In de ban van Stempelstan


In de ban van Stempelstan
Een reis door Centraal Azië.
ISBN10 9038920377
ISBN13 9789038920375
bestel

Fragmenten
28-Toergids in de dop
Niet ver van de tandartspraktijk bevindt zich de Bibi Khanyummoskee. Als ik voor het enorme gebouw sta, dat eens het pronkjuweel van Timoer Lenk was, komt er een jongetje van een jaar of tien op me af en vraagt: “Do you need a guide?” Meestal ben ik niet zo dol op een rondleiding, want als ik na alle explicaties de poort uit loop, ben ik de meeste namen, jaartallen en feiten, zo niet alle, alweer vergeten. Daarom bedank ik de jongen vriendelijk voor zijn aanbod. Deze begint echter onverstoorbaar en in vrij goed Engels te vertellen dat Bibi Khanyum, naar wie deze moskee is genoemd, de Chinese vrouw was van Timoer Lenk. Toen Timoer eens op reis was, liet Bibi de moskee als een verrassing voor hem bouwen.
“Aardige verrassing”, merk ik op. “Weer eens wat anders dan een fles wijn.”
“Ja”, antwoordt de jongen, “maar de bouwmeester werd verliefd op Bibi Khanyum en wilde de moskee alleen op tijd voor de terugkomst van Timoer Lenk afmaken als hij haar een kus mocht geven”.
“Mijn bouwmeester was meer geïnteresseerd in een fors bedrag op zijn bankrekening.”
“Ja, maar toen Timoer terug kwam van zijn reis, had hij meteen in de gaten dat de bouwmeester Bibi Khanyum een kus had gegeven”.
“Knap hoor! Hoe zag hij dat?”
“Ja, en toen liet hij de bouwmeester onthoofden en Bibi Khanyum liet hij levend inmetselen in het mausoleum van Bibi Khanyum, daar aan de overkant van de straat”.
“Driftig kereltje, die Timoer! En dat nog wel nadat hij zo’n fraai cadeautje had gekregen!”
“Ja, en vanaf dat moment moesten alle vrouwen hoofddoeken dragen, om mannen niet in verleiding te brengen. Kom mee”, en hij gaat me voor naar de binnenplaats van de moskee, waar een groot marmeren geval staat.
“Weet je wat dat is?” vraagt hij.
“Geen idee”, antwoord ik, maar dat is niet waar, want in mijn reisgids heb ik gelezen, dat het een koranhouder is, waar vroeger de grote, heel belangrijke Osma Koran op stond.
“Dat is een koranhouder”, zegt mijn jeugdige gids. “Daar stond vroeger de grote, heel belangrijke Osma Koran op”.
“En waar is die Osma Koran nu?” vraag ik, “Meegenomen door een toerist?”
“Ja, en deze koranhouder heeft magische krachten. Als een vrouw er onderdoor kruipt krijgt ze heel veel kinderen”.
“Dan kan ze hier, met de huidige overbevolking maar beter wegblijven”.
“Ja, en Timoer wilde dat deze moskee de grootste ter wereld zou worden. Vijf jaar lang werkten er vijfhonderd arbeiders aan, met de hulp van vijfennegentig olifanten”.
“Maar je zei dat het een verrassing was van Bibi?”
“Ja, maar dat was een legende”.
“O, dus dat van dat inmetselen en zo, is niet echt gebeurd?”
“Ja, misschien ook wel.”
“Maar hoe kan het nu een verrassing zijn en tegelijkertijd een moskee, die hij zelf liet bouwen? Liet hij dan een verrassing voor zichzelf bouwen?”
“Ja, en de moskee werd zo groot, dat hij uiteindelijk zijn eigen gewicht niet meer kon dragen. Daarom zakte de boel na Timoers dood langzaam ineen”.
“Leed die Timoer dan aan grootheidswaanzin?”
“Ja, en in 1897 werd de moskee geheel verwoest door een zware aardbeving”.
Ik krijg plezier in deze jongen, die zijn lesje blijkbaar goed van buiten heeft geleerd. Wat hij vertelt komt aardig overeen met wat ik in mijn gids heb gelezen. Ik overhoor hem dus eigenlijk een beetje.
“Voor een ingestorte moskee ziet het er hier allemaal toch best nog wel netjes uit!” merk ik op, in het rond wijzend.
“Ja, want in de tijd van de Sovjet-Unie is men begonnen de moskee te restaureren en na de onafhankelijkheid heeft men de restauratie voortgezet. En nu is de rondleiding afgelopen”.
“Mag ik driemaal raden wat je later wilt worden?”
“Raad maar.”
“Toergids.”
“Klopt, maar eigenlijk ben ik dat nu al.”
“Hoe heet je?”
“Noem me maar Jack.”
“Zit je nog op school?”
“Ja.”
“En ben je de beste in de klas in Engels?”
“Ja.”
“En in geschiedenis?”
“Ook. Eigenlijk in alles.”
Hij lijkt me meer eerlijk dan bescheiden, maar ik mag hem wel. Daarom geef ik hem wat geld en moedig ik hem aan hiermee door te gaan. Hij steekt het geld flegmatiek in zijn zak, maar een fonkeling in zijn ogen verraadt dat hij content is met zijn succes.
“Hier is mijn telefoonnummer”, zegt hij, een rechthoekig geknipt kaartje uit zijn andere zak opdiepend, waar hij een nummer op heeft geschreven. “Als je me nodig hebt……” Zijn blik dwaalt af naar twee toeristen, die juist door de poort naar binnen komen. “…….bel me dan op” voegt hij er snel aan toe en stevent dan zelfverzekerd op de twee nieuwkomers af.
“Do you need a guide?” hoor ik hem vragen.
“Nee, dank je wel. We kijken zelf wel wat rond”, antwoordt een van het tweetal.
“Deze moskee is genoemd naar Bibi Khanyum, de Chinese vrouw …..” De stem van de jongen sterft weg als ik de poort uit loop. Jack heeft zo te horen zijn volgende klanten te pakken. Met zijn gedegen kennis van het Engels en zijn kunde om met buitenlanders om te gaan, nu al op zijn tiende jaar, ligt er een gouden toekomst voor hem open.

52-Meer high dan way

Juist als Hans en ik overeind komen om onze tocht richting Murgab te vervolgen en de vriendelijke Kirgiziër bedanken voor de maaltijd, komt er een man met een bezweet gezicht de yurt binnen en voert een kort gesprek met onze gastheer, die zich vervolgens tot ons wendt met: “Deze man heeft autopech: een zachte band, 400 meter hier vandaan. Hebben jullie een pomp?”
Ik antwoord bevestigend en beloof mijn best voor hem te doen. En dus rijden we met de zwaar hijgende chauffeur hardlopend achter ons aan naar het gestrande voertuig, dat in plaats van 400 meter, anderhalve kilometer verderop blijkt te staan. Gelukkig voor de mini-marathonloper en zijn reisgenoot, die hier gewacht heeft, heb ik een verloopnippel, want mijn pomp past niet op het ventiel. Een autoband is een stuk breder dan een fietsband en aangezien het volume evenredig is met het kwadraat van de breedte, heb je er met een fietspomp een hele klus aan het ding op spanning brengen. Gelukkig moet de spanning in een autoband kleiner zijn dan in een fietsband, wat het aantal benodigde pompslagen toch binnen de perken houdt. Als echter de band lek is gaat het aantal benodigde slagen om hem op de juiste spanning te brengen alle perken te buiten, want dan kun je tot het einde der tijden doorgaan zonder dat hij een millimeter omhoog komt. En dat is precies wat hier aan de hand is. Na 400 slagen ziet het platte stuk rubber er nog even onplezierig uit als toen ik begon met pompen. De twee mannen staan er bij met gezichten, waarop ongerustheid is af te lezen. Logisch, want de dichtstbijzijnde werkplaats bevindt zich waarschijnlijk in Murgab, hier ongeveer 90 km vandaan en er zit nauwelijks verkeer op deze ‘highway’, zodat deskundige hulp nog wel een tijd op zich kan laten wachten. Praatpalen heb ik hier niet gezien en ik heb zo’n vermoeden dat de wegenwacht in dit land op een laag pitje staat.
“Lek.” zeg ik, de pomp loslatend.
“Wat?” vraagt de chauffeur, in de hoop dat hij het verkeerd heeft verstaan.
“Lek.”
“Give me pump.” zegt hij en begint driftig te pompen, maar ook zijn noeste arbeid blijft zonder beloning.
“Spare tyre”, zegt de ander. Hij loopt naar de achterbak en haalt er het reservewiel uit. Kijk aan! Ze zijn dus toch nog redelijk beslagen ten ijs gekomen op dit verlaten traject. De reserveband blijkt slap te staan, dus die moet ook eerst opgepompt worden. Na 400 slagen is die helaas nog steeds niets meer dan een slappe dweil.
“Ook lek.” zeg ik.
“Wat?” vraagt de chauffeur en weer heeft hij het helaas goed verstaan. Nadat hijzelf er nog 500 slagen achteraan gepompt heeft, houdt ook hij het voor gezien, wist zich het zweet van het voorhoofd en zegt: “Pfffff……Lek!”, waarna hij met een zielig gezicht naar boven staart in de hoop dat vandaar opeens een grote doos aan komt zweven met een spiksplinternieuwe band er in.
“Patch?”, vraagt de ander.
Ik haal mijn bandenplakspul tevoorschijn, maar het is duidelijk dat mijn bandenlichters niet groot en sterk genoeg zijn om de autoband van de velg te krijgen. De chauffeur wijst op de dikke moeren, waarmee het wiel aan de auto is bevestigd en vraagt: “Sleutel?”
“Heb je die ook niet bij je?” vraag ik.
“Wat?”
“Jij niet hebben sleutel?” verduidelijk ik.
“Nee, jij?”
“Ik hebben sleutel fiets. Niet sleutel auto.” antwoord ik en toon mijn bahco van een decimeter. Ik vraag me af hoe iemand ertoe komt om op een traject als dit van start te gaan zonder gereedschap, zonder plakspul en met een lekke reserveband. Micky Mouse zou zich er voor schamen.
Op dit moment van totale vertwijfeling komt er, als een geschenk uit de hemel, een jeep uit de richting van Murgab aangereden. Er blijken twee Nederlandse vrouwen in te zitten, die voor het World Food Program werken. Hun Tadzjiekse chauffeur heeft een grote kist gereedschap bij zich en werpt zich vol ijver op het pneumatische probleem. Dat is nu dus wel in goede handen en aangezien Hans en ik hier niets aan kunnen toevoegen, zeg ik tegen hem: “Kom dan gaan we maar eens richting Murgab.”
Dan zie ik dat Hans gebogen zit over zijn fiets die op de grond ligt. Hij heeft uit de grote gereedschapskist van de World-Food-jeep een mooie sleutel gevist en zit weer te fiedelen aan zijn rechter trapper.
“Wat nu?” vraag ik. “Die trapper deed het toch goed?
“Er zit een tik in die niet fijn klinkt.”
Na een kwartier zit de trapper weer in elkaar. De niet fijn klinkende tik zit er weliswaar nog steeds in, maar Hans heeft in ieder geval het tevreden gevoel weer even een sleutel in zijn handen te hebben gehad.
We wensen de bandentechnici succes en vervolgen onze tocht richting Murgab. Precies bij de yurt van de Kirgiziër, dus na ongeveer 5 km vanaf het punt, waar we op de Pamirhighway kwamen, is het asfalt alweer over gegaan in gravel en nog wel van het ruige soort, met diep grof wasbord en veel gruis en stenen. In combinatie met een geleidelijke, continu doorgaande stijging levert dat moeizaam werk op. Een kilometer of acht verder begint de weg serieus te stijgen naar de Akbaytalpas. We zitten al boven 4000 meter en moeten naar 4655 meter, zodat het zuurstofgebrek gaat meespelen. De Pamirhighway is hier dus meer high dan way, vooral met al die keien en dat gruis.
Plotseling realiseer ik me dat het nog helemaal niet zeker is dat Hans op zo’n grote hoogte geen problemen zal krijgen, want zo hoog is hij, ondanks dat hij uit het land van de bergen komt, nog nooit geweest. Gelukkig hebben we de laatste dagen rustig kunnen acclimatiseren, maar het is toch zaak om op te passen. Daarom ga ik naast hem rijden en vraag: “Heb je geen hoofdpijn?”
“Nee, hoezo?” vraagt hij.
“Of ben je duizelig?”
“Welnee. Vanwaar deze plotselinge ongerustheid?”
“Sommige mensen knappen boven 4000 meter af door zuurstofgebrek. Als je je niet helemaal lekker voelt moeten we stoppen of desnoods teruggaan.”
“Ik heb nergens last van, behalve van dat getik in die trapper.”
“Als zo’n futiliteit je nog hindert zal het allemaal wel meevallen. Goed dat je niet meer rookt, want anders zou je hier een zware pijp roken. Mis je je sigaren overigens niet? Daar heb ik je na je laatste bolknak niet meer over gehoord.”
“Nee. Einde rookfase in mijn leven.”
Dat klinkt allemaal erg positief, maar toch noopt de ijle lucht ons om zo nu en dan even te stoppen en een aantal keren diep adem te halen. De adembenemende uitzichten op de met sneeuw bedekte bergtoppen in het rond doen ons, paradoxaal genoeg, het adembenemende effect van deze enorme hoogte grotendeels vergeten, maar desondanks kost het een hoop moeite om op de pas te komen. Daar aangekomen maken we met behulp van de zelfontspanner op mijn camera een paar fotos van onszelf naast het bord waar de naam van de pas in het Cyrillisch op staat. (1750)
Niet ver voorbij de pas keert het asfalt terug. De wind die we op de klim tegen hadden, is ondertussen gedraaid en stuwt ons nu voort. In combinatie met de licht dalende weg leidt dat tot een dermate hoge snelheid dat we vandaag Murgab nog halen. Dat blijkt een vrij desolaat plekje te zijn van kubusvormige huizen tegen kale heuvels. Op de meeste daken staat een schotelantenne. Veel anders dan televisiekijken zal hier niet te doen zijn, lijkt me wanneer ik mijn blik over het troosteloze stadje laat glijden. We vinden er een pensionnetje, waar we voor zes dollar per persoon een kamer krijgen. Daar logeert ook een Frans stel, dat juist een maaltijd geserveerd krijgt en aangezien de vriendelijke, redelijk Engels sprekende eigenares voldoende heeft klaargemaakt, kunnen wij meteen mee-eten.
“Vandaag hebben we, ondanks die pas, 109 km bij elkaar getrapt”, merkt Hans na het eten tevreden op.
“Honderd en vijf komma drie”, antwoord ik, op mijn teller kijkend.
Dat is ook weer zo’n aardig puntje van eeuwige discussie tussen ons. Op alle reizen die we de laatste jaren samen hebben gemaakt wees de kilometerteller van Hans steevast 3,5 procent meer aan dan de mijne en dat doet hij op deze tocht dus ook weer. Nu is het misschien arrogant om te stellen, dat mijn teller correct is en die van Hans te veel aanwijst, maar helaas voor Hans is het wel waar. Ik kan er namelijk niet goed tegen als ik iets meet wat niet correct is. Bij mijn hoogtemeter moet ik, door de variërende atmosferische druk relatief grote meetfouten accepteren, maar bij een kilometerteller is het, als je je banden goed op spanning hebt, mogelijk de relatieve fout binnen 1 procent te houden. Ik kalibreer en ijk mijn teller dan ook altijd zo serieus mogelijk. Misschien komt dat door mijn technische achtergrond, of gewoon omdat ik mezelf niet voor de gek wil houden. Hans vindt dat allemaal niet zo belangrijk en heeft liever dat zijn teller 3,5 procent te veel aanwijst dan 0,5 procent te weinig. Dat leidt na afloop van menige etappe tot een aardige tellerdiscussie die zo langzamerhand weliswaar een beetje voorspelbaar wordt, maar die met wat variaties toch steeds reuze interessant blijft.