Knipoog van het Nijlpaard

bananenverkoop.jpg
Bananen genoeg gelukkig, ze zijn een welkome aanvullig op mijn dagelijks dieet.

Op bezoek bij de chairman van Kabanga

Kabanga, een klein dorpje niet ver van Kasulu, ligt aan de voet van een grote heuvelrug. In het dorp bevindt zich het districtshospitaal met een afdeling voor leprapatiënten. John Mansoer, een Nederlandse arts die het leprawerk in het district Kigoma coördineert, woont tegenover het hospitaal. Als ik tegen het einde van de ochtend van 30 oktober bij zijn huis aankom, tref ik er een aantal Nederlandse journalisten, die gekomen zijn om wat artikelen over leprabestrijding in Afrika te schrijven. Ze zitten nogal in de put, want zojuist heeft de chairman van Kabanga bepaald dat het verboden is te fotograferen in het dorp en omstreken. Wat kan een journalist doen zonder foto’s? Schrijven, dat is waar, maar het blijft half werk zonder plaatjes, vooral bij een onderwerp als lepra.
De sfeer die in het dorp hangt, is er een van wantrouwen. Je kunt van de gezichten die je nastaren de vragen aflezen: ‘Wat moeten die lui met die grote camera’s? Gaan ze de foto’s in hun land bekijken en ons uitlachen? Zijn het spionnen? Of gaan ze die foto’s voor een heleboel geld verkopen?’
Het gerucht dat er nog een blanke bijgekomen is, en wel op een fiets, verspreidt zich snel door de gemeenschap en even later komt een bode melden, dat het dorpshoofd en de secretaris van de CCM, de Tanzaniaanse politieke partij, die nieuwkomer morgenvroeg willen zien.
De volgende ochtend vroeg ga ik samen met John naar het bureautje, een kilometer verderop. Voor deze speciale gelegenheid heb ik mijn lange broek aangetrokken. In plaats van één keurige vouw, zitten er wel honderd in, want hij heeft lange tijd opgepropt in mijn bagage gezeten.
Als we bij het kantoortje van de CCM aankomen, dat er als een schuur uitziet, is er nog geen mens. Onverrichterzake keren we terug naar Johns huis, maar als we het een uur later nog eens proberen, zit er meer leven in de brouwerij. Er lopen wat jongens rond die voor het gebouw bezig zijn de groene vlag van de partij te hijsen.
‘Is de chairman al aangekomen?,’ vraagt John.
‘Nee,’ is het antwoord, ‘maar hij komt zo. Wacht!’
‘En de secretaris van de CCM?’
‘Nee, maar die komt ook zo meteen. Wacht!’
We nemen plaats op krukjes die voor het gebouwtje staan en wachten. Even later komt er een man met een ringbaardje aan. Ik schat zijn leeftijd op 35 jaar. Hij is de chairman, ofwel het dorpshoofd.
‘Salame, salame.’ We schudden elkaar de hand. De chairman gaat naar binnen en komt even later met een krukje naar buiten. Hij gaat naast ons zitten en wacht ook. John vertelt onder het wachten wat ik hier doe. Het gesprek gaat in het Swahili en ik vang alleen de woorden baisikeli, Frank van Rijn, Holland, Dar es Salaam en Dakar op, maar het verhaal zal ongeveer zo klinken: ‘Dit is Frank van Rijn uit Holland. Hij maakt een fietstocht van Dar es Salaam naar Dakar. Het is een fondsenwervingstocht voor de Nederlandse Leprastichting, ter gelegenheid van haar 25-jarige bestaan. Nu logeert hij een paar dagen bij mij.’
De chairman luistert aandachtig toe, onderwijl knikkend. Dan komt er een jongere man aangelopen met een rond moslimpetje op zijn hoofd. Ik schat hem rond de dertig. Hij blijkt de secretaris van de CCM te zijn.
‘Salame, salame.’ Weer worden er handen geschud. We mogen naar binnen en volgen de secretaris naar zijn kamer. Daar aangekomen neemt deze plaats achter zijn bureau, een houten tafel die bijna de hele ruimte van 2,5 bij 2,5 meter beslaat. Met moeite wringen John en ik ons aan de andere kant van de tafel op een bankje. Ik kijk rond terwijl John het verhaal doet. De eens witgekalkte muren vertonen bruine vochtplekken en scheuren. Tegen het plafond van golfplaat zitten spinnewebben en een van de vier ruiten van het venster is gebroken, maar er zit een stuk karton voorgeplakt om inregenen te voorkomen.

mangomarkt.jpg
Een beetje gespecialiseerd wel: een markt alleen van mango’s.

Het gesprek gaat ongetwijfeld weer op dezelfde manier: ‘Dit is Frank van Rijn uit Holland. Hij maakt een fietstocht van Dar es Salaam naar Dakar. Het is een fondsenwervingstocht voor de Nederlandse Leprastichting, ter gelegenheid van haar 25-jarige bestaan. Nu logeert hij een paar dagen bij mij.’ De secretaris van de partij luistert aandachtig toe, onderwijl knikkend. Als John klaar is met zijn relaas, komt er een groot boek op tafel. Ik moet op een lijst mijn gegevens invullen. Ongelukkigerwijs is de bladzijde juist vol en moet ik op een nieuwe bladzijde beginnen. De secretaris haalt een lineaal uit de lade van zijn bureau te voorschijn en begint dan verticale lijnen te trekken op een manier waaruit zijn overtuiging spreekt dat hij nog 130 jaar te leven heeft. Uiteindelijk zijn de kolommen klaar, maar nu moet hij boven elke kolom nog het onderwerp schrijven: nummer, datum, naam, voornaam, leeftijd, paspoortnummer, beroep, burgerlijke staat, stam, komend van, gaande naar, opmerking, handtekening. Ook dat is niet zo snel voor elkaar, maar uiteindelijk staat het er allemaal toch netjes boven. Ik vul de kolommen in met mijn gegevens, waarna de secretaris het grote boek weer aarzelend in de lade laat verdwijnen.
We moeten meekomen en volgen de secretaris naar een andere kamer. Daar nemen John en ik opnieuw plaats voor een bureau. Erachter zit een oude bekende, de man met de ringbaard, de chairman van Kabanga. De secretaris van de CCM blijft naast hem staan en vertelt het nieuws, weliswaar in het Swahili, maar ik kan het ondertussen al bijna verstaan: ‘Dit is Frank van Rijn uit Holland. Hij maakt een fietstocht van Dar es Salaam naar Dakar. Het is een fondsenwervingstocht voor de Nederlandse Leprastichting ter gelegenheid van haar 25-jarige bestaan. Nu logeert hij een paar dagen bij dokter Mansoer.’ De chairman die een half uur geleden het hele verhaal reeds uit de mond van John gehoord heeft, luistert aandachtig toe, onderwijl knikkend. Dan volgt er een hele discussie tussen de chairman, de secretaris van de CCM en John, waar ik slechts het woord Daily News van opvang. Ik heb weer tijd om het vertrek rond te kijken, maar veel meer dan in het andere kamertje is hier niet, en veel minder ook niet. Deze hele operette begint me dan ook een beetje te vervelen, maar dat laat ik niet merken, want dan kon het wel eens veel langer gaan duren. Daarom blijf ik zitten met een gezicht alsof alles onnoemelijk interessant is. Dan wendt John zich tot mij met de vraag of ik weet op welke dag het artikel over mijn vertrek uit Dar es Salaam in de Daily News heeft gestaan. Ik antwoord dat ik dat weet en dat ik het artikel zelfs bij me heb. Als ik het knipsel op tafel leg, tasten de chairman en de secretaris van de CCM gretig toe en lezen het verhaal waarin staat dat ik een fietstocht van Dar es Salaam naar Dakar maak; een fondsenwervingstocht voor de Nederlandse Leprastichting ter gelegenheid van haar 25-jarig bestaan. Als ze het gelezen hebben, schudden ze John en mij de hand. De secretaris zegt, zoals ik even later van John hoor: ‘Nu weten we dat alles in orde is. Iedereen in Tanzania kent Frank van Rijn en daarom kunnen we hem in vrede zijn reis laten vervolgen.’

grootgat.jpg
Een andere betekenis van: ‘Pas op een gat in de weg.’

De Mission Nôtre Dame van Batouri
Met grote moeite duw ik mijn fiets door het half afgebrande struikgewas. De zwart geblakerde meters hoge grasstengels schuren langs mijn benen, armen en kleding. Ik zie er dan ook uit als een kolenboer en herken mezelf nauwelijks meer. Voortdurend houd ik de weg, die een twintigtal meters links van mij ligt, in de gaten, want ik moet niet de juiste koers kwijtraken in deze wildernis. Die weg is zo mul, dat er zelfs nauwelijks te lopen valt. Hier tussen de struiken is de grond wat harder en gaat het nog een beetje.
Ik heb weer eens een grote weg versmaad en gekozen voor dit kleine weggetje. Niemand in Bangui die ik ernaar gevraagd heb, scheen deze route via M’Baiki naar Carnot te kennen. Ik dacht dat het een nette laterietpiste zou zijn, maar ben er al een tijdje achter dat ik het bij het verkeerde eind had.
Dit zandavontuur heb ik nu eens niet louter aan mijzelf te danken. Ik ben op weg naar de leprozerie van Batouri in Cameroun, waar een Nederlandse pater en een Italiaanse zuster zitten.
‘Ga daar even langs,’ zeiden ze bij de Nederlandse Leprastichting in Amsterdam, ‘dat is leuk en het is niet zo ver om.’
Nee, op de kaart van Afrika is het maar een paar centimeter extra, iets waar ik me niet zo druk om maak, maar als ik van dit mulle zand geweten had, zou ik me nog wel even goed bedacht hebben. Te laat nu, ik zit er midden in en moet er door.
Zweet, zonne-olie, stof en as vermengen zich op mijn huid tot een kleurenspel dat een kunstschilder zou inspireren tot het scheppen van een meesterwerk. Mijn speciale zandbanden doen het prima, maar tegen die zandbak links van mij is niets opgewassen. 47-622 staat er op de banden, maar dat zal alleen insiders de ogen doen schitteren. Ik heb ze half leeg laten lopen, waardoor ze plat staan en minder ver in het mulle zand zakken, maar het blijft dwangarbeid.
‘Voorbij Sasselé is het gedaan met het zand,’ heeft men mij beloofd, maar als ik er na 20 km, deels duwend door de struiken, deels moeizaam peddelend over de weg, aankom, krijg ik te horen: ‘Nog maar 16 km zand. Voorbij Moukounji Ouali wordt de piste beter.’ Dit soort beloften heeft men mij al vaker gedaan en ik begin zo langzamerhand wat sceptisch te worden.
‘Is er koude Coca-Cola?,’ vraag ik bij het enige winkeltje van het dorp, maar je kunt hier net zo goed om een sorbet met kersen en slagroom vragen.
‘If you are further in the bush than Coca-Cola, you are really in the bush,’ heb ik wel eens horen zeggen. Wel, dan ben ik nu dus ‘really in the bush.’
‘U bent erg moe,’ zegt de jongen van het winkeltje. Dat zegt iedereen in Afrika tegen me en waarschijnlijk tegen iedereen die reist, maar vandaag heeft de jongen gelijk.
‘Ga zitten.’ Hij staat op van een wrakke stoel en biedt mij die aan. Ik laat mij in de stoel vallen, maar zie dan plotseling iets wat mij weer rechtop doet springen. Aan de voet van de dikke boom midden in het dorp ligt een grote, rijpe ananas.
‘Is die te koop?,’ vraag ik. Het antwoord is bevestigend. Als ik de ananas gepeld heb, blijkt hij beter en zoeter te smaken dan de zoetste Coca-Cola. Mijn energie en door zand en verbrande struiken aangetaste goede humeur komen langzaam terug.
‘Dus nog maar 16 km zand?,’ vraag ik na de gehele ananas tot verbazing van de omstanders opgegeten te hebben.

dorpsoploop.jpg
… en toen wilde het hele dorp een petje!

‘Ja,’ antwoordt de jongen en, ziende dat ik aanstalten maak om te vertrekken, voegt hij eraan toe: ‘Heb je een petit cadeau voor mij?’
‘Nee,’ zeg ik, ‘ik heb geen cadeaus bij me.’
‘En die pet?,’ vraagt hij, wijzend naar mijn baseball-pet die ik 3 jaar geleden in California langs de weg heb gevonden.
‘Die heb ik nodig tegen de zon.’ Dan schiet me te binnen dat ik een lading Gazelle-petjes bij me heb om hier en daar uit te delen aan kinderen. De petjes zijn meer berekend op de Nederlandse zon dan op de Afrikaanse en daarom gebruik ik liever mijn Californische pet. Ik geef de jongen één van de petjes, maar dat blijkt een fout te zijn, want nu willen opeens dertig kinderen een pet hebben en zoveel heb ik er niet. Ik loop het dorp uit met de hele meute schreeuwend achter mij aan. Vervelend dat ik nu niet snel weg kan komen. De kinderen kunnen er niet genoeg van krijgen en volgen mij kilometers lang door de struiken en over het zandpad. Dan wordt het pad gelukkig een beetje te berijden en kan ik in een platgereden autospoor aan mijn hardnekkige achtervolgers ontkomen. Voortaan moet ik wat voorzichtiger met mijn weggeef-petjes omgaan.
Voorbij Moukoundji Ouali wordt de weg inderdaad wat beter. Er ligt minder zand, maar de erosiegeulen, veroorzaakt door het wegspoelende water in de regentijd, zijn groter. Vooral op de steile klimmen en afdalingen lijken ze meer op kleine canyons. Je kunt er met je hele hebben en houwen in verdwijnen.
Op de missiepost van Djomo hoor ik van een Frans-Italiaanse broeder, dat hier twee jaar geleden voor het laatst een Europeaan is langsgekomen. Veel bezoek krijgt hij dus niet en dat is wel te merken aan de warmte waarmee hij mij ontvangt.
‘Blijf een dag uitrusten,’ biedt hij mij aan en dat doe ik, want het zand van de afgelopen dagen zit me als lood in de benen.

Welcome to Pakali Ba
Voordat ik van start ga naar Pakali Ba, waar mij een speciale ontvangst wacht, wil ik nog even wat geld wisselen. Om tijd te sparen ga ik niet naar de bank, waar het schrijfwerk me vaak te lang duurt. Op de markt vind ik een handelaar die dollars wil wisselen tegen een koers van 9 Dalasis. Ofschoon hij Engels spreekt, laat hij mij voor de duidelijkheid op zijn electronische rekenmachientje het getal 9 zien.
‘Is het niet wat weinig,’ vraag ik. ‘Ik heb gehoord dat de koers 9.5 is.’
‘Nee, het is echt 9. Kijk maar!,’ en hij laat mij weer zijn rekenapparaatje zien en waarachtig, daar staat nog steeds 9 op.
‘Ik wil tien dollar wisselen,’ zeg ik, hem een biljet van dat bedrag overhandigend. De man gaat ijverig op toetsen drukken om de wiskundige bewerking 10 x 9 te verwezenlijken. Enkele malen gaat het mis, maar uiteindelijk krijgt hij toch een voor hem bevredigend resultaat op het schermpje: 190.
‘Is dat niet wat veel?,’ vraag ik, ‘volgens mij moet er zoiets als 90 uitkomen.’
‘Nee, het is echt 190, kijk maar,’ en hij laat mij zijn rekenapparaat opnieuw zien en ja, er staat 190 op, daar is niets tegenin te brengen.
‘De koers wijzigt hier nogal snel,’ zegt een man die erbij staat.

aantafel.jpg
Het rekenapparaatje geeft feilloos aan wat de koers is.

‘Dat gaat dan wel heel erg snel,’ merk ik op, maar ik maak er verder geen probleem van, want er zijn inderdaad landen waar de inflatie als een hollend paard voortsnelt en misschien is Gambia daar één van. De man telt mij de 190 Dalasis uit en ik vertrek. Mr. Kinteh gaat vooruit naar Pakali Ba om mijn ontvangst voor te bereiden en dr. Manneh gaat terug naar Banjul om daar hetzelfde te doen.
Het landschap in Gambia is zoals ik het de laatste dagen in Senegal heb gezien: licht golvend door droge savanne. Erg veel is er niet te zien en wat er te zien is, wordt vertroebeld door een grote hoeveelheid stof in de lucht; stof uit de Sahara. Geregeld duikt er een dorpje op uit het stof. De zon is, ook al staat hij hoog, niet meer dan een wazige roodgele vlek in de grauwbruine hemel. Een aangename rit is het vandaag niet.
Bij een winkeltje zo’n 25 km voorbij Basse Santa Su houd ik een pauze om wat te drinken. Terwijl ik me sta te verbazen over de lage prijzen in dit land, een flesje priklimonade voor elf cent, een Bic-achtige ballpoint van het een of andere duistere merk voor zes cent, stopt er een busje waar een oude bekende uitstapt, de geldwisselaar van Basse Santa Su.
‘We hebben ons vergist,’ zegt hij op mij af komend.
‘Hebben wé ons vergist?,’ vraag ik.
‘Ja. Ik krijg nog 100 Dalasis van u terug.’
‘Hoezo?’
‘Omdat negen maal tien geen 190 is maar 90.’
‘Is het heus?’
‘Jazeker, kijk maar!,’ en weer houdt hij mij zijn onontbeerlijke rekenapparaat voor terwijl hij deze keer feilloos het toetsenbord bedient: 9 x 10 = 90. Ik sta ervan te kijken.
‘Maar de koers was opeens omhoog naar 19,’ merk ik op. ‘Is hij nu weer omlaag?’
‘De koers is 9 en 9 x 10 is 90. En dus krijg ik nog 100 Dalasis van u.’
Tegen dit rekenkundige geweld kan ik niet op en ik geef de man zijn 100 Dalasis terug. Tevreden gaat hij op een stoeltje voor het winkeltje wachten op een ander busje dat hem terug zal brengen naar Basse Santa Su. Als hij voor elke transactie met bussen achter zijn cliënten aan moet rennen, zal hij er ook niet vet van worden. Ik drink mijn, tijdens dit korte onderhoud ruim tweemaal zo duur geworden, limonade op en vervolg mijn weg naar het verre westen dat nu erg dichtbij is.