Praktische wenken voor wereldfietsers

Wie ver gaat fietsen moet zich goed voorbereiden. Desondanks is het onmogelijk om alles vantevoren te voorzien en overal op voorbereid te zijn. Het ‘gezonde verstan’ blijft altijd je voornaamste reisgenoot.

Toch hebben sommige mensen zoveel fietsreiservaring dat ze iets zinnigs kunnen zeggen over het Wat & Hoe van fietsvakanties. Frank van Rijn is zo iemand. Uit Australië stuurde hij zijn praktische wenken voor wereldfietsers.

1. Maak ruim tevoren een paklijst

‘Een paar jaar geleden kwam ik een reiziger tegen die enkele dagen na zijn vertrek tot zijn schrik bemerkte dat hij zijn fiets thuis had laten staan.

Uit armoede moest hij per bus en trein de wereld rond. Dat was natuurlijk heel triest, te meer daar hij een enthousiast fietser was, maar het was zijn eigen schuld. Met een paklijst kun je dergelijke vergissingen eenvoudig voorkomen. De èchte fietser hoeft zijn vervoermiddel niet op een lijst te plaatsen, maar er zijn een hoop kleine, en vaak niet onbelangrijke, dingen die je in de haast om erop uit te trekken toch gemakkelijk kunt vergeten.’

Fietsgereedschap en onderdelen komen verderop in dit nummer aan de orde en een complete lijst is terug te vinden in FIETS nr. 5/94 pag. 34. Ook de enfb verkoopt voor f 5,-een overzicht ‘Uitrusting fietsvakantie’ (tel. 03480-23119).

De meest opmerkelijke dingen die Frank van Rijn noemt staan onder het kopje diversen: ‘Oordoppen om me waar en wanneer dat nodig is, zo goed en zo kwaad als het gaat, af te sluiten van de herrie der wereld; reservebatterij voor fototoestel; reservefototoestel; want de zaak trilt nog wel eens kapot; reservehorloge, reservebril (plus recept)’.

2. Je beschermengeltje helpen voorkomt problemen

‘Gevaar loert op elk moment en overal, ook thuis. In de Sahara kun je uitdrogen, maar niet onder de tram komen. Het hele leven is een risico, maar een risico dat het waard is genomen te worden. En zo is het ook met reizen. Natuurlijk zijn er gevaarlijke en minder gevaarlijke plaatsen en bezigheden, maar in hoeverre kan een mens zijn noodlot ontlopen door ‘veilig’ thuis te blijven zitten?

In India beleefde ik een hachelijk avontuur toen ongeveer 20 gewapende mannen achter me aan zaten. De bijlen en stokken vlogen me om de oren, maar gelukkig kon ik demarreren en mij in veiligheid brengen. Toen ik later ‘veilig thuis’ dat avontuur aan het beschrijven was, stormde het zo hard dat de bomen rond mijn huisje als grassprietjes heen en weer slingerden en de kans niet denkbeeldig was dat er een boom zou afbreken en door mijn raam naar
binnen zou komen en mij verpletteren. Ook dat avontuur liep gelukkig goed af. Blijkbaar heb ik een beschermengel, die zowel in India als in Nederland over mij waakt.

De meeste mensen hebben een beschermengel, want zij die die niet hebben of beter gezegd ‘hadden’, zijn waarschijnlijk al lang in deze tumultueuze wereld ten onder gegaan. Die beschermengel mag je overigens best een handje helpen door geen domme dingen te doen. Maar wat is dom? Dat is altijd de grote vraag.

Over sommige Afrikaanse landen hoor je heel onaangename dingen, maar betekent dat dat heel Afrika gevaarlijk is? Stellig niet!

Bij het lezen van de krant moet je je altijd realiseren dat je alleen de negatieve, sensationele verhalen voorgeschoteld krijgt. Als er naar een land 10.000 toeristen gaan en 1 een wordt beroofd of vermoord, lees je alleen over die ene, niet over de 9.999 anderen die gewoon terugkwamen. Dat is niet interessant, dat is geen sensatie en dat verkoopt niet.

Toen ik in 1980 door het onrustige Guatemala fietste hoorde ik dat in Nederland de straten opgebroken werden en de politie met klinkers bekogeld werd ter gelegenheid van de kroning van koningin Beatrix. ‘Daar kun je maar beter niet naar teruggaan’, zei de Guatamalteek, ‘veel te gevaarlijk’. Dergelijke problemen zijn meestal erg plaatselijk, niet alleen in Nederland maar op de meeste plaatsen ter wereld. Natuurlijk zijn er landen en plaatsen waar je beter niet naar toe kunt gaan, zoals Joegoslavië en Rwanda op dit moment.

Verreweg het grootste gevaar dat de reizende fietser boven het hoofd hangt, is het verkeer. De landen waar ik de meeste ellende op dat gebied heb meegemaakt zijn Mexico, Brazilië, Thailand, Maleisië en Indonesië (West Java). Verder bij en in de meeste grote steden van Zuid-Amerika en Azië. Het verkeer in de wereld neemt schrikbarend toe waardoor de fietser steeds verder in de vernieling gedrukt wordt, maar gelukkig zijn er toch nog grote gebieden waar prettig en veilig gefietst kan worden. Hoe slechter het wegdek hoe beter?’

3. Neem altijd eten en drinken mee

‘Het is niet onverstandig om altijd wat extra voedsel en drinken mee te sjouwen op de fiets. Als je een traject te rijden krijgt waar een paar honderd kilometer niets te koop is of als je door een land gaat dat economisch aan de grond zit zoals Zaïre of de Sudan is dat duidelijk, maar ook in ‘gewone’ landen kan het nuttig zijn om wat reserves aan voedsel bij je te hebben. Dat geeft je de vrijheid om als je onverwacht iets leuks ontdekt, de rimboe in te gaan, zonder eerst naar een stad te rijden voor inkopen. Voedsel dat ik voor zulke gelegenheden bij me heb, is relatief licht en toch voedzaam; zakjes gebonden soep, macaroni, pinda’s, dadels etc.

Op mijn tocht door de Sahara (zie FIETS nr. 3/88) had ik 12 liter water bij me in bidons van 1/2 tot 2 liter, die ik had verdeeld over mijn bagage. Schoon water vinden is vaak een groter probleem tenzij je in de bergen bent waar om je heen de heldere koele stroompjes vloeien. Mineraalwater in flessen met verzegelde dop kun je niet altijd en overal kopen. Het water dat wel te krijgen is, is niet altijd schoon, maar het blijkt dat hoe meer dorst je hebt, hoe schoner je vuil water gaat vinden. Desondanks heb ik op mijn eerste reizen buiten Europa veel diarree en maagproblemen gehad. Heel belangrijk is dat je vraagt of de lokale bevolking het water drinkt. Als dat het geval is, is het in ieder geval geen vergif. Een Europeaan die niet veel gereisd heeft, kan er echter wel beroerd van worden en het blijft dus zaak om voorzichtig te zijn. Neem alle door de GGD of arts aanbevolen vaccinaties en neem waterzuiveringstabletten of -druppels of een waterfilter mee.’

4. Je bent zo schoon als je je voelt

‘Hoe was je je in de woestijn of in zeer droge gebieden waar geen water is? Een goede vraag die even eenvoudig te beantwoorden is als te stellen. Als er geen water is om je te wassen, dan was je je niet en als er een beetje water is, was je je een beetje. Met een halve liter per dag kun je je tanden poetsen en het stof en zweet uit je gezicht spoelen, wat ontstekingen van de ogen voorkomt. Met zand kun je je ook een beetje schoonschuren. Voor de rest ben je zo schoon als je je voelt. Als je dan weer eens langs een riviertje of meertje komt kun je …weer echt baden, behalve dan in Afrika waar het bilharzia-gevaar te groot is.

Van belang is wel dat je zo nu en dan schoon ondergoed aantrekt en daarom is het geen slecht idee wat extra ondergoed mee te nemen zodat je een tijdje vooruit komt in droge gebieden. Het klinkt misschien allemaal minder fris dan het is, want in droge gebieden blijf je veel langer schoon dan in vochtige gebieden. Zo was ik na twee weken fietsen door de Sahara minder vuil dan na één dag in Indonesië, maar daar kun je elke avond baden zoveel je wilt, want water hebben ze daar in overvloed.’

5. Hoe blijf ik gezond in de tropen?

‘Als eenvoudig elektrotechnicus begeef ik me met dit onderwerp op glad ijs. De meeste ‘wijsheden’ heb ik van horen zeggen, sommige ook uit eigen ondervinding. Je moet je realiseren dat het menselijk lichaam wat anders is dan een elektromotor of transformator en dat wat voor de één goed is, voor de ander wel eens heel slecht kan zijn. Je huisarts en de plaatselijke GGD weten er veel meer van dan ik en kunnen hun uitspraken ongetwijfeld wetenschappelijk verantwoorden, wat ik niet kan.’

Frank van Rijn vervolgt zijn verhaal met te vertellen (uit eigen ervaring) hoe ellendig malaria is. Iedereen die gaat fietsen in de (sub)tropen is het zéér aan te raden het boekje ‘Hoe blijf ik gezond in de tropen’ aan te schaffen (uitgave Koninklijk Instituut voor de tropen, f 9,90), voor de reis dit goed te lezen en de hele tocht bij zich te houden als kleine medische vraagbaak. Het boekje vertelt uitstekend wat je mee moet nemen op reis en veel over ziektes als malaria, darminfecties, wormen, huidaandoeningen en AIDS. Ook wordt er ingegaan op wat je moet doen als je door een slang gebeten wordt of ‘gewoon’ ziek wordt. Het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam heeft een ‘vaccinatielijn voor reizigers’ ingesteld: tel. 06-9584 (f 1,- per minuut) en een ‘reizigersspreekuur’ op afspraak: tel. 020-566 3800. Overigens, verkeersongevallen zijn de belangrijkste doodsoorzaak van Europeanen op reis.

7. Leven als een asceet is goedkoop

‘Je kunt je reis net zo duur maken als je wilt, maar als je een beetje sober leeft kun je met weinig geld erg ver fietsen, ook in Europa en Noord-Amerika. In landen waar het levensonderhoud goedkoop is (voor ons), zoals Azië en Latijns-Amerika trakteer ik mijzelf vaak op een maaltijd in een restaurant en soms op een overnachting in een hotel, maar in Europa kook ik zelf, zet ik altijd mijn tent op en onthoud ik me van elke vorm van luxe, waardoor ik per dag weinig meer opmaak dan in Azië en Zuid-Amerika. Meestal komen de kosten per dag op een gemiddelde uit van ca. f 15,-. Als je werkelijk wilt en als een asceet leeft, kun je nog goedkoper door de wereld. Geef je in Europa en de VS toe aan je behoefte aan koffie met slagroomgebak, sterke drank en andere luxe, dan kun je snel door je geld heen raken.

In Zuid-Amerika en veel Aziatische landen betaalde ik f 2,- tot f 8,-per overnachting in hotels (kakkerlakken en muizen op de vloer), maar het kan ook duurder (zonder kakkerlakken hopelijk).

Maaltijden in India en Pakistan ongeveer 65 cent als je van peper houdt, anders nog goedkoper, want een half dozijn bananen heb je al voor minder. Maaltijden in Zuid- en Centraal-Amerika voor f 2,- tot f 5,-.

In Afrika is het levensonderhoud ook goedkoop, maar voor hotels in Franssprekend Afrika betaal je veel (f 30,- à f 40,-). Ook geïmporteerde goederen zoals Franse camembert, Goudse kaas, pakjes soep etc. (alleen in speciale winkels in hoofd- en grote steden te koop) zijn erg duur.

In Oost-Afrika en Noord-Afrika (Marokko, Tunesië, (niet Algerije), Egypte) zijn simpele hotelletjes goedkoop en is het eten in restaurants, zo die er zijn, meestal goedkoop. Ik neem mijn geld op tochten buiten Europa mee in de vorm van traveller cheques (Thomas Cook of American Express).

Voor Latijns-Amerika alleen in US $ of DM. Voor Franssprekend West-Afrika in Fr. Frs. In Marokko, Tunesië en Turkije en Indonesië, evenals in Europa, gebruik ik girobetaalkaarten om daarmee geld op te nemen op postkantoren.’

8. Het èchte kamperen: laat geen sporen na

‘Vroeger was kamperen op een camping ècht kamperen. Tegenwoordig is het een luxe geworden, vaak duur en druk en met dingen erbij als zwembad, bar en tennisbaan, die de kampeerder niet zoekt maar er wel bij moet kopen. Soms heb ik het idee dat de tijd van echt kamperen in Europa voorbij is, maar gelukkig kan ik in veel gebieden met wat zoeken nog wel mooie, rustige plekjes in de natuur vinden, waar ik mijn tent kan opzetten.

Een nadeeltje van wild kamperen is dat er geen douches en toiletten in de buurt zijn, maar als je bij een beek staat is het doucheprobleem alweer opgelost. Toiletten zijn er meestal overal in het rond tussen de struiken, dus dat is ook niet zo’n probleem. Als je een paar liter water op je fiets meeneemt, kun je ook zonder die beek en dat is goed want er is niet altijd een beek waar je dat wilt.

Sommige mensen kamperen nooit wild uit angst voor dieven en rovers. Teveel naar de televisie kijken kan het gevaar met zich meebrengen dat je gaat geloven dat de helft van de mensen op deze wereld uit bandieten bestaat. Dat blijkt als je erop uittrekt gelukkig hard mee te vallen, maar uit voorzichtigheid zet ik mijn tent toch altijd uit het zicht van de weg en nooit in de buurt van een grote stad. Op het platteland zijn er meestal geen problemen. Mocht er toevallig toch iemand bij je tentje langskomen, meestal een boer of een herder, dan is de kans dat juist hij een schurk is ongeveer net zo groot als de kans om op een rustig weggetje door een verdwaalde Zandvoort-coureur van de sokken gereden te worden.

Als je je (vooral buiten Europa) niet op je gemak voelt in de bush, kun je ook aankloppen bij een boerderij of een huis om te vragen of je daar je tent mag opzetten. Dat lukt meestal wel en leidt soms tot aardige ontmoetingen en nieuwe vriendschappen.

Als je wild kampeert, ofwel omdat er geen camping in de buurt is, ofwel omdat je dat prefereert, zorg er dan voor de plaats even schoon (of liever schoner!) achter te laten als je hem aantrof en pas enorm op voor bosbranden. De vervuiling en de branden zijn er vaak de reden van dat wild kamperen in veel gebieden de laatste jaren steeds meer verboden wordt. Daar zijn wij fietsers en natuurliefhebbers de dupe van aan het worden. Laten we bewijzen dat wild kamperen erg milieuvriendelijk kan zijn.’

9. Loslopend wild en bange fietsers

‘De wilde dieren die mij bijna altijd aanvallen als ze me zien, zijn muggen en honden. Van de eerste kun je malaria krijgen en van de tweede hondsdolheid. In Europa valt het met die gevaren nogal mee, maar in Azië, Zuid-Amerika en Afrika moet je oppassen. Ik ga dan ook zelden in het donker lopen of fietsen, want je hebt snel een hond aan je achillespees hangen en dan kun je drie weken rust nemen, om elke dag een vaccinatie te gaan halen, want je weet nooit of Felix dol was of dat het zomaar een aardigheidje van hem was.

Van de andere wilde dieren, de ‘echte wilde dieren’ zoals leeuwen, tijgers, olifanten en giraffes etc., heb ik nooit last gehad. Die dieren vinden een mens net zo eng als een mens hen. Wilde dieren komen in Afrika voornamelijk voor in de nationale parken en daar word je meestal niet zonder auto toegelaten. Een enkele keer mag je er over de doorgaande weg fietsen en dan loop je minder gevaar dan op een weg zonder fietspad over de Utrechtse Heuvelrug op een mooie zondagmiddag. Maar…blijf altijd oppassen, want dit doe je in Europa in het verkeer hopelijk ook.

Apen zie je veel in Afrika. Bavianen kunnen nog wel eens agressief worden, maar ik heb er nooit problemen mee gehad. Ga niet tegen ze lachen of zwaaien. Doe ook niet agressief tegen ze (wat je tegen agressieve honden juist wel moet doen) en fiets rustig verder alsof ze er niet zijn.

In Zuid- en Midden-Amerika komen nauwelijks wilde dieren voor (wel slangen).

In de VS komen in sommige nationale parken beren voor, maar daar word je door de parkrangers precies verteld wat je wel en wat je niet moet doen. Pas in droge warme gebieden op voor slangen en schorpioenen en ga niet in kreupelhout en tussen stapels stenen grijpen, want daar zitten ze nog wel eens naar je te kijken.’

tekst: Frank van Rijn (redactie Bart Bennis)