India toen en nu

Ik bewonder de mensen die kans zien tijdens hun reis verslagen op hun website te zetten die zo lang zijn dat je er een huis mee kunt behangen. Ik vraag me wel eens af waar ze de tijd voor zulk monnikenwerk vandaan halen. Mij kost het fietsen, dingen bekijken, wandelingen maken, voedsel kopen, slaapplekken zoeken, de was doen en uit elkaar vallende kleren oplappen zoveel tijd dat het bijhouden van mijn dagboek soms al in het gedrang komt. Maar gezegend met een vingervlugheid van 750 tot 1000 aanslagen per minuut rammel je toch nog wel redelijk snel een vierkante meter literair behang uit de computer, die dan meteen het web op kan om de verste uithoeken van onze aardbol te veroveren.
Bij mij ontstaat een stuk tekst pas na een hoop geklad in een schriftje met doorhalingen en tussenvoegingen, correcties en correcties op correcties. Maar mijn grootste remmende factor is de inspiratie die het nogal eens laat afweten. En als die dan soms toch de kop op steekt en ik zit juist op de fiets, krijg ik nog niets op papier. Dat is waarom mijn website niet iedere dag bol staat van de nieuwe verhalen. Het wordt nu echter tijd de trouwe volger van deze site tevreden te stellen met een nieuw verhaal en daarom heb ik mijn schriftje maar eens uit de diepten van mijn fietstas omhoog gehaald. Als ik straks tevreden ben over de tekst, wat ik nog maar moet afwachten, gaat die per c-mail (conventional mail, oftewel in een envelop met een postzegel erop) naar mijn geweldige webmaster in Nederland, die vervolgens mijn geknoei omzet in fraai getypte vorm op mijn site. Een even moeizaam proces als het fietsen zelf, en dat is dus eigenlijk heel passend voor deze website.

Na een reis door Centraal Azië , waar ik een boek over aan het schrijven ben (al vijf kantjes in klad klaar, weer in een ander schriftje) ben ik in India aangekomen. Daarbij heb ik helaas wat moeten sjoemelen: per vliegtuig van Almaty in Kazakhstan naar Delhi, want de Chinezen gaven in verband met de Olympische spelen geen toeristen visa meer af. Dat was om een zo goed mogelijke indruk naar de buitenwereld te maken iets wat hen helaas maar zeer ten dele gelukt is aangezien ze daarmee vele duizenden reizigers een spaak in het wiel gestoken hebben.
India is sinds mijn eerste bezoek in 1983 enorm veranderd, gedeeltelijk ten goede en gedeeltelijk ten slechte. Moest ik vroeger vijf tot tien uur wachten tussen drommen mensen in een somber telefoonkantoor, op een peperdure telefoonverbinding met Nederland (zo rond de tien gulden per minuut), iets wat je in een stad kleiner dan een miljoen inwoners in het geheel kon vergeten, nu struikel je in de straten over de PCO’s (Public Call Office) waar je voor een paar centen direct verbinding hebt. Internet bestond niet en een fax was een soort Jules Verne-achtige sciencefiction. Mobiele telefoons waren slechts mobiel tot de spiraaldraad tussen de hoorn en het toestel geheel uitgerekt was, dus daar liep je niet verder mee weg dan één meter dertig. De telecom is dus enorm verbeterd en dat is natuurlijk fijn, hoewel …. als je nu op straat aan iemand de weg vraagt heb je een vlotte kans dat hij “bezet” is met zijn mobiel tegen het oor.
Een andere grote vooruitgang is dat er tegenwoordig in India veel meer Engels wordt gesproken dan vroeger. Nu vind je zelfs buiten de grote steden soms mensen met wie je in mindere of meerdere mate Engels kunt spreken. In 1983 was het buiten de grote steden gebeurd met Engels en kon je met gebarentaal aan de slag die meestal verkeerd begrepen werd.
Tijdens deze reis kan ik er bij een theehuisje of eethuisje halt houden en op mijn gemak een theetje drinken en de kaart bekijken. Dat was in 1983 uitgesloten. Waar en wanneer ik ook maar stopte, meteen verdrongen zich tientallen, zo niet honderden mensen om me heen om me aan te staren alsof ik een vers uit een UFO gestapte Jupiterman was. Soms werkte zich dan een linguïstisch wonder door de menigte naar voren om me te bestoken met vragen als:
“Your sweet name please?”
“Which country belongs to you?”
“What is this?”
“Where are you?”
“Are you married?”
“Do you travel lonely?” en meer van dat soort apekool, want als ik dan vroeg hoe ver het nog naar de de een of andere plek was, dirkte de ijverige vragensteller er gewoon over heen met:
“What are your qualifications?” of
“Where is your headquarters?”
Dat vermoeiende opvoeren van de One Man Show is nu grotendeels voorbij en dat is natuurlijk een opluchting. Maar ja …. daarmee is toch ook wel iets van de charme van India verdwenen. Vroeger kon een Westerling zich twintig maal per dag het absolute middelpunt van het heelal voelen of op z’n minst een gevierde filmster. Nu ben je, zelfs met een fraai gekleurde fiets, gedevalueerd tot een misschien nog enigszins merkwaardige figurant in het Indiase straatbeeld.
Plastic afval is, net zoals op zoveel plekken in de wereld, zachtjesaan een ramp aan het worden. Snoepjes die vroeger per kilogram verkocht werden en in een stuk krant gewikkeld werden, worden nu door de fabrikant netjes elk afzonderlijk in plastic verpakt. Reuze hygiënisch! De winkeltjes hangen vol met plastic zakjes met chips zoutjes en koekjes en elke aankoop wordt nog eens extra in een plastic zakje gedaan. En waar komt al dat plastic uiteindelijk terecht? In de vuilnisbak? Ja, want heel India is druk op weg een groot vuilnisvat te worden. Als je met een zak netjes gespaard vuilnis in de hand vraagt naar een vuilnisbak heb je een vlotte kans vol onbegrip aangestaard te worden.
“Wil je dat verkopen? Nee? Wat wil je er dan mee? O weggooien? Nou doe dat dan! Waar? Gewoon hier op straat of daar in de rivier. In de rivier gaat het vanzelf weg. Dan heb je er helemaal geen omkijken meer naar.”
En als je dan vervolgens de zak weer in je fietstas opbergt in de hoop toch nog ooit ergens een vuilnisbak te vinden, ben je de clown van de dag. En zo kun je tegenwoordig dus toch nog het absolute middelpunt van de belangstelling worden.
Met geld wisselen is sinds 1983 een grote vooruitgang geboekt. Je loopt nu een bank of wisselkantoor binnen en in een paar minuten heb je dollars of euro’s omgezet in rupies. Zelfs voor het verzilveren van een travellercheque is men hier niet meer benauwd (iets waar de banken in Nederland nog wat van kunnen leren!).
In 1983 kon ik voor geld wisselen een halve dag uittrekken. Als ik na veel zoeken uiteindelijk de bank gevonden had waar het kon, waren er tien mensen een paar uur mee bezig: de één moest de cheque bestuderen en vergelijken met afbeeldingen in een voorbeelden boek, een ander moest mijn pas bestuderen, een derde moest een reçu in vijfvoud uitschrijven omdat het carbonpapier zoek was, een vierde zette zijn handtekening op de reçus, een vijfde duwde een speld door de reçus om ze bij elkaar te houden, een zesde trok die er vervolgens weer uit en verving hem door een paperclip. Als er uiteindelijk stempels op stonden en je dacht dat je je rupies nu weldra in de hand gedrukt zou krijgen, kreeg je in plaats daarvan een damschijf met een nummer erop en kon je achter aansluiten bij de rij voor de kassa, een wanordelijke rij met een omvang waar je onpasselijk van werd.
Met het verkeer is het daarentegen niet alleen achteruit gegaan maar veeleer volledig uit de hand gelopen. Vroeger waren de straten gevuld met voetgangers, fietsers en fietsriksja’s, waar zich zo nu en dan een auto scooter of vrachtwagen doorheen wrong, een chaotisch straatbeeld met echter een zekere charme, als je er oog voor had. Nu rijdt iedereen die vroeger fietste op een motorfiets en iedereen die vroeger op een motorfiets reed in een auto. Osse- en kamelenkarren hebben plaats gemaakt voor tractoren en vrachtwagens en het aantal bussen is vertienvoudigd. De charmante chaos van weleer is veranderd in een gemotoriseerde gassen uitstotende heksenketel. Delhi uitfietsen was een onderneming die zelfs Hercules de haren ten berge had doen rijzen. Het leek alsof met mij alle vrachtwagens van India de uitvalsweg richting Chandigarg hadden gekozen. Flyovers en rotondes in aanbouw leverden hun niet geringe bijdrage aan het perfectioneren van de totale inferno.
Dit alles zou nog te overkomen zijn geweest als de Indiër de claxon nooit had ontdekt, maar helaas …. hij heeft hem wèl ontdekt en hem als een soort godheid zijn cultuur binnengesleept zodat India’s straten nu gevuld zijn met zinloos, keihard, krankzinnig makend getoeter. Zodra een weggebruiker iets voor zich ziet bewegen, het doet er niet toe of het een auto, fiets, voetganger, olifant of vlinder is, drukt hij op zijn claxon en blijft dat doen, continu of met een drie, vier of vijftonig zenuwendeuntje, totdat hij het bewegende object een eind voorbij is. Het resultaat is een huiveringwekkend dissonanten-concert dat menig hardrock musicus zou inspireren tot het ontlokken van nog mooiere tonen aan zijn elektrische gitaar. Deze overdosis aan decibels (zo het geen megabels zijn) schijnt geen enkele Indiër te storen, maar mij stoorde het dermate, dat ik na een week fietsen door de staten Haryana en Pujab overwoog het vliegtuig terug naar Nederland te nemen.
De dag na dit psychologische dieptepunt reed ik de bergen van Himachal Pradesh in, waar ik met een redelijke kaart de kleine wegen opzocht. Hoewel daar zo nu en dan ook bussen en vrachtwagens toeterend langs kwamen denderen was het er toch veel rustiger dan in Haryana en Punjab, twee vlakke en relatief dichtbevolkte landbouwstaten. Met de prachtige, met dennenbossen begroeide bergen om me heen, keerde het plezier terug. Over bochtige smalle hobbelige asfaltweggetjes vol gaten en stukken gravel, klom ik naar passen van Alpen-niveau en daalde ik af in valleien waar blauwe kolkende beken en rivieren door stroomden. Het absurde plan om overhaast het vliegtuig terug naar Nederland te nemen smolt uiteraard weg als sneeuw voor de Indiase zon.
centraal Azie
Ondertussen ben ik in Rishikesh aangekomen, een van de belangrijkste spirituele plaatsen van India, gelegen aan de Ganges, niet zo heel ver van de oorsprong van deze heilige rivier. Hier kun je je hart ophalen aan yoga en allerlei soorten meditatielessen en verder kun je er Hindi leren spreken en je bekwamen in koken op z’n Indiaas. En er is nog veel meer te doen en te leren, maar ik heb al die wijsheid voorlopig aan mij voorbij laten gaan aangezien het afmaken van dit stuk tekst prioriteit nummer één was. Die klus is nu bijna voltooid, zodat ik vanmiddag misschien nog even een cursusje Sanskriet of zo kan gaan volgen, iets waar je toch al gauw een paar uur mee bezig bent om dat geheel onder de knie te krijgen. Maar voordat ik de pen neerleg wil ik dit verhaal van veranderingen die zich in India hebben voltrokken besluiten met iets dat in al die 25 jaar geheel onveranderd is gebleven, zo stabiel als een granietrots in de branding en dat is de gewoonte van de Indiër om zijn voedsel overdadig te “verrijken” met chilli’s, pepers, masala en allerlei andere afschuwelijke kruiden die je al in je mond voelt branden als je er alleen nog maar naar kijkt. Maar gelukkig zijn er, net als vroeger, overal bananen te koop dus ook deze reis door India ga ik overleven.

PS:
In mijn boek Pelgrims en Pepers, dat kort geleden bij Rainbow Pockets in herdruk is verschenen (met zwart-wit foto’s) is te lezen hoe het reizen door India vroeger was. Dat boek zal dit najaar (2008) ook weer uitkomen bij Uitgeverij Elmar, maar geheel in kleur.
Een ander boek van mij: “Revanche in de Andes” zal eveneens dit najaar bij uitgeverij Elmar in herdruk verschijnen.

Een serieus geworden grapje

Onze chauffeur was een waar vakman. Met één hand aan het stuur en in zijn andere zijn mobiele telefoon waardoor hij Georgische volzinnen naar de satelliet zond, koerste hij met een vaart van 140 km/h, waar 50 was toegestaan, door het drukke stadsverkeer van Tbilisi. Als je kenteken met SPS begint (Special Presidential Service) zal geen agent het in zijn hoofd halen op zijn fluitje te blazen. Voor het eerst in mijn leven knoopte ik vrijwillig de veiligheidsgordel om, hoewel zo’n ding bij een dergelijke snelheid weinig uitricht als het fout gaat.
Achterin zat Joop die zichtbaar genoot van deze kermisrit en naast hem lag, geheel uitgeteld, onderuit gezakt en bleek van de wagenziekte, Natia, onze speciaal voor deze gelegenheid toegewezen fotografe.
“Je bent toch niet bang?” vroeg Joop me lachend terwijl we de linker vangrail op een haar na geraakt hadden en in een diagonaal over de weg op die aan de rechterkant afsuisden, een manoeuvre om wat hinderlijke kruipauto’s van 80 km/h voorbij te gaan.
“Ik bang??” vroeg ik, met moeite een glimlach uit mijn gezicht wringend, terwijl het zweet van mijn voorhoofd droop, “Kom nou toch!”
Enkele minuten later kwamen we bij het door militairen en politie bewaakte, zwaar ommuurde, huis van Michael Saakashvili, de president van Georgië en zijn Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs aan. Ik telde een dozijn grote Jeeps. Lijfwachten in nette zwarte pakken, met onder hun onberispelijke jasjes grote schietijzers, liepen rond op het pad voor de grote metalen poort in de met camera’s bewaakte muur.

Joop had aanvankelijk niet mee gemogen naar de president, want wie was Joop? Toen ik echter toegelicht had dat hij een goede vriend en fietsmaat was van Eduard Roelofs, de vader van Sandra, gingen ook voor hem de presidentiële poorten open. Voorlopig bleef de grote metalen poort voor ons echter nog dicht, maar na verloop van tijd ging die toch open en werden we door Sandra op de veranda ontvangen. De president was nog bezig zich klaar te maken, niet zozeer om ons te begroeten, als wel voor het defilé dat hij later voor de kanselarij moest afnemen, want het was 26 Mei, Georgië’s Onafhankelijkheidsdag.
Tegen een boompje in de tuin stonden de cadeaus die ik de president en Sandra zou gaan overhandigen: twee goudglimmende Gazelles. Die waren alvast door de fabrikant vooruit gestuurd, zodat ik er niet mee hoefde te sjouwen. Toen ik vorig jaar van Nederland naar Georgië was gefietst werd ik in Tbilisi door de president ontvangen. Meer als grapje dan serieus, beloofde ik hem toen, dat ik voor hem en Sandra een paar mooie fietsen zou regelen bij Gazelle. “Dan kunt u na uw tweede ambtstermijn samen met Sandra op de fiets van Tbilisi naar Terneuzen” had ik erbij gezegd.
Een grapje? Toen ik er later over nadacht leek het me nog helemaal niet zo’n slecht idee en terug in Nederland belde ik er Peter Cijs over op, de accountmanager van Gazelle. Die vond het zelfs een voortreffelijk idee en zo was het gekomen dat Joop en ik nu hier op de veranda van de presidentiële residentie zaten om die fietsen aan te bieden.

De overdracht van de twee goudglimmende Gazelles was helaas voorbij voordat ik het in de gaten had. Ik had een praatje van ongeveer een half uur willen houden met wat aardige suggesties, maar toen de president eindelijk op de veranda verscheen was het met een handdruk en twee tellen poseren met de fietsen, waarbij de weer wat opgeknapte Natia wat plaatjes schoot, gebeurd. Met loeiende sirenes en zwaailichten stoven de auto’s van de president en zijn escorte na het laatste plaatje weg, maar onze chauffeur was net even te laat om zich daarbij aan te sluiten. Hij moest het dus zonder dat escorte doen, maar dat was natuurlijk helemaal geen probleem, want hij was een vakman. En wederom bewees hij dat door met zijn machtige SPS bij 140 km/h tussen de linker en rechter vangrail te oscilleren, terug naar het centrum. Daar kwamen we enkele minuten later tot onze verbazing geheel ongedeerd aan. Door een politieman werden Joop en ik naar een plek voor ‘tweederangs VIP’s’ gebracht, vanwaar we het defilé goed konden zien. Soldaten, pantserwagens en tanks trokken langs ons heen en onderwijl speelde de militaire kapel aan de overkant het Georgische Wilhelmus.

Cuba op z’n breedst

Cuba is een lang smal licht gebogen eiland in de vorm van een banaan die klem heeft gezeten in een fietstas en zo 100 km heeft mee geschud over een asfaltweg vol gaten en scheuren. De banaan is nog wel herkenbaar maar is gedeeltelijk in elkaar gedrukt zodat hij op sommige plaatsen niet meer te genieten is. De smalste plek van dit bananenland bevindt zich iets ten westen van Havanna. Daar ben je in een rechte lijn in 32 km van de noordkust naar de zuidkust. In de buurt van Holguin is Cuba op z’n breedst met ongeveer 168 km. Daar heeft de banaan het minst te lijden gehad en is hij dus op z’n lekkerst.


Het toeval wil dat dit oostelijke gebied van Cuba ook het mooiste is van heel het land. Daar bevindt zich het grootste en hoogste gebergte van Cuba, de Sierra Maestra met veel tropisch groen en alleraardigste bergpassen. Ruim drie weken trok ik daar op mijn fiets rond. Aangezien mijn visum voor Cuba slechts 30 dagen geldig was en ik twee maanden op dit heel bijzondere eiland wilde blijven, waar de politieke denkbeelden uit dezelfde tijd schijnen te stammen als de vele prachtige Buicks, Chevrolets en Cadillacs die er rondtuffen, moest ik mijn visum laten verlengen. Daarvoor had ik Holguin uitgekozen, dus waar Cuba op z’n breedst is.
Dinsdag 25 December, eerste Kerstdag, kwam ik om een uur of één in de middag deze stad binnenrijden. Ik ging meteen naar het bureau van de vreemdelingenpolitie (immigración), maar dat was op deze feestdag gesloten, zoals ik eigenlijk ook wel verwacht had. Toch waren er drie beambten aanwezig, waarschijnlijk omdat een dergelijk belangrijk bureau hier permanent bemand moet zijn. Van hen kreeg ik te horen dat ik de volgende ochtend om 8 uur terug moest komen. Dan zou de klus in een kwartiertje gefikst zijn. Dat klonk positief en goedgemutst ging ik op zoek naar een Casa Particular, de Cubaanse variant van het Engelse Bed and Breakfast.
In mijn reisgids had ik er al een paar aangestreept met een patio, tuin of dakterras, want als ik niet kampeer ben ik natuurlijk erg op luxe gesteld. Het mooiste bleek echter vol te zijn en het op één na mooiste ook. Dan maar het op twee na mooiste. Helaas ook dat had zijn kamers al verhuurd. Al dwalende van het ene Casa naar het andere kwam ik tot de ontdekking dat alle kamers in Holguin bezet waren en daarom klopte ik uiteindelijk aan bij het toeristenhotel.
“Jammer meneer, maar we zijn vol”
“Mag ik dan mijn tent voor één nachtje in die groene tuin van jullie opzetten?”
“De directeur is er niet.”
“Dan bent u toch de chef?”
Maar hij was geen chef en hij kon de directeur niet opbellen en durfde geen toestemming te geven de tent op te zetten.
Toen ik naar buiten kwam zei een fietstaxi eigenaar dat hij wel een kamer voor me wist: ”Fiets maar achter me aan”.
De kamer bleek voor twee maanden verhuurd te zijn aan een overwinterende Duitser.
“Ik weet nog wel een andere Casa,” zei de man,”daar kun je gegarandeerd terecht”.
Ik fietste weer met hem mee en kwam bij een huis waarvan de eigenaar op zijn balkon zat.
“Ik heb een klant voor je” riep mijn kamer makelaar hem toe.
“Vol” was het antwoord.
“Kan ik dan mijn tent in uw tuin opzetten?” vroeg ik.
De man staarde me een volle minuut lang doordringend over zijn bril aan, zoals een strenge schoolmeester uit de 19e eeuw een leerling aankeek die gespiekt had en schudde daarna langzaam maar resoluut van nee.
“Kom mee”, zei de fietstaxibestuurder, die zo langzamerhand mijn siteseeing-gids aan het worden was, “iets verderop weet ik een Casa waar 100% zeker plaats is”.
“Zou het?”
“110%, let maar op!”
Toen die 110% even later ook tot 0% gereduceerd bleek te zijn wist de man het niet meer en ging zitten nadenken. De zon begon al flink te dalen en ik had ondertussen de hoop opgegeven hier nog onderdak te vinden. Daarom bedankte ik de man, fietste de stad uit en ging op zoek naar een plek voor mijn tent. Bij een huis met een grote tuin vroeg ik of ik er één nachtje mocht kamperen.
“Ik ben de eigenaar niet”
Bij het tweede huis met een grote tuin:”Dat is verboden. Prohibido!”
Bij het derde: “Kom morgen terug, dan is de baas er”.
Bij het vierde: “Dat is moeilijk, want ……”
Bij het vijfde: “Ik weet eigenlijk niet of ……….”
Bij het zesde: “Waarom ga je niet naar …….”
Het was duidelijk dat geen mens mij de toestemming durfde te geven. Het leek wel alsof de mensen bang waren een vreemdeling op hun erf toe te laten. In vrijwel elk ander land van de wereld schiet je bij de eerste of hooguit de tweede poging in de roos, maar dit was niet “elk ander land”. Dit was Cuba, en Cuba is anders. Het deed me soms aan Roemenië in de tijd van Ceaucescu denken. De omgeving leende er zich helaas niet toe om de struiken in te duiken en mijn tent te verstoppen. Ik zat daarvoor te dicht bij de stad en het was te laat om nog een eind verder te gaan, want de zon was bijna onder.

Maar het geluk lachte me uiteindelijk toch toe, althans zo leek het. Ik kwam, een eindje van de weg, bij een soort werkplaats voor vrachtwagens: een loods op een braakliggend veldje met een afzetting er omheen. Bij het toegangshek stond een huisje met een portier. Na veel overleg met enkele omwonenden kwam de oplossing: “Je kunt op dat veldje daar je tent opzetten” en hij wees naar een door prikkeldraad afgeschermd weitje vol paardenkeutels.
“Daar komt niemand langs en bovendien ben ik hier de nachtwaker, zodat je niets zal overkomen”
Toen ik mijn tent had staan was de duisternis al gevallen. Vermoeid van het met mijn volle fiets urenlang ronddolen door de stad, ging ik voor mijn tent zitten en at mijn kerstmaal: een stuk brood met een banaan.
Plotseling hoorde ik achter me: “De vreemdelingenpolitie wil je spreken”
Ik moest mee naar de portier die me door het luikje van zijn wachthokje de hoorn van zijn telefoon aanreikte.
“Goedenavond” klonk het door de telefoon “we hebben een Casa Particular voor u gevonden. Komt u maar naar ons toe, dan brengen we u er heen.”
“Bedankt voor de moeite, maar ik heb juist mijn tent opgezet en ik ben moe van de hele middag vergeefs zoeken. Ik blijf nu liever hier.”
“Het is toch beter dat u hierheen komt. Dan heeft u een kamer, een goed bed, een warme douche en alle comfort.”
“Sorry, maar ik geef er de voorkeur aan vannacht hier te blijven, aangezien het al donker is en het gevaarlijk is nu langs de grote weg te fietsen. Bovendien ben ik moe, dus als u het goed vindt kruip ik in mijn tent.”
“Wat u doet is veel gevaarlijker. Stel dat er bandieten komen. Wat doet u dan?”
“Is Cuba dan zo’n gevaarlijk land?”
“Nee, nee! Helemaal niet! Cuba is een zeer veilig land! Maar je weet maar nooit!”
“Als het dan zo veilig is blijf ik lekker in mijn tent.”
“We raden u zeer dringend aan om hierheen te komen voor uw veiligheid en comfort.”
Het was duidelijk: ik móést mijn tent afbreken en terugkeren naar het bureau. Meer weerstand bieden zou alleen maar problemen creëren. En dus brak ik de tent af en reed terug naar de stad.
Hoe was de politie er zo snel achter gekomen waar ik mijn tentje had opgezet? Heel eenvoudig: de portier was natuurlijk bang geworden dat hij zijn boekje te buiten was gegaan. Angst voor strafmaatregelen had hem doen besluiten de politie te bellen om te zeggen dat er een bleekgezicht met zijn tent op het veldje tegenover hem stond en daarmee was de kampeerpartij uiteraard naar de maan. Stel je voor: een toerist in een tent in Cuba!! Dat kan niet, dat mag niet, dat is verboden! Prohibido, zoals zoveel andere dingen. Prohibido, Prohibido, Prohibido!! Je hoort het woord zo vaak dat je er de salsa op kunt dansen.
Terug bij het bureau werd er een man met me meegestuurd om me bij het Casa Particular te brengen.
“Geef me het adres maar” zei ik, “Ik heb een kaartje van Holguin en daarmee vind ik het wel.”
“Nee nee, we willen niet dat u verdwaalt.”
“Ik heb de weg over de hele wereld gevonden dus hier in Holguin vind ik het ook wel.”
“Nee, nee. Je weet maar nooit. Deze man gaat met u mee op zijn fiets.”
Nog voor hij zijn fiets gehaald had wist ik dat de banden lek zouden zijn en jawel hoor. En dus liep ik een eindeloos stuk achter mijn trouwe gids aan. Die ging pas terug toen het achterwiel van mijn fiets over de drempel van het huis was. Fijn toch, dat de overheid in Cuba zo goed zorgt voor de veiligheid en het welzijn van de toerist die vast en zeker zou verdwalen!?!

De volgende ochtend kreeg ik op het immigratiebureau te horen dat ik eerst naar de bank in het centrum moest om voor 25 dollar leges-zegels te halen voor de verlenging van het visum.
“Heeft u die zegels niet hier te koop? Dat zou een hoop tijd en moeite besparen” vroeg ik, maar dat was natuurlijk een zinloze vraag.
Toen ik terugkwam van de bank moest ik mijn pas afgeven en wachten in het halletje. Daar zat een administratrice in een groot boek de namen, geboortedata en paspoortnummers van toeristen over te nemen uit de gastenboeken van een eindeloze sleep Cubaanse B&B eigenaars. Die mensen moeten elke keer als ze een gast krijgen naar het bureau voor een stempeltje en o wee, als er een handtekening of een stempeltje in hun boek ontbreekt! Dat staat ongeveer gelijk met landverraad.
Nadat ik lang gewacht had en vele Casa eigenaren vol geduld en gelatenheid met hun boek had zien passeren, kwam er een jongeman van een jaar of 20 met mijn pas en een kladblok in de hand naar me toe: “Kom mee!”
Ik volgde hem een trap op en een grote lege vergaderzaal in. De man wees me een stoel aan de vergadertafel en nam zelf tegenover me plaats.
“Waar ben je het land binnen gekomen?” vroeg hij.
“Bij Varadero”
“Met welke vliegmaatschappij?”
“Met Martin Air”
“Waar heb je daar de nacht doorgebracht?”
“In hotel Viazul”
“Hoeveel nachten?”
“Eén”
“En toen?”
“Per bus naar Las Tunas om daar mijn fietstocht te beginnen.”
“Met welke busmaatschappij? In welk hotel heb je daar gezeten? Hoeveel nachten? Wat heb je er gedaan? Waar ben je toen heen gegaan? En daarna?? En daarna??? En heb je wel genoeg geld bij je?”
Alleen de verblindende lamp recht in mijn gezicht en een stel duimschroeven ontbraken aan dit kruisverhoor.
“Kom mee!”
Ik liep weer achter mijn grootinquisiteur aan, nu naar beneden waar hij ruggespraak hield met een man van middelbare leeftijd, wiens hoofd wat scheef op zijn romp stond, waarschijnlijk het grote opperhoofd van dit toeristenvriendelijk instituut. Toen hun onderonsje klaar was moest ik weer mee naar boven.
Opnieuw sjokten we de trap op en de vergaderzaal in. Terwijl de grootinquisiteur op een voorbedrukt formulier mijn naam, geboortedatum, paspoortnummer, lengte, breedte, kleur haar, en alles wat maar enigszins van belang kon zijn, noteerde, viel mijn oog op een bord in de hoek met een van de vele honderdduizenden uitspraken van Fidel Castro: “Met intelligentie en met ideeën krijg je alles voor elkaar.”
Mooi van toepassing want aan ideeën en intelligentie ontbrak het deze mensen zo te zien niet en reken maar dat ze heel wat voor elkaar konden krijgen!
Welnu, dat bleek al meteen: “Teken dit formulier! Hier!!” en hij wees waar ik mijn handtekening moest zetten. Daar stond: “El infractor” (de wetsovertreder).
Ik las het papier door waarop een verhaal stond dat min of meer inhield dat ik een halve crimineel was en dat als nog éénmaal geconstateerd werd dat ik ergens illegaal de nacht doorbracht, ik ofwel onmiddellijk het land uitgegooid zou worden, ofwel een zware geldboete zou krijgen ofwel in de gevangenis zou belanden.
“Ik heb de nacht niet illegaal doorgebracht” antwoordde ik “Ik heb braaf mijn tent weer afgebroken en ben onmiddellijk naar jullie toegekomen.”
“Je hebt er mee gedreigd”
“Luister, ik heb vier uren lang gezocht naar een legale overnachtingsplek en alles was vol. Wat moest ik dan doen?”
“Toch een Casa Particular of een hotel zoeken, want je tent opzetten is verboden. Prohibido!”
“En als alles nu vol is en er niets te vinden is?’
“Toch een Casa Particolar of een hotel zoeken, want je tent opzetten is verboden. Prohibido!”
“Weet je, die Fidel van jullie heeft ook een hoop illegale dingen gedaan, samen met Che Guevara, toen hij in 1956 met zijn bootje bij Las Coloradas landde om Battista te verdrijven. Dat was ook Prohibido!!”
Dat laatste van Fidel en Che dàcht ik natuurlijk alleen maar, want als ik dat had gezegd was ik beslist niet meer op tijd geweest voor de Fiets- en Wandelbeurs. Ik had op dat moment in het Holguinse inquisitiepaleis nog slechts één behoefte: weg uit dat sinistere hol en wel zo snel mogelijk. Weg van daar, weg van die kleverige greep van een al 49 jaar lang vastgeroest, rigide, beklemmend systeem. En dus tekende ik het formulier waarmee ik officieel een Cubaanse wetsovertreder werd.
Bij Holguin is Cuba op zijn breedst, maar in dit bureau toonde Cuba zich op z’n smalst. Jammer. Gemiste kans voor Cuba om een sympathieke indruk naar buiten te maken. Ik had een aardig boek over mijn reis willen schrijven maar dat is na deze ervaring natuurlijk van de baan. Ik schrijf liever over plezierige landen, waar je je tent mag opzetten, waar de plaatselijke bevolking je zonder controle en stempeltjes bij zich thuis mag uitnodigen en waar je als brave fatsoenlijke toerist niet met gevangenisstraf bedreigd wordt.

Op bezoek bij de president van Georgië

Maandag 1 Oktober hield ik tegen de avond halt voor een van de chicste hotels van Tbilisi. Normaal waag ik me niet eens in de búúrt van zo’n luxe tent, maar die dag lag de zaak anders. Ik was hier uitgenodigd voor een diner met Sandra Roelofs, de Nederlandse echtgenote van de president van Georgië. Met de fiets aan de hand liep ik zelfverzekerd op de twee geüniformeerde portiers af, niet anders verwachtend dan dat ze snel en beleefd voor me aan de kant zouden springen om mij door te laten. 


In plaats daarvan blokkeerden ze me echter de weg en beduidden me dat mijn fiets niet naar binnen mocht. Hoe ik ook betoogde dat deze hele avond juist om mijn fiets draaide omdat die mij 10.000km lang over bergen en door vlakten hierheen gebracht had, speciaal om Sandra te ontmoeten, de twee portiers bleven doof voor mijn argumenten. Zelfs toen de gerant erbij gehaald werd lukte het niet de mooiste fiets van het Noordelijk halfrond over de drempel te krijgen. Het bleef bij wat rondjes rijden over het pleintje tegenover het hotel voor de in forse getale toestromende persfotografen en cameralieden, waarna de fiets in een zijgebouwtje werd ondergebracht.
Sandra was ondertussen ook gearriveerd en gaf op de bovenverdieping een persconferentie voor een dozijn naar haar uitgestoken microfoons. Dat ging in het Georgisch, zodat ik niet verstond waar het over ging. Ik vermoedde dat het iets met mijn reis en het (fiets)toerisme in Georgië te maken had. Toen zij klaar was werden alle microfoons op mij gericht en kon ik vertellen over mijn reis en waarom ik dacht dat Georgië zo’n mooi land was en zo geschikt voor toerisme. Dat ging in het Engels zodat nu de pers niet verstond waar het over ging. Gelukkig was daar de secretaresse van Sandra die alles wat ik zei keurig in het Georgisch vertaalde.
Na afloop van de persconferentie volgde het diner, waar behalve Sandra en ik ook de Nederlandse ambassadeur aan deelnam, alsmede twee beambten van het ministerie van toerisme, de secretaresse en de twaalfjarige zoon van Sandra. Ook was er een Nederlands echtpaar van de partij dat op fietsvakantie was en gedurende een maand door Georgië en Armenië toerde: John Telleman en Gudy Rooijakkers, kortweg Zjon en Guud. Deze laatsten zijn actieve leden van Nederlands belangrijkste vereniging: “De Wereldfietser”. Ze hadden met enige moeite hun vakantie zo georganiseerd, dat ze bij deze ontvangst aanwezig konden zijn om daar in woord en beeld verslag van te doen. 
En tenslotte was daar als volmaker van dit illustere tiental het beste renpaard van stal: Eduard Roelofs, de vader van Sandra die mij op mijn laatste etappes naar Tbilisi had vergezeld en die, naar zijn zeggen, “bijna gek” van me was geworden omdat ik niet hard genoeg doortrapte en te vaak stopte om een kilogram taaie Soviet-koek te kopen. Zo is hij het in Zeeuws Vlaanderen waar hij met zijn wielerclub met 35km/h over het effen asfalt suist, niet gewend. Nochtans hadden we het goed met elkaar uitgehouden en was er zelfs sprake van uitwisseling van fietscultuur: Hij begon steeds meer plezier in de keienpaden en de taaie koek te krijgen en ik kwam wat los van mijn eigen tempo waarin ik de laatste 25 jaar, door te veel alleen fietsen, was vastgeroest.
Bij het dineetje ging het er natuurlijk van dik hout zaagt men planken aan toe, wat je in Georgië kunt verwachten: gatchapuri (warm kaasbrood) ghinkali (een soort reuzen ravioli), salades, pkhali (spinaziepasta met walnoten en knoflook), vlees, kaas, patatten en nog zoveel meer dat ik het me allemaal niet herinner. Wat ik me wèl herinner is dat er veel bij zat waarvan ik geen idee had uit welke componenten het was samengesteld en dat alles zó overvloedig was dat er na afloop, toen iedereen zich tonrond had gegeten ongeveer 80% over bleef. Dat hoort zo in Georgië, want o wee als een van de schotels leeg raakt! Dat zou kunnen betekenen dat iemand te weinig van dat gerecht had gekregen en zoiets moet tot elke prijs worden voorkomen. Met mijn Nederlandse “bord-leeg-eten-en-niets-laten-staan-mentaliteit” viel het mij die avond zwaar. Eduard deed mij na afloop het idee aan de hand een van de bedienden een doggy-bag te vragen, maar dat zou er dan een van de afmetingen van een grote vuilniszak moeten zijn. En waar laat je dat alles op je fiets? 
Met een ijsje, zo groot dat de tafelgenoot tegenover je daar geheel achter schuil ging, werd dit bijzondere etentje besloten.

Was het al moeilijk geweest om Sandra te ontmoeten in verband met haar vele bezigheden op het humanitaire vlak, een bezoekje aan haar man, bleek een waar “pièce de résistance” te zijn. Steeds als er een afspraak met zijn staf gemaakt was, kwam er wat tussen en moest het uitgesteld worden. Het heeft me altijd leuk geleken om president te zijn in een grote glimmende auto met vlaggen erop en geëscorteerd door en dozijn andere grote glimmende auto’s rondgereden te worden. Helaas blijkt het vak toch ook een hoop verplichtingen en werk met zich mee te brengen en dat verandert de zaak natuurlijk. 
Na vier dagen wachten in Tbilisi, terwijl de Heer Saakashvili heen en weer vloog tussen Tbilisi, New York, Athene en Parijs, begon ik te betwijfelen of ik de geschikte man voor zo’n job zou zijn. En wat ik ook begon te betwijfelen was of het ooit tot een ontmoeting met de president zou komen. Daarom ging ik mijn tassen maar pakken voor de laatste fase van mijn reis: een rondje Armenië. 
Opeens kwam Zjon, die in hetzelfde 7e-rangs pensionnetje logeerde als ik, binnenrennen met de mededeling: “Eduard belde me zojuist op mijn mobiele telefoon. We worden over een half uur bij de president verwacht”. Dat was om vijf uur in de middag en inderdaad om elf uur ’s avonds was het zover. Na ons met succes door een serie security checks gewerkt te hebben, konden Eduard, Zjon en ik de werkkamer van de president binnen. Ik vond de afmetingen van de kamer wat tegenvallen, want je kon er amper een partij tennis spelen, maar het bleek slechts de wachtkamer te zijn. De werkkamer zelf waar we na een half uur wachten werden toegelaten was gelukkig wat ruimer zodat we onze benen konden uitstrekken.
Mikheil Saakashvili, nog geen 40 jaar oud (!) bleek een gezellige prater te zijn en informeerde nog voor we goed en wel in de zachte kussens van een comfortabele bank waren weggezakt, naar de hondenbeet die ik enkele dagen daarvoor had opgelopen. (Voor meer info over die beet en vele andere voorvallen tijdens mijn reis, zie mijn boek waarvan ik nog geen letter op papier heb staan, maar waarvan al veel zinnen in mijn hoofd zitten. Nog even geduld dus.) Ik antwoordde dat dat wel los liep, maar dat er nog veel meer los liep: ongeveer tien miljoen honden die niet allemaal tot het gezellige schoothondjes-type behoren, en waarbij je het wel uit je hoofd laat om ze over de bol te aaien.

“Zo erg als de honden zijn, zo vriendelijk en gastvrij zijn de mensen” voegde ik er snel aan toe om de balans, die de verkeerde kant uit dreigde te slaan, weer in evenwicht te krijgen.
“Bovendien is Georgië een prachtig land met indrukwekkende bergen en even indrukwekkende kloosters. Een land met een geweldig toeristisch potentieel. Voor fietsers is het op de kleinere wegen met gravel en vol gaten een waar eldorado.”
“Die wegen zullen aan het einde van mijn ambtstermijn allemaal geasfalteerd zijn”
Ik betoogde dat een groot deel van de lol voor fietsers bestaat uit het links en rechts om potholes heen rijden. Hoewel ik Mikheil, die zelf een enthousiast fietser is en elke ochtend, als zijn werk het toelaat, zo’n half uur fietst,  daarvan kon overtuigen, is het de vraag of er na die asfalteerkruistocht nog wel genoeg gaten in de secundaire wegen over zullen zijn om de fervente pothole-fietser tevreden te stellen.
“Kijk” zei hij opstaand, “dit heb ik van een oliesjeik uit het Midden Oosten gekregen”, en hij tilde een puur gouden moskee van 25 bij 25 cm op waar een klokje in zat. ”Leuk, maar wat heb je er eigenlijk aan? Een fiets, dáár kun je wat mee!”  
Dat hete ijzer liet ik natuurlijk niet afkoelen en smeedde het meteen: “Dan breng ik volgend jaar voor u en Sandra een prachtige Gazelle, type Kathmandu, mee, waarop u, als uw ambtstermijn er op zit, naar Nederland kunt fietsen”.
De tijd tikte tijdens dat geanimeerde gesprek genadeloos door, waardoor de geplande vijf minuten, voor slechts een handdruk en een foto, uitliepen tot twintig minuten, gedurende welke Zjon een paar Gigabytes aan digitale foto’s op ons verschoot. Daarna moest de Heer Saakashvili snel naar het vliegveld, want er stond die nacht nog iemand op zijn programma. “De Hoop Scheffer zal al wel geland zijn en vraagt zich nu natuurlijk af waarom ik op me laat wachten”
We namen afscheid en toen Eduard, Zjon en ik buiten kwamen zagen we een sleep auto’s met zwaailichten in snelle vaart de kanselarij verlaten, richting vliegveld.
“Op naar Armenië voor nieuwe belevenissen” zei Zjon, die net als ik blij was dat we de volgende dag deze drukke stad konden verlaten en weer in actie konden komen.  

Een weggetje dat je op je sloffen doet

Door een nogal desolaat bergland fietste ik van Vardzya in de richting van Tbilisi. Dicht voor de grote afdaling naar Manglisi werd ik weer eens aangevallen door een stel honden die vonden dat ze Georgië tegen vreemde indringers moesten beschermen. Snel trok ik, als Ivanhoe, mijn zwaard van onder een binder vandaan, gooide mijn fiets op het plaveisel en stormde met een woeste schreeuw op mijn belagers af. Hoewel mijn zwaard van hout was en net zo scherp als een bezemsteel, had mijn tegenaanval succes. De draken kozen schielijk het hazenpad. Toen de laatste met de staart tussen de poten in het struikgewas verdween, verscheen om de bocht van de nogal verlaten weg een grote glimmende machine van het luxe land cruiser type.
De auto met het kenteken SPS103 stopte en een man in een veelkleurig wielertenue stapte uit, alsmede een in een keurig zwart pak gestoken man die eruit zag als iemand waar je liever geen ruzie mee maakt. Even stond ik vreemd te kijken, een wielrenner in Georgië? Zo iemand is ongeveer net zo zeldzaam als een eskimo in de Sahara. Maar vrijwel onmiddellijk herkende ik in deze sportverschijning Eduard Roelofs, de vader van de meest populaire vrouw van Georgië, Sandra Roelofs, de echtgenote van de president. De man in het zwart kon niet anders dan Eduards persoonlijke lijfwacht zijn.

Eduard had ik leren kennen op de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam en we hadden daar afgesproken dat hij mij op mijn fietstocht door Georgië een stuk zou begeleiden. Na een enthousiaste begroeting, waarbij ik uitlegde wat mijn houten zwaard te betekenen had, haalde Eduard zijn fiets uit de achterbak, een prachtige gepoetste felgele mountainbike.
“De fiets van de president”, lichtte Eduard toe, “maar ik mag er op rijden. Hij heeft het toch te druk”.
“Geen Gazelle”, constateerde ik kritisch.
“Nee, nu je het zegt”, gaf Eduard toe.
“Daar moet natuurlijk verandering in komen”, vond ik, ”maar er is wel mee te rijden, hoop ik”.
Dat er mee te rijden was bewees Eduard die er meteen als een speer vandoor ging. Omdat ik mijn bagage in de auto kon deponeren, kon ik ook aardig uit de voeten en zo stoven we heuvel op, heuvel af richting Tskneti, een plaatsje dat ca. 600 meter boven de hoofdstad Tbilisi ligt. Daar logeerde Eduard met zijn vrouw Magda in een fraai appartement op een zwaar bewaakte compound waar veel regeringsfunctionarissen wonen.

Ik werd er door beiden gastvrij ontvangen en na de uitgebreide thee liepen we wat door het plaatsje. Dicht achter ons liep de man in zijn zwarte pak met een pistool onder zijn jasje.
“Die lijfwacht volgt ons waar we gaan en staan”, lichtte Eduard toe.
“Leuk?” vroeg ik.
“Soms”.
Dat het zijn aantrekkelijke kanten had, merkte ik drie minuten later.
“Vanavond wordt in de opera van Tbilisi Rigoletto opgevoerd”, liet mevrouw Roelofs zich op een gegeven moment ontvallen.
“Jammer dat het daar nu te laat voor is”, antwoordde ik.
“Te laat?”vroeg Eduard. “Het begint om 7 uur en het is nu 6 uur”.
“Ja, dat bedoel ik. Eer we gegeten hebben, die 15 km hebben gereden door het, ongetwijfeld waanzinnige verkeer van de hoofdstad en kaartjes hebben gekocht, als die er nog zijn, is de eerste acte al ruimschoots voorbij”.
“Let maar eens op”, zei Eduard en overlegde het een en ander in het Russisch met zijn lijfwacht. Die haalde vervolgens zijn mobiele telefoon voor de dag, belde wat heen en weer en 5 minuten later kwam de SPS103 voorgestoven, (Special Presidential Service). Eduard en ik stapten in en meteen stoven we omlaag, richting Tbilisi. Magda moest thuis blijven om op hun kleinzoontje te passen, de president junior. Alsof we een rally reden, stoven we even later door de stad, stoplichten negerend en politieauto’s met afzonderlijke zwaailichten aan de kant toetterend.
In een restaurantje tegenover de opera, dat veel weg had van een metrotunnel, maar waar ze snel een goede gathchopuri op tafel wisten te zetten, deden we ons tegoed aan deze dikke warme, met kaas en ei gevulde broden, een specialiteit van Georgië. Om 5 voor 7 waren de gatchopuris naar binnen gewerkt. We staken de Rustaveli, de drukste straat van heel het land, over, waarbij onze lijfwacht het verkeer voor ons tegenhield en gingen onder zijn leiding de opera binnen via een zijdeurtje.
“Moeten we niet aan de voorkant in de rij gaan staan voor een kaartje?” vroeg ik.
“Ik laat alles maar gewoon over me heenkomen”, antwoordde Eduard. De lijfwacht bracht ons regelrecht naar de loge waar indertijd de tsaar nog best wel eens gezeten zou kunnen hebben en zo waren we precies op tijd voor de ouverture.

Dat zo’n lijfwacht die altijd achter je aan hobbelt ook nadelen kan hebben, merkten we een paar dagen later toen we op weg waren naar Kazbegi, hoog in de Caucasus en dicht bij de Russische grens. Een extra ritje naar de Truso-kloof lokte ons erg aan en dus sloegen we 7 km voorbij de Ivari-pas een zijdal naar het westen in. Enkele kilometers verder kwam de auto met lijfwacht die al die dagen min of meer op onze achterwielen reed, naast Eduard rijden. Er volgde een gesprek in het Russisch dat ik niet verstond maar Eduard lichtte het even later toe:
“We moeten dit paadje op”.
“Welk paadje?” vroeg ik rondkijkend.
“Dit hier links”.
Inderdaad ontwaarde ik door een onooglijk ruig keienpad dat ijzingwekkend steil omhoog voerde, de zijkant van de kloof op.
“Waarom daarheen?” vroeg ik. “De Truso-kloof is toch rechtuit?”
“Ja, maar de weg is verderop versperd door gevallen stenen”.
“Daar tillen we onze fietsen gewoon even overheen”.
“Jawel, maar de SPS103 kon er niet door”.
“Dan wacht die hier, want we komen toch over een paar uurtjes op deze plek terug”.
“Uitgesloten. De security mag niet van me wijken. Speciale order van de president”.
En zo fietsten en sjorden we onze fietsen kilometers lang over het ezelpad omhoog. Op zich geen onaardige bezigheid, maar als er een relatief comfortabel en mooier alternatief is, krijgt zo’n exercitie iets van slavenarbeid. Eduard die kort daarvoor nog de loftrompet had gestoken over zijn geweldige kliksysteem waarmee zijn wielerschoenen aan de trapper vastklikken, slipte opeens over een van de 10.000.000.000 keitjes op het pad. Omdat hij zijn schoenen niet snel genoeg uit de klik kreeg, maakte hij een geweldige smak.
“Wat nu”? vroeg ik verbaasd. “Op een weg als deze is zo’n kliksysteem een blok aan het been”.
Na een tweede doffe dreun op de keien opende hij de kofferruimte van de SPS, haalde daar zijn pantoffels uit en begon zijn kliksysteem schoenen los te maken.
“Wat ga je doen?”, vroeg ik.
“Ik ga mijn pantoffels aantrekken. Daarmee kan ik tenminste fatsoenlijk over dit keienpad”.
En zo kwamen we, na een afdaling die zo steil was dat we er moesten lopen, omdat je anders zelfs met pantoffels aan een doodssmak maakt, in de prachtige Truso-kloof terecht. Eenmaal op veilige grond merkte Eduard snedig op: “Een weggetje dat je op je sloffen doet”.

Georgië
15 oktober 2007