Phu Pha Thoep

Langs de Mekong zakte ik af naar het zuiden en kwam zo een kilometer of 20 voorbij Mukdahan bij Phu Pha Thoep- nationaal park uit, waar ik Peter de Rijk met zijn vrouw ontmoette, Nederlanders die ook op fietsreis zijn.

Ik zette mijn tent op de camping van het park (waar geen wifi was!! Ja, ja, het is tegenwoordig wat met die campings in de nationale parken!) en wandelde de volgende dag met een Thai van 28 een uur of zes door het park, waar zich prachtige rotsformaties bevinden.

Een fraaie paddenstoel-rots
Nog een aardige rots als achtergrond voor mijzelf en mijn nieuwe Santos.
En nog een.
Met een Thai als wandelgenoot heb je geen selfie-stick nodig
Mijn Thaise wandelgenoot in een Buddha-grot.

Ik vroeg hem naar de betekenis van die zeven drakekoppen boven de mediterende Buddha die ik in het sculpture-park in Nong Khai had gezien en die je hier in veel tempels ziet.

Het ging om de betekenis van dit beeld.

Mijn Thaise wandelgenoot vertelde dat het zeven grote cobras waren. Buddha zat te mediteren en toen begon het te regenen. Geen nood, er snelden zeven gigantische cobras toe en bogen zich eensgezind over Buddha. En zo bleef Buddha droog en kon hij rustig verder mediteren. Je zou wel even raar staan te kijken als je, bijvoorbeeld tijdens een fietstochtje, foetterend je regenpak staat aan te trekken en er komen plotseling zeven geweldige cobras over je schouder meekijken! Dan is het nog maar de vraag wat je zwaarder op de maag ligt: de regen of die paraplu met al die geweldige giftanden.

Uitkijkend over de rotspartijen van Phu Pha Thoep Nationaal Park

Kokos

Frank(enstein) trakteert zichzelf na de Watt-excursie op een kokosnoot. Ik schrok nogal van deze selfie. Zou mijn platte Chinese apparaat mijn erger gemaakt hebben dan ik was? Een troost: na een bezoek aan de kapper lijk ik weer 20 jaar jonger. Faust moest zijn ziel aan de duivel verkopen voor 20 jaar; ik hoef alleen een schaar door mijn weelderige haardos te halen om mijn jeugdige uiterlijk terug te krijgen.

Nog meer kokosnoten. Erg gezonde vruchten behalve als je onder een kokospalm zit en er valt zo’n rijpe noot op je hoofd.

Wat Phu Tok

Wat Phu Tok (De buddhistische tempel van Phu Tok) ligt twee dagreizen ten oosten van Nong Khai waar ik het Salakeawko sculpturepark bezocht en waarover ik in mijn vorige bericht schreef. Het is een enorme zandstenen klont die boven het vlakke omringende landen uitsteekt. Die nodigde uit tot een bezoek en dus parkeerde ik mijn fiets aan de voet van deze berg en beklom de bijna eindeloze serie trappen naar de top.

Wat Phu Tok met zijn weerspiegeling in het rimpelloze water van een meertje.
De rotswand kon ik op meerdere niveaus geheel rondlopen, waarbij ik prachtige uitzichten had op de omgeving.
Ik verwachtte boven op de berg een geweldige tempel te vinden, maar trof daar slechts wildernis. De echt tempel stond beneden naast de heuvel.

Salakeawko

Onlangs sprak ik iemand die nog nooit van het Sculpture Park had gehoord. Ik realiseerde me toen dat er zich onder mijn ‘volgers’, zo die er zijn, misschien ook wel een paar zouden kunnen bevinden voor wie Salakeawko Sculpture Park terra incognita is. Zodra ik in Nongkhai, aan de overkant van de Mekong (als je in Vientiane staat) aankwam, na de Friendship Bridge overgefietst te hebben, reed ik daarom naar dat bijzondere park, dat zich een kilometer of zes van het centrum bevindt en begon daar flink rond te schieten, met mijn camera wel te verstaan.

Er liepen slechts een paar toeristen rond, allen Aziaten. Dat was merkwaardig want in het centrum van de stad aan de Mekong ritselde het van de westerse toeristen, maar die waren over het algemeen van het ‘chill out’-, of ‘hang around’-type dat niet zo snel op het idee komt om in de ‘middaghitte’ tussen stenen beelden te gaan rondlopen, althans dat was mijn interpretatie van het feit dat ik daar de enige bleekneus was.

Het park is al van verre te zien

Reeds van een afstand zie je, als je op je fiets nadert een paar geweldig grote stenen hoofden boven gebouwtjes en bomen uitsteken. En dan, na de toegang van 20 Bhat, oftewel 52 eurocent, betaald te hebben, loop je door de fraaie tuin waar het ene beeld het andere naar de kroon steekt als het gaat om afmetingen en het imponeren van de zich Klein Duimpje-voelende bezoeker.
Tegen een Hindu-god met 10 armen en in elke hand een wapen, sta je dan als miezerig klein mannetje op te kijken, je afvragend waar die bijl, dat zwaard, die pijl en boog, die gigantische knuppel en al die andere attributen waarmee afschuwelijke meppen uitgedeeld kunnen worden, goed voor zijn, zeker als je bedenkt dat op het vliegveld al een inbussleuteltje van 5 cm in beslag wordt genomen omdat je daarmee gemakkelijk een vliegtuig kunt kapen.

Een Hindu-god met tien armen.

Van Buddha, gezeten onder de zevenkoppige draak- of zijn het zeven reuzenkobras’s?- krijg je, als je tegen hem opkijkt, terwijl hij een flatgebouw van redelijke afmetingen boven je uittorent, ook al bijna kramp in je nek. En dan die tevreden glimlachende wachters achterin! Die zie je ook niet zomaar over het hoofd!

Buddha afdoende beschermd

Er waren nogal wat bezoekers bezig met hun selfie-stick, maar die liet ik nu maar liever in de fietstas want ik heb al moeite om met dat ding mijn fiets naast of achter me op de plaat te krijgen, laat staan een blok beton van vele tientallen tonnen.
Een uur lang liep ik gefascineerd rond tussen al die giganten, de een nog indrukwekkender dan de ander, maar het beeld dat mij het meest overrompelende was de onafgebouwde Buddha (of was het een Hindu-god? Helaas had ik geen beschrijving van al die sculpturen) direct bij de ingang van het park. Tien meter hoog? Vijftien? Moeilijk te schatten. Wat ook niet makkelijk te schatten was, was het aantal bakstenen dat er voor gebruikt was. Het beeld was namelijk niet af waardoor je hier goed kon zien wat bij al die andere beelden bedekt was met een laag fraai bewerkt cement: de onnoemelijke hoeveelheid bakstenen die het geval body gaven. Alleen het gezicht was klaargekomen, maar toen was het cement blijkbaar op. En ook de bakstenen waren niet toereikend gebleken, want de handen ontbraken en op die plaatsen staken er een paar trieste stukken betonijzer naar buiten, wat deze god een soort Captain Hook aspect gaf.

En toen waren het cement en de voorraad stenen op.

Dit beeld wordt waarschijnlijk nooit afgebouwd, want toen ik hier 5 jaar geleden rondliep, stond het er al even ‘naakt’ bij als nu.

Ik zou zeggen: “Houden zo!” want het contrast met al die andere beelden doet het hem juist. Niet alles in dit leven is perfect en dat niet perfecte wordt hier imponerend gedemonstreerd.