Bericht 5
We beginnen deze aflevering van ‘De bijna eeuwig durende vervolgserie van Frank op zijn Santos’ met een luguber plaatje.



Ik reed langs flink wat rubberboom plantages naar Wat Phu Tok, ook weer een spectaculaire rotsheuvel met tempel.

Ik zag in dit gebied, evenals op meerdere plekken, dat sommige rubberplantages verwaarloosd waren. De concurrentie van synthetische rubber schijnt tegenwoordig vaak te groot te zijn voor de rubberplanters. Elke dag moet de planter namelijk dat kleine randje van de schors afsnijden om de boom verder te laten ‘bloeden’en al dat werk wordt tegenwoordig te duur.






Na deze Buddhistische rotsberg uitgebreid bekeken te hebben vervolgde ik mijn tocht in de richting van de Mekong, waarbij ik langs dit waarschuwingsbord kwam:

In het plaatje meende ik een olifant te herkennen. Ik moest hier dus oppassen om niet zomaar over zo’n beest heen te rijden. Maar wat veel erger was, eigenlijk in heel Thailand, waren de honden. Niet de wilde honden, maar de honden die meenden hun territorium te moeten beschermen tegen indringers. En het probleem met die wakkere wakers was dat ze meestal niet wisten waar ‘hun’ territorium ophield. Dat liep voor de meesten een enorm eind verder over de weg tot waar het dan weer grensde aan het territorium van een buurhond. Er waren rustige dagen, waarop het leek alsof de honden vrijaf hadden, maar er waren ook dagen waarop ik wel 8 maal werd aangevallen. Soms kwam er van een erf één ‘brave viervoeter’ op mijn afgestormd, maar bij andere erven waren er ook meerdere die luid blaffend achter me aan kwamen, tot wel zes tegelijk. Echt gevaarlijk waren deze Thaise territoriumbeschermers niet, maar herhaaldelijk moest ik met een grote schreeuw van de fiets springen om de beesten te verjagen. De voortdurende confrontatie met deze lastposten ging me steeds meer irriteren en het harde schelle geblaf trof mij elke keer als een mokerslag op mijn trommelvliezen.
Op een avond, in een sombere bui, toen ik begon te overwegen om er de brui aan te geven, kreeg ik plotseling een gedachte, die rechtstreeks uit de hemel leek te komen: ‘Frank, jongen, ongeveer een jaar geleden, in Nicaragua, brak je je rechter voet op een afstapje van 6 cm ’s nachts in een hotel tussen het toilet en je kamer. Dat was het einde van die reis door Centraal Amerika. Gips om je voet, repatriëring en een maand lang thuis zitten met je been omhoog en dat blok gips om je voet. (Zie mijn blog van een jaar geleden). Wat ben je op deze Thailand-reis toch een bofkont dat je geen voet hebt gebroken en ook geen ander lichaamsdeel!’
Ja, ik nam mij voor om vanaf die dag elke hond die luid blaffend op me af kwam stormen te begroeten als de brenger van de goede tijding: “Je voet is niet gebroken, het is mooi lekker zonnig weer, je bent geheel gezond en je hebt nooit gedonder met je fiets!” En verder nam ik mij voor om met volle teugen genietend verder te fietsen met de houding van ‘Hoe meer en hoe harder het geblaf van al die grote vrienden, hoe fijner. Dat geeft pas een echt leuk hondensfeertje!’ Als ik dat geestelijk op zou kunnen brengen had ik de ‘verlichting’ bereikt.
Het merkwaardige feit deed zich de volgende dag voor, dat ik van de ochtend tot de avond niet werd achterna gezeten door honden. Zou dat iets te maken kunnen hebben met die verlichte gedachte? De kracht van het positieve denken! Misschien, maar het kon ook komen doordat ik die dag hoofdzakelijk door bossen fietste waar geen bewoning was en dus ook geen honden die territoria moesten beschermen. Je weet het eigenlijk nooit precies met verlichtende gedachten.
Die dag bereikte ik zonder over olifanten heen te rijden en genietend van het geblaf van al de honden die er niet waren, de Mekong.

De bergen aan de overkant van de Mekong oefenden op mij, na al dat vlakke land van noordoost Thailand, een grote aantrekkingskracht uit. Ik had daar drie jaar geleden een mooie tocht gemaakt en wilde er weer eens een kijkje nemen. Dat kon, want niet zo ver naar het zuiden bevond zich de brug over de Mekong naar het plaatsje Tha Kek in Laos. Er was echter wel een probleem, want er mocht over die brug niet gefietst worden. Ik moest voor de brug mijn fiets in een pendelbus laden en mee rijden naar de overkant. Na een uur wachten kwam de bus. De bagageruimte onderin zat barstend vol bagage van een stel studenten, die ook naar Laos gingen. Er konden een paar van mijn tassen bij, maar voor de rest van de bagage en de fiets zelf was geen ruimte meer.
Ik zei tegen de chauffeur: “Laad me nu maar gewoon over die brug fietsen, dan bent u van al dat getob af,” maar dat kon natuurlijk niet. “Regels! Te gevaarlijk met een fiets over die brug!” Uiteindelijk werd de fiets en de rest van mijn bagage de bus in gehesen en op het middenpad gedeponeerd. Veel werk voor niets, maar regels zijn regels.
Aan de andere kant laadde ik de fiets weer op en kreeg tegen betaling van 40 dollar een stempeltje in mijn paspoort gedrukt, goed voor een verblijf van 30 dagen in Laos, waarna ik mijn reis kon vervolgen.
Was die Mekongpassage dus relatief lastig, het wisselen van geld op een bank in Tha Khek ging verbluffend eenvoudig. Ik liep de bank in, ging regelrecht naar een loket waar niemand voor stond (dat doe ik altijd als er rijen wachtenden voor loketjes staan) en vroeg aan de dame achter het loket of ik euro’s kon wisselen. Dat kon.
“En wat is de koers van de euro?’ vroeg ik.
“24.769 Kip.” antwoordde ze. “Hoeveel wilt u wisselen?”
“Driehonderd euro,” zei ik en schoof zes briefjes van 50 onder de glazen plaat van het loket door. Voor ik het me realiseerde werden er zevenmiljoenvierhonderdendertigduizendzevenhonderd kippen voor me uitgeteld. Twijfelend door dit razendsnelle werk en verwachtend dat ik teruggeroepen zou worden om een stapel formulieren in te vullen en mijn paspoort voor de dag te halen, dat in zesvoud gekopieerd zou moeten gaan worden, liep ik naar de uitgang. Maar nee, ik werd niet teruggeroepen. Alles was klaar. Zulke banken tref je niet vaak in den vreemde en ook niet in Nederland. Daar heb ik wel eens een half uur moeten wachten totdat de Rabotante haar computer onder stoom had gelegd, waarna ze vroeg: “Hoeveel wilt u wisselen?” Ik zei dat ik eerst de koers wilde weten, waarop zij antwoordde dat die koers pas uit de computer kwam rollen als ze eerst het te wisselen bedrag invulde. Ik zei: “Eerst de koers!” en zij zei: “Nee, eerst het bedrag dat u wilt wisselen.”
“Doe dan maar een cent,” zei ik, maar dat wilde ze niet. Zo kwamen we dus niet verder. Einde Rabo-poging.
Met mijn zakken uitpuilend van de Laotiaanse Kippen fietste ik naar een hotelletje aan de oever van de Mekong en nam daar een kamer voor twee ton Kip, het equivalend van acht euro en zeven en een halve cent. Tegen zonsondergang slofte ik op mijn gemak langs de Mekong, waarbij ik dit aardige plaatje schoot.



Nog even dit: mochten deze berichten over Thailand en Laos naar meer smaken, dan kunt u daar uitgebreid over lezen in mijn boek ‘De hanen van de koning’. Dat boek gaat over een van mijn vorige reizen door deze landen en ook door Cambodja (met een uitgebreid bezoek aan de tempelstad Angkor!).

Dat boek alsmede de andere boeken waarvan de voorplaten afgebeeld staan op foto 17, kunt u bestellen via stephen.verdonkschot@gmail.com Omdat het binnenkort Pasen is en u dan misschien wat tijd heeft om te lezen, heb ik de volgende speciale Paas- Pinkster en Zomeraanbieding: Bij bestelling van 2 of meer van de boeken die afgebeeld staan op deze foto (17), kunt u gratis een exemplaar bij uw bestelling voegen. Zolang mijn voorraad strekt. Dus drie voor de prijs van twee en vrij van verzendkosten.

Wacht niet te lang, want sommige boeken zijn al op weg om antiquarisch te worden!
Frank
Ontdek meer van Frank van Rijn
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
