Groene wegen en glimmende Harleys

Bericht 4

Van Moissac, waar ik met bericht 3 ben blijven steken, was het niet ver meer naar Albi, ‘De rode stad’,

Foto 1: Uitzicht vanaf de brug over de Tarn als je Albi vanuit het noorden binnen komt.
Foto 2: Het centrum van Albi
Foto 3: De prachtig gebeeldhouwde poort van de kathedraal van Albi.

Van Albi loopt er een mooie ‘voie verte’ (groene weg, oftewel een weg voor ‘groen verkeer’, dus niet gemotoriseerd) naar Castres. Die voie verte volgt een oud spoorwegtracé en aangezien treinen geen hellingen steiler dan 5% aan kunnen in verband met de wrijvingscoëfficient van ijzer (wielen) op ijzer (rails), hoef je als fietser niet benauwd te zijn dat je je daar te pletter trapt om omhoog te komen of dat je velgen bij het dalen rood en geel gaan gloeien door zwaar remwerk. Zulke oude, tot voie verte omgebouwde spoorwegen zijn dus plezierige routes om te fietsen. Spoortunneltjes, uit de rotsen gehakte passages en bruggen geven je daar het idee dat je met een stoomtrein door het Wilde Westen slingert en met wat fantasie kun je om elke bocht een aanval van bandieten of indianen verwachten.

Foto 4: Voie verte. Hier reed vroeger een stoomtreintje.

Dat van die bandieten en indianen is natuurlijk allemaal razend spannend, maar als het echt zou gebeuren, zou je toch wel even vreemd staan te kijken en dat spannende van die overval minder op zijn juiste romantische waarde kunnen schatten. Uit ervaring weet ik dat het leuker is om een spannende western te zien met veel geschiet, dan recht in de loop van een echt pistool te kijken.

Het merkwaardige bij vele voies vertes is helaas, dat je je vaak het apezuur zoekt om de weg er naar toe te vinden. En zo was het ook hier weer. Albi uitkomen was al een ware puzzel, maar toen ik dacht dat ik het ergste gehad had, werd het pas echt menens. Ik moest een kilometer of vijf langs een weg rijden waar zich, ruw geschat, de helft van het totale autopark van heel Frankrijk langs wrong, althans zo kwam het op me over terwijl ik als een circusartiest voort worstelde tussen de berm rechts van me en de eindeloze sleep over het asfalt voortjakkerende auto’s links. Verderop kon ik afslaan op een rustigere weg en uiteindelijk was daar dan toch die langverwachte voie verte naar Castres. Daar werd het fietsen weer leuk.

Verderop liep de voie verte dicht langs Lautrec, dat volgens kenners een mooi plaatsje is. Daar wilde ik natuurlijk wel even gaan kijken, maar om van dat oude spoortracé op een reguliere manier in het op een heuvel gelegen stadje te komen, was ook weer een puzzel. Een pijl op een bordje naast de voie verte wees rechts naar een steil voetpad waar een getrainde mountainbiker met zijn lichtgewicht VTT (velo tout terrain, oftewel fiets voor elk soort terrein of mountainbike) misschien nog juist omhoog zou kunnen trappen. Met mijn baal bagage kon ik dat wel vergeten. Het alternatief was een omweg van kilometers, waarbij ik ook nog zou moeten puzzelen om de juiste weg te vinden. Daar had ik geen zin in en dus duwde ik mijn fiets als een werkmier tegen dat steile pad omhoog. Na veel gezwoeg en gezweet stond ik uiteindelijk in het plekje dat inderdaad pittoresk bleek te zijn.

Foto 5: Vakwerkhuizen op het centrale pleintje van Lautrec.
Foto 6: De hoofdstraat van Lautrec.
Foto 7: Smal zijstraatje in Lautrec, waar oud en nieuw elkaar ontmoeten.
Foto 8: Op het hoogste punt van het dorp stond een monumentale windmolen die ik er ook nog even bij pikte.

Tussen Castres en Mazamet was het vervolg van de fietsroute met bordjes aangegeven. Daar lag over enkele kilometers lengte een mooi vers betonnen fietspad, waar echter een flinke klim in zat, maar verderop degenereerde deze ‘fietsroute’ tot een smal strookje asfalt langs een drukke weg. Daar mag voor mij wel iets beters aangelegd worden. Frankrijk is de laatste jaren hier en daar bezig met een inhaalslag op het gebied van fietspaden, maar daar werd het ook wel de hoogste tijd voor met het verkeersaanbod dat uit de pan aan het rijzen is. Vijftig jaar achterstand is niet zo eventjes weggewerkt, maar we hopen er het beste van.

Voorbij Mazamet volgde ik weer een mooie voie verte naar Bedarieux, zo’n 64 kilometer verderop, ook een oud spoortracé. Na ongeveer 8 km kwam ik langs het huis van Gerard en Marie, Franse vrienden die ik al vele jaren ken. Beide zijn kunstzinnig en bereiden een expositie voor. 

Foto 9: Marie werkt veel met wol, waar zij balen van heeft gekregen van een oude, gesloten wolfabriek uit het nabijgelegen Labastide Rouairoux. Hier is zij bezig van een fietsvelg een wollig kunstwerk te maken.
Foto 10: Nog een kunstwerk van haar: een reuzen, wollen wijnfles zonder wijn, maar wel met veel wol.
Foto 11: Gerard had zich als doel gesteld 120 plastic bidons en jerrycans  een gezicht te geven. Hier heeft hij twee van zijn creaties onder de arm.
Foto 12: Hij had al een aardig setje bidon-gezichten klaar, maar voor die 120 stuks stond hem nog wel wat kunstzinnig schilderwerk te wachten.
Foto 13: Gezichten inspireren hem blijkbaar enorm, want zijn tuinhuisje had hij al eerder een gezicht gegeven met een stel deksels en pannen.

Al dat werk stond Gerard en Marie echter niet in de weg om mij de volgende dag een eindje te vergezellen over de voie verte naar Bedarieux.

Foto 14: Gerard en Marie op de voie verte, het oude spoortracé naar Bedarieux.

Zij reden niet het hele traject, want de plicht riep: nog 99 bidons wachtten op een gezicht en die velg van Marie moest vol geborduurd worden met wol in alle kleuren van de regenboog. En dus keerden zij terug naar huis nadat we een lunch van baguetten met Franse kaasjes hadden genuttigd, gezeten op een bankje iets voor Saint Pons. Ik vervolgde alleen mijn weg en kwam verderop langs het mooie plaatsje Olargues.

Foto 15: Olargues, op de route van Mazamet naar Bedarieux, waarvan ik al eens eerder foto’s heb geplaatst.

Met zo’n mooi plekje kan ik het elke keer als ik er langs kom, weer niet laten er een kiekje van te schieten en dat mijn lezers te tonen. Hier dus nog maar eens Olargues. Probeert u in mijn voorgaande berichten van vroegere reizen maar eens dezelfde plaat te vinden en zoek de in zulke gevallen gebruikelijke zeven verschillen. Misschien zijn het er zelfs wel acht! Of nul!

Voorbij Bedarieux was het weer afgelopen met de voie verte en reed ik over de vrij drukke, maar nog juist acceptabele, D35 naar Lunas. Twee kilometer voorbij Lunas, vlakbij Joncels, kampeerde ik op een motorfiets camping, waar fietsers zonder hulpmotor ook hun tentje mochten opzetten. Zoals ik altijd op campings doe, vroeg ik aan de eigenaar, toevallig een Nederlander, of er ’s avonds muziek zou klinken of dat er de een of andere party gepland stond. Als dat namelijk het geval zou zijn, zou ik daar snel weg zijn, want ik ben geen party-man en de praktijk heeft mij geleerd dat de muziek die doorgaans bij dat soort gelegenheden schalt, nogal sterk verschilt van mijn voorkeur en mij meestal het slapen belet. De man antwoordde mij dat hij drie Franse motorrijders verwachtte en een groepje van vijf Nederlanders. “Dus'” zo voegde hij eraan toe: “Met zo weinig gasten zal er wel niet zo veel gebeuren.”

Dat vond ik een merkwaardig antwoord, want of er die avond veel zou gaan gebeuren hing dus niet van hem af, maar van zijn gasten. Een campingbaas is de baas en als die zegt: “Na 10 uur heerst hier stilte,” dient er na 10 uur ook stilte te heersen. Maar hier waren het blijkbaar de campinggasten die de dienst uitmaakten. Naïef als ik nog steeds na 53 jaar reizen ben, nam ik aan dat er die avond inderdaad niet veel zou gebeuren. Voor alle zekerheid zette ik mijn tent toch maar wel zo ver mogelijk bij de bar vandaan. (Gelukkig!). Wat later reden de drie Fransen op hun motorfietsen, grote, BMW-achtige machines, de camping op en namen elk een bungalow. Nog een half uurtje later kwamen de vijf verwachte Nederlanders, elk op een Harley Davidson, aangetuft en zetten meteen een tent op, bijna zo groot als een fabriekshal. ’s Avonds ging ik voorzichtig eens poolshoogte nemen om te kijken welke soort hier zijn hoofdkwartier had opgebouwd: de ‘good guys’ of de ‘bad guys’. Tot mijn opluchting bleken ze tot de eerste categorie te behoren. Het bleken gezellige Brabanders te zijn die een reisje door Frankrijk maakten, waarbij hun vrouwen niet mee mochten.

Foto 16: De ‘Vijf van Brabandt’ voor hun hoofdkwartier op de camping van Joncels. 
Foto 17: Twee van de vijf Harleys. Aan het glimmen van pijpen, buizen, velgen, spatborden en cilinders was duidelijk te zien dat deze mensen de verhouding poetsen / rijden in juiste balans hielden.

Nadat ik het een en ander had verteld over mijn reis en daaraan toegevoegd had, dat ik nog niet toe was aan trapondersteuning, zei een van de vijf: “Ga mee naar de bar om wat te drinken.” Ik gaf gehoor aan deze uitnodiging en even later zaten we aan de bar en dronk ik een glas sinaasappelsap, terwijl mijn nieuwe vrienden zich beperkten tot bier. Na een uurtje van ervaringen uitwisselen en de verschillen analyseren tussen fietsen en motorrijden, kreeg ik de indruk dat de eigenaar, die biertje na biertje serveerde, aanstalten maakte om de tent te gaan sluiten. Het was immers al 10 uur.

“Ik denk dat de bar dicht gaat,” merkte ik daarom op.

“Welnee,” antwoordde de man die naast me zat. “De bar gaat pas dicht als wij naar onze tent gaan.” Dat vond ik ook weer zo’n merkwaardige opmerking. Blijkbaar kende ik de gebruiken bij motorcampings nog niet.

Die kende ik de volgende ochtend, na een grotendeels doorwaakte nacht, al een stuk beter. Nadat ik om 10 uur mijn tent ingedoken was, hadden  gepraat en Brabantse moppen tot half vier door geklonken. Met oordoppen in en omdat mijn tent zo’n eind bij de bar vandaan stond, had ik gelukkig nog delen van de nachtrust kunnen redden, maar erg vlot ging het inpakken en opladen van de fiets deze ochtend niet. De eigenaar lag nog te slapen, maar de vrouw van de eigenaar wist te vertellen: “Ze hadden er vannacht echt zin in.”

“En, hadden jullie er echt zoveel zin in?” vroeg ik, toen ik van start ging, aan de eerste motorrijder die op dat moment uit het hoofdkwartier kroop.

“Ja,” antwoordde hij met een vermoeid gezicht. “De bedoeling was overigens om vroeg naar bed te gaan en lekker uit te rusten, maar het is vannacht een beetje uit de hand gelopen.”

De lering die we uit deze geschiedenis kunnen trekken is: Als je van gezelligheid houdt, ga dan je tentje opzetten op de motorcamping van Joncels, 2 km ten noorden van Lunas.

De volgende keer gaan we weer geheel uitgerust verder met nieuwe leerzame gebeurtenissen op deze reis door Frankrijk.

Frank in Frankrijk.