Lokroep van de bonka-bonka

Als een gesel teistert de gevreesde bonka-bonka-bonka-muziek het binnenplaatsje van het Saba-hotel in Adwa en bonkt door tot in de kamers die langs dat binnenplaatsje liggen, dus ook tot in die van mij. Vanmiddag toen het allemaal nog aardig was, ben ik hier aangekomen na een paar andere hotelletjes in het plaatsje verworpen te hebben wegens te luide muziek en gebrek aan sfeer. Ik vroeg de vrouw die bezig was het binnenplaatsje aan te vegen of ze een kamer voor me had. Die had ze inderdaad, meerdere zelfs, maar iets acceptabels bleek er in het rijtje krotten helaas niet te vinden te zijn. Omdat het binnenplaatsje van het hotel er niet onsfeervol uitzag, nam ik uiteindelijk genoegen met een onacceptabele kamer, wat eigenlijk een contradictie is. Het onacceptabele, niet alleen van mijn kamer maar van het hele hotel, was ook hier de muziek, die weeïg door het hotel dweilde, het acceptabele dat de dweilende muziek minder luid was dan in de andere gelegenheden van Adwa.

Door Frank van Rijn
——————–
Nu het bedtijd is geworden is die aanvankelijk weeïge muziek echter bij stukjes en beetjes opgeschroefd tot een niet meer te pruimen gedruis en wordt het tijd er wat aan te gaan doen, want anders kunnen ze me morgen waarschijnlijk naar een sanatorium brengen. Ik loop mijn kot uit, kruis het binnenplaatsje en ga de sinister verlichte bar in waar tot mijn verbazing geen gasten zijn om van de muziek te genieten, hoewel het al tegen negenen loopt. De vrouw die mij vanmiddag de kamer bezorgd heeft, zit lethargisch op een bankje tegen de muur.

ethiopiev11.jpg
In de bergen van Adwa

Decibels
‘Goedenavond’ groet ik beleefd. ‘Zou de muziek wat zachter kunnen?’ Ik bedoel natuurlijk te zeggen: ‘Kan die herrie niet af?’, maar als je zo begint is succes niet altijd verzekerd. Op mijn manier echter ook niet zoals blijkt uit het feit dat ze me glazig aanstaart, zonder tot enige vorm van actie over te gaan. Als ik echter met wat meer klem aandring ontwaakt ze uit haar apathische houding, die ze waarschijnlijk gefingeerd heeft om mij af te poeieren. Traag komt ze met een zuur gezicht overeind, waarbij ze moeizaam ‘Try’ over haar lippen weet te krijgen.
Haar slome sloffende tred in de richting van de geluidsinstallatie accentueert nog eens een overdosis aan gecultiveerde lamlendigheid. Even later zakt de herrie zowaar wat in, maar terwijl ik naar mijn kamer terugloop hoor ik het aantal decibels alweer oplopen tot het oorspronkelijke niveau. Dit is dus zinloos. Als het authentieke Ethiopische muziek was geweest, zou ik het kunnen waarderen, maar deze akoestische rommel zonder enige variatie en melodie is om depressief en gelijktijdig agressief van te worden.
Een tweede poging om het geluidsniveau tot fatsoenlijke waarden omlaag te krijgen, ditmaal door mij rechtstreeks tot de eigenaar van het hotel te wenden en een beroep op zijn redelijkheid te doen, strandt op een botte weigering. De jongeman is samen met een paar vrouwen in zijn kamer op het eentonige gehoemp heen en weer aan het wiegen, waarbij hij met zijn armen bewegingen maakt als waren het de drijfstangen van een stoomlocomotief.

ethiopiev12.jpg
Discussie tussen twee ouden in de buurt van Wachile.

Tumult
‘Als je wilt slapen,’ blaft hij me toe, terwijl hij zonder me aan te kijken doorgaat met het aandrijven van onzichtbare wielen, ‘ga dan naar je kamer en trek de deur achter je dicht.’
Er rest me helaas weinig anders en daar aangekomen prop ik mijn oordoppen diep in mijn oren, maar het is een lapmiddeltje. Ik hoor zelfs door de doppen heen, dat er nu mensen naar dit popparadijs komen, zeer zeker aangetrokken door de lokroep van de bonka-bonka-bonka, en als ik het goed hoor zijn het er heel wat. Op een tijd dat een normaal mens gaat slapen, gaat het hier dus allemaal beginnen.
Om boven het tumult van de gasten uit te komen wordt de muziek opgeschroefd en om boven de muziek uit te komen, gaan de gasten luider en luider praten en schreeuwen, zodat de dreun nog verder opgeschroefd moet worden om dáár weer bovenuit te komen. Uiteindelijk kunnen de luidsprekers het elektrisch toegevoerde vermogen nog slechts schor en verminkt de ruimte in blaffen, maar wat maakt het uit? Schor, vervormd en vals, het doet er allemaal niet meer toe, zolang het ritme maar hard en duidelijk de weg wijst in de chaos. ‘Blijkbaar heb ik de gave om de slechtste tent van een stad uit te zoeken’

ethiopiev13.jpg
In het theehuisje van Brindar

Uur na uur dreunt de herrie van muziek, vermengd met het gelal en geschreeuw van de steeds beschonkener wordende feestvierders voort, maar rond twee uur in de nacht zwelt het opeens aan tot or-kaankracht. Blijkbaar komt het hele zooitje de bar uit en wordt de orgie op het binnenplaatsje, vlak voor mijn gammele deur naar een climax gevoerd. De angst bekruipt me dat de stomdronken herriemakers mijn deur gaan rammen. Ze zullen zeker gehoord hebben dat hier een faranji logeert, die gevraagd heeft of hun muziek wat zachter kon.
‘Vindt die faranji onze muziek dan niet mooi? Wil hij niet meedoen met ons? Voelt hij zich soms boven ons verheven? Wat denkt die arrogante kerel wel?’ Dit soort vragen kunnen in een door alcohol benevelde en door bonk-bonk-bonk-muziek in trance gebrachte massa gemakkelijk uitgroeien tot een golf van agressie en mijn onbehaaglijke gevoel neemt toe.
Even later wervelt de kern van de popcycloon tot mijn grote opluchting weer terug naar de met rode, groene, bruine en zwarte knipperlampen ‘verlichte’ bar, waar de elektronische stoomtreinpartij voortwoedt.
Blijkbaar heb ik de gave om de slechtste tent van een stad uit te zoeken. In die andere gelegenheden van Adwa zal de ‘muziek’ nu wel voorbij zijn, maar hier bevind ik me zonder twijfel in het epicentrum van het discogebeuren van Adwa en wijde omtrek. Frank, jongen, hoe heb je dat toch weer voor elkaar gekregen? Het zou me niets verwonderen als het niet alleen disco nr. 1 van Adwa is, maar ook hoerentent nr. 1. Ik ben blijkbaar te naïef om overdag het verschil te zien tussen een relatief prettig hotelletje met een gezellig binnenpleintje en een bordeel.

ethiopiev14.jpg
Een baobab naast het keienpad van Abergele

Muziek
Even overweeg ik met behulp van mijn ‘fuse destroyer’ een einde te maken aan het kabaal en het feest. Een fuse destroyer is een uiterst simpel maar niettemin geweldig elektrisch apparaat: een stekker waarvan de twee stekers inwendig door middel van een dikke koperdraad met elkaar zijn doorverbonden.
Steek je zo’n apparaat in het stopcontact, dan veroorzaak je dus een oerdegelijke, ongecompliceerde kortsluiting, die tot gevolg heeft dat de smeltveiligheid, ook wel gewoon ‘stop’ genoemd, doorslaat. Het Engelse woord voor ‘stop’ of ‘smeltveiligheid’ is ‘fuse’ en aangezien wij in deze moderne tijden onze taal uiteraard zoveel mogelijk trachten te ‘verrijken’ met Engelse woorden, is ‘fuse destroyer’ dus te verkiezen boven ‘smeltveiligheidverwoester’.
Welnu, als de stop is doorgeslagen, is de elektriciteit uitgeschakeld en knipperen er dientengevolge geen rode, groene, bruine en zwarte lampen meer en wat belangrijker is… zal de ‘muziek’ tot zwijgen gebracht zijn! Het is dus een uiterst praktisch middel om rust te creëren in geval van elektronisch tumult, maar helaas niet geheel van gevaar ontbloot, want als er géén ‘fuse’ in de installatie zit, maar gewoon een doorverbinding met een koperdraad of een stuk zilverpapier om een kapotte ‘fuse’ heen, kan er geen ‘fuse’ verwoest worden en komt er waarschijnlijk brand door te grote warmteontwikkeling in de stellig gammele elektrische bedrading van het even gammele Saba-hotel.
Dan zal de muziek wel snel afgezet worden, lijkt me, en in die zin zal ik mijn doel dus ook bereikt hebben, maar als de hele hoerentent in lichterlaaie gaat, is er van rust al evenmin sprake. Ik heb om die reden dit bijzondere lichtgewicht apparaatje nog nooit durven gebruiken, ook al heb ik op mijn reizen nogal wat van dit soort ‘popfestivals’ moeten ondergaan. Ook deze keer verwerp ik het idee om het te gebruiken, na het een tijdje peinzend tussen mijn vingers heen en weer gedraaid te hebben. Het zij zo. Het wachten is op betere tijden.

ethiopiev15.jpg
Een achthonderd jaar oud boek in een van de rotskerken van Lalibela

Duistere momenten
De volgende ochtend zie ik tot mijn verwondering de zon in een roodgele gloed opkomen. Niet dat ik er aan getwijfeld heb dat het vandaag weer mooi weer zou zijn, want het is hier elke dag mooi weer, maar tijdens de donkerste, duisterste momenten van deze afschuwelijke nacht heb ik er soms wel eens aan getwijfeld of ík er nog bij zou zijn om te zien dat het weer mooi weer ging worden. Zo blijft een dergelijke tocht elke keer opnieuw zijn verrassingen hebben. De herrie stopte zelfs al om drie uur in de nacht en dat is lang niet gek. Waarschijnlijk viel de elektriciteit uit, zonder dat mijn fuse-destroyer er aan te pas hoefde te komen.

De betere tijden zijn voor mij dus weer aangebroken: zon, rust en het wegrijden bij het Saba-hotel vandaan, de Poel des Verderfs, het Sodom en Gomorra van Ethiopië.
In Axum, 25 kilometer naar het westen, vind ik een beduidend beter onderkomen in het Abesyna-hotel, dat geheel nieuw is. De kamers zijn schoon, er heerst rust, de eigenaar is vriendelijk en de badkamer zit vol kranen, waarvan er echter, als kleine dissonant in al dit fraais, geen een water geeft. In plaats van die kranen watergevend te maken is de man zo’n beetje de hele dag bezig de sporadisch door deze toeristenplek slenterende vreemdelingen naar zijn souvenirwinkeltje te lokken: ‘Mister, have a look in my shop. Just a look. Beautiful souvenirs.’
En zo blijven de kranen droog en de tuin kaal, die met wat inspanning tot een paradijsje omgewerkt zou kunnen worden, waardoor het hotel nog aantrekkelijker zou zijn en daardoor misschien meer toeristen zou trekken tegen hogere prijzen.
Eigenlijk is het wel begrijpelijk dat de mensen hier niet zo actief zijn met werken voor een betere toekomst. Veertig kilometer naar het noorden loopt de grens met Eritrea. Aan beide zijden daarvan staan tanks, geschut en legers opgesteld, klaar om in actie te komen als de machthebbers in Asmara of Addis Abeba het sein daartoe geven. Dan zullen de bommen en granaten in het rond vliegen en is de kans groot dat alles wat moeizaam opgebouwd is, binnen enkele tellen kort en klein geknald wordt.
Een dergelijke gedachte kan verlammend werken en daar heb ik alle begrip voor. Het zullen, zoals in vrijwel elke oorlog, de onschuldigen zijn die het gelag moeten betalen, als het zover mocht komen. Waarom moeten twee broedervolken met dezelfde cultuur, religie en taal klaar staan om elkaar tegen hun zin af te slachten?
‘Veertig kilometer naar het noorden loopt de grens met Eritrea. Aan beide zijden daarvan staan tanks, geschut en legers opgesteld’

ethiopiev16.jpg
De Simien Mountains

Ethiopische asfaltwegen
De 130 kilometer lange weg van Lalibela naar Sekota is onlangs verbeterd en twee dagen geleden officieel heropend. Daartoe zijn een paar hotemetoten uit Addis Abeba hierheen gevlogen om een lint door te knippen, wat ik eigenlijk net zo goed had kunnen doen. De weg is een juweeltje, weliswaar gravel, maar van een kwaliteit die die van de meeste Ethiopische asfaltwegen verre overtreft. Vergeefs zal de reiziger dan ook naar de elders in zulken grote getale voorkomende potholes zoeken.

‘Is de route vlak of bergachtig?’ vroeg ik voor mijn vertrek uit Lalibela een man, aan wiens gezicht ik meende te kunnen zien dat hij het wist.
‘Vrijwel geheel vlak,’ was zijn antwoord en de stelligheid waarmee hij dat gaf, bevestigde mijn indruk dat ik hier met een ‘weter’ te maken had.

ethiopiev17.jpg
De kamelenmarkt van Senbete

Dun bevolkt
Een kilometerslange afdaling, direct buiten Lalibela bracht die indruk al wat aan het wankelen en de kilometerslange klim, waarmee ik nu bezig ben, na een hele dag van op en neer en haarspeldbocht na haarspeldbocht velt het laatste stukje van die indruk. De weg is ondertussen niet het enige dat op en neer gaat. Ook het landschap gaat op en neer en dat is natuurlijk te verwachten, want je legt niet een weg aan vol haarspeldbochten en hellingen over een vlak land.

In de lager gelegen gebieden groeien acaciaboompjes en doorn-struiken. Hier en daar ligt een dorpje van wat hutten en soms zie ik een boer langs de weg lopen, maar in verhouding tot wat ik tot nu toe van Ethiopië heb gezien is het hier erg dun bevolkt. Er zijn dan ook nauwelijks kinderen en als ze er zijn bedelen ze niet om geld, zeuren nauwelijks om pennen en gooien gelukkig geen stenen. Met het roze, kale, ruige, onherbergzame en steeds van aanzicht wisselende bergland rondom en de diepblauwe hemel met fel stralende zon daarboven, is het een groot plezier hier te fietsen, en om dit gebied tot een waar fietsparadijsje te maken is er nauwelijks verkeer op de weg. Een enkele keer komt er een jeep of een vrachtauto langs, maar die is steeds van de maatschappij die deze weg heeft aangelegd. Ander verkeer heb ik hier tot nu toe nog niet gezien, zodat ik waarschijnlijk de eerste echte gebruiker van deze verbeterde weg ben.
Voorbij Sekota is men bezig de weg door te trekken naar Axum, bij de grens van Eritrea en dat is ook waar ik heen wil. Een kilometer of 32 voorbij Sekota is het echter afgelopen met de pret, althans met de pret van het makkelijk voortrijden over een goede gravelweg. Daar begint een andere pret: een afdaling in een 800 meter diepe canyon over een steil slingerend pad dat vol stenen ligt, zodat ik herhaaldelijk stukken moet lopen. Bij een dorpje komt er weer eens een groep kinderen op me af. Ze volgen me ongeveer een kilometer, maar houden het dan voor gezien. Voordat ze echter terugkeren naar hun dorp maken ze me met een beetje Engels en veel gebarentaal duidelijk dat ik beneden in de kloof door een rivier moet waden en dat het nog een reusachtig eind is naar Abergele, het eerstvolgende dorpje op de route naar Axum.
Twee uur later en 8 kilometer verder wordt het pad minder steil en gaat hier en daar zelfs weer korte stukjes omhoog. Met nog meer losse keien als wegdek, moet ik nog vaker lopen en waar de keiendichtheid afneemt kom ik in mul zand terecht. Om me heen verheffen zich de met half groene, half dorre boompjes en struiken begroeide, geplooide canyonwanden. Hier en daar zie ik reusachtige baobab-bomen met wilde kruinen die op omhoog gestoken wortels lijken. Dit gebied is het domein van fluitende vogels die van tak tot tak vliegen en van tetterende bavianen die zich van boom tot boom slingeren.
Na 16 kilometer dalen, bereik ik de plaats waar deze canyon in een grotere canyon uitmondt. Door die hoofdcanyon stroomt een van de voedingsrivieren van de Tekeze die op zijn beurt de Atbara voedt, die bij Atbara in de Nijl vloeit. Nog majestueuzer dan daarstraks de wanden van de zijcanyon, rijzen hier de rotswanden naar de blauwe hemel. Van keien heb ik nu geen last meer, maar van mul zand des te meer en veel fietsen is er dan ook niet meer bij. Ik vraag me af hoe lang het pad nog langs de rivier zal lopen voordat het er door gaat en of het dan aan de andere kant meteen de canyon uit klimt, weg van dit mulle zand, of dat het de rivier nog een eind verder zal volgen.
Nadat ik drie kwartier door het zand van de hoofdcanyon geworsteld heb vind ik het welletjes voor vandaag. Het is half vijf in de middag, dus er resten me nog ongeveer twee uren daglicht. Tijd om een mooie kampeerplek te zoeken, wat geen probleem is omdat alles in het rond één grote mooie kampeerplek is. Menselijke bewoning ontbreekt in z’n geheel, dus voor een groep toeschouwers rond mijn tent hoef ik niet benauwd te zijn. Wel moet ik flink oppassen voor doornen die hier in alle maten en soorten voorkomen, en waarvan er vele verscholen zitten in het zand. Daarom laad ik af en draag ik mijn spullen en fiets naar een fraai beschut plekje achter een grote struik, waar ik mijn tent ga opzetten. De vraag hoe ver het nog is naar waar het pad de rivier kruist wordt wat later beantwoord, als ik naar de rivier loop om water te halen. Ik blijk er slechts 300 meter vandaan te staan. Tussen de struiken zie ik aan beide zijden van de snel stromende troebele, ca 20 meter brede rivier, resten van een oude, in de Tweede Wereldoorlog door de Italianen gebouwde brug. De brug zelf is verdwenen, waarschijnlijk weggespoeld door een flinke vloedgolf of misschien opgeblazen in de oorlog. Daar zit ik nu een beetje mee, want ik zal morgen vroeg die rivier door moeten waden en van hier gezien is niet met zekerheid te zeggen of me dat zal lukken.
Als ik in de invallende schemering in alle rust voor mijn tent iets zit op te warmen dat je met een zekere fantasie een maaltijd zou kunnen noemen, houdt de vraag of ik die rivier door zal komen me enigszins bezig. Indien me dat niet lukt, zal ik terug moeten en dat zou vervelend zijn. Niet alleen kost me de klim terug uit de canyon ruim een dag, aangezien ik over de afdaling al meer dan een halve dag heb gedaan, maar bovendien verlies ik dan zo veel tijd dat ik niet meer via de oostelijke route naar Axum bij de Eritrese grens kan. Het probleem hangt weer eens op een stempeltje, iets wat in Afrika wel vaker voorkomt.
‘Kan ik een visum voor drie maanden krijgen?’ vroeg ik twee weken voor mijn vertrek op de Ethiopische ambassade in Den Haag.
‘We geven alleen visa af voor één maand,’ antwoordde het meisje achter de bali, ‘maar u kunt het visum in Addis Abeba laten verlengen. No problem.’
‘Als het ‘no problem’ is, kunt u het misschien hier meteen al verlengen?’ probeerde ik. Vergeefs echter.

Addis
En zo toog ik, vers uit het vliegtuig, naar het immigratiekantoor in Addis. Buiten krioelde het, ondanks het vroege uur, van de mensen. Mijn fiets mocht niet door het hek, maar de veiligheidsbeambte, die iedereen die naar binnen wilde, bestreek met een metaaldetector, op zoek naar in broekspijpen, zakken en truitjes verstopte pistolen, bommen en mitrailleurs, paste op mijn volbeladen vervoermiddel. ‘No problem!’
Binnen hing het gebruikelijke derde-wereld-bureaucratie-sfeertje: een grote sombere gang met ter weerszijden kamers met nummers er op, een gymnastiekbank langs de verweerde, verveloze muur die vol zat met wachtende mensen en een rij staande wachtenden daar achter die me naar adem deed snakken. Nadat ik mij achter die lange rij had aangesloten ontdekte ik al snel, dat die slechts uiterst traag voortkroop door de sinistere gang, zodat ik mijn eerste dag in Ethiopië kon beginnen met een zware oefening in geduld. In andere Afrikaanse landen word je als Europeaan in een dergelijke situatie nog wel eens heel gênant maar beslist niet onplezierig, langs de rij wachtenden geloodst, om meteen geholpen te worden, maar dat privilege genoot ik hier niet. Mijn pogingen om die visa-verlengkamer in te komen of zelfs maar even mijn blanke neus in de deuropening te laten zien, mislukten jammerlijk, want voor die onbereikbare kamer stond een bewaker die iedere voordringer met geweld terugduwde in de rij.

Na twee vreugdeloze uren, die ik liever had besteed aan de interessante plaatsen van Addis Abeba, was ik eindelijk tot in het walhalla van de Ethiopische immigratiedienst doorgedrongen. Ik legde uit, dat ik niet binnen één maand mijn geplande toer door het noorden van Ethiopië zou kunnen maken en vroeg daarom of het visum van een maand verlengd kon worden tot de zeventig dagen die ik in het land zou blijven, zodat ik in alle rust mijn reis zou kunnen maken. De beambte achter de balie was, terwijl hij me aanhoorde, met vijf formulieren tegelijk bezig en praatte onderwijl met de twee dames, die in de hoek achter tafeltjes voorzien van schrijfmachines, druk bezig waren niets te doen. Tussendoor rinkelde om de haverklap de telefoon naast hem en als hij vond dat die haverklap te lang duurde, draaide hij zelf een nummer, waarschijnlijk om het een of andere door de mens gecreëerde en nu onoplosbaar geworden probleem aan zijn chef in kamer 4 voor te leggen. Mijn geval bleek uiteindelijk ‘No problem’ te zijn. Hij schreef op het door mij ingevulde formulier: ‘Visa extension till 28 Febr 1999’. Daarna moest ik bij dame I 105 Birr betalen, waarna dame II het formulier met wat typewerk zou gaan opfleuren. Dame I begon echter een verhaal in het Amhaars tegen de beambte, wat resulteerde in weer een eindeloze tijd wachten, terwijl er ondertussen zeven andere gevallen behandeld werden. Na dit intermezzo kreeg ik mijn 105 Birr terug en werd mij gezegd dat ik de volgende dag om 11 uur terug moest komen.
En wat ik verwachtte gebeurde: De volgende dag was er opeens tóch een ‘problem’. Het visum kon pas verlengd worden vlak voordat het zou verlopen, dus pas na een kleine maand.
‘Kunt u voor mij geen uitzondering maken?’ vroeg ik. ‘Ik ben namelijk op de fiets en als ik over een maand al terug moet zijn haal ik Axum niet, één van mijn doelen op deze reis.’
‘Ga dat maar vragen in kamer 4.’
Kamer 4 kon ik gelukkig zonder al te veel wachten binnen. Daar hoorde een vriendelijke chef mijn verhaal aan, maar verlengde mijn visum niet.
‘Hoe lang heb je met die fiets nodig om naar Axum en terug te rijden?’ vroeg hij.
‘Een week of zes.’
‘Dan kom je over zes weken terug om je visum te verlengen. No problem.’
‘Maar als een politieman mijn paspoort over vijf weken inkijkt is er wél een ‘problem’.’
Volgens de chef van de immigratiedienst was er echter geen ‘problem’. ‘Immigratie is immigratie’ zo redeneerde hij ‘en politie is politie en dat zijn twee verschillende instanties.’
En zo ben ik dus in een beetje dubieuze onderneming verzeild geraakt, alleen omdat ik op een fiets reis en een tocht wil maken naar het hoge noorden van Ethiopië. Mijn visum gaat op deze tocht verlopen en dat mag dus van deze chef, maar ik moet het toch niet te lang laten verlopen, lijkt me, want dat is vragen om ‘problems’ met eventuele paspoort controlerende politie onderweg, die niets afweet van de mondelinge afspraak tussen mij en de chef van de immigratiedienst in Addis Abeba. Indien deze rivierdoorwading morgenochtend onmogelijk zou blijken te zijn, heb ik te veel tijd verloren om nog via Mekele om te rijden en zal ik Axum van mijn programma moeten schrappen. En zo kan dus het ontbreken van het juiste stempeltje in je pas een even grote barrière vormen als een niet te doorwaden rivier.

Tekst en foto’s copyright van Frank van Rijn. De fragmenten zijn uit De Zuilen van Axum, een winterreis door Ethiopie. 2000. (ISBN 90389 1080 0)