Heel Zuidoostelijk Frankrijk is voor mij Terra Cognita.

Bericht 27

Na mijn bezoek aan de Gorges du Verdon fietste ik via het mooi gelegen Bargemon naar Montauroux.

IMG-20181119-WA0001
Bargemon

Heel Zuidoostelijk Frankrijk is voor mij Terra Cognita, maar Montauroux en omgeving is Terra très très Cognita, want daar ben ik in het verleden vaak met mijn ouders op vakantie geweest en daar heb ik heel wat rond gezworven. De klim over het rustige bochtige weggetje naar Tanneron was altijd een van mijn favoriete uitstapjes en ook deze keer reed ik dat aardige weggetje. Voorbij Tanneron klom het nog een stukje door waarna ik op de afdaling naar Mandelieu voor het eerst sinds ik op 19 juli, toen ik de Straat van Gibraltar overstak, de zee weer zag. Naar het zuidwesten lag het woeste Massif de l’Esterel en in het zuidoosten zag ik de baai van Cannes met zijn stranden. Aangezien het eind september was lagen daar waarschijnlijk niet meer de legioenen bruinbakkers die zich doorgaans in de maanden juli en augustus laten roosteren.

IMG-20181119-WA0002
De uitlopers in zee van het Massif de l’Esterel.
IMG-20181119-WA0003
De baai van Cannes.

Ik daalde af naar La Napoule om even symbolisch mijn vinger in de Middellandse Zee te steken. Voor de aardigheid ging ik een kijkje nemen in de haven van La Rague. Daar lagen honderden plezierjachten voor anker. Door een expert liet ik me vertellen, dat als je zo’n bootje met alle comfort er op laat bouwen, je moet rekenen met een miljoen euro per strekkende meter. Dus voor een 5 meter lang jachtje, een niemendalletje waarmee je je in deze contreien niet zou durven vertonen, moest je al ongeveer vijf miljoen neertellen. Ik denk dat je met een dergelijk plezierjacht wel heel erg veel plezier zou moeten maken om de kosten er ooit uit te krijgen.

IMG-20181119-WA0004
Leuk speelgoed in de haven van La Rague.

Bij mij zou zo’n financiële aderlating, gesteld dat ik zou zwemmen in het geld, het laatste restje plezier in varen om zeep helpen, maar te oordelen naar de overvolle haven waren er heel wat mensen die er toch wel een hoop lol in hadden om met zo’n bootje over de Middellandse Zee te varen. Deze dag echter niet, want het woei hard en als gevolg daarvan beukten de golven op de kust, terwijl het op open zee flink tekeer ging. Wel spannend om met een fris nieuw jacht van een miljoen of wat door de branding te manoeuvreren en te proberen niet op de rotsen te pletter te slaan! Door die woeste zee waagde ik mij natuurlijk niet dicht bij het water, zodat er van die symbolische vinger in de zee niets terecht kwam.

IMG-20181119-WA0005
La Napoule. De zee trekt zich terug om een nieuwe golf op de kust los te laten.
IMG-20181119-WA0006
En daar beukt die nieuwe golf op de golfbrekers van La Napoule.

Mijn einddoel van deze reis was Nice, waar ik mijn vliegtuig terug naar Nederland ging nemen. Natuurlijk had ik even door kunnen rijden naar huis, maar eind september en zeker in oktober is de aardigheid er voor mij in noord Europa af. Ik ben nu eenmaal een mooi weer fietser. Maar zelfs Nice haalde ik niet, althans niet fietsend en dat kwam zo:

Maanden eerder had ik een mail ontvangen van Dick en Marianne, een Nederlands echtpaar dat al mijn boeken in de kast had staan en zelfs had gelezen! Die verhalen waren hen zo goed bevallen, dat ze me uitnodigden in hun prachtige huis in de Esterel voor een maaltijd. Toen ik er, na mijn bezoek aan de jachthaven van La Rague aanging, boden ze me hun comfortabele logeerkamer aan voor mijn laatste nacht van deze reis. We dineerden die avond in een erg luxe restaurant in Les Adrets de l’ Esterel, waar we niet alleen genoten van een geweldige maaltijd, maar ook van een supermooie zonsondergang.

De volgende ochtend brachten Dick en Marianne mij met hun auto naar het vliegveld van Nice, wat mij een hoop ompak-werk op het vliegveld bespaarde.
“Bedankt voor alle gastvrijheid.” zei ik voordat ik het poortje van de security door ging. “Ik kom vast nog wel eens langs op de fiets.
“Je bent altijd welkom,” antwoordden ze, “maar of we hier dan nog wonen, is de vraag. Ons huis staat namelijk te koop.”
“Dan koop ik het,” zei ik. “en dan mogen jullie, als je hier in de buurt rondfietst, bij míj logeren.” Dat was natuurlijk een grapje van mij, want voor zo iets moet ik nog heel wat jaartjes sparen van mijn AOW.

Even later vloog ik over de Alpen huiswaarts om mij voor te bereiden op nieuwe avonturen. Ik speelde, daar hoog boven die bergen, alweer met ideeën over wat ik de komende winter zou gaan doen. Misschien ga ik wel weer eens wat rondrijden in Zuid-Amerika. Een mens moet toch iets hebben om naar uit te kijken.

IMG-20181119-WA0007
Marianne en ik voor de haag in de tuin. Helaas zijn we vergeten een foto van ons drieën te maken, bijvoorbeeld met behulp van mijn machtige selfie-stick. Dat doen we dan bij dat eventuele volgende bezoek.
Let ook even op het mooie nieuwe T-shirt van mij: Vertaald in het Nederlands luidt de tekst die er op staat ongeveer als volgt: ‘Ik zou de indruk kunnen wekken dat ik naar je luister, maar in mijn gedachten zit ik op mijn fiets.’ En dat wordt misschien wel de nieuwe slogan van Santos-bikes.

 

 

 

De Cirque de Navacelles is een bijzonder natuurfenomeen.

Bericht 26

Op de ‘Voie Verte’ (groene weg, een oud, tot fiets- wandel- en ruiterpad omgewerkt spoorwegtracé) van St. Amans naar Bédarieux kwam ik, iets voor het mooie plaatsje Olargues, Jaap en Adrie tegen, een Nederlands echtpaar van achterin de zeventig, dat ook met de fiets op pad was.

IMG-20181113-WA0000
Stukje van de Voie Verte tussen St. Amans en Bédarieux. Hier liep vroeger een spoorlijn.
IMG-20181113-WA0001
Het schilderachtige plaatsje Olargues.

“Als dat Frank niet is!” riep Adrie uit, terwijl ze stopte. Ze had me herkend van lezingen, die ik vroeger bij Vittorio in Heerhugowaard hield en waar beiden steevast elke keer naar toe gingen.
“Je inspireerde ons met je verhalen,” zei Jaap, “en de dag nadat ik gepensioneerd werd zijn we vertrokken om de wereld per fiets te verkennen.”
Hij haalde de kilometerteller van zijn fiets en toonde me die: 98.950 km.
“Alles na mijn pensionering bij elkaar getrapt,” zei hij.
Eens te meer realiseerde ik me dat ik met mijn lezingen de levensloop van mensen kon veranderen. Jaap en Adrie hadden, als ik die lezingen daar in dat Noord-Hollandse plaatsje niet gehouden had, misschien een plezierig rustig leventje met hun kinderen en kleinkinderen gehad maar in plaats daarvan hadden ze zich afgepeigerd op hun fietsen in verre vreemde landen. Een verderfelijke invloed van mij!! Maar ik maakte uit hun verhalen op dat ze toch beslist geen spijt gehad hadden van die keuze om de wereld rond te gaan trekken op hun tweewielers.
“We doen het nu wat rustiger aan,” zei Jaap, want op onze leeftijd beginnen de heuvels ons toch wel een beetje parten te spelen.”

IMG-20181113-WA0002
Jaap en Adrie met hun fietsen, waarmee ze wereldreizen hadden gemaakt.

De Cirque de Navacelles is een bijzonder natuurfenomeen. Het ligt precies tussen Vissec en Rogues, beide natuurlijk bekend van de aardrijkskundelessen. De Cirque is een doorgebroken en opgedroogde meander in de canyon die is uitgesleten door het riviertje de Vis. Ik naderde deze cirque vanuit het noorden en had er vanaf de rand een mooi uitzicht op.

 

IMG-20181113-WA0003
De Cirque de Navacelles, gezien vanaf de noordrand. Vroeger spoelde de Vis, die van rechts uit de canyon komt, links om de heuvel in het midden van de O, maar onder miljoenen jaren van afwisselend beukend water-geweld en langzame slijtage heeft de smalle rotswand onderin de O het uiteindelijk begeven, waardoor het water nu rechtuit stroomt, dus aan de linkerkant de foto uit.

Ik daalde over een mooie smalle weg af in de canyon, fietste langs het dorpje Navacelles, waar de Cirque naar genoemd is, en klom aan de zuidkant de canyon weer uit. En daar had ik weer een mooi uitzicht op de Cirque.

IMG-20181113-WA0004
Het dorpje Navacelles beneden in de canyon.
IMG-20181113-WA0005
De Cirque de Navacelles, gezien vanaf de zuidkant.

De Pont du Gard, waar ik twee dagen later arriveerde, stond er nog precies zo bij als vorig jaar, toen ik er op weg naar Malaga langs kwam. Ik was er nu op een mooi tijdstip in de middag, goed om fraaie plaatjes te schieten van dit tussen 38 en 52 na Christus gebouwde aquaduct dat in de Romeinse tijd Nimes van water voorzag. Nu voorziet het de plaatselijke en de landelijke overheid van peculanten die toeristen moeten neertellen om het te zien. Op de fiets kun je er echter via een omweggetje gratis bij komen, of ik moet ergens een loketje gemist hebben. Aan de westkant van het geweldige bouwwerk wachtte ik totdat er een toerist langs kwam om met mijn fototoestel een foto van mij te maken, want dan hoefde ik niet moeilijk te doen met de selfie-stick of mijn mini-driepoot. Lang hoefde ik niet te wachten, want er komen nogal wat toeristen op deze pont af. Na twee minuten had ik al beet en dat leverde een aardig plaatje op van mezelf met het zonbeschenen aquaduct achter me.

IMG-20181113-WA0006
De Pont du Gard.
IMG-20181113-WA0007
Ik voor de Pont du Gard.

De volgende ochtend stond, zoals ik eigenlijk wel had verwacht, de zon aan de andere kant van het aquaduct, of beter gezegd: was het aquaduct met de hele wereld er aan vast, bijna 180 graden gedraaid, waardoor de oostkant van dit prachtige stukje civiele techniek belicht werd door de zon. En ook daar wilde ik natuurlijk een foto van mezelf laten nemen. Omdat het zo vroeg was moest ik wel drie minuten wachten. Toen naderden er twee vrouwen. Ik had in die drie minuten alles al uitgemeten en berekend voor een geweldige foto en toen ik ze wilde gaan uitleggen waar ze precies moesten staan en hoe ze het toestel moesten houden, bleken het Nederlanders te zijn. We raakten in gesprek en ze waren erg geïnteresseerd in mijn reizen. Ik gaf ze mijn website, dus met een beetje geluk kopen ze, terug in Nederland, elk al mijn 15 boeken. Dat zou mij dan, financieel gezien, weer een paar dagen verder helpen op mijn volgende reis. Door al dat praten vergat ik nog bijna waar het om ging: de foto.

IMG-20181113-WA0008
Ik nogmaals voor de Pont du Gard, of eigenlijk er achter, afhankelijk van hoe je het beschouwt.

Een van de vele hoogtepunten op mijn tocht naar Nice was de Gorges de la Nesque, juist ten zuiden van de Mont Ventoux. (Al die hoogtepunten noemen zou te ver voeren. Het leven bestaat nu eenmaal uit het maken van keuzes.) Ik klom vanaf Sault naar de Belvedère de Castellaras, van waar ik, zoals de naam al doet vermoeden, een aardig uitzicht had op die bergkloof.

IMG-20181113-WA0009
Bij de Belvedère de Castellaras. Gorges de la Nesque.
IMG-20181113-WA0010
Tunneltje in de Gorges de la Nesque.

Het was zondag en het gonsde er, ondanks dat het bewolkt was, van de wielrenners, waaronder flink wat Nederlanders. Waar het nog meer van gonsde op de smalle bochtige weg omlaag naar Villes sur Auzon, maar dan donderend gegons, waren de legioenen motorrijders die er op hun terreur-bikes opuit getrokken waren om de mensheid te geselen. Voor de meesten van hen geldt: ‘hoe meer zielen, hoe meer vreugd’, want ze rijden bijna altijd in groepen. Ook geldt: ‘hoe meer lawaai, hoe stoerder’ en ‘hoe sneller, hoe heldhaftiger’. De grootste lol bestaat er uit om de moordmachine met 180 km/uur knetterend en geheel schuin hangend door de bochten te wringen. Geweldig wat een sensatie!!! Wie daarbij met de knie het wegdek even aanraakt zonder te verongelukken is de grote held van de dag. Dat hele dorpen opgeschrikt worden door hun brullende metalen monsters en dat als het misloopt niet alleen zijzelf naar de Eeuwige Motorvelden afreizen, maar ze ook hun mede-weggebruikers in levensgevaar brengen, is van minder belang. Wie daar op let in een zeurpiet, de Clan van Gierende Gladiatoren onwaardig. Smalle wegen zijn hun speeltuinen en wat dat betreft zaten ze in de Gorges de la Nesque tiptop.
Ik verbaas me er altijd weer over dat de brave burger vaak getregd en verveeld wordt door eindeloze reeksen van regeltjes en wetjes, maar dat deze vorm van burgeroorlog gewoon voort mag duren, zowel in Frankrijk, Spanje en Nederland als in vele andere landen. Als ik dictator was……

IMG-20181113-WA0011
Bord langs de weg voor de motorduivels.   

Na deze passage in mineur, nu weer een stukje in majeur: mijn bezoek aan de Gorges du Verdon. Deze keer reed ik eerst naar het minder bekende zuidelijke deel er van. Vanaf St. Laurent du Verdon daalde de weg naar de Verdon, die hier eigenlijk nauwelijks door een gorge stroomt. Vandaar klom ik naar Artignosc sur Verdon. Een kilometer of drie naar het zuidoosten zette ik mijn tent op de camping l’Avelanède. Daar had ik de ruimte, maar in Juli en Augustus kon het daar wel eens drukker zijn.

IMG-20181113-WA0012
Op de camping l’Avelanède bij Artignosq sur Verdon.

Ik bleef er twee dagen en maakte een paar uitstapjes in de omgeving, waarna ik naar het mooi tegen een rotsberg gelegen Moustiers Sainte Marie reed voor het échte gorge-werk.

IMG-20181113-WA0013
Moustiers Sainte Marie.

Ik reed langs de noordkant van deze grootste en meest spectaculaire canyon van Europa, die in Frankrijk ook wel de Grand Canyon du Verdon wordt genoemd. Ik ben er al vaak geweest en elke keer is hij weer de moeite van het bekijken en het er langs fietsen waard.
Hier volgen een paar plaatjes met – ik kan het weer niet laten – ook een paar waarop mijn fiets staat afgebeeld. Daar moest ik dan zelf ook bij staan om hem vast te houden, want anders bestond het gevaar dat hij zou omtuimelen en misschien wel naar beneden in de Verdon zou storten en dat zou jammer zijn.Vandaar mijn hinderlijke verschijning op die foto’s.

IMG-20181113-WA0014
Gorges du Verdon
IMG-20181113-WA0015
Gorges du Verdon. Col de l’ Olivier. Fiets op het randje van de afgrond.
IMG-20181113-WA0016
Gorges du Verdon, gezien vanaf de Route des Crètes bij La Palud sur Verdon.
IMG-20181113-WA0017
Point Sublime van de Gorges du Verdon.
IMG-20181113-WA0018
Gorges du Verdon. Hier neemt de vangrail mijn taak van fietsondersteuning over.

Nice, mijn einddoel was nu niet ver meer, maar over het laatste stukje van deze prachtige reis, die op 1 juni in Casablanca begon, schrijf ik over enkele dagen in mijn afsluitende verhaal. Geduld dus, voordat alles van deze digi-feuilleton afgedrukt en in een album geplakt kan worden.

 

 

 

De stadsmuren van Carcassonne en de Basilique Saint-Nazaire…

Bericht 25

Op de klim van Sort naar de Collado del Cantó kwam ik een Spaanse fietser tegen die vanaf Algeciras door het oosten van Spanje naar Barcelona was gereden en vanaf hier langs de westkant weer terug wilde naar Algeciras. Op de achterdrager reisde zijn hondje mee.

IMG-20181107-WA0001
Perito achterop de begagedrager.

“Perito beschermt me ‘s nachts in mijn tent,” zei de Spanjaard. “Als er iemand in de buurt komt gromt hij en aangezien de nachtelijke bezoeker niet weet hoe groot de hond is, misschien wel zo groot als een paard, zal hij het normaal wel uit zijn hoofd laten om kattekwaad uit te gaan halen.
”Een slimme truc! Maar dan zou je op je platte telefoon ook zwaar hondengegrom kunnen zetten, zoiets als dat van een moordlustige weerwolf. Dat scheelt het gewicht van de hond, maar misschien is het wel gezellig zo’n viervoeter als reisgenoot. Wel veel werk, lijkt me en of zo’n beest het geduld heeft om op een dag 100 km lang achterop te zitten is de vraag. De Spanjaard vertelde dan ook dat zijn dagetappes meestal beneden 50 km bleven. We wisselden wat ervaringen uit waarna we weer elk ons weegs gingen.

IMG-20181107-WA0002
De weg naar de col.

In de buurt van de pas liep een herder met ruim 800 schapen. Zo’n man moet elke avond bij de stal oppassen niet de tel kwijt te raken.

IMG-20181107-WA0003
Herder met een flinke kudde schapen.

Op de pas stond het bordje ‘El Cantó’. De hoogte stond er ook bij: 1720,8 meter. Die laatste 80 centimeter suggereerde dat de geodeet zijn werk nauwkeurig had gedaan en er bij het meten niet met de pet naar had gesmeten. Maar anderzijds….. als hij er wél met de pet naar had gesmeten, was het natuurlijk erg slim om die laatste decimaal er achter te zetten, ook al zou hij er tientallen meters naast zitten. Dat zou zijn chef zand in de ogen strooien en die zou dan denken: ‘Tsjonge, wat heb ik een goede landmeter in dienst’, en hij zou hem opslag geven.

IMG-20181107-WA0004
Op de pas ‘El Cantó’. 1720 meter en 80 centimeter boven zeeniveau.

Ik daalde af naar La Seu d’Urgell en fietste via Puigcerda en Bourg-Madame Frankrijk binnen. ‘s Avonds zette ik mijn tent op Camping Las Closas in het dorpje Err. De eigenaar had blijkbaar een grote affiniteit tot fietsen en fietsers, want ik hoefde niet te betalen.
Er kwam, terwijl ik nog met het opzetten van de tent bezig was, een dijk van een onweerslucht opzetten, maar het bleef bij een dreigement: één harde donderslag, maar geen druppel regen.

IMG-20181107-WA0005
Het kerkje van Err met een dreigende onweerslucht er achter.

Een paar kilometer verderop verdeelde de Col de la Perche het regenwater, dat er gelukkig niet was, tussen het stroomgebied van de Ebro in Spanje en dat van de Tet in Frankrijk, maar beide rivieren monden uit in de Middellandse Zee, dus dit was een verdeling met uiteindelijk toch weer een samenvoeging.

IMG-20181107-WA0006
Waterscheiding tussen Ebro en Tet.

Vanaf Mont-Louis klom de weg naar de Col de la Quillane van 1713 meter, waarna ik een grote afdaling kreeg die me uiteindelijk in de Gorges de St. Georges deed belanden.

IMG-20181107-WA0007
Gorges de St. Georges.

Ik zette die avond mijn tent op de Camping Municipal, 4 km ten oosten van Axat en daar leek het door de struiken om me heen alsof ik mij in Centraal Afrika bevond, te meer daar er deze 4e September nauwelijks nog kampeerders waren.

IMG-20181107-WA0008
Ik voor mijn tent op de camping van Axat.

Tussen Axat en Quillan, maar lang voordat die plaatsen bestonden, had de rivier de Aude een prachtige canyon door de rotsen uitgeslepen, die nu de naam ‘Defilé de Pierre-Lys’, draagt.

IMG-20181107-WA0009
Defilé de Pierre-Lys

IMG-20181107-WA0010

Ik vervolgde mijn tocht door het dal van de Aude en kwam zo in Alet les Bains waar ik de resten van een oud klooster bezocht. Die zagen er mooi uit. Vrij zeker is het klooster zelf ook mooi geweest, hoewel dat natuurlijk niet helemáál zeker is. Een lelijk klooster kan, als het een beetje mee zit, best wel vervallen tot een mooie ruïne.

IMG-20181107-WA0011
Alet les Bains. De mooie resten van een klooster of de resten van een mooi klooster.        Misschien wel de mooie resten van een mooi klooster?

IMG-20181107-WA0012

In Carcassonne, mijn volgende doel, reed ik om de oude stad, heen. Op de hobbelkeien tussen de buiten- en de binnenmuren van de Cité voelde ik mij een beetje als een middeleeuwse ridder. Als een normale toerist liep ik wat later door de straatjes van de stad, waarbij ik langs de uit de twaalfde eeuw stammende Basilique Saint-Nazaire kwam.

 

IMG-20181107-WA0013
De stadsmuren van Carcassonne en de Basilique Saint-Nazaire in diezelfde stad.

IMG-20181107-WA0014

 

Van Carcassonne reed ik vervolgens over de Montagne Noire en via het plaatsje Lespinasse naar Saint Amans Soult, waar ik op bezoek ging bij Gerard en Marie Bastide. Ik had Gerard in 1993 voor het eerst ontmoet op de Olympus in Griekenland. Daar droeg hij zijn mountain-bike naar de 2911 meter hoge top, om vervolgens fietsend, de afgronden verachtend, weer af te dalen. Dat was een hobby van hem: zijn fiets naar alle grote bergtoppen rond de Middellandse zee sjouwen en dan terug ‘fietsen’, voor zover je het daarbij komende remmnen en slippen ‘fietsen’ kunt noemen. Zo had hij de 4000 meter hoge Toubkal in Marokko ‘gedaan’ en verder de Etna, de Vesuvius en de Stromboli in Italië en nog een heel rijtje meer van dat soort forse knobbels op het aardoppervlak. In mijn boek ‘De poort van de maan’ is die ontmoeting met Gerard na te lezen, alsmede een twintigtal korte verhalen van mijn reizen over de hele wereld.

 

IMG-20181107-WA0015
Een doorkijkje in het bergplaatsje Lespinasse.
IMG-20181107-WA0016
Gerard en Marie Bastide voor hun huis in St. Amans Soult, samen met de fietsende         blogschrijver.
IMG-20181107-WA0017
Een foto uit de oude doos, of eigenlijk uit mijn boek ‘De poort van de maan’: Gerard in actie      op de Olympus en Griekenland.

Ik bleef een paar dagen bij mijn vrienden in St. Amans en vervolgde daarna mijn reis in oostelijke richting met Nice als einddoel. En daar schrijf ik binnenkort weer het een en ander over in deze digi-feuilleton.

Op de Eje Pirenaico, oftewel de West- Oost-as van de Spaanse Pyreneeën met de prozaïsche bijnaam N-260, liggen de passen voor het opscheppen.

Bericht 24.

Op de afdaling van Torla naar Broto kwam mij een jeep van de Guardia Civil voorbij. Dat was een beetje spannend, omdat ik al 1369 km in overtreding was. De jeep reed echter door en dat was begrijpelijk want de weg zat vol bochten. Enkele kilometers verder, in Broto, stond de jeep echter aan de kant van de weg, met de gardist ernaast. Die gaf een stopteken, waarop ik braaf mijn fiets voor hem tot stilstand bracht. “U heeft geen helm op.” zei de man in het Engels.
“Klopt,” antwoordde ik, ook in het Engels, want het leek me beter om deze conversatie, die misschien moeilijk zou gaan verlopen, niet in de taal van de politieman te gaan voeren. Op die manier was ik in het voordeel en hij iets in het nadeel, omdat Engels niet de sterkste kant is van veel Spanjaarden. Hij sprak het echter vrij goed, zodat het een lastig gesprek zou kunnen worden.
“Een fietshelm is verplicht in Spanje,” zei de politieman.
“Nee, toch?” vroeg ik. “Dat geldt toch alleen voor jakkeraars in groepen?”
“Voor alle fietsers.”
“Ik rijd rustig en voorzichtig. Met al deze bagage kan ik niet eens racen,
dus voor mij geldt deze regel vast niet.”
“Toch wel. Hij geldt voor álle fietsers. U kunt nog zo voorzichtig zijn, maar als een dronkenlap u van de sokken rijdt, wat dan?”
“Dan suis ik het asfalt tegemoet, of misschien wel de afgrond in en wat doet een helm dan nog? Als een auto me ondersteboven rijdt is het toch vrijwel zeker gebeurd met me. Daarom rijd ik altijd erg defensief en koers ik op tijd de berm in. Tot nu toe heb ik 600.000 km zonder helm overleefd. Maar u heeft volkomen gelijk als het om wielrenners gaat. Die rijden vlak naast en achter elkaar, zodat bij het minste of geringste de hele groep als pepernoten over de weg wordt uitgestrooid.” “Het is de wet.” Bij dit argument stond ik natuurlijk schaakmat. Daar helpt geen argument tegen. Dit was overigens de eerste keer in de misschien al wel tien jaar dat deze wet van kracht is, dat ik hierop werd aangesproken. En in die tijd heb ik vele duizenden helmloze kilometers door Spanje gefietst. Ik heb het zelfs meegemaakt, dat ik de Guardia Civil ergens de weg vroeg en dat de man dan zei: “Rijd u maar achter me aan dan wijs ik het wel,” zonder iets van mijn verbleekte pet te zeggen. Maar nu was ik uiteindelijk dan echt tegen de lamp gelopen.
Ik probeerde toch nog een uitweg te vinden:
“In Nederland is de fietshelm niet verplicht en in België en Frankrijk ook niet.”
“Maar hier zijn we in Spanje. Waar gaat u heen?”
“Naar Aïnsa en verder naar La Seu d’Urgell en Frankrijk.”
“In Aïnsa is een fietsenzaak. Daar kunt u een helm kopen.”
“Ik ga er kijken.” De man was gelukkig niet onvriendelijk en ging niet moeilijk doen.
En dus kon ik door naar Aïnsa, waar ik wel ging kijken, maar niet ging kopen.

 

IMG-20181030-WA0000
Aïnsa , gelegen op een heuvel.

Voorbij Aïnsa klom de weg naar de Collado de Foradada van 1020 meter en daalde vervolgens af naar de Congosto de Ventamillo, een smalle, diepe kloof, waar de weg doorheen voerde.

IMG-20181030-WA0001
Congosto de Ventamillo.

 

Ik was daar al meerdere keren door gekomen, voor het eerst in 1975 en na al die jaren lag de kloof er nog even indrukwekkend bij als toen. Hier bleek weer een van de voordelen van de fiets ten opzichte van de auto, want ik kon op het meest spectaculaire punt halt houden en naar de woeste beek kijken, die zich in de diepte, tussen de rotsen door wrong en de kloof nog steeds bezig was dieper uit te slijpen. Automobilisten konden hier moeilijk halt houden, want dat zou tot boze blikken en geïrriteerd getoeter van achterop komende mede-automobilisten leiden.

IMG-20181030-WA0002
In de Congosto de Ventamillo parkeer je niet even rustig je auto.

Aan het einde van de kloof kwam ik in Castejon de Sos, waarna het weer omhoog ging. Zo gaat dat in de bergen: omhoog en omlaag en omgekeerd. Op dit mooie traject, de Eje Pirenaico, oftewel de West- Oost-as van de Spaanse Pyreneeën, met de prozaïsche bijnaam N-260, liggen de passen voor het opscheppen. Erg hoog zijn ze niet, maar laag ook niet, zodat je als fietser toch steeds in beweging blijft. Daar vond ik ook de Coll de Creu de Perves van 1325 meter op mijn pad met het pittoreske dorpje Perves er niet ver vandaan.

IMG-20181030-WA0003
Het schilderachtige dorpje Perves.

Er waren een paar tunnels door de rotsen geboord om smalle stukjes weg door kleine leuke kloven te omzeilen, maar gelukkig had men daar de oude weg voor de fietser open gehouden, zonder daar echter een bordje te plaatsen dat je er met de fiets ook door kon. Soms is in zo’n geval het verlaten weggetje geblokkeerd, ofwel door gevallen rotsblokken, ofwel doelbewust afgesloten en dan moet je weer terug en toch door de tunnel. Op deze route gelukkig niet, want fietsen door tunnels is gevaarlijker dan fietsen zonder helm en ik heb er een geweldige hekel aan.

IMG-20181030-WA0004
De Eje Pirenaico met de ietwat prozaïsche bijnaam N-260. Boven mijn rechter schouder is nog juist de ingang van zo’n gevreesde tunnel te zien.
(Als u een flexa-gebouw wilt laten neerzetten (geen idee wat dat is) kunt u op mijn T-shirt (gekocht voor 75 cent in de kringloopwinkel) zien welk nummer u moet bellen. Dit was niet de bedoeling, maar ik was voor deze foto vergeten mijn T-shirt binnenste buiten aan te trekken. Daarom fiets ik binnenkort een keer naar Hoogeveen om te onderhandelen over deze gratis reclame).

Eén van die oude weggetjes was afgesloten. Een bord dwars over de weg met ‘Carretera cortada’ liet weinig ruimte voor twijfel. Van dat soort borden trek ik me doorgaans niets aan en na een fotootje reed ik rustig verder. Ik bleek er ook zonder problemen door te kunnen, dus waarom al dat gedoe met overbodige borden?

IMG-20181030-WA0005
Afgesloten weg. Veel geschilderd blik voor weinig.

Ten noorden van La Pobla de Segur kwam ik weer door een prachtige bergkloof, nu de Congost de Collegats.

Tot besluit van deze korte aflevering van ‘De avonturen van Frank van Rijn op zijn Santos’ nog een paar plaatjes van deze kloof. Tot de volgende keer.

IMG-20181030-WA0006
De Congost de Collegats.
IMG-20181030-WA0007
nog een paar plaatjes van deze kloof.

IMG-20181030-WA0008

het geweldige bergmassief van Ordesa.

Bericht 23

De N-240 naar Jaca was een beroerde weg voor de fietser: niet echt smal, maar wel te smal voor het vele verkeer dat er op zat en daarom eigenlijk toch wél echt smal.

IMG-20181025-WA0002
Mijn fiets naast een kilometerbordje van de N-240 met op de achtergrond, op een heuvel, het plaatsje Berdún.

Die beroerde weg was, volgens een groot bord er naast, tevens de Camino de Santiago, de beroemde pelgrimsroute naar het graf van de heilige Jacobus in Santiago de Compostela. Onderaan het bord las ik: ‘Itinerario cultural Europeo’. Als je er zoiets bij plaatst, moet je mijns inziens toch zeker met een wat betere weg op de proppen komen. Een fiets- en wandelpad er naast is wel het minste, waarvoor je op zo’n traject als overheid moet zorgen!

 

IMG-20181025-WA0003
Camino de Santiago, het culturele pronkpaardje van Spanje. De gemotoriseerde pelgrim wordt op dit traject in de watten gelegd.

Je zult toch als pelgrim langs dit stuk ‘ronkend en dampend asfalt’ moeten lopen! Waar blijven dan de diepe overpeinzingen, die er op zo’n bedevaartstocht bij horen? Hier en daar liep er een voetpaadje parallel aan de weg en een eindje daar vandaan. Daar maakte ik steeds dankbaar gebruik van want elke meter van dit asfalt, die ik kon vermijden, was winst. Die paadjes waren een stuk leuker, maar tevens heel wat lastiger voor de fietser en ik moest dan ook herhaaldelijk van de fiets om te duwen.

IMG-20181025-WA0004
Een alternatief stukje Camino, waar je echter als fietser niet soepeltjes overheen reed.
IMG-20181025-WA0006
En dan was er weer een leuk golvend weggetje.
IMG-20181025-WA0005
Het alternatieve pad was op bepaalde plaatsen geplaveid met hobbelkeien.
IMG-20181025-WA0007
Steeds echter kwam ik weer op die afgrijselijke N-240 terecht. Hier was de Intinerario Cultural één meter breed met er naast de ongeveer tien meter brede Itinerario Motorizado. Hopelijk is er voor de pelgrim die echt het hele traject van bijvoorbeeld Pieterburen naar Santiago loopt een beter alternatief.

Onderweg kwam ik door het dorpje Santa Cilia. Met mijn Santos-fiets, die ik de San Francisco heb gedoopt er tegenaan en het blauwe bordje van de Camino de Santiago er naast, kon ik dit aardige plaatje ‘De Drie Heiligen’ schieten.

IMG-20181025-WA0008
De Drie Heiligen

Misschien wel dankzij de drie heiligen, maar waarschijnlijker door uiterst defensief te fietsen en steeds op tijd de berm in te koersen, kwam ik zonder kleerscheuren en blik- en aluminiumschade in Jaca aan, waar de Camino naar het noorden afboog, of beter gezegd: vanuit het noorden op de gevreesde N-240 uit kwam. Vanaf hier werd de weg voor mij (nu N-330) naar Sabiñanigo een stuk plezieriger door zijstroken en minder verkeer. Via Biescas en de Puerto de Cotefablo, een pas van 1423 meter, kwam ik in Torla terecht, waar ik mijn tent op de camping zette. Van daaruit bezocht ik de volgende dag het nationale park van Ordesa. Dat was sinds mijn vorige bezoek, jaren geleden nogal veranderd. Niet de bergen en niet de prachtige canyon, maar wel het toerisme. Dat laatste was in die jaren zo sterk gegroeid, dat je met je eigen vervoermiddel het park niet meer in mocht in verband met opstoppingen en luchtvervuiling. Zelfs de fiets was daar niet toegestaan, hoewel die zo schoon is als de bergbeekjes alom en je daar moeilijk verkeerschaos mee veroorzaakt. Om de toestroom van bezoekers binnen de perken te houden was er bij het fraaie Pyreneeën-plaatsje Torla een enorme parkeerplaats aangelegd. Vandaar kon je ca. 9 km mee met een pendelbus naar Pradera de Ordesa, een weide beneden in de canyon van de Rio Arazas, waar vroeger de parkeerplaats was. Van hieruit kon je dan allerlei wandelingen gaan maken. Verder was er besloten dat er niet meer dan 1800 mensen tegelijk in het park mochten zijn, dus als dat aantal bereikt was (te controleren via de pendelbussen, waar ongeveer 50 personen in konden plaatsnemen), moest de volgende bus wachten totdat er weer een bus uit het park kwam.

IMG-20181025-WA0009
Torla, mat daarachter het geweldige bergmassief van Ordesa.

Hoewel ik er de volgende dag vroeg bij was, stond er al een rij bezoekers te wachten, groot genoeg om anderhalve bus mee te vullen. Gelukkig was het park uitgestrekt en verspreidde de groep aangevoerde toeristen zich vrij snel, zodat ik niet het idee had me in de spreekwoordelijke Kalverstraat in Amsterdam te bevinden. (Hierbij moet ik aantekenen, dat ik Amsterdam niet goed genoeg ken om me die straat voor de geest te halen. Misschien loopt daar wel geen mens en is de vergelijking dus fout.) Ik klom meteen over een steil voetpad tegen de zuidelijke canyonwand omhoog, vanwaar ik een prachtig uitzicht had over het dal en de tegenoverliggende bergketen, die de grens met Frankrijk vormt.

IMG-20181025-WA0010

IMG-20181025-WA0011

IMG-20181025-WA0012
Enkele uitzichten vanaf het hoge pad langs de zuidwand van de canyon, met mijzelf er ook nog even bij om te bewijzen dat ik daar waarlijk was.

Vanaf het pad was in de verte ook de Brecha de Rolando te zien, een kloof in de bergketen op de grens van Frankrijk. Volgens een legende was de legeraanvoerder Rolando tijdens de Reconquista van Spanje met zijn mannen op de vlucht voor de Moren en werd tegen die rotswand in het nauw gedreven. Er was geen uitweg, maar geen nood: Rolando hief zijn geweldige zwaard hoog op en sloeg vervolgens die bres in de rotswand, waardoor hij en zijn leger naar Frankrijk konden ontsnappen. Zo gaat dat in legendes.

IMG-20181025-WA0013
De bres (vergroot) die Rolando met zijn zwaard in de rotswand sloeg.

 

IMG-20181025-WA0014
Het voetpad langs de zuidelijke canyonwand.

Over het pad langs de zuidelijke canyonwand liep ik naar het einde van het dal waar zich de bijzondere Cola de Caballo bevond, een waterval die er uitzag als de staart van een paard.

IMG-20181025-WA0015
Cola de Caballo, oftewel de Paardenstaart.

Via het makkelijke pad door het dal liep ik terug naar de Pradera, waar evenals die ochtend, weer anderhalve buslading toeristen stond te wachten op de pendelbus, nu terug naar Torla.

Aangezien ik de tijd zo langzamerhand in de gaten moest gaan houden in verband met mijn terugvlucht van Nice naar Eindhoven, bleef ik slechts één dag in Torla en vervolgde ik mijn tocht de volgende dag richting Ainsa.

Zie voor het vervolg van dit feuilleton bericht 24, dat nog niet bestaat, maar waar ik over enkele dagen aan ga werken.