STEENARENDEN EN WODKADRINKENDE MOTORDUIVELS

Met mijn vorige bericht was ik blijven steken in Karakorum, in de 13e eeuw de hoofdstad van het Mongoolse Rijk van Djenghis Khan. Vanaf een heuvel in de buurt maakte ik er een foto van, die ik in bericht 3 plaatste. Hier nogmaals die foto.

Foto 1: Karakorum, in de 13e eeuw de hoofstad van het Mongoolse Rijk.

Ögedei, de zoon van Djenghis maakte de plek tot de officiële hoofdstad van Mongolië. Verbazend hoe weinig er is overgebleven van de hoofdstad van zo’n groot land, dat zelfs tot in Europa reikte. Maar eigenlijk is dat toch niet zo verbazend, want de Mongolen waren nomaden en leefden in tenten. Van het bouwen van grote monumenten, zoals koningen en keizers in Europa en grote delen van Azië deden, hielden ze niet. Ze zetten hun tenten (gers) op als ze ergens kwamen en braken ze weer af als ze weg trokken. Om deze ‘hoofdstad’ duidelijk af te bakenen, zodat er geen misverstand zou ontstaan waar Karakoram zich bevond, liet Djenghis Khan vier grote uit steen gehouwen schilpadden plaatsen ten zuiden, oosten noorden en westen van het tentenkamp. Schildpadden waren voor de Mongolen symbolen van eeuwigheid en inderdaad hebben die grote stenen schildpadden de eeuwen overleefd, althans twee er van, namelijk die aan de noordzijde van Karakorum en die aan de zuidzijde op de heuvel vanwaar ik de overzichtsfoto maakte. De twee andere schildpadden zijn verdwenen, maar zulke forse blokken graniet kruipen niet zomaar uit zichzelf weg en daarom vermoed ik dat een energieke souvenirverzamelaar er zich mee bemoeid heeft en ze nu thuis in de privéverzameling heeft staan.

Foto 2: De stenen schildpad die Djenghis Khan liet plaatsen om de noordelijke grens van zijn ‘hoofdstad’ te markeren.
Foto 3: De zuidelijke schildpad boven op de heuvel. Deze lijkt op een kandelaar met grote stenen kaars er op. Boven op de ‘kaars’ zijn druppels kaarsvet te zien. Dat ontdek ik nu zomaar even terwijl ik de foto opzoek in mijn computer. Je zou dus kunnen concluderen dat deze schildpad inderdaad ook als kandelaar is gebruikt, maar het is ook mogelijk dat er duiven op de verticale steen hebben gezeten om, net als ik, uit te kijken over het ommuurde Karakorum. Op de foto is het verschil tussen druppels kaarsvet en uitwerpselen van duiven niet duidelijk te zien. Linksboven in de foto is nog een Ovoo te zien.
Foto 4: De Ovoo dicht bij de zuidelijke stenen schildpad. Er liggen nogal wat schedels omheen. (van paarden, lijkt mij). Rechts op de achtergrond het nieuwe Karakorum.
Foto 4: De Ovoo dicht bij de zuidelijke stenen schildpad. Er liggen nogal wat schedels omheen. (van paarden, lijkt mij). Rechts op de achtergrond het nieuwe Karakorum.

Kublai, de zoon van Ögedei en dus de kleinzoon van Djenghis Khan trok naar een andere plek om daar zijn hoofdstad te bouwen. Gelukkig maar anders zouden hier nu 20 miljoen mensen op een kluitje zitten. Die nieuwe plek noemde hij Khanbalik, maar de naam werd later veranderd in Peking. Aan Kublai had ik het dus te danken dat het hier zo rustig was gebleven. En die 20 miljoen Chinezen van nu hebben het aan Kublai te danken dat ze niet hier in deze verlatenheid wonen. Maar ja, dan zou het hier dus geen verlatenheid meer zijn geweest met 20 miljoen mensen!

            Ik liep terug naar de in de 16e eeuw gebouwde stadsmuur met zijn honderd stoepa’s er in. Op de parkeerplaats bij de stadspoort stond een aantal lieden met geweldig grote vogels. Dat was een triest gezicht, want de steenarenden zaten met touwen vast aan houten stellingen, anders zouden ze ongetwijfeld gevlogen zijn. Ik vermoedde dat zulke vogels in de tijd van Djenghis Khan gebruikt werden om mee te jagen. Nu werden ze gebruikt, eigenlijk misbruikt, om er door toeristen foto’s van te laten maken, waar de eigenaar dan geld voor vroeg. 

Foto 5: De muur van Karakorum.
Foto 5: De muur van Karakorum.
Foto 6: Een steenarend op een paal aan een stuk touw..
Foto 7:  Een als krijger van Djenghis Khan verklede man houd zijn steenarend vast, klaar om die op de arm van een toerist te zetten. Leuk om later zo’n fotootje op de schoorsteen te hebben staan, als tenminste de vogel niet, uit onvrede met zijn trieste bestaan, je ogen had uitgepikt. Ruzie met zo’n gevleugelde kanjer zou wel eens uit de hand kunnen lopen. Ik heb ooit een film van Hitchcock gezien waarin zelfs kleinere vogels het de mensen erg onaangenaam maakten. Ruzie met zo’n Djenghis Khan-man, bijvoorbeeld als je zijn steenarend los zou snijden om die de vrijheid terug te geven, kan waarschijnlijk nog meer uit de hand lopen.

Op weg naar Tsetserleg werd ik overvallen door regen. In de verte zag ik een ger staan, een eindje van de weg. Ik spoedde mij er heen en maakte de familie die er woonde in gebarentaal duidelijk dat het regende, een vrij overbodig stukje gebarentaal overigens, aangezien ze zelf de regen, die in bakken omlaag kwam en die op hun tentzeil kletterde ook al ontdekt hadden. Verder probeerde ik, alweer in gebarentaal, te vragen of ik even mocht schuilen en ook dat bleek overbodig, want ik werd meteen binnen genodigd, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat je als reiziger aanklopte bij een ger. De Mongolen zijn, zoals ik al eerder schreef, nomaden en zijn het dus gewend dat andere nomaden die op reis zijn om hulp voor het een of ander vragen. Gastvrijheid is als het ware een ongeschreven wet in Mongolië. De heer des huizes, of eigenlijk de heer der ger, wees naar een bed aan de linkerkant van de ronde ruimte en beduidde me daar plaats te nemen. Ik had in mijn reisgids al gelezen over het interieur van de Mongoolse ger, die door het hele land hetzelfde is: de ingang zit aan de zuidzijde, aangezien aan die kant de zon staat en de koude winden meestal uit het noorden komen. De bedden staan langs de wand in het rond. De mannenhelft bevindt zich aan de linkerkant, dus west, de vrouwenhelft rechts, dus oost.

            Dat ‘even schuilen’ bleek tegen te vallen, want de regen dacht er voorlopig niet aan om op te houden. Er kwamen nog een paar mensen schuilen zodat er uiteindelijk twaalf mensen in de ger zaten, waarvan drie kinderen. De vrouw ging rijstsoep maken en gaf mij, met een gebaar alsof ik deel uitmaakte van de familie, ook een kom. Na anderhalf uur werd de regen wat minder, maar ik zag het niet zitten om nu, laat in de middag, de eindeloze leegte nog in te gaan rijden. Het zag er naar uit dat het elke tel weer kon gaan regenen. Daarom vroeg ik in vloeiend Gebarenmongools of ik mijn ger naast de hunne mocht opzetten. Dat mocht en dus rolde ik mijn tent uit op het natte gras en toog aan het werk. Ik had de bogen echter nog niet opgespannen of de regen stroomde alweer neer. Als een razende bouwde ik mijn tent af, droogde het grondzeil binnen af met mijn handdoek, die daardoor drijfnat werd en bracht vervolgens mijn bagage vanuit de ger in mijn tent. Daarna ging ik, om de mensen niet langer te vervelen met mijn voor hen waarschijnlijk oninteressante gezelschap, in mijn tent liggen niks doen. Naar muziek luisteren uit mijn MP3-speler, ging niet want zelfs een geweldstuk als het Requiem van Berlioz zou overstemd worden door het gekletter van de regen op het tentzeil. Foto 8 maken van mijn tent in de regen had geen zin, of beter gezegd: ik had er geen zin in om foto 8 te maken van een verzopen tent in een donker, verzopen landschap met een grauwe grijze hemel er boven, die grimmig had besloten om meer, meer, meer en nog meer water te geven aan de al verzadigde natuur.

Foto 8 schoot ik pas de volgende dag ’s avonds, toen het zonnetje na ruim een etmaal weer doorbrak, maar toen had ik alweer 59 km door de miezerregen gereden. Ook had ik onderweg een vrij onaangenaam avontuur (tje) meegemaakt. Een paar kilometer voor Tsenher, een dorpje, vanwaar het nog 25 km was naar Tsetserleg, mijn doel voor die dag, haalden drie dronken kerels van een jaar of 20 me in op hun motorfietsen, gingen pal voor me rijden en dwongen me te stoppen. Een van hen pakte mijn stuur vast en maakte een gebaar van drinken. Waarschijnlijk wilden ze vodka en dachten ze dat ik er een dozijn literflessen van bij me had. Ik trok mijn stuur los en liep om hen heen, waarbij een van hen een schopgebaar naar me maakte. Snel stapte ik weer op en reed verder, maar even later haalden ze me luid schreeuwend en honend opnieuw in. In Tsenher stonden ze me weer op te wachten. Ik wilde een cafeetje binnen gaan, maar ze gingen er voor staan en blokkeerden me de weg. Ze hadden ondertussen versterking gekregen van twee andere, ook reeds flink aangeschoten motornozems. Op dat soort momenten betreur ik het dat ik geen Clint Eastwood-capaciteiten heb, maar in je eentje begin je niet zo veel tegen vijf van dat soort kerels. Een van hen begon, om stoer te doen, tegen mijn fiets te schoppen. Om aan dit hoogst onaangename intermezzo zo snel mogelijk een einde te maken sprong ik snel op de fiets en reed ik weer door, waarbij ik zo nu en dan ongerust omkeek of de ‘motorboys’ weer achter me aan kwamen. Dat gebeurde gelukkig niet. Waarschijnlijk zaten ze zich in het café nog verder vol te gieten met wodka, voor zover hun slokdarmen nog niet overliepen. In mijn gids stond dat dronkenschap bij jongelui soms een probleem is in Mongolië. Dat lastigvallen van anderen kwam natuurlijk voort uit pure verveling. Je zou eigenlijk een schaakclub moeten oprichten zodat al deze lui, die met hun tijd geen raad weten, gefascineerd zouden raken door dit spannende en boeiende spel. Dan bestond zelfs het gevaar dat ze reizigers op een andere manier zouden gaan lastigvallen, door ze te stoppen en ze te dwingen een schaakpartij met ze te spelen. Ook lastig, steeds maar weer een potje schaak spelen, voordat je weer verder kon, maar toch beter en plezieriger dan zoals het deze keer bij Tsenher ging. Tot echt gevaarlijke situaties leidden deze ontmoetingen met wodkaverslaafden meestal niet, maar het kon toch wel hoogst onaangenaam worden, zeker als ze ’s nachts je tent ontdekten. Daarom vond ik het, zoals overigens altijd, een voorwaarde om mijn tent uit het zicht op te zetten. De uitgestelde foto 8 had ik ook maar niet van  deze zich te pletter vervelende motorjongens gemaakt. Ik acht het, waar alcohol te rijkelijk vloeit, altijd beter zo snel mogelijk weg te wezen.

            Later in de middag, toen ik Tsetserleg binnen reed, brak, zoals ik al schreef, eindelijk het zonnetje weer door. Ik nam er een hotel waar men mij meende te verrassen met de mededeling dat er ’s avonds een karaokeshow in de kelder zou zijn. Helaas vond ik niets anders in het stadje en daarom hoopte ik dat de kelder diep was en vertrouwde ik op mijn oordoppen. Na mijn spullen op de kamer gezet te hebben klom ik naar Bulgan Uul, een rotsheuvel ten noordwesten van het centrum, waar zich de Galdan Zuu-temple met een enorm groot Boeddhabeeld bevindt. Daar schoot ik dan eindelijk foto 8, wat ook wel tijd werd, maar als het bewolkt en regenachtig is laat ik meestal mijn fototoestel in mijn tas zitten.

Foto 8: De Galdan Zuu-tempel bij Tsetserleg, met een groot Boeddhabeeld er voor en met daar pal achter de rotsachtige Bulgan Uul heuvel.

Vanaf deze tempel kon ik het grootste deel van Tsetserleg overzien met zijn veelkleurige huisjes.

Foto 9: Uitzicht vanaf de Galdan Zuu tempel op Tsetserleg.

Ik bleef vier dagen in Tsetserleg, niet omdat het zo’n mooie plaats was, hoewel het ook niet lelijk was, maar omdat de regen het grootste deel van die 4 dagen in rijke hoeveelheden omlaag kwam. Beter dan me vier dagen lang op mijn kamer te gaan zitten vervelen, of de verveling proberen te verdrijven met het ongelimiteerd drinken van wodka, zoals de motorduivels deden, trok ik elke dag, als het even wat minder regende, of zelfs de zon tijdelijk door het wolkendek brak, wandelend het rotsgebergte in, dat precies bijten het plaatsje begon. Van die rotswandelingen zal ik in mijn volgende bericht het een en ander schrijven.

Foto 10: Alvast een voorgift voor volgende keer: Het rotsgebergte waarin Tsetserleg ligt en waar ik een paar lang, natte wandelingen maakte.

Mijn Boeken

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.