De hanen van de koning

hanen
De hanen van de koning
Een reis door Thailand, Laos en Cambodja.
ISBN: 9789038925059 | Bestel op bol.com

Hieronder de voor- en achterkaft van het boek alsmede twee passages en enkele foto’s.

omslag(1)

Een olifant op een glazen deur
De uitzichten over de Mekong, op de route naar Chiang Khong, met Laos aan de overkant, worden helaas verknald door bewolking. Later in de ochtend klaart het gelukkig op, waardoor de vele groenschakeringen van de alom aanwezige vegetatie geheel tot hun recht komen en de tocht weer plezierig wordt. Vroeg in de middag rijd ik Chiang Khong binnen, de plaats waar zich de ferry over de Mekong naar Laos bevindt. Mijn plan is om meteen over te varen naar Huay Xai in Laos. Ik zie de huizen en gebouwen al aan de overkant liggen. Bij de afslag naar de ferry bedenk ik me echter, want ik wil eerst nog wat inkopen doen. Daarom sla ik rechtsaf naar het centrum, op zoek naar een levensmiddelenwinkel. Als ik ongeveer 200 meter heb afgelegd, houdt een nogal fors gebouwde toerist in een oranje T-shirt en met een grote witte cowboyhoed op zijn hoofd mij staande door zijn hand op te steken zoals een politieman doet als die ziet dat je in je auto je gordeltje niet om hebt. Ik denk dat hij om een praatje verlegen zit en aangezien zoiets nooit kwaad kan, geef ik gehoor aan zijn verzoek en knijp ik in de remmen.

0410.verkleind
“Hallo,” zegt hij in het Engels, “Waar ga je naar toe?”
“Naar Laos,” antwoord ik.
“Wanneer?”
“Zo meteen, maar eerst wil ik nog wat koek en een stapel instantsoepjes kopen.”
“We zijn fietscollega’s, want ik reis ook per fiets,” merkt de oranje cowboy op. “Mijn fiets staat in mijn hotel, het goedkoopste van heel Chiang Khong.”
“Mooi?” vraag ik.
“Niet slecht voor slechts 100 baht. Overigens: ik ben van New Mexico. En jij?”
Ik antwoord dat ik uit Nederland kom, waarop de Amerikaan vertelt dat hij ook naar Laos wil, maar pas morgen vertrekt omdat hij nog wat aan zijn fiets moet sleutelen.
“Waar wil je heen in Laos?” vraagt hij.
“Ik neem de weg van Huay Xai naar Luang Namtha. Er is bovendien geen andere weg. Het is een mooie route, een gravelweg met diverse beekdoorwadingen. Ik heb hem tien jaar geleden gereden.”
“Die weg is nu geasfalteerd. De Chinezen zijn druk bezig grote verkeersaders door Zuidoost Azië aan te leggen en die weg naar Luang Namtha wordt een deel van de grote route van Bangkok naar China.”
“Zoiets hoorde ik al van iemand. Jammer dat die Chinezen hier zo druk bezig zijn.”
“Ja, maar luister. Ik weet een veel leukere route. Die loopt eerst een stuk naar het noorden langs de Mekong tot Xieng Kok en buigt dan af naar Muang Sing. Vandaar kun je ook in Luang Namtha komen. Als je zin hebt en vandaag hier blijft kunnen we morgen van start gaan en dat traject samen fietsen.”
Dat lijkt me een goed voorstel, want dat is een nieuwe route voor mij en zo nu en dan een eind met iemand samen fietsen kan best interessant zijn. Morgen verloopt mijn visum van Thailand, dus het zou nog juist kunnen. We schudden elkaar ter kennismaking de hand en ik stem in met zijn voorstel. Hij blijkt evenals de Macedonische Canadees, met wie ik een paar dagen heb opgetrokken, James te heten. Deze fietscollega is dus James II.
“Kun je me op de kaart laten zien welke route je bedoelt?” vraag ik en haal mijn kaart uit de plastic hoes voor me.
“Jazeker,” antwoordt hij. “Laat eens zien.” Hij laat zijn vinger ter oriëntatie over de kaart glijden.
“He,” zegt hij dan. “Bij jou staat die weg er niet op en toch heb ik dezelfde kaart.”
“Misschien een nieuwere druk, want de mijne is minstens 20 jaar oud. Ik gebruikte hem op mijn vorige reis door Zuidoost Azië ook al. Kijk ik heb hem met een rol plakband weer als nieuw gemaakt.” en laat hem de in de zon glimmende stroken zien, die over de vouwen lopen.
“Met plakband komen er geen nieuwe wegen op, maar kom mee naar mijn hotel, dan zal ik je de route op mijn kaart laten zien. Dan kun je ook meteen mijn kamer zien”

0667.verkleindEven later is het me duidelijk waarom het kot waarin James logeert de goedkoopste kamer van de stad is: een houten kippenhok op palen in de vorm van een tent, juist iets groter dan mijn tent. Via een gammel laddertje kun je er naar toe. James past er precies in en met wat beleid zijn fietstassen ook nog. Er staat geen bed en ‘s nachts moet hij zich niet te bruusk omdraaien in zijn op de grond uitgerolde slaapzak, want dan zou het timmerwerk het wel eens kunnen begeven en zou het hele zooitje naar beneden kunnen tuimelen.
“Als je geluk hebt is er nog zo’n kamer voor jou,” zegt James, terwijl hij met zijn kaart in de hand het wiebelende laddertje af komt.
“Ik zie wel.”
“Kijk, hier loopt de route die ik bedoel,” zegt hij en wijst op zijn kaart een dun lijntje aan. “Hij loopt pal langs de rivier, dus het is vlak. Gravel, maar vlak, dus het zal geen lastig traject zijn. Wat vind je er van?”
“Lijkt me interessant,” zeg ik, “maar soms staan er wegen op de kaart die niet bestaan.”
“En soms staan er wegen niet op die wel bestaan. Deze bestaat wel degelijk. Ik heb hem op Google Earth al helemaal verkend.”
“Dan hoef je hem niet meer te fietsen.”
“In het echt is het leuker.”
“Vooruit, ik ga mee. Lijkt me een goed plan.”
“Zal ik vragen of ze hier een kamer voor je hebben?” vraagt hij, de kaart weer dichtvouwend.
“Ik kijk eerst wel of ik wat anders kan vinden. Zal ik over een uur bij je komen? Dan heb ik waarschijnlijk wel wat gevonden en kunnen we de plannen meer in detail bespreken.”
“Akkoord, ik wacht hier. Dan kan ik ondertussen aan mijn fiets werken.”
Na mijn inkopen vind ik een eindje buiten het centrum een wat netter hotelletje voor viermaal de prijs die James betaalt. Hij zal me wel een decadente kapitalist vinden, wat ik natuurlijk ook ben als ik bereid ben om 10 euro neer te tellen voor een nachtje slapen. Ik zet mijn bagage op mijn kamer en loop door de hal van mijn luxe onderkomen weer naar buiten, althans dat wil ik, maar daarbij loop ik met een dreunende slag tegen een onzichtbaar scherm aan. Enigszins versuft vraag ik me af wat er aan de hand is. Meteen komt de hoteleigenaar, die een beetje Engels spreekt, bezorgd op me afgesneld om te vragen hoe ik me voel.
“Het gaat wel,” antwoord ik nog wat suf, “maar wat is…..”
“Ik heb de deur dichtgedaan,” zegt hij, “Sorry! Misschien heb ik hem te netjes gepoetst.” en daarbij opent hij de smetteloze, moderne glazen deur voor me. “Zal ik de dokter bellen?”

1020.verkleind“Nee, ik heb een harde kop, maar zou je niet een paar vogelplaatjes op die deur plakken? Of beter, een grote olifant? Dan lopen uw gasten zich niet meer te pletter als ze er in of er uit willen.”
“We gaan er wat aan doen, dat beloof ik u.”
En dat is dan een van de attracties van een modern schoon hotel. Ik denk dat je in James’ hotel minder kans hebt je te pletter te lopen op een gepoetste glazen deur.
Als ik weer terug ben bij James’ Hilton blijkt mijn fietscollega ondertussen zijn fiets klaargemaakt te hebben voor de reis. Hij heeft een week of twee in Chiang Khong vertoefd, maar nu wordt het voor hem tijd om zijn tocht te vervolgen, zo vertelt hij mij.
“Wat heb je dan al die tijd hier gedaan?” vraag ik.
“Gewerkt in de fietsenzaak van Alan Bate. Die fiets van mij komt bij hem vandaan.” en hij wijst trots naar zijn rijwiel dat tegen het trapje van zijn pittoreske bungalow staat.
“Alan Bate?” vraag ik.
“Ja, ken je die niet?? Foei! Hij staat in het Guinnes-Book of Records voor zijn snelheidsrecord rond de wereld fietsen.”
“Hoe doe je dat?”
“Gewoon hard fietsen, lijkt mij.”
“Ik bedoel rond de wereld fietsen. Zo hier en daar zit er toch een stukje water tussen.”
“Daar zijn regels voor, bijvoorbeeld een minimum afstand, een aantal continenten etc. Ik ken ze niet precies, maar het is vrij nauw omschreven. Ik zal je morgenvroeg, voor we overvaren naar Laos, aan Alan voorstellen.”
Nadat we nog wat organisatorische zaken hebben doorgenomen gaan we elk terug naar ons hotel. Als ik bij het mijne aankom zijn de eigenaar en zijn dochter druk bezig horizontale blauwe stroken op de glazen deur te plakken, 50 cm en 120 cm boven de grond.
“Geen olifant?” vraag ik.
“We konden geen stickers van olifanten vinden, maar met deze stroken zul je niet meer tegen de deur aanlopen” merkt de man op.
Voorzichtig vóór me tastend, hoewel het nog licht is, loop ik naar mijn kamer, maar andere onzichtbare deuren blijven mij bespaard.

 
hanen
De hanen van de koning
Een reis door Thailand, Laos en Cambodja.
ISBN: 9789038925059 | Bestel op bol.com

Fragment 2

De volgende dag is het weer nog steeds belabberd, maar gelukkig regent het niet. Onder deze omstandigheden heb ik echter weinig zin in de door mij geplande route door het verlaten junglegebied. Weliswaar is de weg geasfalteerd, maar om in de rimboe overvallen te worden door regen met als enige schuilmogelijkheid druipende bomen lokt mij niet aan. Daarom kies ik alsnog voor de grote weg. Als ik echter na een uur of twee rijden bij de afslag van de jungleroute kom, is het weer ondertussen zo ver opgeknapt dat ik weer aan het twijfelen sla. Vervelend dat eeuwige getwijfel van mij. Maar wat is vervelender: rot weer zodat ik niet hoef te twijfelen en gewoon door kan rijden naar Sa Kaeo aan de grote weg of half opklarend weer dat mij aan het twijfelen brengt of ik niet toch beter de leukere route kan nemen? Zelfs over het antwoord op deze vraag twijfel ik.
Tijdens al dat gedub klaart het weer nog iets verder op. Daarom kies ik uiteindelijk toch voor de rustige jungleroute naar Phanom Sarakham. En zo realiseer ik me dat twijfelen soms goed kan zijn, want zonder die twijfel was ik nu al een eind verder gereden in de richting van de grote weg en zou ik waarschijnlijk met het beter wordende weer opnieuw aan het twijfelen slaan om toch de aardige route te rijden.

Eerst kom ik langs suikerrietplantages. De weg gaat hier en daar een beetje op en neer, maar echt klimwerk krijg ik niet. Na 27 km maakt het suikerriet plaats voor jungle. Leuk om op het eind van mijn reis toch nog door een klein stukje woest gebied te komen. Regelmatig zie ik olifantkeutels langs en op de weg liggen. Die hebben ongeveer dezelfde samenstelling als paardenkeutels, althans oppervlakkig bezien. Een diepgravende analyse maak ik er niet van. Dat zullen biologen ongetwijfeld al gedaan hebben. De keutels zijn wel een stuk forser van afmeting dan die van paarden, namelijk ongeveer zo groot als een voetbal. Ook zie ik op meerdere plekken een soort gangen het dichte struikgewas in gaan, waarvan ik vermoed dat olifanten die gevormd hebben door daar gewoon als een bulldozer doorheen te banjeren. Er moeten in dit dicht begroeide heuvelland flink wat van die beesten zitten, lijkt mij. Ik kan maar beter een beetje oppassen, want niet alle Aziatische olifanten zijn tamme vriendelijke oli-taxi’s die op hun rug toeristen tussen tempels rondtorsen of die je met een schouderklopje een tros bananen in de slurf kunt duwen. Hier zitten wilde olifanten en die kunnen andere spelletjes gaan spelen dan een gezellig partijtje voetbal, zoals ik dat in de olifantfarm dicht voor Chiang Mai heb gezien.
In de verte zie ik een stuk of wat auto’s die stilstaan op de weg. Wordt hier een rotonde aangelegd zonder zijwegen, of is er een bulldozer bezig, waarvoor het verkeer tijdelijk wordt stilgelegd totdat de weg weer vrij is? Als ik nader zie ik echter dat de auto’s op eerbiedige afstand wachten voor ….. een olifant! Daar heb je het al, een echte wilde olifant! Hij staat aan de linkerkant van de weg, half in de berm en was blijkbaar aan het oversteken naar rechts toen hij werd gestoord door een auto. Ondertussen staan er drie auto’s van de andere kant en twee van deze kant te wachten, een hele file op zo’n rustige weg! Het beest zwaait met zijn oren en dat betekent bij een olifant: ‘Pas op want ik ben in een humeurige bui en als je niet oppast geef ik je een lel met mijn slurf!’ Zo heb ik ze in Afrika, voornamelijk in wildparken, meerdere malen gezien. In zo’n geval kun je beter een straatje omrijden. Deze hier is dus beslist geen brave dikke jongen die je in een rijtje kunt laten paraderen met zijn slurf om de staart van zijn vriendje voor hem. En voor je hem in een grote stoel van een circus hebt zitten, zijn er heel wat stoelen tot brandhout verwerkt. Logisch dat de chauffeurs van de auto’s op een meter of vijftig afstand even de kat uit de boom kijken. Als je langs zo’n zestonner rijdt en hij wordt kwaad stampt hij je mooie glimmende machine in elkaar alsof het een leeg soepblik is.
Ik stop achter de achterste auto, ervan uitgaande dat als Oli moeilijkheden gaat maken, hij eerst zo’n mooie auto uitkiest om er zijn woede op te koelen. Tegen de tijd dat hij klaar is met de vijf auto’s ben ik in de hoogste versnelling al een heel eind terug gefietst.
Na een paar minuten staat de olifant nog steeds te wapperen met zijn oren en wrijft daarbij met zijn rechterpoot over het asfalt, alsof hij aanstalten maakt te gaan rennen. Er komen ondertussen nog een paar auto’s van de andere kant en ook die houden voorzichtigheidshalve halt achter de achterste auto. Na een paar minuten loopt onze dikke vriend een paar passen verder het asfalt op en blijft dan midden op de weg staan, waarna er weer niet veel gebeurt. Als hij van plan is er een hele dag over te doen om aan de overkant te komen, kan ik beter omkeren en alsnog de grote weg over Sa Kaeo nemen. Ik overweeg een foto te maken van het beest, maar bedenk me, want ik wil snel door kunnen rijden als Oli de weg vrij maakt. Bovendien is de afstand te groot om hem er goed op te krijgen. Daar heb je een flinke zoomlens voor nodig. Met mijn camera krijg ik niet meer op de foto dan een grijs speelgoedbeestje. Dan zullen vrienden, die ik later de foto laat zien, vragen: “Was je daar nou zo benauwd voor?” Dit soort situaties is helaas niet goed op een plaat vast te leggen tenzij je apparatuur van duizenden euro’s hebt met een aanhangwagentje om het allemaal mee te zeulen.

1685.verkleindNa een minuut of tien, als mijn geduld op dreigt te raken, komt er plotseling beweging in het grijze gevaarte. Hij bedenkt zich, keert om en loopt terug, de linker berm in. Misschien krijgt hij genoeg van al die pottenkijkers. Er zijn ondertussen alweer een paar auto’s bij gekomen, waardoor het hier een beetje op spitsuur bij de Van Brienennoordbrug gaat lijken. Na opnieuw wat getwijfel doet hij nog een paar passen waardoor hij nu half in de struiken staat met zijn reusachtige achterwerk naar de weg gekeerd. De voorste automobilist van de andere kant begint voorzichtig te rijden. De olifant reageert niet en dus rijdt de auto hem met een dot gas voorbij en stuift weg. Ik en ongetwijfeld alle inzittenden van de auto’s kijken gespannen toe hoe Oli reageert. Die blijft als een grijs standbeeld half in de struiken staan.
“Toe nou! Loop nu eens door!” mompel ik maar blijkbaar is Oli net zo’n twijfelaar als ik en daar komt bij dat hij niet met de hulp van een muntje uit deze impasse kan komen. De tweede auto van de andere kant waagt nu ook zijn kans, een actie die evenmin tot een reactie van de hoofdrolspeler van dit drama leidt. Het gewapper van zijn oren is nu niet goed meer te zien dus ik weet niet of hij nog geïrriteerd is of dat hij het allemaal wel goed vindt. Na de tweede geslaagde autopassage stuiven achtereenvolgens alle andere auto’s de grote grijze twijfelaar voorbij om hun weg te vervolgen. En zo blijf ik alleen achter met Oli, waarvan nog steeds alleen het achterwerk aan de linkerkant van de weg uit de struiken steekt.
Wat nu gedaan? Hier blijven wachten tot deze trage denker tot een besluit komt? Omkeren en een geweldig eind omrijden? Nu doorrijden? Ik wacht nog een paar minuten, maar als er dan nog niets is gebeurd, raap ik alle moed bij elkaar en rijd langzaam naar de rechterkant van de weg, waarbij ik goed oplet hoe mijn dikke vriend reageert. Die speelt nog steeds voor standbeeld en daarom stuif ik versneld vooruit. Juist als ik langs hem race ontwaakt hij uit zijn schijnbare verdoving, draait zich verrassend vlug om en begint naar de weg te hollen. Blijkbaar ergert hij zich, net als zo vele honden, meer aan een fietser dan aan een auto. Alsof er een wild dier achter me aankomt, wat dus ook het geval is, accelereer ik met alle kracht die in mij is en schiet ik als een raket voorwaarts, wetende dat olifanten, hoewel die niet tot de lichtste wezens op deze aardbol behoren, flinke snelheden kunnen ontwikkelen. Stoppen, een harde schreeuw geven en een flinke steen oprapen, zoals je bij een aanvallende hond moet doen, is een methode waar Oli zich erg weinig van zal aantrekken, vrees ik. Vluchten is dus de enige mogelijkheid tot lijfsbehoud.

1950.verkleindAls dit misloopt, voor mij althans, kunnen de ambulancejongens me straks tussen de oneffenheden van het asfalt vandaan peuteren. Dat zou een triest besluit zijn van een mooie reis. En wie zou dan dit boek moeten schrijven? Wie zou mijn onvoltooide dagboek vinden? Wie moet over een week de lezing over Mongolië houden op de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam? Deze gedachten flitsen door mijn hoofd, terwijl de olifant achter me aan holt. Slechts enkele seconden duurt dit dreigende drama. Dan staakt het beest de achtervolging. Ik jakker nog een eind door en laat dan opgelucht de snelheid terugzakken naar een normaal niveau. De weg naar het vliegveld van Bangkok, waar ik over een dag of zes het luchtruim zal kiezen, terug naar het koude Nederland, ligt voor me open. Bijna blies deze olifant met zijn grote snuit al mijn toekomstige verhalen uit.

hanen
De hanen van de koning
Een reis door Thailand, Laos en Cambodja.
ISBN: 9789038925059 | Bestel op bol.com

Steun de Maya’s

Geïnspireerd door mijn boek ‘Revanche in de Andes’ zijn Albert en Ruth Ducrot indertijd enthousiast geworden voor het maken van grote fietsreizen. Na zo’n tien jaar over de wereld gezworven te hebben kwamen ze hier in San Juan la Laguna, gelegen aan het meer van Atitlán, terecht. Daar vonden ze door toeval een noodlijdend centrum voor gehandicapte kinderen. Dat veranderde hun leven drastisch. In plaats van de wereld verder te verkennen zetten ze zich vanaf dat moment geheel in voor het verbeteren van de leefomstandigheden van de Mayabevolking en in het bijzonder van mensen met een handicap.

Nu, na elf jaar, hebben Albert en Ruth de organisatorische taken vrijwel geheel in handen gegeven van capabele Guatemalteken. Albert, die met zijn baan als loods in de Zeeuwse wateren een redelijk pensioen had opgebouwd, besteedt dat nu aan het helpen van de Mayabevolking. Het centrum loopt goed, maar de financiering ervan vormt het grote probleem, want Alberts pensioen is niet onuitputtelijk. Het vinden van sponsors is het wringpunt van de organisatie.

Voor het geval een van mijn lezers hier een goed idee over heeft, kan hij of zij contact opnemen met Albert en Ruth via rualdu@hotmail.com.

En mocht u, lezer, een financiële bijdrage willen leveren aan dit project, ziehier dan het rekeningnummer:

NL18INGB0002210035

t.n.v.:

Stichting Steun de Maya’s

Zuiderbaan 7

4386CK Vlissingen

 

Elke euro die daarop gestort wordt komt bij arme gehandicapte kinderen terecht, zodat die hoop kunnen krijgen op een toekomst, even zonnig als het meer van Atitlán zelf.

Stichting Steun de Maya’s. (www.steundemayas.nl)

NAMIBIE-REIS – Laatste deel

Mijn reis van vier maanden door Namibië zit er op. Helaas is mijn berichtgeving onderweg nogal mager geweest. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste zijn er in Namibië nauwelijks internetcafés en  is de wifi-verbinding, zo die al ergens bestaat, meestal belabberd. Ten tweede zit ik op reis liever op mijn fiets of ergens lekker in de zon, dan dat ik binnen met een computer aan de slag ga. Daar komt dan nog bij dat mij, eerlijk gezegd, ook wel een zekere luiheid is te verwijten.
Ik ben alweer twee weken in Nederland en neem nu, na mij door de berg post van vier maanden geworsteld te hebben en alle schuldeisers tevreden te hebben gesteld, de pen ter hand om het een en ander over het laatste deel van mijn Namibië-reis te schrijven. Daarna moet ik het nog uittypen en opsturen naar Erik Stam, mijn websitebouwer die het vervolgens op de site zet. Het kan dus nog wel even duren voordat u dit verhaaltje met foto’s te zien krijgt, maar wanneer u dit leest is het dan toch zo ver!

Ik was de vorige keer bij de Augrabies-falls in Zuid Afrika blijven steken, een mooie waterval, maar in 2002 toen ik er ook was, kwam er heel wat meer water naar beneden dan deze keer. Dit jaar had het veel minder geregend dan toen, wat slecht is voor watervallen, maar goed voor fietsers.
Bij Onseepkans reden Andries, mijn metgezel en ik Namibië weer in en na een mooie woestijntocht dicht langs de grens van Zuid Afrika kwamen we bij de zeer indrukwekkende canyon van de Fishriver, de grootste kloof van Afrika, afhankelijk van hoe je de grootte van een kloof definieert. Hij lijkt door zijn kale maar kleurige wanden op zijn grote broer in Arizona.
Seeheim, 109 km naar het noorden bestaat slechts uit een hotel met een grasveldje er voor waar je je tent kunt opzetten, iets wat wij na deze flinke etappe over gravelwegen ook deden. Ik besloot het vanaf hier een paar dagen rustig aan te doen aangezien ik een gekneusde rib had van een  onschuldig lijkende valpartij, een paar dagen daarvoor. Ik liep bij een snelheid van 4 km/uur in dik gruis vast, zette mijn voet verkeerd neer, waardoor de fiets uit balans kwam en tuimelde op de grond. Schaafwondjes en verder niks, dacht ik, maar ‘s avonds begon ik al wat te voelen aan een rechter rib. Vreselijk werd het niet maar wel zo erg dat ik moeite had om op de fiets te klimmen. Na enkele dagen werd het minder pijnlijk maar over ging het toch niet, vandaar mijn besluit om tijdelijk wat kortere etappes te rijden. Ik wilde Andries echter niet ophouden en daarom besloten we deze laatste drie weken van onze tocht elk afzonderlijk te rijden. Voor vertrek uit Nederland hadden we al duidelijk afgesproken dat we elk onze volledige vrijheid moesten houden. We spraken af via e-mail met elkaar in contact te blijven, iets wat bij voorbaat gedoemd was te mislukken gezien het vrijwel volledig ontbreken van internetcafés. Geen nood, want we zijn elk ervaren fietsreizigers die niet in zeven sloten tegelijk rijden, vooral niet in dit kurkdroge land waar het begrip ‘sloot’ onbekend is.
Helmeringhausen, waar ik drie dagen later arriveerde was een stuk groter dan Seehein, want behalve een lodge en drie huizen stond er een winkel. Een lastig traject vanwege de op veel plaatsen zandige piste volgde naar het ongeveer even grote Betta. In het minuscule en peperdure winkeltje overhandigde de kassière me een blikje ijskoude cola met de woorden: “Cadeautje van uw vriend die hier gisteren langs kwam.” Attent toch van Andries! In Windhoek zal ik hem trakteren op een cola light, want merkwaardigerwijs vindt hij die nepcola lekkerder dan echte cola.
De route naar Sesriem, 135 gravelkilometers verder naar het noorden, voerde door prachtig woestijn- en bergland, waar veel dieren, zoals spiesbokken en springbokken rondliepen. Helaas lieten de zebra’s, die hier ook moeten zitten, het vandaag afweten. Vanaf Sesriem (twee campings, benzinestation, winkel en een paar lodges) loopt een asfaltweg (ja, u leest het goed: asfalt!!) naar Sosusvlei. Dat is een van de grote toeristische trekpleisters van Namibië. Het was na die vele honderden kilometers over gravelwegen een bijzondere ervaring om weer eens zoevend over asfalt vooruit te kunnen snellen. Dat snellen was ook nodig want kamperen bij Sosusvlei was verboden. Ik moest dus in één dag heen en weer rijden, ofwel 2 x 62 km, benevens vijf uren sjouwen door dik mul zand om zowel Sossusvlei (vlei = vallei) als de daar in de buurt liggende Deadvlei te kunnen bekijken. Vooral die laatste vlei was geweldig: een opgedroogd meer met spierwitte leembodem dat fraai afstak tegen de omringende gele zandduinen. De grillige dode bomen in de witte leem droegen bij tot de bijzondere sfeer. Die bomen schijnen daar al meer dan duizend jaar te staan. Omdat hier geen leven is, afgezien van wat toeristen die er soms rondlopen, zijn er ook geen bacteriën, zodat de bomen niet kunnen verrotten. Toen ik er rond het middaguur kwam was er slechts heel weinig leven: een groepje toeristen dat het al snel voor gezien hield en terug sjokte naar de jeep, want het was ‘te heet’. ‘s Morgens vroeg en laat in de middag is er doorgaans meer leven in deze dode brouwerij maar rond het middaguur had ik er het rijk alleen.
Naar Solitaire, weer zo’n benzinepomp-camping-lodge-winkel-plek in de middle of nowhere ging het opnieuw over gravel. De Spreetshoogtepas waar ik vandaar over moest was zo steil, dat ik over de klim van vier kilometer ruim twee uur deed. Bovenaan kwam ik op een heuvelachtige hoogvlakte, een prachtig gebied vol granietrotsen. Twee dagen lang wandelde ik daar tussen al dat fraai geërodeerde steen voordat ik mijn tocht vervolgde.
Op de laatste dag voor Windhoek ging ik aan bij de Hoffnungsfeld-farm waar Andries en ik op de heenweg ook waren geweest. Van de erg gastvrije Wolfgang en Susanne Jamnik mocht ik in een comfortabel huisje op het erf logeren. ‘s Avonds mocht ik met ze mee-eten. Het zijn Oostenrijkers die hier 16 jaar geleden naartoe zijn geëmigreerd. “Een veel rustiger leven dan in het jachtige Europa en een veel fijner klimaat. Hoewel … dit jaar heeft het wel erg weinig geregend.” We spraken af dat het drie dagen later, als ik goed en wel het luchtruim zou hebben gekozen richting Schiphol, mocht gaan stortregenen: “Goed voor de boeren.”
In Windhoek trof ik in het backpakersguesthouse, waar Andries en ik aan het begin van onze tocht hadden gelogeerd, mijn fietsmakker weer. Hij had, omdat hij een paar dagen op mij voor was komen te liggen, nog een extra lus ten Westen van Windhoek gefietst.
Donderdag 26 februari namen we het vliegtuig terug naar Nederland en Vrijdagochtend kwamen we aan op Schiphol. In de middag kwam ik thuis, maar de volgende dag moest ik alweer naar Antwerpen omdat ik op de Vlaamse Fiets- en Wandelbeurs lezingen moest houden. Dat was even omschakelen!

Met deze en voorgaande nieuwsbrieven heb ik u een summiere indruk gegeven van mijn Namibië-reis. Misschien schrijf ik er te zijner tijd een dik boek over, maar eerst moet mijn boek over  Zuidoost Azië af, waaraan ik al voor mijn Namibië-reis ben begonnen. Wanneer het uitkomt is nog in het ongewisse, aangezien ik een langzame werker ben en ik me door niets en niemand laat opdrijven. ‘Luiheid’ zou je die eigenschap misschien wel kunnen noemen. Kwalijk natuurlijk, want luiheid is een heel slechte eigenschap. U zult dus nog een tijdje op dat boek moeten wachten. Zonder die luiheid zou u echter eeuwig op dat boek moeten wachten, want dan had ik na mijn studie in Delft voor een carrière in de elektrotechniek gekozen en dan had ik het natuurlijk zo druk gehad met mijn baan dat ik nooit een boek had kunnen schrijven.
Geduld dus. Het boek komt er aan….. tenzij Philips een dringend beroep op me doet en ik het alsnog druk-druk-druk ga krijgen.

Augrabies waterval Januari 2015

Hallo Erik,
Mijn laatste bericht stuurde ik vanuit de farm van de familie Visser  een km of 40 ten zuiden van Leonardsville. (aardig even te memoreren dat ik bij Leonardsville de tropen (tijdelijk) uit fietste). Bij deze gastvrije familie logeerde ik een dag om weer aansluiting te krijgen met Andries Menger, mijn fietsmaat van deze reis die een omweggetje door Botswana maakte. Omdat daar geen telefoondekking was kreeg ik geen bericht van hem en daarom fietste ik de volgende dag door naar Stampriet. Daar was dekking voor de telefoon maar er kwam op mijn mobiele apparaat geen bericht van Andries en dus fietste ik verder naar Mariental waar ik na nog een dag wachten bericht kreeg van Andries dat hij ook op weg was naar Mariental. De dag daarna ontmoetten we elkaar in Mariental. Andries had in de Caprivistrip in Noord Namibië krokodillen en nijlpaarden gezien, dus zijn tocht was wat dat betreft geslaagd. Hierna trokken we weer samen verder. We reden via Asab naar de Brukkaros krater en beklommen die te voet. Mooie uitzichten over de wijde omgeving.
Verder ging het via Keetmanshoop waar we de beroemde kokerbomen bekeken (foto’s daarvan later) en door de Grote Karasbergen naar Ariamsvalei bij de grens van Zuid Afrika. Op die route ervoeren wij erg veel gastvrijheid van boeren met wie we Nederlands konden praten. Zij antwoordden dan in het Afrikaans wat over het algemeen goed te verstaan was, maar soms tot wat misverstanden leidde. De grensovergang naar Zuid Afrika vormde geen enkel probleem. Wel een probleem was een nogal ruige gravelweg vol wasbord en gruis naar Kakamas. Vandaar weer asfalt tot waar we nu zijn: de Augrabies waterval, die we morgen gaan bekijken. Ik ben daar in 2002 ook al geweest en vraag me af of het water daar na al die tijd nog steeds valt.
Hopelijk is mijn verhaal een beetje te lezen, want ik ben me vanavond, na te veel cola, te buiten gegaan aan een glas bier en na zo’n stoot alcohol ben ik niet altijd even helder van geest.
Ik houd je op de hoogte van onze verdere avonturen, eigenlijk meer belevenissen.