Brief uit El Chorro

El Chorro, 11 augustus 2006

vanrijn01Om mijn fiets te onderscheiden van andere fietsen heeft Gazelle niet alleen een ander stuur en een ander zadel op mijn Kathmandu II gemonteerd, maar er ook “Round the World” opgezet in plaats van “Kathmandu II”. Dat is Engels en omdat tegenwoordig alles in het Engels moet, is dat een goede naam. Hoewel… “Moet het niet “Around the World” zijn?” zo vroeg een kennis zich af, die ik vol trots mijn nieuwe aluminium paard liet zien. Dat was even een goede vraag, maar een expert kwam desgevraagd met het verlossende woord: Nee, het is goed, want het is gebiedende wijs. “Ga de wereld rond met deze fiets!”. Zó moet het worden opgevat. En dat is waar ik nu juist een beginnetje mee heb gemaakt, want eergisteren kwam ik over de eerste 5.000 kilometer heen. Met een flink stel omwegen ben ik van Nederland naar El Chorro gereden. Dat “Round the World” neem ik niet al te letterlijk, ten eerste omdat er te veel zeeën op aarde zijn om er gerieflijk en zonder H2O-bike omheen te fietsen en ten tweede omdat ik 3 en 4 februari 2007 weer terug in Nederland moet zijn voor de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam (kan dat in het vervolg niet in april als het niet meer zo koud is?), waar ik mijn nieuwe boek: “de Gouden Capuchon”, zal presenteren dat over mijn reis door Tibet naar Kathmandu gaat (de reis die ik met mijn Gazelle Kathmandu I maakte en waar deze fiets zijn naam aan ontleent). Voorlopig stel ik me tevreden met een beginnetje van deze door Gazelle opgedragen wereldtour, een reis van Nederland naar West Afrika. Of mijn einddoel nu Tombouctou of Ouagadougou zal zijn, of welke plek in de rimboe, maakt mij voorlopig niet zoveel uit. Heel Afrika is boeiend. vanrijn02Spectaculaire dingen heb ik op deze eerste 5.000 kilometer niet meegemaakt, maar een mooie tocht was het wel, hoewel voor mij vrijwel allemaal Terra Cognita. Maar zolang de zon schijnt en ik me goed voel, vervelen mooie gebieden nooit. Via Neede, Weimar, Bern, het meer van Genève, Grenoble, de Cévennes, de Pyreneeën, Zaragoza, la Mancha en het fraaie natuurgebied van de Sierra de Cazorla reed ik naar El Chorro, waar ik nu op een camping aan een houten picknick tafel volgekrast met Carmen’s, Angelito’s, Jose’s en Maria’s dit verslagje op een blaadje uit mijn schrift aan het schrijven ben. “En waar ligt nu El Chorro?” zullen sommigen die vroeger tijdens de aardrijkskundelessen misschien even niet opgelet hebben, zich afvragen. Welnu, El Chorro ligt 19 kilometer ten westen van La Hoya en 13 kilometer ten noorden van Álora. En dat betekent dat ik twee rustige dagreizen van Algeciras vandaan zit, waar ik maandag 14 augustus de boot zal nemen naar Ceuta, om mijn reis door West Afrika aan te vangen. Hier vlakbij ligt de beroemde Garganta del Chorra, een smalle diepe bergkloof. Langs de verticale rotswand heeft men lang geleden een smal vlondertje aangebracht dat op ijzeren staafjes steunt die in de wand geprikt zitten. Dat voetpaadje, waar je al duizelig van wordt als je het op een afstand ziet, staat bekend als “El Camino del Rey” ofwel “de Koningsweg”. Ik denk dat weinig koningen er zich op hun gemak zouden voelen, want er zijn nogal wat van die ijzeren steunen afgebroken en hier en daar liggen brokstukken van de koninklijke weg in de diepte, of hangen als versteend wasgoed naar beneden. Ook zitten er, om het voor de wandelaar nog wat spannender te maken, gaten in het vlondertje, waar je met paard en wagen doorheen kunt vallen, recht in de kolkende watermassa ver in de diepte. Maar helaas….. men heeft al dit spannends afgesloten met een grimmig hek Vanmiddag, voordat ik aan deze grote schrijfklus begon, ben ik naar de Garganta gelopen. Door een spoorwegtunnel aan de andere kant van de kloof kwam ik op een plek vanwaar ik het hangende en deels afgebroken weggetje goed kon zien. Ook dat was niet geheel ongevaarlijk, want als plotseling de trein van Cordoba naar Málaga door de tunnel was komen aanstuiven…… Och, eigenlijk is het hele leven gevaarlijk. Digitale lezer, pas maar op! Als u door uw computer net zo besmet raakt met het digivirus als ik indertijd door mijn eerste Gazelle besmet ben geraakt met het reisvirus, staat u nog heel wat te wachten. Maar als u daar niet bang voor bent, kijk dan zo nu en dan eens op deze pagina, om te zien of ik er weer wat bij geschreven heb, want maandag gaat er weer een Afrika avontuur beginnen en daar probeer ik u een beetje van op de hoogte te houden.

Het zwarte water

Ergens halverwege Frank van Rijn’s laatste Zuid-Amerika reis staat hij met zijn fiets voor de 4765 meter hoge pas van het Zwarte Water. Het is de zoveelste hoge pas in een lange reeks en stilletjes aan vraagt hij zich af of het niet tóch fijner is om lekker door Afrika te fietsen, waar het een stuk warmer én vlakker is.

Na Afrika fietste Frank van Rijn in de winter van 2000 door Zuid-Amerika, van Temuco in het zuiden van Chili naar Lima in Peru. Onderstaand verhaal speelt zich ergens halverwege af, als Frank 4475 kilometer heeft gereden en nog ruim 9870 heeft te gaan. De Paso de Agua Negra moet hem over de grens van Chili naar Argentinië brengen.

De Elqui-vallei in het noorden van Chili met zijn groene, in het wind wuivende druivenstruiken contrasteert sterk met de grijsgele, steil daarnaast oprijzende bergen. Naar verluidt moet er in deze bijzondere vallei een spirituele sfeer hangen. Men beweert zelfs dat er buitenaardse wezens geland zijn en dat nog steeds regelmatig doen, en dat je de ambiance van mystiek en paranormale krachten moet kunnen proeven, als je je er een beetje voor openstelt.
Blijkbaar heb ik me er niet genoeg voor opengesteld, want veel mystiek proefde ik niet. Wat ik wel proefde, was een vingerhoed Pisco, die mij in Monte Grande tijdens een rondleiding door de plaatselijke distilleerderij werd aangeboden. Pisco is een nogal sterk drankje dat uit de druiven die in de vallei verbouwd worden, gedistilleerd wordt. Waarschijnlijk had ik me beter voor paranormaliteit opengesteld als ik, na de vingerhoed Pisco, nog een liter van hetzelfde spul naar binnen had geslagen. Zonder twijfel zou ik de UFO’s dan in het rond hebben zien vliegen en de Marsmannen om mijn tent hebben horen rennen, maar er wachtte mij een pas die geen paranormaliteit duldde. Als je high bent kom je met een fiets niet erg high en daarom bleef ik die dag low, mij tevreden stellend met een zwart prikdrankje uit een rood blikje, iets waar Pisco-kenners diep op neerkijken, maar wat mij vaak de energie geeft om hoog te stijgen.

De pas waar ik over moest om in Argentinië te komen, was de Paso de Agua Negra, wat Pas van het Zwarte Water betekent. Ik reed omhoog door een kloof waar een beek door vloeide en aangezien het water nogal troebel was, vermoedde ik dat de naam van de pas op dit water sloeg. Dat water was volgens een van de Carabineros van Juntas del Toro, de laatste politiepost vóór de Argentijnse grens, niet zo goed om te drinken: `Er zit te veel arsenicum in.’ Meteen daarna stelde hij me weer gedeeltelijk gerust met: `Het is ook weer niet zó slecht, want er zit niet zo héél véél arsenicum in, maar je moet er toch ook niet te veel van drinken, hoewel… Nu ja, zie maar…’
De gastvrijheid van deze man en zijn collega’s was groter dan zijn duidelijkheid omtrent de graad van drinkbaarheid van het zwarte water, want ik mocht de nacht doorbrengen in de politiepost en ’s avonds met hen mee-eten. De volgende dag nam ik, in verband met de onduidelijkheid omtrent het zwarte water, en omdat er vóór de post van de Gendarmería Nacional aan de Argentijnse kant, 138 kilometer verderop, nergens meer blank water te krijgen was, zes liter water mee uit Juntas del Toro. Daarmee hoopte ik de overtocht te halen.
De ruige kale bergen om me heen vertoonden vele prachtige kleuren en ik schreef die toe aan mineralen, zoals ertsen van ijzer, lood en koper, die in het gesteente zaten. Hier overheerste het rood, daar zaten grote groene aders tussen het geel en verderop zag ik zelfs paarse plekken tussen het grijs. Op sommige plaatsen leek het decor van mijn tocht, vanwege de grote verlatenheid en de artistieke vormen van het door erosie uitgesleten land, op een surrealistisch schilderij, waarvan de schilder zijn fantasie te veel de vrije loop had gelaten.

Er zat weinig verkeer op deze gravelweg. De jeep die me later in de middag van achteren naderde verbrak dan ook bruusk mijn droom de eerste blanke in dit gebied te zijn. Voor de inzittenden van de jeep mocht ik dan misschien niet zo belangwekkend zijn als Diego de Almagro, de ontdekker van Chili, maar belangwekkend genoeg om te stoppen was ik wel, want de jeep hield naast me halt.
"Waar ga je heen?", vroeg de chauffeur, zich naar het rechter raampje buigend, nadat de man naast hem dit had opengedraaid. Naar zijn accent te oordelen was hij Argentijn; naar het nummerbord van de jeep te oordelen trouwens ook.
"Naar Lima", antwoordde ik.
"Naar Lima?? Dan zit je op de verkeerde weg, want hier ga je naar San Juan."
"Vaak is de verkeerde weg mooier dan de goede."
Daar waren de Argentijnen het mee eens: "Ja, dat is waar, en je bent al bijna op de pas. Nog een uurtje, denk ik."
"Achtenveertig kilometer red ik niet in een uurtje",
antwoordde ik, "maar mórgen over een uurtje ben ik er wel, als het meezit."
"Maar als je daar eenmaal bent, is het alleen nog maar remmen naar de post van de Gendarmería Nacional, waar je weer water kunt krijgen. Die 54 kilometer rijd je wel makkelijk in een uurtje."
"Zou het?",
vroeg ik. "Met alleen maar remmen wordt het lastig om 54 kilometer per uur te fietsen, lijkt me."
De mannen gingen over op een ander onderwerp en vertelden me dat ze zich aan het voorbereiden waren op een estafette-marathon van 500 kilometer vanaf San Juan, over deze pas naar La Serena aan de Chileense kust.
"Een marathon voor jeeps?"
"Nee, we zijn het traject aan het verkennen en gaan boven op de pas wat hardlopen om aan de hoogte te wennen."

Ikzelf moest ook weer aan de hoogte wennen want Cristo Redentor op 3900 meter, tussen Mendoza en Santiago, was tot dan toe het hoogste waar ik op deze reis was geweest. Veel meer dan tegen zuurstofgebrek zag ik op tegen de beruchte koude Andes-nachten. Tijdens de voorbereidingen van deze tocht had ik het vaak al benauwd warm gekregen van de herinneringen aan de ijzig koude overnachtingen in mijn tentje, toen ik in 1985 door de Andes trok. Daarom had ik voor vertrek uit Nederland mijn tropentent omgewerkt tot iglo door alles af te dichten wat er af te dichten viel, zodat hij uiteindelijk potdicht zat. Verder had ik een forse stapel kleren bij me, waaronder thermisch ondergoed en een dikke fleecetrui. Deze professionele uitrusting werd gecompleteerd door twee Arctic Comfort slaapzakken, die ik over elkaar kon schuiven en waar ik dan zelf ook nog net bij kon. Met dergelijke slaapzakken was enkele jaren daarvoor een expeditie naar de Noordpool uitgerust, wat me eigenlijk een gerust gevoel zou moeten geven, maar ondanks al die fraaie spulletjes en het feit dat ik wel vaker voor de gloeiend hete vuren van de bitter koude Andes had gestaan, vreesde ik de ijzige vuurproef die me die nacht op 3600 meter te wachten stond.

Gelukkig bleek het mee te vallen, maar toen ik de volgende ochtend mijn tent uit kwam, sloeg de kou meedogenloos toe. Met al mijn kleren aan liep ik eerst een kwartier lang rondjes om me op te warmen. De zon kwam daarna snel omhoog en omdat het niet woei, was de kou om een uur of negen verdwenen. Toen begon zich echter het zuurstofgebrek te manifesteren. Ik hijgde alsof ik een koers reed, kreeg een looiig gevoel in mijn benen en een licht gevoel in mijn hoofd en kwam steeds trager vooruit, terwijl ik naar mijn gevoel steeds zwaarder op de trappers bonkte. Ondanks, maar eigenlijk ook dankzij, al die ongemakken genoot ik want als alles vanzelf zou gaan zou de aardigheid er snel af zijn. Dan had ik beter mijn geld kunnen houden door thuis te blijven om via de beeldbuis van de Andes te genieten. Maar een landschap komt pas echt tot zijn recht als je er zelf intensief in bezig bent, althans zo ervaar ik dat. Gelukkig degenen die dat niet zo ervaren en die genoeg hebben aan de tv (of Op Pad).

Voor me uit zag ik de weg in een, voor het oog, vrijwel horizontale lijn langs de helling van de berg naar een haarspeldbocht in de verte lopen. Door mijn inspanning wist ik echter dat dat horizontale optisch bedrog was en dat de weg wel degelijk fors klom. Dat was goed, want als je niet klimt, kan het lang duren voordat je een pas over bent en dus zou het dan uiteindelijk allemaal nog veel vermoeiender worden dan nu.
Links keek ik in een reusachtige vallei waar ik een uur eerder had gereden. Daarachter verhief zich een roodachtig massief dat er, afgezien van de besneeuwde toppen, uitzag als een Marslandschap, zoals ik dat vroeger in stripboeken had gezien. Ik heb wel eens ergens gelezen dat op Mars bergen staan van 30 kilometer hoogte. Daarmee vergeleken was dit Andes-gepruts een spelletje. Op een Marspas zou je pas echt merken wat zuurstofgebrek is.

Toen ik na een korte pauze in de haarspeldbocht weer op de fiets stapte, bleek dat ik het hier met dit `Andes-gepruts’ ook echt merkte, want meteen zakte er een lading lood in mijn benen. Door rustig aan te doen steeg die er na een paar minuten weer uit. Ik zat zo langzamerhand op ongeveer 4300 meter hoogte, maar er moest nog wel wat bij om in Argentinië te komen. Langzaam als een tobberige tor werkte ik me over de gravelweg vooruit en met het hoger komen werden de sneeuwtoppen boven op de bergen indrukwekkender.
Weer kilometers verder draaide de weg langs de bergwand mee naar links, waardoor ik opeens de pas in het vizier kreeg, ver vooruit. Op dit laatste traject naar de top kwam ik langs een woud van ruige, enkele meters hoge penitentes, ijspilaren die met hun scherpe punten dreigend naar de staalblauwe hemel wezen. Sneeuw, zon, vorst, wind en regen hadden deze kunstwerken gevormd, misschien wel om de vermoeide fietser of marathonloper enigszins af te leiden van het ongerief dat een luchtdruk van 0,56 atmosfeer met zich meebrengt.

Het was al ver in de middag toen ik, gekraakt en voldaan, maar met nog steeds een licht gevoel in mijn hoofd, op de Paso de Agua Negra aankwam, de pas van het Zwarte Water. Water zag ik echter niet, want ik had de troebele beek al uren geleden achter me gelaten. Dorstig keek ik rond, in de hoop om net als op zo vele alpenpassen, een souvenirtentje te ontdekken waar van die rode blikjes verkocht worden, die je al van tientallen meters afstand herkent en waarin ook een soort agua negra zit. Die zwarte, intercontinentale godendrank zou me nu niet onwelkom zijn en het leek me zeer goed mogelijk dat deze pas dáárnaar genoemd was door de eerste fietser die hier ooit overheen was gekomen. Er stond echter geen stalletje en ik kon me dat ook wel voorstellen, want op veel klandizie zou je op deze hemelse hoogte van 4765 meter boven zeeniveau niet mogen rekenen als frisdrankondernemer. Wat er wel stond was een bordje met República Argentina, een soort welkomstbordje van een nieuw land en eigenlijk was dat veel mooier dan zwart water. Ik nam een slok helder water uit een van mijn bidons en liet mijn blik langs de woestenij van ijsvelden, rotsen en besneeuwde bergtoppen glijden. In geen uren had ik een mens gezien, maar juist toen ik me een beetje de eerste Marslander begon te voelen, kwam er een jeep vanaf de Chileense kant omhoog gebromd. Er bleek een Duitser in te zitten die probeerde heel Chili in een week te `doen’, wat hem, te oordelen naar de snelheid waarmee hij rondrende om foto’s te knallen, ging lukken.
"Geweldig, hè, die bergen", riep hij en hij stoof onmiddellijk op een rots af om er een plaatje van te maken.
"Waar kom je vandaan met die fiets?", vroeg hij een tel later, maar mijn antwoord ontging hem, want hij lag alweer op zijn buik voor een artistieke kiek.
"Waar zei je dat je vandaan kwam?", vroeg hij overeind komend, maar nog voordat ik een tweede poging kon wagen antwoord te geven, zat hij al in zijn jeep en riep met zijn hoofd uit het raampje: "Gezellig met je gesproken te hebben! Goede reis!", en weg bromde zijn jeep.

De afdaling verliep, zoals ik ook wel verwacht had, moeizaam. De fiets bonkte over de nogal ruwe gravel en daarmee bonkten ook mijn ruggengraat en schedel, zodat ik er een zwaar hoofd in begon te krijgen dat mijn lichte hoofd met de weer toenemende luchtdruk snel zwaarder zou worden. Sneller dan vijftien kilometer per uur kwam ik niet vooruit, maar dat was toch nog bijna duizelingwekkend snel ten opzichte van het tempo waarmee ik had geklommen.
In enkele lange zigzaggen slingerde de weg langs de oostelijke bergwand omlaag met als decor nog steeds de reusachtige besneeuwde bergketen aan de Chileense kant. Verderop dook ik een betrekkelijk smalle kloof in, die het moeilijk maakte om een redelijke plek voor de tent te vinden, maar kort voor donker kwam ik weer in een bredere vallei en daar zag ik, een eindje van de weg af, een enigszins beschut plekje om te kamperen.
Die avond kladde ik hongerig en rillend van de kou nog even snel twee en een half kantje van mijn dagboek vol. Tijd voor een van mijn vele, alom geroemde culinaire composities had ik na die noeste schrijfarbeid niet meer. Daarom propte ik, terwijl de duisternis snel en vergezeld van een meedogenloze kou over het verlaten bergland viel, een stuk brood in mijn mond en wurmde me vervolgens mijn potdichte pooltentje, mijn thermische kleding en mijn twee concentrische slaapzakken in.

Als ik nu die laatste, in alle haast geschreven regels van 6 februari 2000 nog eens overlees, ben ik verbaasd: Me vandaag geheel leeggereden. Vraag me af of een dergelijke reis met zoveel hoge passen erin, wel verstandig is. Is het niet fijner om lekker door Afrika te fietsen, waar het een stuk warmer is en waar je je niet te pletter hoeft te trappen op zulke krankzinnige passen? Alsjeblieft! En nu in mijn warme huisje in Drenthe maar schrijven dat ik het toen allemaal zo geweldig vond! Maar wat lees ik verder in mijn dagboek?
Maandag 7 februari: ’s Nachts slecht geslapen, evenals gisternacht, waarschijnlijk door zuurstofgebrek, hoewel ik weer geen last van de kou heb gehad. Geweldig pooltentje! Ik voelde me ’s morgens, geheel tegen de verwachting in, prima: vol energie en geen last meer van spieren, knieën, rug en hoofd. Met de zon erbij dreef mijn pessimistische bui van gisteravond dan ook snel weg.
Kijk aan, die volgende ochtend kon ik blijkbaar beter beoordelen of ik het op de klim naar mijn zin had gehad, dan direct na mijn zware bergetappe, toen ik er nog te dicht bij stond en kou, honger, een licht hoofd, spierpijn en algehele vermoeidheid mijn leeggetrapte lichaam tergden. De conclusie is dan ook dat je soms iets heel erg fijn vindt, zonder dat je je het op dat moment goed realiseert. Wantrouw dus mensen die beweren dat ze passen rijden niet fijn vinden. Natuurlijk vindt `iedereen’ passen rijden fijn, maar niet iedereen verstaat de kunst zich daar rekenschap van te geven.

Ik daalde die ochtend verder af en kwam na wat gezwoeg door een zandig stukje om een uur of negen bij de post van de Gendarmería Nacional aan, waar ik begroet werd door onder andere … de twee marathonlopers die ik de dag ervoor op de klim had ontmoet.
"En, hoe was de afdaling?", wilden ze weten.
"Flitsend", antwoordde ik. "Ik heb die 54 kilometer in een recordtijd van 3 uur 37 minuten gereden. Er lag hier en daar gruis en zand, dus ik hoefde niet eens alleen maar te remmen."
"Ja, een uur om te dalen was wel een beetje optimistisch van ons. Maar kom binnen. Je zult wel trek hebben in een ontbijt."
Toen ik plaats had genomen aan een grote tafel werd mij brood met honing gebracht en vervolgens een bak zwarte koffie… en opeens wist ik waar de Paso de Agua Negra zijn naam aan dankt.

(OP Pad #7 september/oktober 2002)

Over de Weg van de Vriendschap naar de Vallei van de Wonderen

(Verschenen in: Op Pad 9/93)
Op Michelinkaart 245 staat een gebied dat rijkelijk voorzien is van half gestippelde witte weggetjes met bochten en zigzaggen. Wie stevige kuiten en een goede fiets heeft, kan met eigen ogen controleren of de werkelijkheid biedt wat de kaart belooft. Kaarten fascineren mij altijd en stippelweggetjes, dunne lijntjes, klimpijlen en passen van boven de 2.000 meter hebben mijn bijzondere belangstelling. Vaak zit ik thuis op kaarten te turen en dan zie ik mij reeds klimmen over adembenemende passen en afdalen in diepe valleien. Met een goede kaart vol mooie kleurtjes en begenadigd met een zekere fantasie, hoef je eigenlijk niet eens op de fiets te stappen. Mijn fantasie schiet echter vaak te kort en daarom stap ik toch steeds weer op de fiets om de wereld in drie dimensies en op een schaal van 1:1 te zien. Tijdens het turen op Michelinkaart 245 had ik ten noorden van Nice en San Remo een mooi gebied ontdekt dat rijkelijk voorzien was van half gestippelde, dus onverharde, witte weggetjes met bochten en zigzaggen. Dat grensgebied van Frankrijk en Italië zag er interessant uit en ik wilde kijken of het er in werkelijkheid net zo mooi uitziet als op de kaart.

Echte klimmers zeuren niet
La Brigue heb ik achter me gelaten en over een half gestippeld wit weggetje met twee pijlen pers ik mijn fiets omhoog naar de Italiaanse grens. Soms moet ik een stuk lopen, maar het meeste kan ik nog juist trappen. Twee pijlen op de kaart betekent volgens de legenda een helling van 9 tot 13%. Volgens mij ontbreekt er een pijltje maar dat kan gezichtsbedrog zijn. Wat maakt één pijltje meer of minder ook uit? Echte klimmers zeuren daar niet over. Ik kom door een bos. Eén pijltje nu. Echte klimmers mogen zich dan weinig aantrekken van een pijltje meer of minder, maar het fietst hier toch wel iets prettiger dan over die twee of misschien wel drie pijlen van daarnet. Ben ik dan eigenlijk wel een echte klimmer? Dat heb ik me wel vaker afgevraagd, vooral tijdens het klimmen. Maar eenmaal boven aangekomen is die twijfel meestal snel verdwenen en op afdalingen voel ik me altijd een echte klimmer. De grens. Geen slagbomen en geen douanehuisjes, alleen een pas van 1.694 meter. Van hier kijk ik omlaag Italië in. Ik ga echter niet omlaag Italië in, maar sla linksaf op het eveneens half gestippelde witte weggetje dat de grens over de bergkam volgt. Deze weg staat bekend als de Route de l’Amitié, de Weg van de Vriendschap. De naam zal wel van na 1945 stammen. Een eindje verderop staat op een bordje aangegeven dat de weg gevaarlijk is en dat het afgeraden wordt hem te volgen: Route déconseillée. Fijn zo, hoe meer de weg afgeraden wordt hoe minder verkeer ik mag verwachten. Toch neemt het verkeer na het bordje niet af, maar dat komt omdat ik vandaag nog niemand ben tegengekomen.

Stukje Frankrijk, stukje Italië
De weg slingert een stukje Italië in, even later zit ik weer in Frankrijk. Recht voor mij torent de Mont Saccarel boven de omgeving uit. De berg staat precies op de grens; ik rijd er aan de Franse kant langs. Voor mij uit slingert de steenslagweg langs de berghelling naar de Pas du Tanarel. Ik ben de bossen uit en de hellingen zijn hier slechts begroeid met gras. Iets voor de pas liggen grote plassen op de weg waaruit ik concludeer dat het hier kort geleden geregend heeft. Nu is het mooi weer, maar boven de Mont Saccarel hangt als een parasolletje een vervelend wolkje. Dat is de hele ochtend al aan het zaniken. De Pas du Tanarel, 2.045 meter. Ik sta weer op de grens. Het is een leuke route: stukje Frankrijk, stukje Italië, stukje Frankrijk. Ik daal af, Italië in, maar kom na een kilometer bij de afslag naar de top van de Monte Saccarello. Hij ziet er op het ogenblik weinig uitnodigend uit, want het hardnekkige wolkje daarboven is intussen aangegroeid tot een flinke parasol, die langzaam aan het zakken is. Toch ga ik verder; het is slechts 2,5 kilometer naar de top. De wolk zakt ongeveer even snel als ik stijg en als ik boven sta, is er van de omgeving nauwelijks meer iets te zien. Ik daal weer af, om een paar kilometer verder de zon terug te vinden. Na de afslag naar Monesi rechts te hebben laten liggen rij ik een betrekkelijk makkelijk traject. De weg slingert langs de Italiaanse flank van de berg naar het noorden. De hemel begint nu toch echt te betrekken. Kleine wolkjes worden wolken. In korte tijd rijgen ze zich aaneen en verduisteren de hemel. Dat is de laatste dagen vaker gebeurd. Toen ik gisteren in La Brigue aankwam zat de hemel in het noorden ook dicht, maar gelukkig werd er juist een orgelconcert in de kerk gehouden en het waterdichte dak boven mijn hoofd maakte dat dat concert uitermate goed klonk. De weg windt zich door een bos en juist als de eerste druppels op mij neervallen kom ik langs het Casa dei Cacciatori, een jagershuis. Daar zit een dak op. Langs een uiterst waakzame hond die me tot mijn grote verbazing niet naar de keel vliegt, loop ik op de deur af en klop aan. Een man doet open, de enige jager in het huis van de jongens. Ik leg hem in een mengsel van Frans en Spaans uit, dat ik op de fiets onderweg ben en dat een zware regenbui het op mij gemunt heeft. De man begrijpt mij. Ik mag in het schuurtje schuilen. Daar zit ook een dak op, maar als even later de regen met bakken neergutst, blijkt dit dak wat minder waterdicht te zijn dan dat van de kerk in La Brigue. De jager komt door de regen aangesneld met een bord koekjes. Hij vertelt mij in vloeiend Italiaans dat het is begonnen te regenen. Na deze verrassende mededeling snelt hij terug naar het jagershuis, mij met het volle bord achterlatend.

Aardverschuiving
Na drie uur houdt de regen op. Ik bedank de jager en vervolg mijn weg langs de bergflank. Langzaam ga ik weer omhoog naar een pas. De weg wordt slechter. Dat hoort erbij. Het is inmiddels avond en het wordt tijd dat ik ga uitkijken naar een plaats voor de tent. Dat uitkijken gaat bijzonder goed, want ik ben juist het bos uit gekomen. Het vinden van zo’n plaats is minder eenvoudig. Links van de weg gaat het vrij steil omhoog naar de kruin van de berg waarover de grens loopt en rechts van mij gaat het ongeveer net zo steil omlaag. Het geplooide bergland is groen van het gras. Hier en daar staan groepjes dennebomen. Voor me ligt de pas waar ik een vlak plekje voor de tent hoop te vinden. Dat moet de Col de la Vieille Celle van 2.099 meter zijn, opnieuw de grens. Plotseling zie ik langs het ruiger wordende pad drie motorfietsers naderen. ‘Is daar een plek voor een tent?’ vraag ik hen, wijzend naar de pas in de verte waar ze vandaan komen. Ze weten het niet. Wat ze wel weten is dat de weg ongeveer twintig kilometer verderop geblokkeerd is. ‘Aardverschuiving, vlak voor het punt waar je op de Col de Tende komt: we konden er niet langs. Met een fiets lukt het ook niet.’ Ze stappen weer op. Ik blijf alleen achter. Dat verhaal klonk niet zo opwekkend. Ik heb mijn fiets vandaag veertig kilometer over deze lastige route vooruit gewerkt en nu krijg ik te horen dat ik twintig kilometer verderop vast ga lopen. Maar een fiets biedt veel voordelen ten opzichte van een motorfiets. Misschien kom ik er wel langs. Dat ga ik morgen proberen. Nu moet ik eerst het kampeerprobleem oplossen. Iets verderop ontdek ik rechts van mij, een eindje omlaag, een relatief vlak veldje tussen wat bomen. Ik klauter erheen en zet mijn tent zo recht mogelijk op. Dat is hier verboden. De tent zo scheef mogelijk opzetten overigens ook. Er mag in dit natuurgebied helemaal geen tent opgezet worden. ‘Voor één nachtje mag het vast wel’, zeg ik, terwijl ik de aluminiumpijpjes van mijn kleine huis in elkaar schuif. Er is niemand die mij tegenspreekt, waaruit blijkt dat die veronderstelling juist is.

49 haarspeldbochten
De volgende ochtend is het prachtig weer. Na een kilometer bereik ik de Col de la Vieille Celle. De weg maakt nog een grote zigzag van ruim vier kilometer door Italië en gaat dan over de Col des Seigneurs van 2.111 meter Frankrijk weer in. Ik bevind me in een wild, rotsachtig landschap met veel gras. De route draait naar het westen, maar blijft de grens volgen, die dus ook naar het westen draait. Iets ten noorden van mij zie ik de hoge toppen waar de grens over loopt. Weer een pas, ze liggen hier voor het opscheppen. Gratis, je hoeft er alleen maar voor te klimmen. De Col de la Boaire. Voor de derde maal bevind ik me in Italië. Ik kijk steil omlaag naar de vallei van Limone-Piemonte, maar blijf de grens en de waterscheiding volgen tussen de Roya die naar Ventimiglia, en de Po die naar de Adriatische Zee stroomt. Een bocht omkomend zie ik ver vooruit de aardverschuiving waar de motorrijders gewag van hebben gemaakt. Over enkele tientallen meters breedte is een gedeelte van de berg omlaag gestort. Van de weg is daar niets meer terug te vinden, maar ik wil toch proberen er langs te komen. Waar een wil is, is een weg, ook daar waar de weg weg is. Bij de aardverschuiving aangekomen blijkt dat een voetganger over de rotsblokken, de stenen en het gruis kan klauteren. Ik haal de bagage van de fiets en draag die in twee afleveringen over de barrière. Dan til ik mijn fiets erover en laad aan de andere kant de bagage weer op. Kijk eens aan! Klaar in een kwartiertje. Wat ben je toch een stuk beter af met een fiets dan met een motorfiets. Een paar kilometer verderop kom ik op de Col de Tende. Van hier gaat het links over een gravelweggetje met 49 haarspeldbochten Frankrijk in, en rechts omlaag naar Italië over een asfaltweggetje met een een dozijn haarspeldbochten. Een stukje naar links en meteen weer naar rechts voert een smalle steenslagweg naar de Vallée des Merveilles.

Wonderbaarlijke poppetjes
Ik ben weer terug in Frankrijk en klim en daal door een bosrijk gebied naar waar ik mijn tent bij wat andere toeristen op een veldje langs een rivier zet. De regen heeft mij vandaag ontzien en ook de volgende dag valt er geen druppel en is het mooi weer. Samen met een groepje Fransen maak ik een wandeling naar Refuge de Valmasque, vanwaar we verder langs drie bergmeren lopen, het Lac Vert, het Lac Noir en het Lac du Basto. De Fransen willen via Refuge de Fontanalbe terugkeren naar Casterino. Ik moet kiezen: mee of door. Enerzijds is het gezellig om deze wandeling met de Fransen te maken, maar anderzijds ligt achter de pas die we ten zuiden van ons zien de Vallée des Merveilles, waar het mij om te doen is. ‘Ga mee naar de Vallée des Merveilles’, zeg ik tegen mijn tochtgenoten. ‘Dan wordt de wandeling twee maal zo lang’, is hun antwoord. ‘En tweemaal zo leuk.’ Mensen overtuigen is nooit mijn sterkste kant geweest en daarom klim ik even later alleen naar de Baisse de Valmasque. Van deze 2.549 meter hoge pas heb ik een magnifiek uitzicht over de vallei van de wonderen, die er met een aantal meertjes net zo wonderlijk uitziet als de vallei waar ik juist uitkom. Het hele Parc National du Mercantour waarin ik mij nu bevind, bestaat uit wonderen der natuur en ik vraag me af waarom déze vallei nu juist de Vallei van de Wonderen heet. Ik daal af. De vallei is in het grijze verleden door gletsjers uitgesleten. Er zijn grote gladde rotswanden die door het ijs gepolijst zijn. Van een toerist, die met een reisgids in de hand aan het rondspeuren is, hoor ik dat de vallei zijn naam dankt aan het feit dat er op de gladde rotswanden tekeningen zijn gevonden uit het bronzen tijdperk. IJverig zoek ik mee naar deze ‘wonderen’ en na een tijdje ontdekken we wat poppetjes die in een steen gekerfd zijn. Ik kan voor dergelijke afbeeldingen nooit zo warm lopen, maar mijn collega-speurder is enthousiast. ‘Mooi, bijzonder, wonderbaarlijk’, mompelt hij terwijl hij in zijn boek bladert om te zien of het allemaal wel klopt. Als hij wat dat betreft tevreden is, gaat hij weer op zoek naar nieuwe wonderen der prehistorie. Ik wens hem succes en daal af naar de Refuge des Merveilles. De lengte van de wandeling blijkt mee te vallen, maar als je alle prehistorische tekeningen wilt zien kan het weleens nachtwerk worden.

Anderhalve minuut
Het wordt zo langzamerhand tijd dat ik mij naar het noorden ga begeven. Ik fiets omlaag door de Vallon de la Minière naar St. Dalmas de Tende; een asfaltweg, het is niet anders, maar toch is het leuk. Iets buiten het plaatsje sloeg ik vier dagen geleden af naar La Brigue voor mijn tocht over de Weg van de Vriendschap. Nu volg ik de N 204 naar het noorden. Iets voor de tunnel naar Italië, ongeveer negen kilometer voorbij Tende, neem ik het kleine weggetje met de 49 haarspeldbochten, dat ik een paar dagen geleden van boven heb zien liggen. Het verkeer suist het donkere gat van de tunnel binnen en doet in anderhalve minuut waar ik drie uur over ga doen. Tijd is geld voor de chauffeurs. Voor mij is tijd belangrijker dan geld en daarom probeer ik mijn tijd zo goed mogeljk te besteden. Dat is één van de redenen waarom ik met de fiets in drie uur over de haarspeldbochten ga in plaats van met de auto in anderhalve minuut door de tunnel. Bij de zesde haarspeldbocht houdt het asfalt op en zit ik weer op een half gestippeld wit weggetje. De pijlen ontbreken op de kaart maar ik heb onmiddellijk in de gaten dat het hier klimt. Voor de aardigheid tel ik de haarspeldbochten om te zien of het aantal van 49 waar ik over heb horen praten klopt. Een paar keer raak ik de tel kwijt. Het is me al vaker opgevallen dat dat makkelijk gebeurt bij dit soort werk. Dat komt doordat je als je bijvoorbeeld door de 26e bocht gaat denkt: ‘Hierna komt de 27e en dan de 28e. Dan resten er nog maar 49 – 28 = 21’. Als je dan bij de volgende bocht komt, weet je niet meer of het nummer 26, 27, 28 of 21 is. Als speciale service voor de klimmende fietser is bij veel bochten op rotsblokken het bochtnummer geverfd, zodat twijfel uitgesloten is, gesteld dat de schilders niet op de fiets waren toen ze deze nummers aanbrachten. Al hoger komend zie ik de zigzaggen beneden mij in aantal toenemen. Als uit een tube tandpasta geknepen liggen ze langs de groene helling. De 49e bocht uitkomend bereik ik de 1.871 meter hoge Col de Tende. Ik heb geen enkele bocht overgeslagen, noch met tellen, noch met fietsen. Links gaat het weggetje naar Casterino waar ik eergisteren reed en iets verderop rechts gaat het andere weggetje naar de aardverschuiving en de Mont Saccarel. Ik ga rechtuit, omlaag Italië weer in. De Col de Larche staat nu op mijn programma, een nette asfaltweg zonder stippeltjes maar gelukkig wel met pijltjes. Aan de andere kant daarvan ligt Barcelonnette waar ik mij weer op bekend terrein zal bevinden. Daar moet ik de kaart nog maar eens gaan bestuderen. Wie weet ontdek ik opnieuw een aardige variant, zodat ik mijn tocht naar het noorden op een originele manier kan voortzetten.