De zuilen van Axum

Gefladder voor mijn lens

kamelenmarkt.jpg
Kamelenmarkt.

In het dorpje Senbete stoot ik onverwacht op een kleurrijke kamelen-, ezel- en voedselmarkt. Terwijl ik geboeid door de bonte mensenmassa loop, tussen op de grond uitgespreide kleedjes waarop stapeltjes fruit en groente en kegelvormige hoopjes zout en kruiden liggen uitgestald, sjouwen er twee overijverige jongens van een jaar of zestien achter me aan.
‘You, you, you…’ roept de een, ‘I am the official tourist guide of Senbete.’
‘You, you, you…’ beaamt de ander, ‘my friend here is the official tourist guide of Senbete.’
Ik loop door en tracht hen te negeren, maar als ik een foto van een oud vrouwtje wil maken, dat achter een stuk op de grond uitgespreid zeil zit met daarop stapeltjes van vijf tomaatjes en uien, springt de ‘official tourist guide of Senbete’ plotseling voor mijn lens en verknalt daarmee de foto. ‘Het is verboden hier te fotograferen,’ zegt hij.
‘Ja,’ beaamt de ander, ‘foto’s maken zonder official tourist guide is hier verboden.’
‘Het is ook verboden om zonder official tourist guide over deze markt te lopen,’ hervat de eerste.
‘Ja,’ beaamt zijn maatje. ‘Het is verboden om over deze markt te lopen zonder official tourist guide, maar my friend here zal je rondleiden. No problem. Hij weet alles van deze markt.’
Ik beduid de jongen wat aan de kant te gaan, zodat ik alsnog de foto kan maken, maar ze blijven hardnekkig voor mijn neus staan. Bovendien is zich in sneltreinvaart een menigte nieuwsgierigen om mij heen aan het verzamelen, zodat de beoogde foto voorgoed verloren is. Daarom loop ik door op zoek naar een tweede goede gelegenheid een van de kleurrijke fascinerende beelden, zoals die zich overal op de markt aan mijn oog presenteren, op de foto vast te leggen, maar als ik dat even later probeer springt de jeugdige ‘official tourist guide of Senbete’ opnieuw voor mijn lens.
‘Kom,’ zeg ik, ‘dan gaan we nu samen naar de politie. Daar kun je je diploma van ‘official tourist guideof Senbete’ tonen.’
Daarmee is het gefladder voor mijn lens afgelopen, maar terwijl ik doorwandel en hier en daar een aardig plaatje schiet, gaat het gezanik achter mijn rug door: ‘You! You! Met een official tourist guide is je tocht over de markt much more interesting. Wij kunnen je alles vertellen. Voor 50 Birr geven we je een complete rondleiding. Everything. Oké, my friend, omdat jij het bent voor 25 Birr. Normaal rekenen we 100 Birr. No problem! Very interesting camel market, daar verderop. Die is streng verboden voor vreemdelingen, maar voor 20 Birr kunnen wij regelen dat…’
Terwijl ik over de streng verboden kamelenmarkt loop en foto’s schiet, zonder dat iemand anders dan de ‘official tourist guide of Senbete’ en zijn maat zich daar druk over maakt, ratelt het achter me door: ‘You! You! Als de politie je ziet: problem! Vorige maand liep hier ook een faranji zonder official tourist guide over de kamelenmarkt. Toen de politie…’
Het gezwets gaat verloren in het tumult van een groep langs me heen daverende ezels die door een boer met een stok worden opgedreven. Als de dieren voorbij zijn en het stof nog dwarrelt klinkt het duet weer op: ‘…15 Birr laten we je de kamelenmarkt zien. No problem.’
Die kamelenmarkt ben ik ondertussen over en via de granenmarkt, die volgens mijn gevolg ook streng verboden is voor vreemdelingen, loop ik terug naar mijn fiets, die ik bij een kliniekje heb neergezet. Tot de laatste meter tettert het door achter mijn rug: ‘You! You! Wij laten je alles zien wat je wilt. Voor 10 Birr leiden we je…’

baobab.jpg
Baobab.

Als ik wegfiets ben ik er niet zeker van of zij míj gratis hebben rondgeleid of ik hén, maar waar ik wél zeker van ben is dat we van elkaar hebben geleerd: zij van mij dat niet iedere toerist direct klaar staat met zijn buidel om opdringerige jongetjes die zich vervelen te betalen voor gezwets en ik van hen dat bij dit soort ‘official tourist guides’ over de prijs voor een rondleiding valt te praten en dat die prijs vanzelf valt als je er níet over praat.

De koningin van Scheba
‘De koningin van Scheba vernam de roep omtrent Salomo in verband met de naam des Heren. Toen kwam zij om hem door raadselen op de proef te stellen. Zij kwam dan naar Jeruzalem met een zeer groot gevolg, kamelen, beladen met specerijen, zeer veel goud en edelgesteente.’
Dit lezen we in de Bijbel en wel in I Koningen 10 de verzen 1 en 2. De koningin had gehoord van de rijkdommen en de wijsheid van koning Salomo en was op reis gegaan naar Jeruzalem om te zien of hij werkelijk zo rijk en zo wijs was als die verhalen deden geloven en ook om hem nog een stukje rijker te maken, zoals blijkt uit vers 10 van datzelfde hoofdstuk: ‘Zij gaf de koning honderdtwintig talenten goud, zeer veel specerijen en edelgesteente; zulke specerij als de koningin van Scheba aan koning Salomo gaf, is er nooit meer aangekomen’.
Gelukkig kreeg ze ook weer veel van de koning terug zoals we aan het slot van het hoofdstuk kunnen lezen. Die reis zou dus best wel eens een forse zakenreis geweest kunnen zijn.
Of de koningin van Scheba ooit bestaan heeft wordt door sommigen in twijfel getrokken en over de vraag waar Scheba moet hebben gelegen zijn de meningen verdeeld. Een van de plaatsen die in dit verband genoemd worden is Axum in het noorden van het huidige Ethiopië, datzelfde Axum waar ik 2900 jaar later rondloop en rondkijk.
Zojuist ben ik langs een grote vijver gelopen die volgens mijn 12 jaar jonge Ethiopische gids, die mondjesmaat Engels spreekt, het bad van de koningin van Scheba is geweest, maar dat is volgens mijn één jaar oude Nederlandse gids, vertaald uit het Frans, niet waar. Vanochtend vroeg liep ik twee kilometer buiten Axum langs een verzameling van, in mijn ogen, niet al te indrukwekkende heup- tot schouderhoge muurtjes, die volgens de mensen hier de overblijfselen zijn van het paleis van de koningin van Scheba, maar in mijn drie jaar oude Engelse gids lees ik dat recente opgravingen aan het licht hebben gebracht dat het paleis uit de 7e eeuw AD stamt en dus 1500 jaar na de dood van de koningin is gebouwd. Daarmee wordt het verhaal niet geloofwaardiger, maar voor de Ethiopiërs is het zo waar als de bijbel zelf en wat volgens hen ook waar is, is dat de koningin van Scheba behalve al die geruilde rijkdommen nog twee andere dingen meevoerde naar haar land: de Joodse godsdienst die ze had aangenomen tijdens haar verblijf in Jeruzalem en het nog ongeboren kind van haar en koning Salomo, dat zij toen het in Scheba ter wereld kwam Ibn-al-Malik noemde, wat ‘Zoon van de koning’ betekent en wat later werd verbasterd tot Menelik.

interieur.jpg
Interieur van een theehuisje.

Volgens de Ethiopische geschiedschrijvers reisde deze Menelik toen hij volwassen was naar Jeruzalem om daar zijn vader te ontmoeten. Hij bleef er drie jaar en kon, omdat hij de zoon van Salomo was, aanspraak maken op de troon. Dat deed hij echter niet, want hij wilde terug naar Scheba waar hij koning zou worden. In plaats van hem kwam Salomo’s andere zoon, Rehabeam, op de troon van Israël.
Evenmin als zijn moeder ging Menelik met lege handen terug naar Scheba. Hij nam de Ark van het Verbond mee, de kist waarin de tafelen van de Wet opgeborgen zaten, die Mozes op de berg Sinaï van God gekregen had. Die Ark had altijd in het Heilige der Heiligen van de tempel in Jeruzalem gestaan. Nadat Menelik hem in het huidige Ethiopië had gebracht, is hij daar altijd gebleven, tot op de dag van vandaag. Even voordat ik langs de grote vijver liep, heb ik een blik geworpen op het moderne, niet erg adembenemende bijgebouwtje van de Heilige Maria van Sion-kerk, waarin volgens de Ethiopische Christenen de Ark van het Verbond wordt bewaard. Niemand mag die Ark echter zien en zelfs de toegang tot het gebouwtje en de tuin erom heen zijn verboden gebied voor normale stervelingen, met uitzondering van de hogepriester. En ook dat doet een beetje afbreuk aan de geloofwaardigheid van het verhaal, maar als alles zeker zou zijn en ook nog te zien en te bewijzen, zou er weinig overblijven van de mystieke sfeer die essentieel is voor een godsdienst.
Menelik kreeg een zoon en die kreeg op zijn beurt een zoon, die ook alweer een zoon kreeg die… En zo ging het door, 237 geslachten lang en allen waren heersers over Ethiopië. Haile Selassie, die in 1974 gedood werd tijdens de communistische revolutie, was de laatste in die rij van keizers die direct afstamden van koning Salomo en koning David.
Terwijl ik door Axum wandel, van de ene bezienswaardigheid naar de andere, moet ik mezelf bekennen, op gevaar af me een cultuurbarbaar te voelen, dat ik de geschiedenis van de archeologische plaatsen pakkender vind dan die plaatsen zelf. Het paleis van koning Khaleb uit de 6e eeuw bijvoorbeeld, dat op een heuvel een eindje buiten de stad ligt en dat ik een uur geleden heb bekeken, bestaat evenals dat van de koningin van Scheba uit wat stenen muurtjes die mij niet roodgloeiend konden laten aanlopen van opwinding. Onder die muurtjes bevinden zich, via trappen toegankelijk, de grafkelders van Khaleb en zijn zoon Gebre Maskal: kale lege ruimten voor zover ik kon zien, maar omdat ik vergeten was mijn zaklantaarn mee te nemen kon ik niet tot helemaal achterin de grafkamer doordringen. Het is daarom niet uitgesloten dat ik het meest adembenemende van heel Axum door deze nalatigheid heb gemist, maar waarschijnlijk lijkt me dat niet. Er is overigens wel een lichtinstallatie in de kelders, maar dat is eigenlijk een te mooi woord voor de elektrische lampen die daar hangen in combinatie met de snoertjes door de lucht naar het achter de ruïne gelegen huis. Helaas werkten die lampen niet, waarschijnlijk ten gevolge van een storing op het lichtnet, iets wat in dit land wel vaker voorkomt, vooral op momenten dat je er niet op zit te wachten.

lalibela.jpg
Uit de rotsen gehakte kerk in Lalibela.

Axum was van de vijfde eeuw voor Christus tot de negende eeuw na Christus de hoofdstad van het Axumitische Rijk, dat in macht kon wedijveren met het Perzische en het Romeinse. Geen flauwekul plekje dus en drie reusachtige stenen zuilen van respectievelijk 33,5 meter, 28 meter en 23 meter hoogte zouden nog steeds van die macht kunnen getuigen, ware het niet dat de grootste is omgevallen, de op één na grootste is gestolen en de op twee na grootste uit het lood is gezakt, wat een beetje slordig staat, als het erom gaat macht te tonen. Vergane glorie van een wereldrijk.

Een grensschermutseling?
‘s Nachts hoor ik geschut in de verte. Het klinkt hol en onheilspellend. Zouden de Eritreërs tot de aanval zijn overgegaan, of zou het een ‘gewone’ grensschermutseling zijn? Terwijl ik getergd word door sombere gedachten vraag ik me af of het niet stom van me is geweest hierheen te gaan, pal bij het front waar twee landen tot de tanden bewapend tegenover elkaar staan, klaar om elkaar in de haren te vliegen. Maar toch was de kans erg klein dat ik in het oorlogsgebeuren terecht zou komen. Ik heb twee dagen in Axum doorgebracht en als ik daar een dag of twee bij reken die ik nodig had om er vanaf een veilig gebied naar toe te rijden en ik tel er nog eens twee dagen bij om er van weg te rijden naar waar het weer veilig is, zit ik bij elkaar dus slechts zes dagen in ‘gevaarlijk gebied’. Zo erg gevaarlijk leek dit gebied me eigenlijk niet omdat er al vanaf ongeveer half juni niet meer gevochten is, dus ruwweg zes maanden. Zouden ze dan juist op een van die zes dagen die ík er ben moeten beginnen? Dat leek me toen ik mijn plannen maakte onwaarschijnlijk en dat lijkt het me nog. Het was dus een ‘calculated risk’ hier heen te gaan, maar áls het werkelijk vechten wordt, zit ik er midden in, want de vliegverbinding met Addis Abeba zal dan ongetwijfeld onmiddellijk verbroken worden en transport over de weg zal zeker chaotisch zijn, waarbij bombardementen van wegen en bruggen niet denkbeeldig zijn.

markt.jpg
Markt in Konso.

Tot nu toe was het hier erg rustig. Er reden soms zware opleggers door de straten met tanks er op, maar verder maakten Axum en het hele gebied er omheen een vredige indruk op me.
Boem… boem… boem… Weer dat holle sinistere gedreun in de verte. Is het nu geschut of is het gesmijt met metalen deuren in betonnen gebouwen, een paar straten verder? Dat zou ongeveer net zo kunnen klinken. Maar wat het ook is, morgen ben ik hier weg, want ik voel me opeens niet zo zeker meer van mijn ‘calculated risk’.
De ochtend breekt aan zonder dat er straaljagers zijn komen overrazen en zonder dat er bommen zijn ontploft. Alles lijkt even vredig als gisteren en eergisteren. Aan de eigenaar van het hotel, die alweer bezig is in zijn curio-winkeltje, vraag ik of de Eritreërs vannacht zijn begonnen.
‘Begonnen met wát?’ vraagt hij.
‘Met vechten.’
‘Nee!?’
‘De Ethiopiërs dan?’
‘Ook niet.’ Hij staat me aan te kijken of ik wartaal uitsla, maar ik weet niet zeker of hij het speelt.
‘Was dat geschut vannacht dan nachtelijke routine?’
‘Welk geschut?’
‘Maar u heeft toch ook wel horen schieten vannacht?’
‘O, dat? Nu begrijp ik wat u bedoelt: een oorlogsfilm op de televisie.’
Als ik weg fiets uit Axum ben ik er niet geheel zeker van of hij míj heeft beetgenomen of dat hij denkt dat ik hém heb beetgenomen.