De dikke Baobab (fragmenten)

-Brookesia minima, Menticola erythronotus en nog veel meer-

Frans is precies op tijd en gezamenlijk lopen we de 3,5 km omhoog naar de ingang van het park. Onderweg halen we een man in van een jaar of 30, die vrij goed Engels spreekt. Hij loopt met ons op en vertelt dat hij Richard heet en gids in het park is. De man komt ons sympathiek voor en wekt al pratend de indruk een flinke kennis te hebben op het gebied van de flora en fauna van het park. Aangezien Frans’ Frans niet grandioos is, is de beslissing dan ook snel genomen om Richard als gids te kiezen.
In het kantoortje van het park licht Richard ons de wandeling toe aan de hand van een kaart aan de muur, eigenlijk meer een tekening, waar een paar paden, een watervalletje, een meertje, een jeeproute en wat nummers op staan, die de te bezoeken plekken aanduiden. Een eenvoudig, maar overzichtelijk kaartje, al was het maar op A4-formaat, met een schaal erop, zodat je een beetje een idee hebt van afstanden, is hier net zo min voorhanden als in alle andere nationale parken in Madagaskar die ik heb gezien. Richard schat de totale duur van de wandeling op ongeveer 5 uur, wat Frans en mij een goed compromis lijkt tussen de 6 uur die wij aanvankelijk wilden en de 4 uur waar gisteren over gepraat werd.

Juist als we willen vertrekken stopt er een auto waar twee nogal dikke tantes uit stappen, Amerikanen, te horen aan hun lichte accent. Hun gids geeft, eveneens gebruik makend van de tekening aan de muur, een toelichting op de wandeling die de twee tweehonderdtwintigponders gaan maken. Tot mijn verbazing wijst hij dezelfde punten aan, die Richard zojuist voor ons heeft uitgezocht.
“Zo, dus jullie gaan ook een flinke wandeling maken?” vraag ik hun.
“Een korte maar,”, antwoordt de dikke, die een stuk magerder is dan de dikste. “We zijn niet zulke lopers. Met twee uur hebben we het wel gehad.”

P1080376

Dat is een merkwaardige zaak: Wij lopen het ‘grand circuit’ van 5 uur en bezoeken daarbij dezelfde plekken die deze twee vrouwen in 2 uur gaan bekijken. Als ik er de parkwachter en Richard naar vraag komt er een Babylonische spraakverwarring in het Engels, Frans en Malagassisch zonder dat het mysterie naar tevredenheid wordt opgelost. Frans en ik houden het maar voor gezien en blijven bij ons besluit om het ‘grand circuit’ te gaan lopen. Waarschijnlijk zit het verschil hem in de verbindingsroutes tussen de diverse punten. In vijf uur zie je meer dan in twee, hopen we.
Om 8.15 uur, een kwartier verlaat door deze onverwachte conversatie, vertrekken Frans en ik onder leiding van Richard. De wandeling gaat eerst over een jeeppiste, maar al snel slaan we af op kleine paadjes, alles door zware jungle van grote bemoste bomen, woekerende struiken, lianen en parasieten. Een boom van 15 cm dik is in zulke merkwaardige bochten gegroeid, dat hij een knoop in zichzelf heeft gelegd. Een veel bredere boom is geheel ingepakt door een wurgboom, die zijn takken als een dwangbuis om de dikke boom heeft geslagen. Uiteindelijk zal de gewurgde boom sterven en omvallen, waarna de wurgboom ook geen grote toekomst meer heeft. Dom, eigenlijk, zo’n parasiet. Als ik wurgboom was zou ik iets minder hard wurgen en parasiteren waardoor de grote boom zou blijven leven en ik ook.
Over een horizontale tak kruipt een kameleon van ongeveer 25 centimeter. Zulke reptielen heb ik al vaker gezien, maar ze blijven me toch steeds weer fascineren. Frans begint naar aanleiding van dit beest over de kleinste kameleon ter wereld, die volgens zijn reisgids in dit park moet voorkomen.
“De Brookesia minima bedoel je,” verduidelijkt Richard. Hij blijkt veel Latijnse en andere moeilijke namen te kennen.
“Ja, die.” antwoordt Frans. Ook hij weet het een en ander van de fauna hier. Ik verdenk hem ervan dat hij een flinke voorstudie heeft gemaakt.

P1080469
“Wil je die kleine Brookesia zien?” vraagt Richard.
“Ja, absoluut. Dat is een van de redenen dat ik hierheen ben gekomen.”
Richard loopt wat rond door het bos, zoekt een boompje uit, graaft een beetje bij de wortel en daar is de Brookesia minima, als een duif uit een hoge hoed. Hij houdt het één centimeter lange beestje op zijn handpalm. Frans staat er als gebiologeerd naar te kijken, pakt dan zijn camera en begint een serie te knippen waar bijna geen eind aan komt. Het kameleonnetje loopt een beetje verloren over de hand, waarna Richard het gedesoriënteerde wereldwonder terugzet op de plek waar hij het heeft gevonden. Over een pad met ontelbaar veel bovengrondse overdwarswortels, een ideaal mountainbikepaadje dus, lopen we omhoog naar een plek waar de bomen, struiken en takken even wijken, zodat we eindelijk een wijder uitzicht hebben. Een meter of 100 voor ons zien we langs een kale verticale rotswand een smalle waterval. Hij komt van tussen veel groen en verdwijnt een eind lager ook weer tussen veel groen.
“We krijgen straks een nog mooiere waterval te zien.” zegt Richard en inderdaad, wat later staan we voor een waterpoel waarin aan de overkant, vanaf een rots, een straal water plonst. Als het een douche was zou je kunnen spreken van een flinke douche en waarschijnlijk ook van een koude, want we staan hier op ongeveer 1100 meter hoogte. Als je je urenlang tijdens het lopen hebt verheugd op een soort Niagarawaterval is het ook een koude douche, figuurlijk dan, want het is toch eigenlijk maar een miezerig straaltje. In de regentijd zal er ongetwijfeld heel wat meer water naar beneden komen en zal hij zeker een stuk indrukwekkender zijn, maar dan zullen de muggen, waar we nu in het geheel geen last van hebben zeker ook een stuk indrukwekkender zijn.
Op het vlondertje met hekje ervoor, om te voorkomen dat toeristen in de poel tuimelen, staan nog een paar andere bezoekers te kijken. Hier worden gigabytes vol geklikt op een blauw vogeltje zo groot als een mus, dat op een een tak zit, die boven het water uitsteekt.

P1080416

Kingfisher”, gonst het uit ongeveer een half dozijn monden. Verrekijkers worden uit rugzakken gehaald, die vervolgens worden gefocust op het blauwe beestje, dat zich waarschijnlijk niet bewust is van de deining die het onder de toeristen veroorzaakt.
“Wilt u ook kijken?” vraagt een Fransman die naast me staat en mij zijn kijker aanreikt. Ik kijk er door en zie een kingsize kingsfisher. Zo ziet hij er inderdaad een stuk interessanter uit. Voor mij geldt ten aanzien van vogels: hoe groter en hoe dichterbij, hoe beter. Een verrekijker kan daarbij goed helpen, maar dan moet het beestje wel stil blijven zitten, want om een vogel in vlucht met een kijker te volgen, moet je volgens mij afgestudeerd zijn in de Hogere Ornithologie.
Als Frans en ik het vogeltje en de waterval uitputtend hebben bekeken, gaan we door naar het laatste punt van de toer: het meertje. Over een glibberig pad dalen we af naar een ronde plas water waar we niet echt warm voor kunnen lopen. Het ziet er een beetje uit als het Aekingermeer bij Appelscha. Daar hoef je niet speciaal de halve wereld voor af te reizen en dus klauteren we alweer snel omhoog over het glibberige paadje. Op weg terug naar de uitgang van het park stopt Richard opeens en wijst naar een boom met een stam die ongeveer 30 cm breed is. We kijken, maar ontdekken eigenlijk niets bijzonders.
“Kijk eens goed,” zegt hij.

Frans en ik speuren de stam af op zoek naar het een of andere kleine beestje, waarbij ik denk aan de groen-bonte dwergmier en de kreupele mini-termiet. Plotseling roepen we vrijwel tegelijk verrast: “Een reptiel!” Pal voor onze neuzen zit een soort hagedis van zeker 20 cm lengte onbeweeglijk aan de boom gekleefd, als een oneffenheid van de schors. Met zijn grijze schubben en ogen, die hij tot spleten dichtgeknepen heeft, ziet hij er bijna angstaanjagend uit.
“Dat is een reuzengekko.” licht Richard toe. “Hij wacht op zijn prooi: vliegen en muggen. Hij is familie van die kleine gekko’s die je langs de muren en aan de plafonds van huizen ziet kruipen en die ook op muggen jagen.”
Frans schiet weer een album vol en ik klik ook een stel platen, maar aangezien we onze camera’s dicht bij de gekko houden en er door het dichte gebladerte boven ons niet zoveel licht doordringt, is het moeilijk het beeld mooi scherp te krijgen. Het beest blijft echter wel doodstil zitten, wat het fotograferen ervan makkelijker maakt dan van bijvoorbeeld een zenuwachtig vogeltje. Om weer een ander plaatje te krijgen, tikt Richard met een stokje zacht op de rug van het reptiel, waardoor deze omhoog veert en los komt van de stam. Nu is duidelijk te zien dat het een hagedisachtige is. Frans’ dag kan niet meer stuk en ik ben blij, dat ik omgekeerd ben om dit park te bezoeken, want er was heel wat interessants te zien en te beleven. Bovendien drong regelmatig zelfs zonlicht door het wolken- en bladerdek boven ons, terwijl het niet geregend heeft. De lemuren hebben het echter een beetje laten afweten. Een paar keer zagen we hoog in een boom een aantal exemplaren rondhangen, maar overdonderend, zoals in het Anjapark, was het hier wat de lemuren betreft niet.

En de Menticola erythronatus, het roodborstje dat geen roodborstje is en dat als nummer één op het verlanglijstje van Frans stond? Helaas voor Frans: het staat er nog. Zijn dag kan weliswaar niet meer stuk, maar de dag van zijn leven is het door het wegblijven van dat uiterst zeldzame vogeltje ook niet geworden. Frans zal nog eens terug moeten naar Madagaskar.

-Een mooie fles-

Zoals de Eiffeltoren het symbool is van Parijs, de Tower dat van Londen en het Colosseum dat van Rome, zo is de reuzenbaobab, waar vroeger executies van ter dood veroordeelden plaatsvonden, het symbool van de havenstad Majunga, dat tegenwoordig Mahajanga heet. De boom, die nu dienst doet als rotonde tussen de Boulevard Markoz, de Boulevard Poincaré en de Avenue de France, staat op menige folder afgebeeld en is het onderwerp van veel schilderijen. Het zaadje van deze gigant schijnt enige honderden jaren geleden in de grond gestopt te zijn. Nu is het zaaiertje dood en het boompje groot, erg groot. De diameter van de stam is ongeveer 7 meter, de omtrek bijna 22 meter en de hoogte van de boom 10 meter.

P1090023

Behalve als rotonde doet de boom dienst als ‘presentielijst’ van ‘ontdekkingsreizigers’ uit verleden en heden, die meenden met hun naam de bast te moeten opfleuren. Hoewel ik mijn zakmes in mijn broekzak voel branden om een artistieke bijdrage te leveren aan al dat moois, kies ik er toch maar voor om hier anoniem te blijven en de boom niet verder te maltraiteren.
Op het van vele zuiltjes gemaakte stenen muurtje dat om de baobab gebouwd is, laat menigeen zich graag fotograferen, maar erg bevredigend gaat dat niet. Het probleem is namelijk dat de fotograaf, als hij de hele boom erop wil zetten, zo ver weg moet gaan staan, dat de mensen op het muurtje niet of nauwelijks meer herkenbaar zijn. Neemt hij de plaat van zo dichtbij dat de mensen er wél duidelijk op komen, dan is er van de baobab slechts de grillig gevormde stam te zien, die uit een stuk of vijf aan, door en tegen elkaar gegroeide deelstammen bestaat. De kruin valt er dan totaal buiten. Voor de artistieke fotograaf is er natuurlijk de mogelijkheid om zijn slachtoffer zo ver voor de boom te laten poseren, dat deze een eind boven de boom uitsteekt waarbij hij met zijn hand over de kruin kan aaien. Ongetwijfeld zullen er al vele originele foto’s van dit symbool van Majunga  zijn gemaakt. Ik probeer daar een aan toe te voegen door een foto te maken van de boom door het voorwiel van mijn fiets heen in de hoop dat hij te zijner tijd op het voorblad van het een of andere luxe magazine zal prijken, maar het resultaat is knudde. Pogingen tot originaliteit leiden meestal tot mislukkingen. Daar kunnen vele moderne kunstenaars over meepraten.

Vanaf de baobab volg ik de Boulevard Marcoz en vind dan snel een hotel met de veelbelovende naam Chez Tranquilllle. Je zou, omdat de rust er met de vier ellen wat te dik bovenop ligt, bijna gaan geloven dat het hotel elke nacht vibreert van de disco, dat de Motorrijdersclub van Noord-Madagaskar er zetelt of dat het plaatselijke hondenkoor er dagelijks repeteert. Maar nee, het blijkt er werkelijk rustig te zijn, een goede plek dus voor een rustdag.

P1090050

Op die rustdag maak ik een tochtje zonder bagage. Ik fiets eerst naar het aardige vissershaventje en maak daar wat foto’s van de vele blauwe en witte bootjes. Dan rijd ik door naar het Cirque Rouge dat zich een kilometer of 14 ten noordoosten van de stad aan de kust bevindt. Over een gravelweg met een paar zandige stukjes fiets ik er naar toe en loop vervolgens een uur rond tussen een aantal fraai geërodeerde heuvels met vele schakeringen rood en roze. Een wereldwonder is het niet en als je Madagaskar bezoekt zonder hier een kijkje te nemen, hoef je daar niet de rest van je leven spijt van te hebben, maar als je eenmaal in Majunga verzeild bent geraakt, is het toch zeker wel de moeite waard om er even de zandweg voor af te peddelen. Ik ben dan ook verbaasd dat er geen mens te zien is. Waarschijnlijk is de route er heen toch te lastig, terwijl er geen voorzieningen zijn zoals restaurantjes, cafeetjes, picknicktafels en bewegwijzerde wandelpaden met verklarende bordjes er naast over de geologie, de flora en de fauna. De mensen blijven blijkbaar liever hangen op de stranden waar de route langs voert. Plonstoerisme wint het altijd weer van wandel- en fietstoerisme.

P1090034

Niet ver daarvandaan zie ik een man die voor zijn huis aan een tafeltje bezig is zand van het Cirque Rouge in een fles te stoppen: een laagje donkerrood zand, een laagje wit, een laagje paars etc. Met een ijzeren staafje, waar een uiterst klein schepje aan zit, rangschikt hij de kleine beetjes zand met verschillende kleuren zodanig in zijn fles, dat hij de mooiste afbeeldingen achter het glas creëert. Het wordt eigenlijk een klein rond schilderij. Op een andere tafel heeft hij een heel stel flessen te koop staan met allerlei van zand gecomponeerde figuren er in. Zo’n fles zou het mooi doen op mijn boekenkast, maar een liter zand is toch weer een heel gewicht om mee te nemen en bovendien ben ik bang dat door het geschud op mijn fiets de mooie figuratieve schilderijen zullen overgaan in expressionistische rommel die thuis slechts bruikbaar zal blijken te zijn om er de kattenbak mee te verversen. Dat is een probleem van de fietsreiziger. Jammer! Wat had ik thuis een enorme verzameling souvenirs kunnen hebben van al mijn fietsreizen als ik er met een grote auto op uit was getrokken!