haar na geraakt hadden en in een diagonaal over de weg op die aan de rechterkant afsuisden, een manoeuvre om wat hinderlijke kruipauto’s van 80 km/h voorbij te gaan.
“Ik bang??” vroeg ik, met moeite een glimlach uit mijn gezicht wringend, terwijl het zweet van mijn voorhoofd droop, “Kom nou toch!”
Enkele minuten later kwamen we bij het door militairen en politie bewaakte, zwaar ommuurde, huis van Michael Saakashvili, de president van Georgië en zijn Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs aan. Ik telde een dozijn grote Jeeps. Lijfwachten in nette zwarte pakken, met onder hun onberispelijke jasjes grote schietijzers, liepen rond op het pad voor de grote metalen poort in de met camera’s bewaakte muur.

Joop had aanvankelijk niet mee gemogen naar de president, want wie was Joop? Toen ik echter toegelicht had dat hij een goede vriend en fietsmaat was van Eduard Roelofs, de vader van Sandra, gingen ook voor hem de presidentiële poorten open. Voorlopig bleef de grote metalen poort voor ons echter nog dicht, maar na verloop van tijd ging die toch open en werden we door Sandra op de veranda ontvangen. De president was nog bezig zich klaar te maken, niet zozeer om ons te begroeten, als wel voor het defilé dat hij later voor de kanselarij moest afnemen, want het was 26 Mei, Georgië’s Onafhankelijkheidsdag.
Tegen een boompje in de tuin stonden de cadeaus die ik de president en Sandra zou gaan overhandigen: twee goudglimmende Gazelles. Die waren alvast door de fabrikant vooruit gestuurd, zodat ik er niet mee hoefde te sjouwen. Toen ik vorig jaar van Nederland naar Georgië was gefietst werd ik in Tbilisi door de president ontvangen. Meer als grapje dan serieus, beloofde ik hem toen, dat ik voor hem en Sandra een paar mooie fietsen zou regelen bij Gazelle. “Dan kunt u na uw tweede ambtstermijn samen met Sandra op de fiets van Tbilisi naar Terneuzen” had ik erbij gezegd.
Een grapje? Toen ik er later over nadacht leek het me nog helemaal niet zo’n slecht idee en terug in Nederland belde ik er Peter Cijs over op, de accountmanager van Gazelle. Die vond het zelfs een voortreffelijk idee en zo was het gekomen dat Joop en ik nu hier op de veranda van de presidentiële residentie zaten om die fietsen aan te bieden.

De overdracht van de twee goudglimmende Gazelles was helaas voorbij voordat ik het in de gaten had. Ik had een praatje van ongeveer een half uur willen houden met wat aardige suggesties, maar toen de president eindelijk op de veranda verscheen was het met een handdruk en twee tellen poseren met de fietsen, waarbij de weer wat opgeknapte Natia wat plaatjes schoot, gebeurd. Met loeiende sirenes en zwaailichten stoven de auto’s van de president en zijn escorte na het laatste plaatje weg, maar onze chauffeur was net even te laat om zich daarbij aan te sluiten. Hij moest het dus zonder dat escorte doen, maar dat was natuurlijk helemaal geen probleem, want hij was een vakman. En wederom bewees hij dat door met zijn machtige SPS bij 140 km/h tussen de linker en rechter vangrail te oscilleren, terug naar het centrum. Daar kwamen we enkele minuten later tot onze verbazing geheel ongedeerd aan. Door een politieman werden Joop en ik naar een plek voor ‘tweederangs VIP’s’ gebracht, vanwaar we het defilé goed konden zien. Soldaten, pantserwagens en tanks trokken langs ons heen en onderwijl speelde de militaire kapel aan de overkant het Georgische Wilhelmus.