DE DIKKE BAOBAB, een reis door Madagaskar

De dikke baobab

De vorige winter heb ik hard gewerkt aan een boek over mijn reis door Madagaskar die ik in September,  Oktober en November 2011 maakte. Ik ben er zelfs voor thuis gebleven in plaats van een nieuwe verkenningstocht te gaan maken ergens in een mooi warm land. Daarbij heb ik de, voor mijn doen, extreem lage temperaturen getrotseerd die ons land toen teisterden. (Of die de schaatsers onder ons verwenden). Een mens moet er wat voor over hebben om een boek te schrijven. En dat had ik!
Ondertussen is het manuscript, nadat ik het zeven keer heb doorgenomen en gecorrigeerd, geheel klaar. Samen met ongeveer 140 kleurenfoto’s ligt het bij Elmar, die er, zoals we van die uitgeverij gewend zijn, weer een prachtig boek van gaat maken. Of de tekst ook prachtig is, is natuurlijk aan de lezer (dus aan u) om te beoordelen.
Op de Fiets- en Wandelbeurs in de RAI op 9 en 10 Februari 2013, waar ik lezingen ga houden over mijn reis van afgelopen zomer door Mongolië, zal ik het Madagaskar-boek met de titel ‘De dikke baobab’ presenteren. Dan zal ik ook een doosje kersverse baobabs bij me hebben om de bezoekers in de gelegenheid te stellen hun verzameling reisboeken uit te breiden. Het boek zal volgens de raming van de uitgever rond de 18 euro gaan kosten. Indien ik mijn pen dan niet abusievelijk thuis laat liggen zal ik er, op verzoek van de koper, een handtekening in zetten, want – let wel!- dan brengt het boek over 100 jaar op een veiling veel meer op dan zonder handtekening.
Mocht u het beide beursdagen zo druk hebben met andere dingen, dat u niet in de gelegenheid bent naar de RAI te komen, wat natuurlijk niet te hopen is, dan kunt u vanaf de maandag na de beurs voor ‘De dikke baobab’ terecht bij de boekhandel, maar dan staat er natuurlijk geen handtekening in, iets wat u over een eeuw gaat betreuren.
Dus op naar de Fiets- en Wandelbeurs in de RAI in Amsterdam op 9 en 10 Februari 2013, waar nog veel meer te zien zal zijn dan alleen baobabs!

PS: Een week na de RAI, dus het weekend van 16 en 17 Februari, houd ik lezingen over Madagaskar op de Fiets- en Wandelbeurs in Mechelen en ook daar zal ik een doosje baobabs bij me hebben, alsmede een pen. Adres: Nekkerspoel – Borcht 19, Mechelen, België.
PS2: Zie ook de omslag

Weer eens over asfalt

Na mijn interessante reis door Mongolië leek het mij een goed idee om voor de verandering even een wat meer ontspannende tocht te maken door landen waar op regelmatige afstanden winkels staan, zodat ik niet voor dagen voedsel mee hoef te slepen, waar ik me niet in allerlei bochten hoef te wringen om de meest elementaire dingen duidelijk te maken en waar ik over asfalt vooruit kan, want –  geloof het of niet – ook dat heeft zo nu en dan zijn charme.
Aangezien ik al in geen jaren meer in Portugal was geweest viel mijn keuze op dat land, te meer omdat daar sinds enige jaren vrienden van mij wonen, die een ruïne aan het ombouwen zijn tot een landhuis, een onderneming die ook mij altijd heeft aangelokt, maar waar ik nooit de moed voor heb gehad er aan te beginnen. En dus stapte ik naar mijn reisbureau en bestelde een vliegticket enkele reis Faro-Amsterdam.
“Alleen de terugweg?” vroeg de dame in het bureau.
“Ja.”
“Maar hoe gaat u dan naar Faro?” Dat was natuurlijk vragen naar de bekende weg, want ze kennen mij daar zo langzamerhand wel.

Op 8 Augustus vertrok ik op mijn nieuwe Gazelle Goldline Marco Polo, voorzien van Schwalbe-banden en Vaude-tassen vanuit Drenthe in zuidelijke richting. Zoals altijd nam ik zoveel mogelijk secondaire, tertiaire en quaternaire wegen en soms zelfs een octernaire. (Volgens mijn computer is dat woord fout geschreven. Hij maakt er veterinaire van dus wat ik bedoel gaat hem duidelijk boven de pet.)

Het puzzelbord

Na een week rijden kwam ik ergens in Noord Frankrijk op een afslag met een richtingbord dat naar links wees. Er stond op:

D 412
S?OUE
BREBA
RA??RU?T

De meeste letters waren redelijk te lezen als je er vlak voor stond, sommige zelfs vanaf een zekere afstand, maar er stonden er ook bij, waarop je moest studeren, terwijl de letters waarvoor ik hier vraagtekens heb geplaatst, geheel verdwenen waren. Het leek een soort TV quiz. (Misschien leuk voor u, lezer, om m.b.v. Google uit te zoeken waar ik precies stond)
Dat soort borden zie je meer in Frankrijk. Een aantal jaar geleden zijn door vrijwel heel het land alle oude, nog in goede staat verkerende richtingborden rigoureus weggehaald en vervangen door nieuwe, die blijkbaar snel verkleuren in het zonlicht. Op de oude borden stonden de afstanden tot de erop aangeduide plaatsen vermeld, maar op de nieuwe heeft men die maar weggelaten in de veronderstelling dat iedereen ondertussen toch wel een Tom Tom heeft. (Maar waarom dan nog die borden geplaatst?) De nieuwe borden zijn hoger geplaatst dan de oude, waarschijnlijk om meer pijp te kunnen fabriceren. Als ik er even aan denk hoe groot Frankrijk is en wat er allemaal aan borden staat, lijkt het mij dat de fabrikant, die de opdracht voor dit project kreeg alles bij elkaar een pijp heeft gemaakt die tot halverwege Mars reikt. Het mes snijdt aan meerdere kanten, want de oude, mooie, goed afleesbare borden zijn waarschijnlijk op de schroothoop gedumpt, waardoor de oud-ijzerhandelaren een flinke financiële zet in de rug hebben gekregen. Ik vraag me af of de hotemetoten van het ministerie van verkeer (Ponts et Chaussees) ook een zetje in de rug hebben gekregen van de pijpmagnaat en de bordenfabrikant, want ook die laatste heeft natuurlijk een graantje meegepikt van dit geweldige project. Als ik even ruw mag schatten, denk ik dat het totale oppervlak plaat dat tot borden is omgevormd een heel departement kan bedekken (of schat ik nu iets te krap?). Alles bij elkaar een geniale vondst, die in Nederland navolging heeft gevonden, want hier hebben ze door heel het land alle plaatsnaamborden even rigoureus vervangen. Of waren wíj de uitvinders van deze originele manier om geld over de balk te smijten?
Ik vond uiteindelijk de oplossing van de puzzel op het bordje bij de D 412  en kon daardoor de ontbrekende letters invullen (die ik hier niet vermeld om het puzzelplezier van de lezer niet te bederven), zodat ik de goede weg richting Portugal vond. En zo kwam het dat ik die middag in Géraudot aankwam, een dorpje aan het Lac de la Foret d’Oriënt, een kilometer of 20 ten oosten van Troyes. Daar trof ik op de plaatselijke, erg luxe camping Hans Koster, mijn Zwitserse fietsmaat die mij de laatste jaren soms een stukje vergezelt op mijn reizen. Dat was natuurlijk geen toeval, want dat hadden we zo afgesproken. Ook deze keer ging hij een eind mee. Gezamenlijk fietsten we in anderhalve dag naar Chatel Censoir, waar we op de Camping Municipal ongeveer een kwart betaalden van wat we aan die van Géraudot kwijt waren, terwijl het eigenlijk een veel aardigere camping was. Er stonden daar meer fietsers met hun tentjes, waarschijnlijk omdat de camping aan een fietsroute langs het Canal du Nivernais lag. De jaagpaden van veel kanalen in Frankrijk heeft men de laatste jaren omgebouwd tot mooie fietspaden en zo ook deze. Ik sprak er een Nederlands echtpaar van in de zeventig. De man vertelde me dat hij thuis al mijn boeken in de kast heeft staan. “Ook gelezen, natuurlijk.” voegde hij eraan toe. “Ik heb mijn hele leven met de auto in de file gestaan naar en van mijn werk en, misschien wel door toedoen van jouw boeken, gedroomd van fietsreizen. De dag na mijn pensionering heb ik mijn auto verkocht en voor het geld twee mooie fietsen gekocht, een voor mij en een voor mijn vrouw. Sindsdien trekken we ’s zomers door Europa.” Zijn vrouw kwam er bij staan en knikte instemmend: “Een goed besluit. We maken nu een tocht langs de kanalen in Frankrijk. Geweldig!”  Zo’n ontmoeting geeft me altijd weer het voldane gevoel dat ik mijn boeken niet voor niets schrijf.

Cathedraal van Vézelay

Op onze rustdag ondernamen Hans en ik een uitstapje naar Vézelay, het kleine plaatsje met de reuzen basiliek van Sainte Madelaine, waar volgens een folder, die ik op het toeristenbureau kreeg, enkele relikwieën van Maria Magdalena worden bewaard. Het is ook een bedevaartsplaats en van hier lopen pelgrimsroutes naar Assisi en Santiago de Compostela. Het was dan ook niet verwonderlijk dat we enkele wandelaars met rugzak en grote stok zagen lopen door de steile straatjes op weg naar de basiliek. Een van hen had een hond aan de lijn, die als een pakezel links en rechts tasjes met bagage voerde, waar waarschijnlijk zijn hondenbrokken in zaten. Ik vroeg me af of  het arme dier in Santiago toegelaten zou worden in de crypte waar Jacobus begraven ligt. Het zou sneu voor deze ondernemende viervoeter zijn als hem, na 1500 km lopen, de toegang ontzegd zou worden.
De dagen na ons bezoek aan Vézelay werd het echt lekker zomerweer, maar voor Hans waren ze een kwelling: “Zu heiss. Er is zo geen lol meer aan.” Op een bankje in de schaduw in het dorpje met de voor hem toepasselijke naam Feux goot hij puffend bidonnetje na bidonnetje over zijn hoofd en shirtje.
“Je moet dat water niet over je hoofd gooien”, raadde ik hem aan, “maar drinken! Dat is veel effectieven.”
Dankzij een liter water, die hij met moeite naar binnen werkte, en vijf liter die hij met gemak over zich heen goot en natuurlijk zijn geweldige basisconditie, kwam hij weer vlot en konden we onze heerlijke tocht bij de ideale temperatuur van 37 graden vervolgen. 37 graden is namelijk de lichaamstemperatuur, dus dan hoeft het lichaam niet te koelen en niet te verwarmen, zodat je al je energie in het fietsen kunt steken. Dat is althans mijn theorie, die echter door sommige knappe bollen aangevochten wordt. Ik heb bij mijzelf echter nooit geconstateerd dat er iets niet aan klopte, dus voor mij geldt hij. (De 5e Wet van Van Rijn)
Voort ging het in zuidelijke richting, steeds maar over kleine weggetjes door prachtig, licht heuvelachtig land met bossen van tamme kastanjes en weilandjes met hagen er omheen. Bij Bussière Dunoise streken we neer op een mooie schaduwrijke camping aan een meertje. Ik had mijn fiets nog niet afgeladen of Hans lag al te plonzen in het water.
“Dit is goed voor een mens.” riep hij me vanaf het midden van het meertje toe. “Daar kom je weer geheel van bij. Kom ook!”
“Ik hoef niet bij te komen.” riep ik terug. “Ik ben al bij, maar als ik ga zwemmen moet ik bijkomen, als ik nog bij de oever kan komen.” Daarop ging ik op een zonnig plekje zitten schrijven aan mijn dagboek, met een van mijn tassen als rugsteun.
Op 22 Augustus, na een mooie reis door midden-Frankrijk, vrijwel alles over voortdurend slingerende departementale weggetjes met weinig verkeer en flink wat klim- en daalwerk, kwamen we in de buurt van Brive la Gaillarde, een vrij grote stad. Het verkeer werd drukker en drukker en terwijl we gewoon braaf de bordjes ‘Brive’ volgden zaten we plotseling op de autosnelweg. Auto’s stoven met 120 km/uur langs ons terwijl we uiterst rechts op de vluchtstrook reden. Sommige intolerante chauffeurs tikten op hun voorhoofd. Ik vroeg me af of deze ‘die-zijn-gedeukt’-gebaren ons golden of degenen die voor de bewegwijzering hadden gezorgd. In Frankrijk wordt zo hier en daar het een en ander voor de fiets gedaan, soms zelfs in de vorm van mooie fietspaden, maar doorgaans merk je daar weinig van omdat de aanduidingen langs de wegen die je er heen moeten leiden meestal ontbreken. Ook hier had men het niet nodig geacht ook maar het geringste bordje te plaatsen om een alternatief voor de fietser aan te geven, terwijl er voor de automobilist borden stonden zo groot dat je er schuren van kon bouwen.

Roque Gageac aan de Dordogne

Nadat we enkele kilometers illegaal langs deze kermisbaan hadden gereden, gelukkig zonder interventie van de politie, namen we de eerste afslag en kwamen op een van de vele rotondes van Brive. Daar zag een Franse fietser ons verloren onze rondjes draaien tussen borden voor het grote glimmende blik die verwezen naar Limoges, Toulouse en Bordeaux, terwijl we vergeefs zochten naar een te fietsen route naar het centrum.
“Problemen?” vroeg hij in het voorbijgaan.
“Ja”, antwoordde ik. “Is er een legale mogelijkheid om bij het station van Brive te komen?”
“Ja, die is er wel, maar je moet hem kennen anders is het een doolhof.” antwoordde hij. “Voor de fiets doen ze hier niet veel. Alles voor auto’s, maar volg me maar. Ik loods jullie er wel heen.” en hij bracht ons feilloos via secondaire wegen naar de stad en verder naar het station. Daar kocht Hans een kaartje terug naar huis, want zijn tijd zat er op. Ik fietste alleen door naar de Dordogne, waar ik prompt een regenbui kreeg. Daar had Hans, hoewel hij net als ik een grote hekel aan regen heeft, in zijn wanhoop vanwege ‘die grosse Hitze’ de weergoden om gesmeekt. Het gebed was blijkbaar verhoord, maar te laat voor hem. Daarom smeekte ik de goden op mijn beurt die bui zo snel mogelijk naar Zwitserland te laten afdrijven, het liefst tot pal boven Hans’ huis, zodat hij lekker kon afkoelen na zijn hete avontuur in Frankrijk.

Sarlat, een aardig middeleeuws stadje met heel veel restaurantjes

Langs de Dordogne volgde ik een oud spoorwegtracé, dat tot fietspad was omgebouwd, een leuke route met spoorbruggen en tunnels, maar helaas kwam het 4 km voor Sarlat, een erg mooi stadje volgens de informatrice van een toeristenbureau, op een gewone weg uit, waar ook auto’s mochten rijden. En die reden er! Op die 4 km naar de stad passeerden mij ongeveer  1.000.000.000.000.000.000 auto’s, maar ik kan er een paar naast zitten, want met zulke aantallen zie je er wel eens een paar over het hoofd. Na deze beproeving kreeg ik het erg aardige middeleeuwse stadje te zien. Kleine hoekige en kronkelige straatje geplaveid met hobbelkeien voerden lang fraaie oeroude huizen bedekt met leistenen dakpannen. De commercie was er, zoals in dergelijke plaatsjes meestal het geval is, ingesprongen met terrasjes en eettafeltjes. Tekenaars slingerden met enkele potloodhalen in 3 minuten je portret op papier en in vele winkeltjes kon je specialiteiten en producten van de omgeving kopen, zoals wijn, noten, chocolade, kaas en nog veel meer. Een originele attractie was een als Charlie Chaplin verkleedde man, die doodstil op een sokkeltje stond en met verf geheel wit gespoten was. De aardigheid zat hem natuurlijk hierin, dat hij zo nu en dan tegen een argeloze voorbijganger, die hem voor een standbeeld hield, ‘Bonjour’ fluisterde. Charlie had naast zich een omgekeerde hoge hoed staan en het was natuurlijk de bedoeling dat de passant die zich wezenloos geschrokken was door het ‘betoverde’ standbeeld daar een duit, of liever een euro in deed. Kortom, het was een gezellig plekje, te gezellig eigenlijk, want het krioelde er van de toeristen, waarvan gelukkig de meesten zich hadden teruggetrokken op de terrasjes en aan de eettafeltjes, want het was ondertussen lunchtijd geworden. Ik nam mijn lunch op een bankje op het pleintje: een baguette met puntkaasjes van de vache qui rit en vervolgde daarna mijn tocht.

Vier van de drie Musketiers

Op de rustige route tussen Vic Fezensac en Plaisance kwam ik door het kleine dorpje Lupiac. Bij het naambordje stond vermeld dat dit de geboorteplaats van d’Artagnan was, de vierde van de drie musketiers. En laat ik nou altijd gedacht hebben dat dat verhaal van die nobele degenvechters geheel aan de fantasie van Alexandre Dumas was ontsproten! Aan een man in de straat vroeg ik of d’Artagnan echt had bestaan, waarop hij antwoordde: “Als hij hier geboren is zal hij wel echt bestaan hebben, dacht u niet?” Daar zat een zekere logica in. Hij voegde eraan toe dat Athos, Porthos en Aramis, de drie maten van d’Artagnan, ook echt hadden bestaan, maar dat Alexandre Dumas er wel een hoop bijgehaald had en de zaak flink had geromantiseerd.
“Daar aan het eind van het dorp bevindt zich het museum van d’Artagnan.” zei hij en wees naar de straat die langs de kerk voerde. Dat wilde ik natuurlijk zien, maar helaas was het gesloten. Dat is meestal zo als ik een museum echt wil zien, terwijl musea waar ik mijn twijfels over heb altijd open zijn als ik er langs kom. Dan moet ik de kruis of munt methode toepassen, waarbij het muntje meestal op zijn verkeerde kant terecht komt.
Na een periode van mooi weer, die weer volgde op Hans’ verlate regenbui, was het in de Pyreneeën opnieuw malaise. In Gabas, op de route naar de Col du Pourtalet, de grens met Spanje, was het zelfs zo belabberd met zware duistere wolken die over de bergen omlaag zakten, dat ik een kijkje ging nemen in de refuge van de Alpinistenclub. Daar kon ik voor 13,40 euro in een zaaltje met zeven anderen slapen op een plank die, ruw geschat, 5 meter bij 1,80 meter mat en op een hoogte van ongeveer 80 cm was geplaatst. Die plank was het 8-persoonsbed, wat dus per persoon neerkwam op een strookje van 62,5 cm breed en 1,80 meter lang. Misschien was mijn schatting wat aan de krappe kant en was de plank nog 16 cm langer, wat per persoon toch maar weer twee centimeter extra breedte opleverde. Maar twee centimeter meer of minder: de privacy was nul komma nul. Daarom overwoog ik toch maar mijn tentje op te zetten in het bos of op een Pyrenese Alpenweide…..Hoewel…. De wolken werden steeds donkerder, dreigender en massiever en bovendien was er voor die nacht zwaar weer voorspeld. En dus was er weer eens een dilemma.
Sommige mensen vinden het getik van regen op het tentzeil gezellig en vallen dan in een heerlijke slaap, die hen soms gelukzalige dromen brengt. Bij mij worden het in het gunstigste geval nachtmerries, maar als het ‘gezellige’ getik overgaat in hevig geraas in combinatie met lichtflitsen en donderslagen, slaap ik natuurlijk helemaal niet, wat eigenlijk beter is, want dan kan ik om de paar minuten aan het grondzeil voelen hoe hoog de laag water is die er onder staat. Dat hoort bij de romantiek van het wild kamperen, maar ik heb het eigenlijk liever wat minder romantisch.
Iets terug in het dorp had ik een hotel gezien. Daar kon ik voor 26 euro een kamer krijgen. Dat is 169,50 Franc. Vroeger zou je je wild schrikken van zo’n bedrag, maar met onze geweldige euro schrik je nergens meer van, want 26 ziet er sympathieker uit dan 169,50. Alles is in Frankrijk een factor 6,52 goedkoper geworden nadat de geleerde heren in Parijs besloten hadden de Brusselse sprong in het duister te wagen. En omdat het maar 26 in plaats van 169,50 was, sloeg ik toe. Geen 7-voudig geronk om me heen op een strookje van een paar decimeter en ook geen getik of gehoos op mijn tent, maar het comfort van een kamer met bed. Decadent, maar een mens moet zich zo nu en dan eens in de watten leggen.
Het voorspelde zware weer bleef niet uit. De hele nacht regende het en dat deed het de volgende ochtend nog steeds. De toppen van de bergen lagen nog verder onder de vette mist en het enige wat goed te zien was toen ik uit mijn raampje keek, was de van regenwater glimmende weg en de bellen op de vele grote plassen er langs. Ik had dus de juiste keuze gemaakt door dit hotelletje te nemen, wat wel in de krant mocht, want als er wat te beslissen is zit ik er meestal naast. Met zulk weer was het geen lolletje om van Gabas, op ongeveer 1000 meter hoogte, naar de pas op 1794 meter te fietsen en dus bracht ik een groot deel van de ochtend lezend door in een spannend boek van Alistair Maclean waarin het ging over een expeditie ergens in de buurt van de Noordpool bij 50 graden onder nul. Als je al het ongerief dat bij zo’n onderneming hoort leest, verbleekt zo’n klim in de gietende regen naar de Col du Pourtalet tot een futiliteit.
Om een uur of elf stopte de regen zowaar en dus sloeg ik het boek dicht, laadde mijn bagage op de fiets en vertrok voor de laatste 15 km in Frankrijk. De hoteleigenaar had mij gezegd dat het weer aan de andere kant van de pas mooi was en zowaar kwam er dicht voor de pas wat beweging in de grimmige wolkenmassa. Precies boven op de pas scheurden de wolken uiteen en verscheen de zon, die de grauwe massa van de rotspartijen kleurde tot een prachtig berglandschap. ‘Bienvenido en Espaňa’ stond er op een bord. Jammer van die laatste sombere kilometers, maar afgezien daarvan was het een mooie tocht door Frankrijk geweest, met over het algemeen mooi weer, iets wat Hans volmondig had kunnen beamen. Hier wachtte mij Spanje en verderop Portugal. Over mijn belevenissen daar hoop ik te zijner tijd verslag te doen.

Een fietstocht door Mongolië

Ulaan Baatar 31 Juli 2012

Mijn Mongolië reis zit er op. Tijd dus voor een korte impressie. Een uitgebreider verhaal komt later in een blad of een boek.
Ik verliet Ulaan Baatar, de drukke chaotische hoofdstad in westelijke richting. Mijn route voerde over een asfaltweg  door groen heuvel- en grasland. Na zo’n 280 km kwam ik bij de Mongol Els, een ongeveer 100 km lange en slechts enkele honderden meters brede strook zandduinen. Daar kun je op een kameel kruipen en je laten fotograferen. Over een zandweg kwam ik bij Erdiin Khambiin Khidd, een Boeddhistisch klooster aan de voet van een mooi rotsachtig gebergte. Een voetpad van 2 km leidde mij de bergen in naar de ruïnes van een 17e eeuws klooster, die echter geheel overwoekerd waren met struiken en bomen. Daar voorbij waren geen voetpaden meer en dus oriënteerde ik mij op mijn kompas gedurende mijn vijf uur durende wandeling door dit prachtige gebied met rotspartijen als middeleeuwse kastelen. Het verbaasde mij dat, hoewel er zo nu en dan een jeeplading toeristen beneden bij het klooster werd afgezet, ik op de hele wandeling geen mens zag.
Die nacht logeerde ik in een ger-kamp. Dat is een kamp van gers, ronde vilten nomadententen met twee of drie bedden aan de zijkant, een houtkachel in het midden en zo’n laag deurtje, dat ik herhaaldelijk bij het naar binnen en naar buitengaan mijn hoofd stootte. Dat is een van de charmes van een ger. Ik voelde me een echte nomade, iets wat ik me eigenlijk ook voel als ik in mijn eigen tentje lig.
Mijn volgende belangrijke stop op deze ongeveer zeven weken durende reis was Kharkhorin, de oude hoofdstad van Djenghis Khan, zo’n  110 km verder naar het westen over een asfaltweg. Van de oude stad is niet veel over, maar het schijnt ook nooit veel geweest te zijn, daar de Mongolen door de hele geschiedenis heen nomaden zijn geweest. Djenghis en de zijnen woonden in gers in de omgeving. In 1586, dus lang na Djenghis’ tijd, werd in Karkhorin een geweldig Boeddhistisch klooster  gebouwd: Erdene Zuu, dat ‘Honderd Schatten’ betekent. Dat was het eerste Boeddhistische klooster in Mongolië en tot op de huidige dag ook het meest indrukwekkende, ondanks de verwoestingen die Stalin er in 1937 heeft laten aanrichten. Het is een stuk terrein van 470 bij 410 meter, waarop  meerdere tempels staan en dat  omgeven is door een muur met 108 stupa’s, dus goed voor een flink setje foto’s.
In Tsetserleg, een wat grotere plaats op mijn route, maar voor Nederlandse begrippen een flink dorp, kwam ik vier dagen vast te zitten door slecht weer. Gelukkig klaarde het ‘s middags soms wat op, zodat ik desondanks een paar fraaie wandelingen door de bergen, direct ten noorden van de stad, kon maken.
Vijfendertig kilometer voor het Terhiyn Tsagaannuur-meer hield het asfalt op en reed ik verder over steenslag wegen en zandsporen, met weinig richtingbordjes door erg verlaten gebieden met hier en daar een paar gers, niet voor toeristen, maar voor de Mongoolse nomaden, die in dit eindeloze heuvelachtige grasland hun paarden, yaks, koeien, schapen en geiten lieten grazen.
Van het stadje Tosontsengel met een hoofdstraat van 300 meter asfalt en verderop over een 2500 meter hoge bergpas, kwam ik in Uliastay, waar ik twee Amerikaanse fietsers ontmoette. Die gingen toevallig dezelfde kant op als ik en daarom besloten we gezamenlijk verder te rijden. De eerste dag kwamen we echter  niet ver, want al na 42 km werden we uitgenodigd door een erg gastvrije Mongoolse familie in hun ger. Een van de Amerikanen wist met een taalgidsje een hele conversatie op te zetten met het ongeveer 15 jarige dochtertje, dat overigens ook een beetje Engels sprak. Zijn reisgenoot werd door de vader des huizes, een schaakkampioen, in enkele krachtige zetten van het bord geveegd,  waarna we op ‘banshtai shul’ getrakteerd warden, een echt Mongoolse maaltijd, een beetje te vergelijken met ravioli, maar dan van veel grotere stukken.
Toen we die genuttigd hadden was ik aan de beurt om op de 64 velden platgewalst te worden, maar tot mijn verbazing sleepte ik de partij uit het vuur. Ik vroeg me daarom af, waar de man kampioen van was, van Centraal Azië, Mongolië, de provincie of zijn eigen ger. Vervolgens moest er op een veldje basketbal gespeeld worden. Dat gaf mij de gelegenheid mijn bal-onhandigheid te demonstreren, want het aantal keren dat ik in mijn leven een bal, die op me af kwam suizen, heb gevangen, is op de vingers van een hand te tellen en een bal door een netje werpen……. Dat gaat nog altijd mijn pet te boven. Een geweldige ervaring, niet zozeer dat balspel, als wel de hele logeerpartij bij deze vriendelijke mensen, met alle gemakken en ongemakken, die een ger te bieden heeft.
De volgende dag, op weg naar Otgen, raakte ik mijn twee Amerikaanse metgezellen, die mij kilometers vooruit snelden, kwijt en dat was geen wonder, want het zandspoor over de heuvels had vele vertakkingen en voor je het weet, rijd je dan in een andere richting. Weliswaar kwamen vele sporen uiteindelijk weer bij elkaar, maar die dag kwam mijn spoor niet meer bij het hunne. In een afschuwelijke regen en onweersbui zette ik die avond mijn tent ergens achter een heuveltje, uit het zicht van het pad. Mijn twee compagnons heb ik daarna niet meer gezien. Ik ga er maar van uit dat ze Seattle en Albuquerque terug hebben gevonden.
Langs de zuidelijke uitlopers van het centrale bergmassief van Mongolië reed ik terug in oostelijke richting en viel daarbij in het plaatsje Bayannuur met mijn neus in de Mongoolse boter, want daar was juist een ‘Nadam’ aan de gang, een typisch Mongools  folkloristisch sportevenement, waarbij kampioenen zich meten in paardenrennen, worstelen en boogschieten. Het boogschieten heb ik helaas gemist. Waarschijnlijk hadden de schutters hun pijlen reeds verschoten, maar de twee andere takken van de Nadam kon ik uitgebreid bekijken. Van twee paardraces zag ik de finish en in een arena met overdekte tribune en verder veel bankjes in de zon voor het eenvoudige volk, waren twee zwaargewichten, zo geschat van elk 140 kg, enorm aan elkaar aan het trekken in een poging de ander op de grond te krijgen. Een scheidsrechter van niet meer dan 50 kg, die door elk van de worstelaars met een pink over de tribune heen geworpen zou kunnen worden, zag erop toe dat de wedstrijd eerlijk verliep. Opeens pakte een van de twee potige kerels  de ander  bij de bovenbenen, tilde hem een meter de lucht in en legde hem op zijn rug in het gras. Punt!
Iets voor Ulaan Baatar, sloeg ik nog even af naar het Khustai Nationaal Park, waar de heel bijzondere Thaki-paarden, voor het gemak ook wel  Przewalski-paarden genoemd, in het wild rondlopen. Om die te zien moest ik een flink stuk fietsen en lopen, maar uiteindelijk zag ik er tien heel in de verte. Helaas lijken bijzondere paarden heel in de verte, heel erg op gewone paarden, maar ik heb die heel bijzondere paarden, waar er maar een paar van op deze planeet rondsjouwen, toch gezien en daar dient niet geringschattend over gedaan te worden. Bovendien was de natuur er erg mooi.
En nu zit ik weer in Ulaan Baatar en wel in Café Amsterdam, een klein stukje Nederland in het hartje van de hoofdstad van Mongolië. Rik Idema en zijn Mongoolse vrouw Tseren, de eigenaars, die ik van vroeger ken, trakteren mij op  warme chocolademelk, om mijn terugkomst te vieren. Morgen vlieg ik terug naar Nederland, vanwaar ik over een paar dagen weer van start ga, met Faro in Portugal als doel. Gazelle heeft voor deze reis de Marco Polo Goldline geleverd, die ik ga voorzien van Schwalbe-banden en VAUDE-tassen, dus die tocht gaat, wat het materiaal betreft, geen problemen opleveren.
Mocht u, geachte lezer, ook zin hebben om Mongolië te zien, maar fietsen over gravel- zand- en wasbordwegen minder ambiëren, kijk dan op www.tserentours.com  Die heeft vast aardige alternatieven om tot in alle uithoeken van het land door te dringen.

Tsetserleg, 20 Juni 2012

Beste bezoeker van frankvanrijn.nl,
Na een overwintering in Nederland, gedurende welke ik hard aan mijn boek over Madagaskar heb gewerkt, ben ik weer eens op de fiets gestapt. Het manuscript is klaar en juist voor mijn vertrek heb ik het ingeleverd bij de uitgever (Elmar). Het boek (over de titel pieker ik nog tijdens het rijden) komt uit op de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam, begin Februari 2013.
De eerste ongeveer 7000 km van mijn huidige tocht heb ik gesmokkeld: met het vliegtuig naar Ulaan Baatar, de hoofdstad van Mongolië. In Mongolië wil ik een kleine 2 maanden rond gaan rijden en rond gaan kijken. Ik begon echter met 5 dagen wachten in Ulaan Baatar vanwege slecht weer. Daarna werd het beter en kon ik van start.
Mijn route tot nu toe: Ulaan Baatar-Lun-Erdenesant-Rashaant. Iets voorbij Rashaant maakte ik een wandeling van een dag door een prachtig rotsachtig bergland. Daarna vervolgde ik mijn route naar Harhorin, de oude hoofdstad van Jenghiz Khan. Daar is niet veel meer van over maar er staat een mooi klooster. Gisteren ben ik verder gegaan, maar ik strande na 70 km door regen. In een “ger” (een grote ronde nomadentent) heb ik anderhalf uur zitten schuilen bij een nomadenfamilie met wie ik door een geweldig taalprobleem, geen woord kon wisselen. Daarna heb ik in de gietende regen mijn tent naast de ger opgezet. Vanochtend ben ik in de miserregen doorgereden naar Tsetserleg, een wat grotere plaats voor Mongoolse standaards. Vanmiddag is het weer gelukkig wat opgeknapt, maar de voorspellingen zijn vrij slecht. Ik hoop er maar het beste van. Tot mijn volgende verhaal.
Frank
PS Er zit een Nederlander naast mij te skaaipen (telefoneren) waardoor ik me niet goed kan concentreren, vandaar dit weinig geïnspireerde verhaal.

[admin toevoeging: de weersverwachting ter plaatse]

Eindelijk Mongolië!

Nieuwsbrief nummer 1002 of zoiets. Pasen 2012

Al jaren speel ik met de gedachte om een fietsreis door Mongolië te maken, maar tot nu toe hebben de dik aangeklede ruiters op hun dampende paarden, die ik op plaatjes in menig reisboek heb gezien, mij van een dergelijke onderneming weerhouden. Mongolië ligt tussen de 88e en 120e graad oosterlengte, dus een heel eind naar het oosten. Dat is natuurlijk geen bezwaar, maar wat ik wel een bezwaar vind is dat het zich tussen de 42e en 52e graad noorderbreedte uitstrekt. Het noordelijkste punt ligt dus op dezelfde breedte als Den Haag en het zuidelijkste op dezelfde breedte als Barcelona. De grote massa van het land ligt dus ruwweg zo zuidelijk als Frankrijk. Dat op zich hoeft nog niet zo afschrikwekkend te zijn daar je ’s zomers in Frankrijk soms ook wel lekker weer hebt, maar de gemiddelde hoogte van het land is 1580 meter boven zeeniveau en aangezien de temperatuur ruwweg 0,6 graad daalt bij iedere 100 meter stijging, betekent dat, dat als Mongolië zou liggen waar nu Frankrijk ligt, de temperatuur er 0,6 x 15,8 is 9,5 graden lager zou zijn! Van een mooie zomerdag van 25 graden zou dan slechts een aardige lentedag overblijven en een koude dag van 12 graden, als de wind opeens van de Schotse eilanden blaast……… Reken maar uit!
Gelukkig blaast er in Mongolië nooit een wind van de Schotse eilanden. Er heerst een landklimaat omdat het ver van zee ligt en daardoor zijn de winters er niet te harden, maar de zomers kunnen er, ondanks die hoogte toch nog aangenaam zijn…. als de wind ten minste niet uit het noorden blaast, want daar ligt Siberië en die naam alleen doet menig zonaanbidder sidderen. Over een tocht in de winter door Mongolië heb ik natuurlijk nooit een seconde gepiekerd, maar een tocht in de zomer……. Ja, daar pieker ik dus al jaren over.
Gisteren is er echter een einde gekomen aan dat gepieker, want toen heb ik de knoop doorgehakt: deze zomer ga ik eindelijk op de fiets door Mongolië trekken! Enkele mensen hebben mij namelijk mooie verhalen verteld over het land, o.a. dat het er ’s zomers best meevalt met de kou en de regen en dat de temperatuur er ’s zomers in de Gobiwoestijn wel eens tot 40 graden kan oplopen. Om niet weer in een twijfelstemming te komen heb ik niet meer met pessimisten, koukleumen en mooi-weer-fietsers gepraat.
Een van de mensen die me erg positieve verhalen over het land hebben verteld is Maarten Stoffels, die er twee jaar als arts heeft gewerkt. Tijdens die periode heeft hij een tehuis opgericht voor straat- en zwerfkinderen: het Anna Home in Choibalsan, een stad die ongeveer 650 km ten oosten van de hoofdstad Ulaan Baatar ligt. In dat tehuis worden momenteel 25 zwerfkinderen goed verzorgd.

Lees verder de tekst van Maarten Stoffels.