HET KONING MIDAS-EFFECT EN EEN BIJZONDERE CAMPING.

Bericht 6

Op de camping van Le Vigan, mijn basiscamp van waaruit ik mijn expeditie naar Mars had ondernomen (zie mijn vorige bericht), vertelde een Nederlandse employee mij dat er van Ganges via St. Hippolyte du Fort naar Quissac een voie verte liep, een mooi, tot fietspad omgebouwd oud spoortracé. Tot Ganges, ongeveer 8 km verderop, kreeg ik echter een survivalrit over de grote weg (D999). Dat ‘gesurvival’ viel gelukkig mee, want de weg was niet al te druk, had grotendeels een redelijke zijstrook en daalde geleidelijk, eerst langs de Arre en vanaf Pont d’Herault langs de Herault naar Ganges. Ik kwam daar dan ook redelijk ‘survived’ aan.

Foto 1: Monumentale brug over de Arre, nabij mijn Mars-basiskamp.

Na heel Ganges doorgereden te hebben, waar de aanduidingen naar de voie verte niet overal even duidelijk waren, kwam ik uiteindelijk op dat fraaie oude spoortracé, waarover ik verder fietste in de richting van Quissac. Alles liep daar erg comfortabel tot ongeveer 8 km voor Quissac. Daar stond een bord naast het fietspad dat mijn aandacht trok.

Foto 2: Bord, 8 km voor Quissac: ‘De boeken van de hangar. Boekenzaak. Open.’

Nu heb ik een hobby, die zo nu en dan dwarsligt met mijn fietshobby, namelijk het verzamelen van oude stripverhalen. Mijn eerste gedachte was: ‘Doorrijden, want het gaat nu zo lekker en als ik hier wat vind, zit ik er weer mee’. Die verstandige gedachte werd vijftig meter verder echter verdrongen door: ‘Toch even kijken of daar in die hangar niet wat mooie, oude spulletjes liggen. Je weet maar nooit! Vijf minuutjes en beslist niet langer!’ En dus reed ik die vijftig meter terug en stopte bij het hek waar dat bord naast stond. Het hek bleek op slot te zijn. Er hing een bordje aan met de openingstijden van de hangar, die een eindje achteraf stond. Volgens dat bordje zouden het hek en de hangar open zijn vanaf 15.00 uur. Ik keek op mijn horloge. Het was al 3 minuten over 3 in de middag en nog steeds was het hek gesloten. Bij de hangar was ook niemand te zien.

“Gelukkig,” dacht ik, “dan kan ik zonder te twijfelen gewoon lekker door fietsen.”

Ik wilde alweer weg rijden toen een volgende gedachte op kwam: “Ik eet eerst even een van de perziken, die ik in Ganges gekocht heb. Daar heb ik nu trek in en als ik die op heb en het hek is nog steeds gesloten, dan fiets ik meteen verder.”

Tevreden met deze kordate gedachte zette ik de tanden in de perzik, maar ik had hem nog niet achter de kiezen toen er van achter de hangar een man tevoorschijn kwam. Hij opende de hangar en liep vervolgens naar het hek waar ik voor stond (Van hem uit gezien stond ik daar dus achter, ter verduidelijking van de geografische situatie). Terwijl hij het hek van slot draaide keek ik op mijn horloge en merkte op: “Vijf over drie. Om drie over drie was het hek nog gesloten en het zou volgens dit bordje toen al open moeten zijn.”

“Drie minuutjes meneer….! Daar doet u toch niet moeilijk over?”

“Als ik in Ganges geen perziken had gekocht zou u nu een potentiële klant hebben gemist. Dan was ik al ruim een kilometer verder geweest over de voie verte.”

“Nou, gelukkig dan maar dat u daar perziken kon kopen,” zei hij terwijl hij het hek open zwaaide. Met een van verwachting kloppend hart maar anderzijds de hoop dat alles wat er te koop was ouwe meuk zou zijn, aangezien zo’n eventuele aanwinst voor de verzameling het gewicht van de bagage verhoogt, liep ik de hangar binnen.

Het was alsof de man de grafkamer van Toetankhamon voor mij geopend had. Ik kreeg er bijna hartritmestoornis van. Zo moet Howard Carter zich in 1922 gevoeld hebben, toen hij het graf van die Egyptische farao opende en daar naar binnen trad. Er lagen stapels interessante boeken in de loods en na een half uur erg selectief zoeken had ik twintig prachtige, antiquarische strips gevonden, alle met harde kaft. Ruim 10 kg!

Dit noem ik ‘Het Koning Midas-effect’. Koning Midas was, zoals we allemaal weten, de koning van Frygië. Omdat hij Dionysos een grote gunst had bewezen mocht hij een wens doen. Nu was Koning Midas dol op goud. Hoe meer goud hoe beter! En daarom luidde zijn wens: ‘Ik zou willen dat alles wat ik aanraak in goud veranderde. Dat lijkt mij geweldig tof.’ Dionysos willigde die wens in. En dus ging Koning Midas onmiddellijk aan de slag en raakte voorwerp na voorwerp aan, dat tot zijn verrukking steeds in goud veranderde. Geweldig toch! Fantastisch! “Wat ben ik toch een geweldige bofkont!” zal hij tegen zichzelf gezegd hebben. Om er nog een schep plezier bovenop te doen raakte hij ook zijn kind nog aan, dat onmiddellijk begon te blinken in het zonlicht. “Nog mooier dan vroeger!” riep hij uit en ging driftig door met goudmaken.

Na een hele dag van zware arbeid kreeg hij honger. En dus greep hij een grote lamsbout uit de voedselvoorraad. Toen hij er zijn tanden in wilde zetten ging dat natuurlijk niet, want goud is weliswaar een relatief zacht metaal, maar je tanden kun je er wel degelijk op breken en het zou ook, mocht hij het met stukjes en beetjes naar binnen gewerkt hebben, zwaar (19 kg/kubieke decimeter!) op zijn maag komen te liggen. Probeer het maar eens, voor het geval u een bonk goud in huis hebt! Onze Midas probeerde wat hij kon, maar zonder succes. Het vervolg laat zich raden. Zeer rijke, maar toch erg arme Midas! Van de honger gestorven.

De parallel met mijn situatie zal duidelijk zijn. Als ik in deze boekenloods nog een uurtje door was gegaan had ik een ton prachtige strips bij elkaar gezocht en had ik mijn verzameling dus geweldig uitgebreid, maar dan had ik niet meer kunnen fietsen, want hoe laadt je 1000 kg op je fiets? Dat lukt zelfs op een Santos Travelmaster 3+ niet en de Vaude-fietstassen, hoe sterk ook, zouden uitscheuren. Einde reis!

Gelukkig was ik nog net iets verstandiger dan die domme Midas. “Stoppen Frank!” zei ik tegen mezelf, “anders loopt het verkeerd met je af.” Vervolgens nam ik de stapel van 20 strips nog eens erg kritisch door, waarna ik er, weliswaar met een bloedend hart, weer 14 van terug legde. Van de eigenaar van de zaak kreeg ik een mooie zak cadeau, die ik, gevuld met mijn nieuwe aanwinst, uiteindelijk met veel getob op de fiets kreeg. Daarna reed ik wat minder stabiel dan normaal, door naar Quissac, het einde van het mooie fietspad. Er volgde nu een onaangenaam traject: de 19 km lange, vrij drukke, relatief smalle, maar wel door mooie platanen geflankeerde D35 naar Sommieres.

Foto 3: De D35 naar Sommieres, een vrij smalle, door platanen mooi gesierde, maar gevaarlijke weg. Voor het maken van deze foto wachtte ik een rustig moment af, anders zou een flink deel van de plaat ontsierd worden door glimmend, aanstormend blik.

Op een paar korte klimmetjes slingerde de fiets door het extra gewicht nog wat meer dan normaal, wat soms, met de voorbij razende auto’s, tot een gevaarlijke situatie leidde, een neveneffect van het Koning Midas-effect!! Sint Cristoffel was mij hier echter, zoals altijd, gunstig gezind en zo kwam ik die avond heelhuids op de camping van Sommieres aan. Daar trof ik tot mijn geluk een Nederlands stel met een grote camper. Beiden bleken enthousiaste fietsers te zijn want ze hadden elk een superlichte racefiets, waarmee ze tochten in de omgeving maakten. Omdat zij goed begrepen dat elke gram op de fiets het fietsplezier drukt, waren zij onmiddellijk bereid mijn nieuwe aanwinst voor mij naar Nederland mee te nemen in hun grote camper. En zo had ik er, behalve 7 mooie oude strips, ook twee nieuwe vrienden bij.

In Sommieres had ik de keuze uit twee mogelijkheden om verder te trekken. De eerste mogelijkheid was om ten noorden van Nimes langs te gaan op weg naar de Provence en de tweede was de route ten zuiden van Nimes. Na de beide alternatieven tegen elkaar afgewogen te hebben koos ik voor de derde: dwars er doorheen en wel omdat er vanaf Sommieres een voie verte in de richting van Nimes liep en die speciale fietsroutes veel plezieriger zijn om te rijden dan de departementale- of nationale wegen en bovenal om in die oude stad weer eens het beroemde Romeinse amfitheater te gaan bekijken, dat in de periode van 90 tot 120 na Chr. werd gebouwd onder keizer Hadrianus. Helaas hield het fietspad op bij Caveirac, 6,5 km voor Nimes. Ik moest die laatste 6,5 km over een drukke weg rijden, maar grote stukken van die invalsweg waren goed te rijden door brede stroken die voor bussen waren gereserveerd en die ik mij ook maar toe eigende. In de stad werd het onoverzichtelijk, maar met een paar keer vragen kwam ik toch bij het amfitheater.

Foto 4: Het Romeinse amfitheater van Nimes.
Foto 5: Nog eens, nu met de fiets er voor om een idee te krijgen van de afmetingen van dit enorme bouwwerk.

Bij Beaucaire stak ik de volgende dag de Rhône over naar Tarascon. Ik kwam daar op mijn route van vorig jaar: St. Remy de Provence en de mooie voie verte ten noorden van de Montagne du Luberon naar Apt. In Manosque koos ik deze keer voor de route naar Valensole. Dat was ook geen nieuwe route, want daar was ik in 1973 door gekomen met Eelco de Haan, mijn schaakvriend van destijds. In Apt had ik toen het kogellager van mijn trapas gebroken en aangezien ik geen reservelager bij me had, had ik de boel met trossen ijzerdraad zover opgelapt dat ik een beetje kon fietsen. Met een kreunende fiets, waarbij ik om de zoveel kilometer een extra stukje ijzerdraad moest toevoegen om te kunnen blijven rijden, kwamen we rond het middaguur aan in Valensole. Daar vonden we een oude, morsige garage. De nog oudere eigenaar bleek een erg handige kerel te zijn. Hij scharrelde wat in een lade van de oeroude werkbank en vond daar na enig zoeken een half versleten kogellager dat misschien nog wel eens gebruikt zou kunnen zijn door een van de legionairs van Hadrianus, althans zo’n oeroude indruk wekte dat onderdeeltje. Alles was daar oud, maar de man stak vol energie de handen uit de mouwen en in verrassend korte tijd had hij mijn fiets weer voor 100% operationeel. Aan de 5 Franc (=3,50 gulden = 1,59 euro) die de operatie kostte viel ik me geen financiële buil en zo konden Eelco en ik onze reis vervolgen naar de Gorges du Verdon. Mooie herinneringen aan een mooie tijd, waarin ik erg veel materiaal kapot trapte van mijn fiets van Franse makelij.

Op de doorgaande weg door Valensole vond ik de oude garage zowaar terug. Die was ondertussen nog ruim een halve eeuw ouder geworden. De handige eigenaar van destijds vond ik echter niet meer terug. Ik rekende uit dat de toen door mij op 80 jaar geschatte man nu 132 jaar oud zou zijn en achtte het verloren moeite om naar hem op zoek te gaan. Een beklemmende gedachte bij al die mooie herinneringen was, dat ikzelf ondertussen óók 52 jaar ouder was geworden.

Foto 6: De oude garage waar ik in 1973 het kogellager van de trapas van mijn Franse fiets liet vervangen.

Laat in de middag kwam ik bij een camping aan, die er aardig uitzag. De toegang werd versperd door een slagboom. Met de fiets kon ik daar echter makkelijk omheen. Bij de receptie stond een bordje ‘Fermée’ met daarnaast de openingstijden. Het bleek dat ik een half uur te laat was voor de receptie. Ik liep wat rond en sprak een Belg die wat lager met een kleine camper op een aardig plekje stond. “De receptie is nu gesloten,” zei hij, “maar zoek gewoon een plekje, dan reken je morgenochtend af met de eigenaar.”

Dat was de normale procedure als je na sluitingstijd op een camping arriveerde en daarom liep ik naar de plek naast de zijne en wilde juist mijn fiets gaan afladen, toen de Belg zei: “Daar staat de eigenaar.” Daarbij wees hij naar een man die wat hogerop, met zijn armen over elkaar als een koning voor de receptie naar me stond te kijken. Ik liep naar hem toe en zei: “Goeden avond. Ik ben zojuist aangekomen. Kan ik hier kamperen?” in de vaste overtuiging dat hij zou antwoorden: “Maar natuurlijk. Welkom.” Tot mijn verbazing antwoordde hij echter: “Nou, eigenlijk niet.” Hij stond nog steeds als een heerser met zijn armen over elkaar.

“Niet?” vroeg ik verbaasd.

“Nee. Heeft u het bordje met de openingstijden niet gezien? U kunt toch wel lezen?”

“Als het niet te moeilijk is.”

“Heeft u gereserveerd?”

“Nee, ik heb niets gereserveerd, maar er is toch plek genoeg?”

“Ja, maar u bent te laat.”

“Sorry, maar mijn etappe was nogal lang, vandaag.”

“Dan had u van tevoren per e-mail moeten reserveren.”

“Sorry. Ik had uw email-adres niet en ik heb onderweg geen internet.”

“U had mij ook kunnen bellen dat u later zou komen.”

“Sorry, maar ik had uw telefoonnummer niet.”

“Dan heeft u uw reis niet goed voorbereid. U dient uw bestemmingen van tevoren goed te plannen.”

“Ik heb nog nooit een camping hoeven op te bellen dat ik er aan kwam.”

“Dan bent u niet met uw tijd meegegaan.”

“Nee, ik ben van de vorige eeuw. Maar kan ik hier voor één nachtje mijn tent opzetten? Of is dat te veel moeite voor u?”

“Ja, eigenlijk wel, maar vooruit! Voor deze ene keer zal ik u toelaten. Kom mee naar het bureau, dan zal ik u inschrijven en kunt u meteen afrekenen.”De grootmoedigheid van deze campingkoning kende geen grenzen!

Binnen in het bureautje nam de man plaats achter zijn bureau en merkte, terwijl hij zijn grote inschrijfboek uit een lade haalde, geïrriteerd op: “Als iedereen zoals u was, zou ik elke avond overwerk hebben.”

“Als iedereen zoals ik was, zou de wereld er een verrekt stuk beter uitzien en zou het verkeer in Frankrijk heel wat veiliger zijn dan het nu is,” antwoordde ik, terwijl ik met moeite mijn geprikkeldheid trachtte te verbergen.

“Ik heb het niet over het verkeer. Ik heb het over de openingstijden. En bovendien moet ik voor de veiligheid weten wie er allemaal op de camping staan.

“Voor de veiligheid van jou centen,” wilde ik zeggen, maar die opmerking hield ik nog net op tijd voor me.

Terwijl de man zijn grote opschrijfboek open klapte zei hij: “Uw paspoort!” Ik liet het hem zien en terwijl hij mijn naam, gemeente, paspoortnummer en al die andere gegevens die hij belangrijk vond, noteerde, zei hij: “Kijk, dit moet ik nu allemaal doen, terwijl ik aan het eten was en dat is erg hinderlijk.”

“Ja, klanten zijn vreselijk hinderlijke wezens, maar u had ook gewoon door kunnen gaan met eten en TV kunnen gaan kijken. Dan had ik mij geïnstalleerd en was ik morgenochtend, tijdens openingstijden naar uw bureau gekomen om me in te schrijven en te betalen.”

“Er zijn kampeerders zoals u geweest die ’s morgens in alle vroegte zijn vertrokken zonder te betalen.”

“Zoals ik???” vroeg ik geïrriteerd.

“Nou ja, er is enkele malen misbruik van mijn camping gemaakt.”

“Maar niet door mij. Als iedereen….”

“Nu moet u ophouden met argumenteren,” onderbrak hij mij, zijn pen neersmijtend, “want anders verdwijnt u maar.”

De stemming werd grimmig en daarom slikte ik mijn volgende argument in en liet de campingkoning zijn formuliertje verder invullen. De camping bleek de duurste van alle campings te zijn, die ik deze gehele reis had gehad: 18,62 euro voor mij alleen met klein tentje en fiets, waarschijnlijk hetzelfde tarief als voor twee personen met auto en tent zo groot als een hangar. Ik ging er voor deze keer, omdat de zon al bezig was onder te gaan, niet over discussiëren, want daarmee zou ik, gezien de stemming die momenteel om te snijden was, riskeren buiten gesmeten te worden. Ik betaalde 20 euro en kreeg 1,40 euro terug. “Laat die twee centimes maar zitten,” voegde hij er in een ongelooflijk royale bui aan toe.

De volgende ochtend, toen ik mijn tent aan het afbreken was, dacht ik: ‘Ik ga toch nog even bij mijn vriend de koning langs om hem aan te raden in het vervolg wat vriendelijker voor zijn klanten te zijn en niet in elke toerist een potentiële dief te zien. In het bureautje zat deze ochtend echter een vrouw. Ik zei dat ik de vorige avond erg onvriendelijk was ontvangen door de receptionist en dat dat, na een lange fietsdag niet zo’n plezierige ervaring was geweest. Zij bleek de Koningin van dit kleine koninkrijk te zijn en was uit precies hetzelfde hout gesneden als haar gemaal.

“Bij de meeste campings, waar ik na sluitingstijd arriveerde werd ik altijd ontvangen met: “Welkom op onze mooie camping. Betalen? Maakt u zich geen zorgen. Doe dat morgenochtend maar. Gaat u nu eerst maar rustig uw tent opzetten.””

“Het interesseert me geen bal wat ze op andere campings zeggen. HIER gelden ONZE regels.”

Het was zinloos om met deze haaiebaai te proberen een zinvol gesprek aan te knopen en daarom vertrok ik maar snel. Het zou me verbazen als deze camping onder deze directie over twee jaar nog bestaat.

Na een klim en afdaling kwam ik in Allemagne en Provence, waar juist een rommelmarkt aan de gang was. Ik kon het weer niet laten om er even te kijken of ik nog wat aan het Koning Midas effect kon werken, maar er was gelukkig niets interessants te vinden.

Foto 7: De rommelmarkt van Allemagne en Provence. Het is eigenlijk allemaal te nette rommel. Op een rommelmarkt geld als algemene regel: Hoe netter, hoe minder interessant. Als het een stoffige rotzooi is wordt het pas echt de moeite waard.

Ik kon dus zonder extra gewicht op de fiets het volgende pasje nemen richting Albiosc. Op dat pasje stond, in tegenstelling tot op de rommelmarkt, wel wat rommel, maar het was geen markt. Er stonden bizarre sculpturen: stronken van dode bomen met ronde stenen er op en er aan. Hier en daar stak een stuk ijzer naar opzij. Het leek me allemaal erg symbolisch, maar de symboliek en de zin ontgingen mij. Mogelijk kon iedereen zijn eigen symboliek er in zien, maar misschien was het hele spulletje helemaal niet symbolisch bedoeld. Gewoon een paar knutselwerkjes om het oog te plezieren. Of deed ik met het woord ‘knutselwerkjes’ de kunstenaar onrecht en was wat hier stond kunst met een grote K?

Foto 8: Compositie van hout en steen op het pasje tussen Allemagne en Provence en Albiosc.
Foto 9: Met een veer er bij wordt zo’n compositie meteen een stuk veerkrachtiger.

Nu ik dit bericht nog eens kritisch overlees voordat ik het naar mijn webmaster verzend voor plaatsing op mijn website, realiseer ik mij dat de verhouding tekst / plaatjes wel erg nadelig is uitgevallen voor de plaatjes. Daarom besluit ik dit bericht, tevens het laatste bericht van deze reis door Frankrijk, met nog een stel foto’s, om de plaatjeskijkers onder mijn lezers/kijkers toch nog wat tegemoet te komen.

Foto 10: Afdaling naar het Lac de Sainte Croix met op de achtergrond het massief waar achter zich de Gorges du Verdon bevinden.
Foto 11: Brug over de Verdon bij het Lac de Sainte Croix.
Foto 12: Dorpje op de route naar de Middellandse Zee. Welk dorpje zou dit zijn?
Foto 13: Een mooie voie verte, oud spoortracé, tussen Salernes en St. Antonin du Var.
Foto 14: Op de Col de Valdingarde in het Massif des Maures zag ik voor het eerst op deze reis de Middellandse Zee.
Foto 15: Tijdens de afdaling naar Roquebrune sur Argens pikte ik nog even een oud aquaduct mee, de Pont du Gard, de Romeinse watervoorziening van Nimes, in het klein.
Foto 16: Even ter vergelijking de Pont du Gard, waar ik vorig jaar langs kwam.

Van Roquebrune was het slechts 12 km naar St. Aygulf aan de Middellandse Zee. Daar was het strand, de zee, het vertier en al dat andere waar sommige mensen wel eens naar verlangen. Let wel: sommige mensen en tot die categorie behoor ik beslist niet. Ik fiets niet ruim 3200 km om mijn tijd te verdoen met aan een strand te liggen. Daarom fietste ik van Roquebrune de andere kant op, naar het noorden, weg van de kust. Iets voorbij La Bouverie kwam ik bij een imker waar ik al vele malen buitengewoon goede honing heb gehaald. Terra Cognita voor mij dus. Ook deze keer ging ik aan bij Rucher de la Bouverie.

Foto 17: Bord aan de weg van mijn favoriete honingadres.
Foto 18: Mooie rode rotsformaties ten noorden van La Bouverie.

Uiteindelijk kwam ik natuurlijk wel aan de zee, want ik moest naar Nice om mijn vliegtuig terug naar Nederland te halen en Nice ligt aan de zee. Voor de kust bij Nice zag ik iets interessants:.

Foto 19: Cruiseschip voor de kust bij Nice. Het lijkt wel een flat in de Bijlmermeer. Als je er oog voor hebt is het nog mooi ook. Ik heb me door een kenner laten vertellen dat je je op zo’n boot nooit hoeft te vervelen. Er schijnt echter wel een prijskaartje te hangen aan die manier van je niet vervelen, maar met een paar jaar sparen ben je al een heel eind op weg.

Toen ik in een parkje mijn baguette zat te eten, kwam er een vogel naar me toe om te kijken of hij een kruimeltje kon meepikken. Omdat ik in een goede bui was, gaf ik hem zelfs drie kruimeltjes.

Foto 20: De kruimeltjespikker van het parkje bij Nice. Verbazend die spillebeentjes! Wij zouden met een dergelijke verhouding tussen benen en lijf de trap niet eens op komen en deze vogel vliegt zelfs met het grootste gemak torenhoog. Toch bijzonder als je daar over nadenkt!
Foto 21: Voor ik het vliegtuig naar Amsterdam nam, bezocht ik nog even het centrum van Nice. Hier een fontein op een groot plein.
Foto 22: Paalzitters op het grote plein in Nice. Blijkbaar bestond die sport ook al toen dit plein werd aangelegd.
Foto 23: De boulevard van Nice met een stukje strand. Ik vraag me bij die strandslapers altijd af of ze, na zo’n vermoeiende dag aan het strand, ’s nachts nog wel kunnen slapen.

Hier volgt een toegift om de verhouding foto/tekst nog wat te vergroten:

Foto 24: Terug in Nederland maakte ik een herfsttochtje met Bruno, een Franse vriend die ik op mijn reis had opgezocht (zie voorgaande berichten) en die nu mij kwam opzoeken. Hier een plaatje in de Rottige Meente (dus niet de rotte gemeenste!) bij de Weerribben.
Foto 25: Een zevenarmige eik in de Rottige Meente. Je ziet ze van hieruit niet alle zeven, maar ze zitten er wel degelijk. Ga er maar eens kijken! Het is ook een leuk fietstochtje. Dat stukje blauw tussen twee armen ben ik. Om de foto wat meer diepte en kleur te geven!
Foto 26: De paddenstoelen schoten ondertussen alweer uit de grond. Hier een flink uit de kluiten gewassen exemplaar. Die schoenen heb ik er speciaal bij gezet om een indruk te geven van de afmeting (van de paddenstoel wel te verstaan, niet van de schoenen).
Foto 27: Deze paddenstoel lijkt wel een boom, maar hij schiet in één nacht uit de grond. Interessant om daar eens een hele nacht naast te zitten!
Foto 28: Hier kijken we van onder tegen een paddenstoel aan.

Bruno was een enthousiaste paddenstoelenplukker. Ik moest hem er voortdurend aan herinneren dat paddenstoelen in de natuur mooier zijn dan op je bord. Toch plukte hij er onderweg twee die volgens hem heerlijk moesten zijn. Tot nu toe heb ik nog geen alarmerende berichten uit Frankrijk ontvangen, dus waarschijnlijk had hij zich niet vergist in de soort.

Foto 29: Bruno bij een molen in de Rottige Meente.
Foto 30: Boot op een kanaal in de Weerribben.
Foto 31: Bruno had zijn hond Gwenn meegenomen, een uiterst lief beest dat nooit blafte en slechts éénmaal wat gromde tegen een kat. (wat natuurlijk niet mocht van mij!)

Tot slot van dit bericht (en ook van de toegift, waarmee ik de verhouding foto’s/tekst hopelijk weer op een acceptabel niveau heb gebracht) een filmpje:

Foto (film) 32: De draaiende molen van Diever. En wie staat daar links op de voorgrond?

En hiermee is de berichtgeving van deze zomerreis ten einde. Maar ik ga op mijn website gewoon (of soms ook wel iets minder gewoon) door met berichten van nieuwe reizen. Dus houd deze website in de gaten!!

Frank van Rijn

Speciale Sinterklaas-, kerst-, oudjaars-, nieuwjaars- en Paasaanbieding:

Op de pagina mijn boeken kunt u direct en vrij van verzendkosten mijn boeken (binnen Nederland) bestellen via: stephen.verdonkschot@gmail.com

Bij bestelling van 2 of meer boeken kunt u één boek gratis bij de bestelling voegen, dus drie voor de prijs van twee, zolang mijn voorraad strekt.