Poort van de maan

Verenigde Staten (West Side Story)

dalpakistan.jpg
Gilgit rivier in Pakistan.

Proloog
Ik zit op een bank buiten het Visitor Center Death Valley in Furnace Creek te wachten. Een parkranger is binnen voor mij aan het uitzoeken of mijn bagage, die hier ongeveer 55 kilometer vandaan onder een struik in de woestijn ligt, teruggehaald kan worden. Als ik de toeristen in hun smetteloze T-shirts en hun gestreken korte broeken, gebukt onder tassen fotoapparatuur, af en aan zie lopen tussen hun geairconditioneerde auto en het Visitor Center, waar de airco eveneens hoog opgeschroefd staat, vraag ik me af wie meer geniet of genoten heeft van deze heetste plek van Amerika: zij of ik. Ik heb Death Valley in ieder geval wel een stuk intensiever beleefd dan de meeste mensen die de vallei slechts gebruiken als tussenstop tussen Yosemite en Las Vegas. Mijn shirt lijkt Devils Golf Course wel, de grote hete, beneden zeeniveau gelegen vlakte van opgedroogde, met zout bedekte modderklonten. Een Duitse toerist met wie ik zojuist even een praatje maakte, merkte over dat T-shirt op: “Een mooie batik die u daar aanheeft, meneer.”
“Het is slechts zout,” antwoordde ik, wijzend op de millimeter dikke, bijna symmetrische witte ringen rond mijn oksels en het fraaie witte lijnenspel over mijn borst. “Als je het wast, is al het mooie eraf.”
Ik begin waarachtig te geloven, mede door de vragende, verwonderde, afkeurende, ongelovige en soms zelfs bewonderende blikken van de toeristen, dat ik een kleurrijk figuur ben: bruin shirt met witte zoutmotieven, beige korte broek, die door zon en zout nog meer beige geworden is, een bruin gezicht waarvan niet met zekerheid is vast te stellen in welke mate de zon hiervoor verantwoordelijk is en in welke mate het stof, schoenen die eigenlijk bruin horen te zijn, maar die de kleur van de woestijn hebben aangenomen en een fiets die eigenlijk groen hoort te zijn, maar die ook ongeveer de kleur van de woestijn heeft aangenomen. Grappig dat na een tijdje woestijn al je spullen, jezelf incluis, kameleonachtige eigenschappen krijgen.
Over een eerder bezoek aan Death Valley schreef ik eens: “De droge wind blies me in het gezicht, eerst warm en later heet. Toch was ik, wat de temperatuur betreft, een beetje teleurgesteld, want het kwik kwam die dag amper boven de 42ºC uit, in de schaduw weliswaar, maar toch …..”
Deze keer heeft de temperatuur niet teleurgesteld, integendeel.

Eerste Acte
Gisterochtend rond 9 uur stond ik, nog redelijk ‘ongekameleoneerd’, en zelfs gehuld in een relatief schoon shirtje, op de afslag van de West Side Road, 14 kilometer ten zuiden van Furnace Creek. Ik stond er echter niet alleen in dat schone shirtje, maar ook in een zekere tweestrijd. Tijdens het rijden van die 14 kilometer was ik tot de conclusie gekomen dat ik de West Side Road, een gravelweg die 60 kilometer verder weer op de asfaltweg naar Shoshone uitkomt, niet moest gaan rijden, maar dat ik gewoon op de asfaltweg moest blijven, aangezien ik me de laatste twee dagen niet honderd procent fit had gevoeld. Deze merkwaardige futloosheid had ervoor gezorgd dat alle aardige dingen die ik in Death Valley had willen doen min of meer op een debacle waren uitgelopen.

bedouinen.jpg
Bedoeïen bij tent.

Een parkranger in het Visitor Center had me gewaarschuwd: “De West Side Road is geen goede weg om in de zomer op de fiets te rijden.”
“Hij lijkt me juist zo aardig.”
“Hij is niét aardig en het is er nu veel te heet. We raden u aan op de asfaltweg te blijven. Op de West Side Road komt ‘s zomers vrijwel geen mens. Als u daar in de problemen komt ….”
“Ja, maar zulke wegen zijn toch de krenten in de koek.”
Kortom, we waren het niet eens geworden, maar gezien mijn getob van de laatste dagen begon ik naar zijn standpunt over te hellen. Toen ik echter op de afslag stond kon ik de verleiding toch niet weerstaan. Ik wilde iets nieuws aan deze reis toevoegen en daarom koos ik na een korte tweestrijd toch voor de West Side Road, waarmee mijn West Side Story, eigenlijk meer mijn West Side Drama, een aanvang nam.

Jordanië
In de buurt van het kruisvaarderskasteel van Shaubak slaat de pechduivel toe. De fietsketting hangt slap naar beneden, waardoor er nauwelijks meer te rijden is. Nader onderzoek wijst uit dat het uiteinde van de veer in de achterderailleur afgebroken is. Ik demonteer de derailleur en heb even later een flinke verzameling veertjes, wieltjes, palletjes, hulsjes, boutjes en moertjes voor me op mijn zakdoek liggen. Met behulp van mijn brander gloei ik het nieuwe uiteinde van de veer uit, waarna ik dat kan ombuigen, zodat ik de veer opnieuw vast kan haken in de daarvoor bestemde huls. Daarna knutsel ik de derailleur weer in elkaar en houd daarbij tot mijn verbazing geen enkel onderdeel over. Dat is goed, want de praktijk leert dat hoe meer je bij dit soort operaties overhoudt, hoe slechter het apparaat werkt. Bij het aandraaien van het laatste boutje moet ik terugdenken aan de vele wekkers die ik als kind heb gesloopt. Ik was daar goed in, maar het weer in elkaar zetten ging meestal moeizamer en niet zelden bleef ik zitten met handen vol tandwieltjes, wat tot gevolg had, dat de tijd nadien stil leek te staan. En toch….
“Is je fiets kapot?” hoor ik plotseling achter me. Ik schrik op uit mijn overpeinzingen. Als ik omkijk zie ik een oude man met een ezeltje staan.
“Een beetje,” antwoord ik, “maar hij wordt steeds minder kapot. Nog even en hij zal weer helemaal heel zijn”.
“Kom mee,” zegt de man, terwijl hij naar een huisje wijst dat boven op een heuvel staat, “dan kun je bij mij thuis uitrusten.”
Als ik de derailleur weer aan het frame geschroefd heb, loop ik met hem mee naar boven. Even later zit ik in de huiskamer achter een schaal met druiven zo groot als pingpongballen. Terwijl ik de schaal met bijna onbeleefde snelheid leegeet, komt Ahmed, de zoon des huizes, binnen. Hij blijkt goed Engels te spreken en vertelt mij dat hij Engelse literatuur studeert in Amman. Nu is hij een paar dagen thuis op vakantie.
“Studeer je ook Engelse literatuur?” vraagt hij. Dat is natuurlijk een beleefdheidje van hem, een subtiele manier om te zeggen dat mijn uitspraak zo goed en mijn woordenschat zo groot is. Zolang ik praat over druiven, mijn fiets en afgebroken veren is die woordenschat inderdaad groot, maar als het over Shakespeare gaat zal ik waarschijnlijk snel door de mand vallen. Ik antwoord dat ik elektrotechniek gestudeerd heb.
“Dat is erg moeilijk.” Weer zo’n beleefdheid, waar Arabieren grootmeesters in zijn.

death-valley.jpg
Death Valley in de Verenigde Staten.

“Valt wel mee,” zeg ik. “Je moet er een beetje schik in hebben, maar momenteel heb ik meer schik in fietsen door Jordanië.”
“Heb je honger?”, vraagt Ahmed’s vader opeens, maar zonder mijn antwoord af te wachten staat hij op en gaat naar de keuken om een extra eter aan te kondigen. Wat later, als we met z’n drieën gezeten zijn rond een grote zilveren plaat vol met schalen groenten, schapenvlees, gebakken eieren, geitenkaas en versgebakken platte broden, gaat het gesprek over allerlei interessante onderwerpen, zoals de geschiedenis van Jordanië, het uitgloeien van stalen veren, Jan Pieterszoon Sweelinck en de in ons land verplichte fietswielreflectoren.
Als de zon al flink aan het dalen is stelt Ahmed’s vader voor: “Blijf vannacht hier, want het is al laat. Vandaag haalt u Petra toch niet meer”.
“Ik wil u niet tot last zijn”, antwoord ik, maar vader en zoon trachten mij ervan te overtuigen dat dat beslist niet het geval is en dat het hen zelfs een eer zou zijn als ik hun op aanbod in ging.
“Te veel moeite voor mij”, probeer ik nog, maar ik krijg, zoals ik wel verwachtte, ten antwoord dat het in het geheel geen moeite is en dat het hun plicht is een reiziger uit een ver land te herbergen. Tegen zoveel gastvrijheid kan ik geen weerstand bieden en dankbaar aanvaard ik hun welgemeende uitnodiging. En opnieuw is gebleken dat een pechduivel ook geluk kan brengen.

Marokko
In Alem Doun, een gehucht aan de zuidflank van de Hoge Atlas, ontmoet ik in de plaatselijke gîte d’étape een 24-jarige student Engelse literatuur. Met hem en de 17-jarige waarnemend beheerder van de gîte maak ik een dagwandeling door de bergen. We gaan naar het dorpje Amesker. Nu zijn er twee dorpjes Amesker, namelijk Amesker-laag en Amesker-hoog, voor het gemak meestal Amesker I en Amesker II genoemd. Amesker II is verder weg dan Amesker I, althans, als je zoals wij van Alem Doun komt.
Wij gaan naar Amesker II, wat het voordeel heeft dat je dan vanzelf ook door Amesker I komt. De student, die op de universiteit van Agadir zit, heet Mohammed, een naam die je in deze contreien wel vaker tegenkomt. Toevallig heet de jongen van de gîte niet Mohammed maar Abdelhadi, wat ons een stuk verwarring bespaart, en de toevoeging II achter zijn naam overbodig maakt. Verwarring is er overigens toch genoeg, want de conversatie verloopt drietalig: ik spreek tegen Mohammed Engels omdat hij die taal graag wil oefenen. Tegen Abdelhadi spreek ik echter Frans, omdat hij geen Engels verstaat en tenslotte spreken Mohammed en Abdelhadi onderling Berbers omdat dat hun taal is.

meteora.jpg
Griekenland: Meteora.

Via een smalle, steile kloof komen we na anderhalf uur lopen in Amesker I. Mohammed heeft hier een oom wonen en bij die oom worden we uitgenodigd voor de thee. Dat was natuurlijk te verwachten want in Marokko valt het niet mee, niét uitgenodigd te worden voor de thee. Na de thee volgt een maaltijd van aardappelen en groente en ook dat was te verwachten, want de mensen zijn hier erg gastvrij. Na anderhalf uur kunnen we op weg naar Amesker II, maar aangezien dat erg ver is volgens Abdelhadi, eigenlijk wel té ver, blijft hij in Amesker I, wat het voordeel heeft dat de conversatie verder eentalig verloopt. Na een kwartier lopen komen Mohammed en ik langs een alleenstaand huisje in de hier breder wordende vallei. Daar woont een andere oom van Mohammed en dat is geen toeval, want Marokkanen hebben, zo is me al vaker opgevallen, veel ooms. Die ooms hebben op hun beurt veel neefjes en nichtjes en die nichtjes hebben weer veel tantes, die ook weer neefjes hebben. En zo hebben heel veel Marokkanen heel veel familie. En al die familie is erg gastvrij en zal een familielid niet zonder thee laten gaan. Zo ook hier.
“Mijn oom vraagt of we thee komen drinken.”
“Maar we hebben zojuist anderhalf uur lang thee zitten drinken.”
“Even maar.”
Drie kwartier later kunnen we alweer verder door de droogstaande beekbedding, waarlangs riet en struiken groeien. De bergen zijn hier kaal zoals op veel plaatsen aan de zuidkant van de Hoge Atlas. Naar het noordwesten verheft zich het massief van de Ighil M’Goun, de op één na hoogste berg van Marokko, 4071 meter boven zeeniveau. Daar wil ik nog wel eens heen, maar dan zonder Mohammed, want anders strand ik halverwege wegens een overdosis aan thee en suiker.
“Heb je in Amesker II ook een oom wonen?” vraag ik mijn metgezel onder het lopen.
“Jawel.”
Ik had al zo’n vaag vermoeden. Wat later zitten we in het fraai tegen de helling liggende en met de grijsbruine bergen versmeltende dorpje mentholthee te drinken bij oom III.
“Heb je hier maar één oom?” informeer ik voor alle zekerheid.
“Nee, twee. We gaan zo meteen nog even naar mijn andere oom, want die heb ik in geen tijden gezien.”

olympus.jpg
Op weg naar de Olympus.

Oom IV is echter niet thuis als wij drie kwartier later aankloppen op de verweerde houten poort in een nog meer verweerde lemen muur.
“Hij komt zo,” zegt een klein meisje, waarschijnlijk een achternichtje van Mohammed. Na een kwartier wachten ga ik Mohammed voorzichtig voorrekenen dat als we zo doorgaan, we niet voor donker terug zullen zijn in Alem Doun.
Oom IV komt niet opdagen en zonder thee aanvaarden we de terugweg, maar gelukkig zijn daar alweer de ooms III en II, zodat het tijdelijk geleden theegebrek weer ruimschoots gecompenseerd wordt. Abdelhadi is tijdens onze wandeling naar één van zíjn ooms gegaan. Als we hem daar ophalen zet hij nog even thee en slaagt er zelfs in dat binnen een half uur voor elkaar te krijgen.
“Knudde,” is Mohammeds commentaar.
“Waarom?” vraag ik verwonderd.
“Er zit niet genoeg suiker in en de thee heeft niet de tijd gekregen rustig te trekken.”
Dat was me nog niet opgevallen, maar nu hij het zegt proef ik het ook. Het zou te ver gaan om te beweren dat het spul niet te zuipen is, maar ‘knudde’ is eigenlijk wel erg zwak uitgedrukt.
Juist als we het dorpje verlaten ontmoeten we Brahim, Mohammeds studiegenoot, tevens een verre achterneef.
“Heb je trek in thee?” vraagt die. Mohammed voelt daar na het debacle van vijf minuten geleden wel wat voor, maar ik wijs op de beangstigend laaggezakte zon: “Zullen we voor één keertje overslaan?”
Mohammed stemt toe, zij het met zichtbare tegenzin. “Doordrammers, die Europeanen,” zal hij denken. “Altijd gehaast.”
Voorbij de smalle bergkloof zijn we weer in de vlakte. Op dit late uur komen de mensen van het land, waar ze de hele dag gewerkt hebben. Mohammed kent slechts vijftig procent van hen. Handen worden geschud en beleefdheidsfrasen uitgewisseld. Abdelhadi kent ook ongeveer vijftig procent, maar gelukkig hebben die twee vijftig procenten een vijftig procent overlapping, zodat ongeveer vijfentwintig procent van het totale aantal mensen dat op weg naar huis is, zonder handenschudden door kan. Daaraan hebben we het te danken dat we nog juist voor donker aankomen in de gîte. Met een koush-koush die om half negen geserveerd zou worden en die tot mijn verbazing al om tien uur klaar is, besluiten we deze leerrijke dag.

Bolivia
De volgende ochtend vroeg liep ik van mijn hotelletje aan de plaza van het huidige Tiahuanaco naar het archeologische park, twee kilometer buiten het dorp en bezichtigde de ruïnes met mijn reisgids in de ene en mijn fototoestel in de andere hand. Later in de ochtend ging ik er nog eens heen, maar toen op de fiets voor een historische foto bij de Puerta de la Luna. Daartoe had ik al mijn spullen op de fiets geladen, want zo’n historische foto moet een beetje echt lijken.
Bij het toegangshutje waar ik eerder een biljetje had gekocht, kostte het me twintig minuten overtuigend praten om mijn fiets het archeologisch park binnen te krijgen.

ruines.jpg
Jarash ruïnes in Jordanië.

“Fietsen horen hier niet en die laten we dan ook niet toe,” was het standpunt van de man in het hutje. “Als iedereen hier zomaar met een fiets naar binnen gaat wordt het een rotzooitje.”
“Maar niet iedereen wil hier met een fiets naar binnen. Ik wed dat er zelfs toeristen zijn die hun fiets thuis hebben gelaten. Uw uitgangspunt: ‘Als iedereen ….’ is verkeerd. Als iedereen bakker zou worden, zou er geen brood meer te koop zijn! Er zijn echter ook mensen die molenaar of boer willen worden. Daar is geen reglement voor nodig.”
“Klets maar, regels zijn regels!”
“En uitzonderingen zijn het zout in de pap. De hele geschiedenis staat bol van de uitzonderingen. Tiahuanaco is een uitzondering en het zou me niets verbazen als u zelf ook een uitzondering bent, hoewel u nu even niet die indruk wekt. Zonder uitzonderingen zou het leven kleurloos zijn.”
Het maakte allemaal bitter weinig uit wat ik argumenteerde, maar toen ik een artikeltje uit een Boliviaanse krant liet zien met: ‘Holandés en bicicleta de la tierra a la luna’,” kreeg ik uiteindelijk toch mijn zin: “Ik geef u vijf minuten voor die foto. En dan meteen die fiets er weer uit!”
“Ik ren al.”
En dat deed ik, want vijf minuten is niet veel en die maanpoort stond ongeveer een kilometer van de toegangshut vandaan. Dat betekende dat ik zonder foto al 24 km/uur zou moeten trappen om het te halen. Maar gelukkig zijn minuten in Bolivia een beetje rekbaar. Ik verwachtte binnen een half uur geen nijdige opziener achter me aan te krijgen.
Bij de poort van de maan aangekomen zette ik mijn fiets tegen de rechterpost. Daarna plaatste ik mijn fototoestel op een klein driepootje schuin tegenover de poort, richtte, stelde scherp, drukte op het zelfontspannertje, rende het viertredige trapje naar de poort op en zette me tegen de linkerpost, waar ik nog drie seconden had om een ontspannen pose aan te nemen. ‘Klik’ zei het toestel en de historische foto was een feit. Voor de zekerheid nam ik er nog een paar. Na het laatste plaatje bleef ik even zitten. De vermoeidheid van de laatste dagen in het drukke La Paz en deze daarmee contrasterende rust en inspirerende sfeer deden me even wegdommelen. Ik dacht terug aan de bijna 5000 meter hoge passen tussen Chili en Argentinië, aan mijn rondtoer door Bolivia, het immense zoutmeer van Uyuni waar ik dwars over gefietst was, de schilderachtige eilandjes daarop vol met fraaie cactussen, en verder aan de wonderlijk geërodeerde rotswereld rond Tupiza in het zuiden van Bolivia, de zilverberg van Potosi, de ……
Opeens stond er een campesino voor me. Waar hij zo plotseling vandaan was gekomen was me een raadsel. Ik kon me niet herinneren dat ik hem in het archeologisch park had gezien. Het was een stokoude Indiaan, gehuld in een kleurrijke poncho van alpacawol.
“Buenos días señor,” zei hij. “Wat doet u hier met die fiets?”
Ik keek in het gerimpelde, verweerde gelaat van de man, dat er bijna uitzag als dat van een mummie.
“Een foto maken van mij met mijn fiets voor de Puerta de la Luna,” antwoordde ik, “maar nu moet ik als een pijl uit de boog weg, want ik mag hier niet langer dan vijf minuten zijn en daarvan zijn er al tien om.”
Terwijl ik de man vertelde dat ik uit Nederland kwam en een reis van een kleine negen maanden aan het maken was door Zuid-Amerika, borg ik snel mijn fototoestel op waarna ik mijn fiets greep en die de paar treden naar de poort op duwde. Nog voordat ik er echter door was, vroeg de man verschrikt: “Wat bent u van plan?”

zigeuners.jpg
Zigeuners in Bulgarije.

“Mijn fiets door die poort werken.”
“Waarom?”
Ik vertelde hem het verhaal van mijn fietstocht naar de maan en voegde eraan toe: “Die poort is eigenlijk mijn toegang tot de maan. Zo zie ik dat een beetje. Kinderachtig, maar toch leuk. Begrijpt u de symboliek?”
“Die begrijp ik, maar ga niet door die poort. Er heersen tussen die stenen posten krachten waar geen mens weet van heeft. Verzoek het noodlot niet. Er wordt beweerd dat er eens mensen door die poort zijn gegaan, die vervolgens spoorloos zijn verdwenen. En enige jaren geleden nog …. Maar ik moet u niet ophouden. U moet terug naar de uitgang want u heeft maar vijf minuten en daar zijn er al dertien van om. Het ga u goed, maar ga niet door de Puerta de la Luna, als ik u een goede raad mag geven!”
Hij keek me doordringend aan en in zijn ogen zag ik even een flikkering die een lichte huivering over mijn rug joeg. Daarna keerde hij zich om en liep na een “Que le vaya bien” weg.
Ik liet mijn blik langs de poort glijden, die er nu opeens indrukwekkender en mysterieuzer uitzag dan voorheen. Van de rode stenen leek zelfs een zekere dreiging uit te gaan. Twijfelend wendde ik mijn hoofd weer in de richting waarin de campesino was weggelopen, maar de zonderlinge man was even plotseling verdwenen als hij was gekomen. Het was een merkwaardig incident dat niet naliet indruk op me te maken. Merkwaardig was ook dat het plotseling geheel stil was geworden in het archeologisch park. Toen ik met mijn fiets naar de poort reed, liepen hier en daar nog plukjes toeristen rond, maar nu zag ik niemand meer. Waarschijnlijk was het te heet voor hen geworden en waren ze teruggekeerd naar het dorp voor schaduw en bier. Er stond geen zuchtje wind meer, de lichte bewolking van deze ochtend was opgelost en de tropenzon had Tiahuanaco toeristenvrij gebrand.