Welkom Thuis

23 september was het eerste minuscule sikkeltje van de nieuwe maan te zien en dat betekende dat de Ramadan begonnen was. Ik heb de indruk dat vele Islamieten deze maand van vasten een plezierige periode vinden: overdag lijden, maar zich de hele dag verheugen op het moment dat de moskee het signaal geeft dat er weer gegeten en gedronken mag worden. Je zou dit enigszins kunnen vergelijken met een sportman, bijvoorbeeld een wielrenner die zijn longen uit zijn lijf trapt en daarvan geniet, zelfs als het hem grauw voor de ogen gaat schemeren, in de wetenschap dat er een finish is, waarna hij in volle teugen kan genieten van zijn hete douche, zijn glas pils en alle andere dingen die na zo’n inspanning veel beter tot hun recht komen dan wanneer er geen offer aan vooraf gaat.
 
 

Meestal zat ik ’s avonds voor mijn tent in de woestijn en dan maakte het weinig uit of het Ramadan was of niet, maar de 28e september kwam ik rond een uur of vier in de middag in Guelmim aan, waar ik een hotelletje nam. Overal in de stad was activiteit: mensen kochten fruit op de markt en allerlei vers bereide koekjes in cafeetjes of bakkerijtjes. Straten werden vol gezet met stands van speelgoed tot mobiele telefoons (wat voor de meesten ook speelgoed is) en van schrijfbenodigdheden tot televisies en schoenen. 
Een kwartier voor het einde van het vasten die dag, waren de straten echter plotseling geheel verlaten. Iedereen zat natuurlijk thuis om te eten, maar een uurtje later begonnen de straten zich weer te vullen met kuierende, kijkende en kopende mensen. Ik ging op zoek naar een restaurant, maar voordat ik 50 meter gevorderd was, werd ik al door een stel jonge mannen bij een van de vele stands geroepen en werd ik getrakteerd op een kom gebonden linzensoep en een schaal dadels, het traditionele eten voor na de vastentijd. Verder kreeg ik gezoete koekjes, sinaasappelsap, sterke muntthee en pannenkoekjes met siroop. 
Drie of vier stands verder viel me een volgende uitnodiging te beurt en tegen de tijd dat ik het restaurant bereikt had, was mijn maag gevuld, niet alleen voor die avond, maar ook voor een groot deel van de volgende dag. Dat kwam eigenlijk wel goed uit, want mag de Ramadan dan zijn plezierige kanten hebben, zoals die avond in Guelmim, hij heeft voor de fietsreiziger ook zijn mindere aantrekkelijk kanten, vooral op een ruim 1800 km lang woestijntraject als dat van Guelmim in Marokko naar Nouakshott, de hoofdstad van Mauritanië. 
Na uren van fietsen over een zwart lint door een eindeloze, met wat struikjes en pollen begroeide zandvlakte, waarin het passeren van een waarschuwingsbord voor overstekende kamelen zo’n beetje tot de meest enerverende gebeurtenissen behoort, zag ik dan aan de einder langzaam iets uit het zand oprijzen: een wegrestaurant of een winkeltje, meestal in combinatie met een benzinestation.

Als ik dan eindelijk bij dat uitnodigende gebouwtje aan kwam en de ijskoude limonadefles, waar ik me de voorafgaande uren op verheugd had, aan mijn lippen wilde zetten om een reuzendorst te lessen, bleek alleen de benzinepomp open te zijn. Restaurant, winkeltje en cafeetje gesloten! Allicht! Er was geen mens die overdag voor een koude Fanta kwam, dus waarom zou je je winkeltje open houden en je koelkast aanzetten? 
Dan was er weinig anders voor mij dan het lauwe water uit mijn bidons, wat brood uit mijn tassen en de hoop dat het volgende wegrestaurantje 100 km verder, of misschien wel 200 km verder, de uitzondering zou zijn die de regel bevestigt en wel open zou zijn. En jawel! Er waren ook wegrestaurants dag en nacht open: open van voren, open van opzij of van achteren en open van boven: ingegooide ruiten, uit de sponningen gezakte deuren en ingestorte daken, maar dergelijke ruines waren ook geen plekken waar je als hongerige reiziger naar uitziet. Afgezien van de weinige keren dat ik de nacht in een stadje doorbracht was de Ramadan-maand ook voor mij een soort (gedwongen) vastentijd. 
Erger dan dit sobere leven vond ik het ongezellige aspect van deze periode van mijn reis. Normaal kon ik op lange woestijntrajecten enorm genieten van het neerstrijken bij zo’n uiterst sporadisch en primitief eethuisje en smaakt mij de eenvoudige hap die daar geboden wordt honderd maal beter dan een 7 gangen menu in een van Nederlands 8-sterren restaurants. Op deze reis moest ik dat plezier dus keer op keer ontberen. Dat, in combinatie met misschien wel het minst interessante woestijntraject dat ik ooit gereden heb, deed bij mij soms de vraag rijzen, wat de lol van deze tocht eigenlijk was, een gevaarlijke vraag, die ik dan ook snel naar de achtergrond drong met de een of andere mathematische of onnozele puzzel. 
Zo nu en dan doorbrak een passerende vrachtwagen de monotonie van de rechte reep teer door de vlakke zee van zand en een enkele keer tufte er een dure vierwiel aangedreven jeep voorbij met een Franse, Duitse of Spaanse nummerplaat, maar stoppen, zoals ze dat 20 jaar geleden in de veel interessantere woestijn van Algerije wél deden, deed er niet één. Niet dat ik de cola uit hun ijsboxen nodig had, want als het moet kan ik, hoe een Bourgondiër ik ook moge zijn, als een asceet leven. Nee, een gezellig gesprekje om van anderen te horen, waarom dit tóch een geweldige tocht was, dát was waar ik naar verlangde. Welnu, misschien konden die Franse, Duitse en Spaanse, door vier wielen voorgedrevenen dat ook niet vertellen. Maar waarom stopten ze dan niet om het van mij te horen? 
En toen, op het hoogtepunt van deze twijfelperiode reed mij opeens een grote gele vrachtwagen voorbij. Hij hield in waardoor hij gelijk met me opreed. “Ben jij Frank van Rijn?” vroeg de vrouw die rechtsvoor zat. Meteen zag ik dat de zijkant van deze vrachtwagen (Unimog voor de kenners, een machtige six wheel drive op vier reuzen van wielen) volgepakt zat met reclamestickers, waaraan echter Gazelle, Schwalbe en Vaudé wonderlijk genoeg ontbraken. Daaronder stond: “Fietsen voor Onderwijs”. Ik antwoordde bevestigend en kreeg van de chauffeur naast haar, die zich naar mij overboog, te horen dat er een ploeg van 14 fietsers achter me zat, op weg van Bolsward naar Accra, een fondsenwervingtocht voor een onderwijsproject in Ghana. Deze Unimog en een nog grotere witte Daf-truck, die nu ook van achteren naderde, zorgden voor de ondersteuning van de fietsers en vervoerden hun bagage. 

“We hebben op verschillende politieposten al over een eenzame fietser met bagage gehoord en vermoedden dat jij het was”, vervolgde hij. “We gaan een kilometer of 15 verderop kamperen met de hele groep. Heb je zin om erbij te komen staan?” 
En zo kwam het dat ik die avond aardappelen met groente at in plaats van mijn simpele macaroni met zand dat er door de eeuwige wind ingeblazen was. Maar vooral de gesprekken met mijn 14 collega fietsers en hun vier begeleiders vormden een aangename afwisseling op mijn dagelijkse eenzame overpeinzingen voor mijn tent. “Fiets je morgen met ons mee?” vroeg Ipe. 
“Dat red ik niet met die baal bagage”. 
“Die gooi je in de Unimog”, zei Mark. 
Meerijden in een vrachtwagen, bus, auto of trein is tegen mijn wet, maar mijn bagage een dagje laten vervoeren en zo weer eens ervaren hoe een 45 kg lichtere fiets aanvoelt, is iets waar ik geen gewetensbezwaar tegen heb en dus reed ik de volgende dag mee in de groep. We trapten de 152 km lange etappe weg alsof het een spelletje knikkeren was. Wat zeker géén spelletje knikkeren was, was de ijzeren discipline in de groep. We reden twee aan twee met 15 tot 18 cm tussen het voorwiel van de een en het achterwiel van die ervoor. Elke dag was er een andere etappeleider die erop toe moest zien (en dat ook deed!) dat de pauzes onderweg niet zouden ontaarden in verkapte siësta’s en uit de hand lopende koffie-uurtjes: 
“Jullie hebben 13 minuten en 37 seconden om je sinaasappel op te eten en dan gaan we weer!” 
De etappeleider had een secondant, eveneens bij roulatie, die de rij sloot en die bij elke van achter naderende auto luid “van achteren” moest roepen. Deze kreet werd dan onmiddellijk overgenomen door de op één na achterste en plantte zich dan als een akoestische golf voort naar de voorsten in de groep. Reed iemand 27 cm te ver naar links dan werd hem door de secondant vriendelijk doch dringend verzocht beter rechts te houden en als iemand het achterwiel van zijn voorganger te ver naar voren liet lopen werd hem even vriendelijk en dringend verzocht dat gat te dichten, opdat de groep niet te ver uit elkaar getrokken zou worden. Om de 5 km werd er van kop gewisseld. Dan ging de rechtsvoor linksvoor rijden en schoof de hele rechter kolom een positie naar voren en de linker kolom een positie naar achteren, waardoor je steeds een andere buur had.

Allen hadden hetzelfde groen-gele, met sponsorlogo’s versierde shirt aan en als wet van Meden en Perzen: hun valhelm op. Ik, als eenvoudige solo globetrotter zonder helm en met een verbleekt shirtje dat na 5 maanden fietsen vermoeidheidsverschijnselen begon te vertonen, viel natuurlijk nogal uit de toon, wat door de anderen overigens grootmoedig geaccepteerd werd. 
Die 15 tot 18 cm tussen mijn voorwiel en mijn voorgangers achterwiel, hield ik vaak niet nauwgezet in de gaten, vooral als de conversatie met mijn buur te interessant werd. Dan viel er zomaar een gat va 50 meter en had ik de hele formatie van de groep verstoord, wat zo nu en dan tot een lichte frons bij “law-and-order-fietsers” leidde. Met een tijd flink pompen was het gat weer gedicht, maar voor ik het in de gaten had liep dat achterwiel weer te ver weg. Vaak klonk halverwege een interessant verhaal met mijn buur het wisselsignaal van de etappeleider en moest de conversatie meteen worden opgeschort totdat de hele cyclus van wisselen zich herhaald had en ik dezelfde buur weer had. Dan was ik natuurlijk allang vergeten met welk interessant onderwerp we bezig waren en begonnen we maar weer een nieuw verhaal. Op deze wijze flitsten de kilometers teer onder onze wielen weg. 
De sporadische restaurantjes, benzinestations en ruines die langzaam uit de horizon oprezen vielen mij niet meer op en de ongemakken van de Ramadan deerden mij niet meer. Weg was mijn leven van eenzame asceet: ergens verderop stonden de Unimog en de Daf-truck klaar met Friese peperkoek, hete bouillon, koude cola, brood, boter, kaas en jam en voor ik het goed en wel in de gaten had was de etappe voorbij en hadden onze zorgzame begeleiders een prachtige kampeerplek gevonden: 
“Welkom thuis” werd ons dan al toegeroepen, als we door het zand naar ze toe kwamen en inderdaad ervoer ik dat als een beetje thuiskomen. Niet meer gestoord door het wisselsignaal kon ik dan mijn gesprek met filosoof Theo, dammeester Bart, Elfstedentocht-organisator Henk, vogelbotten- en snavel verzamelaar Mark en al de anderen afmaken. In plaats van één dagje reed ik maar liefst vier etappes met de groep mee, maar 125 km voorbij Nouâdhibou in Mauritanië werd het toch weer eens tijd om op eigen benen te staan en laadde ik al mijn spullen weer op mijn fiets. 
Tot St. Louis in Senegal kwamen we elkaar echter nog herhaaldelijk tegen en als ik dan langs het kampement van mijn collega fietsers reed klonk het vertrouwde: “Welkom thuis” en weer kon ik de verleiding dan niet weerstaan om mijn tent tussen de andere tenten te zetten. Dan had ik ’s avonds opnieuw een diner van evenveel sterren als dat er sterren in het firmament boven me schitterden. En als de voorgaande keren hadden we dan de meest diepgaande gesprekken over allerlei grote en kleine, maar uiterst gewichtige onderwerpen. In St. Louis had de groep een rustdag en aangezien ook ik daar heel toevallig een rustdag had kon ik samen met Ipe en Annemiek de stad te voet verkennen, een interessante, Koloniaal-Frans aandoende plaats die echter toch puur Afrikaans is. 
Na deze rustdag bogen mijn nieuwe vrienden naar het oosten af om via Mali en Burkina Faso naar Ghana door te stoten. Ik ging, nu weer geheel alleen, door naar Dakar, Gambia en Guinée Bissau om van daar via Guinée naar Mali verder te trekken, met eveneens Ghana als einddoel. St. Louis was dus het definitieve einde van onze ontmoetingen………, hoewel……. wat is definitief? 
Van mijn dorpje in Drente naar Bolsward is weliswaar ver, maar niet te ver, als je een goede fiets hebt. Ik denk dat ik de meeste van deze 14 voor Onderwijs Fietsende landgenoten met hun 4 begeleiders nog wel eens zal ontmoeten.

Wilt u meer weten over deze groep van 14+4 en hun fondsenwervingtocht voor onderwijs? Probeer dan eens http://www.fietsenvooronderwijs.nl/ uit uw computer naar voren te toveren.

Kerel, ga toch fietsen!

Jan en Marie gaan trouwen en dat belooft een geweldig feest te worden. Terwijl de voorbereidingen in volle gang zijn komt daar opeens Achmed op zijn zwaar bepakte fiets aangereden, een vreemdeling uit een ver land. Trui wit van het zout en bruin van het stof, korte broek die al een heel tijdje geen sopje meer heeft gezien en twee sokken die weliswaar min of meer bij elkaar horen, maar waarvan de linker toevallig niet binnenstebuiten zit, terwijl de rechter een gat ter grootte van een pingpongbal bij de enkel vertoont. 
Oom Kees ziet de vagebond langsrijden, houdt hem aan, trakteert hem op een kop thee en vraagt:”Heb je zin om vandaag bij ons te blijven? Dan kun je een echte Hollandse bruiloft meemaken!” Zoiets zie ik nog niet zo snel gebeuren in Nederland en als oom Kees zich ooit mocht verstouten een dergelijke uitnodiging te lanceren zonder eerst overleg te plegen met de rest van de familie, loopt hij een dikke kans van Jan of Marie te horen te krijgen: “Kerel, ga toch fietsen!” en dan kan hij maar beter met Achmed meegaan. 
In Marokko is een dergelijke situatie heel gewoon en het is me al meerdere keren overkomen dat ik door een familielid in de X-ste graad van de bruid of bruidegom ben uitgenodigd de trouwpartij bij te wonen. Aangezien ik met mijn, niet geheel voor dit doel geschikte, kleding nogal uit de toon val tussen een gezelschap op z’n paasbest en ik bovendien niet echt een groot feestvarken ben, houd ik de boot bij zo’n invitatie meestal beleefd af.

Na een toer door de Hoge Atlas, toen ik op een avond bij een groot alleenstaand landhuis aanging om te vragen of ik mijn tent ergens op het bijbehorende landgoed mocht opzetten, gebeurde het weer eens. 
“Blijf een dag extra”, zei de man die later de oom van de bruid bleek te zijn, “dan kun je morgen een traditionele Marokkaanse bruiloft meemaken.” 
“Heel gastvrij van u, maar ik wil ook nog een toer door de Anti-Atlas maken.” 
“Die loopt niet weg.” 
“Ja, maar ik moet ook nog door naar Mauritanië en dat is een reuze eind.” 
“Mauritanië loopt ook niet weg en wat is één dagje op zo’n reis?” 
Ik sliep er een nachtje over en kwam tot de conclusie: “Als ik dit soort dingen altijd maar weiger, maak ik nooit iets speciaals mee.” En dus bleef ik die dag. 
“De folkloristische dansen beginnen vanmiddag om drie uur”, zei Khaled, de broer van de bruid. In Marokko moet je daar dan natuurlijk wel het Marokkaanse kwartiertje bijtellen en inderdaad, om een uur of zes ’s avonds, toen er al ruim 200 gasten waren, begon er beweging te komen in een groep van ongeveer twintig mannen, elk voorzien van een bendir, een soort platte trom met een diameter van zo’n 40 cm. Onder het zingen en het slaan op de bendir hupten ze met kleine sprongetjes rond. Veel variatie kon ik er niet in ontdekken, maar dat lag stellig aan mijn ongeoefend oor voor dit soort muziek. Wat me opviel was dat de twee hoofdpersonen van het feest ontbraken, maar tegen de schemering kwam een geheel in het wit geklede vrouw naar buiten. 
“Dat is mijn zuster, de bruid”, zei Khaled. 
“En waar is de bruidegom?” vroeg ik 
“Die is in zijn dorp, hier 10 km vandaan.” 
“Trouwt je zus dan alleen of trouwt haar aanstaande man ook?” 
Khaled legde me uit dat de bruidegom het feest bij zijn eigen familie vierde. 
“Morgen gaan we daar met z’n allen naar toe en dan vieren we het feest gezamenlijk verder,” voegde hij er aan toe. De bruid werd bij een andere broer achterop een paard gehesen, waarna er een grote optocht begon: voorop de groep van twintig mannelijke dansers met hun bendirs, daarachter alle mannen van het ondertussen ruim 300 gasten tellende gezelschap, gevolgd door het paard met de bruid en haar broer en tot besluit alle fors gesluierde in mooie kledij gehulde vrouwen. In een grote cirkel trok de stoet, onder het gezang en gedans van de groep van twintig rond het landhuis. Dat nam ruim een uur in beslag. Terug bij het huis verdwenen alle vrouwen in de vertrekken op de benedenverdieping en begaven alle mannen zich naar de ruime kamer op de bovenverdieping om daar op uitgerolde vloerkleden plaats te nemen. 
Als het echter om 150 man gaat, dien je het begrip “ruim” ruim op te vatten. Steeds kwamen er meer mannen binnen en elke keer werd ik verder geplet tussen mijn linker en rechter buur. De “ruime” kamer begon op een bijenkorf te lijken, waarin de bijen als sardines op elkaar geperst werden. Gelukkig kwam de oom van de bruid mij te hulp, plukte me van tussen de massa en voerde me naar het platte dak waar ik comfortabel op een bankje bij een groepje van zes mannen kon zitten. Een van hen sprak goed Frans. Hij bleek computerdeskundige te zijn en vertelde me tijdens het drinken van enkele glaasjes sterke mentholthee veel voor mij nog onbekende dingen over mijn nieuwe digitale camera. Ongelofelijk wat er allemaal mogelijk is met zo’n klein doosje elektronica, maar helaas, wat we ook probeerden, telefoneren en berichtjes zenden ging er niet mee. 
En toen kwam de maaltijd: een overvloedige tajine, één van de culinaire specialiteiten van Marokko. En dat was bovendien al de tweede vandaag, want ’s middags was er ook al een tajine geserveerd. Van half werk hielden deze mensen blijkbaar niet. Na de maaltijd werd er natuurlijk weer uitgebreid en ritueel thee gezet en gedronken want zonder thee is elke sociale bezigheid in Marokko a-priori mislukt. Wat later kwamen de 20 dansers weer naar buiten en hervatten hun zang en dans, dat ging de hele nacht verder door, want ook deze mensen zouden zich schamen half werk te leveren. Rond middernacht toen de vermoeidheid van de voorafgaande dagen hardhandig toesloeg en mij belette nog verder te genieten van het gezang, trok ik mij beleefd terug in het kamertje dat de familie voor mij gereserveerd had. 
Juist voor de slaap mij in zijn greep kreeg, trachtte ik mij voor te stellen hoeveel aardappelen, olijven, peentjes, uien, tomaten, olijfolie, broden en al die andere ingrediënten je nodig hebt voor twee overvloedige tajines voor driehonderd mensen en hoeveel geiten je daarvoor moet opofferen. Die hoofdrekensom alleen zou mij, zo ik de hoofdpersoon van een dergelijk op handen zijnd feest zou zijn, zó moe maken en me zozeer in paniek brengen, dat ik er voor zou kiezen mijn fiets te pakken en verder als vrijgezel de wereld rond te gaan toeren. En dat is eigenlijk precies waar ik nu al ruim een kwart eeuw mee bezig ben.

Brief uit Marokko

Marokko, 9 september 2006

Marokko is nogal veranderd sinds ik er in 1979 voor het eerst rondfietste. Zo ligt er nu, waar ik destijds over keienpaden bonkte, menige asfaltweg. Voorts ziet men tegenwoordig legioenen mensen met een mobiele telefoon rondlopen, waarmee je van veel plaatsen in het land moeiteloos naar alle uithoeken van de wereld kunt bellen. Zevenentwintig jaar geleden was dat anders. Toen kon ik vanuit een vrij grote stad pas na twee mislukte pogingen en 2 uur wachten een krakend lijntje naar Nederland krijgen. Parabolen om Ajax- Benfica op te vangen zijn er nu in de berberdorpen in de bergen ongeveer net zoveel als grazende geiten en Internet maakt het in de grote steden, maar ook in menig klein stadje mogelijk om Gazelle punt en el van het wereldwijde net te plukken. Wat mij echter als grootste verschil met 1979 opvalt, is het feit dat de kinderen hier braaf geworden zijn. Toen ik indertijd met mijn goede vriend Eelco de Haan onderweg was van Tetouan naar Meknes, stonden er al zo’n beetje elke kilometer ventjes van 8 à 10 jaar langs de weg die dwingend: “Donnez moi un Dirham (geld), donnez moi un bonbon“, of simpelweg: “Donnez moi quelque chose” riepen, waarbij ze al een steen in de hand hadden om die van achteren naar ons te gooien voor het geval we niet onmiddellijk naar onze beurs of een zak snoep grepen. Gelukkig hadden we vrij snel in de gaten dat als je, op het moment dat je langs zo’n met een steen gewapende kereltje kwam, een harde schreeuw gaf, hij van schrik de steen liet vallen. Voordat hij zich dan hersteld had, waren we buiten schootsafstand, maar in de verte stonden hun vriendjes alweer klaar met: “Donnez moi votre chappeau, donnez moi un stylo” en opnieuw was een harde brul nodig om een projectiel naar je hoofd te voorkopen. Binnen twee dagen was ik dan ook mijn stem kwijt van al dat gebrul. De ouders van de 8 à 10 jarige jongen die nu langs de weg staan hebben hun kinderen blijkbaar beter opgevoed dan de generatie daarvoor, want tot nu toe heb ik in 976 km langs Marokkaanse wegen nog maar nauwelijks: “donnez moi …” gehoord en nog geen enkele steen naar het hoofd geslingerd gekregen. Merkwaardig is wel dat de ouders van die huidige brave kinderen de uiterst lastige steensmijters van toen waren. Marokko is er dus voor automobilisten, mobiele jongens, Feyenoord-Real Madrid vereerders en fietsers een stuk op vooruit gegaan. vanrijn04Maar helaas heeft de vooruitgang ook zijn keerzijde. In de buurt van plaatsen waar een souk (wekelijkse markt) gehouden wordt, zie je tegenwoordig steeds vaker grote velden met merkwaardige gewassen: groene, roze, witte en zwarte bollen van 10 tot 20 cm in diameter. Dat zijn plastic zakken die handig zijn om gekochte waren in te doen. Als de gekochte waar geconsumeerd is hoef je de zak maar in de lucht of op de grond te gooien en de wind doet de rest. Die voert ze meer totdat ze achter een struik of distel blijven steken en bolt ze vervolgens op tot watermeloenachtige vruchten. Lege plastic flessen worden rondgestrooid als pepernoten op Sinterklaasavond maar er is geen kind en ook geen volwassene die ze opraapt, zodat je soms bijna tot je knieën door het Cola-, Sprite- en Sidi-Ali plastic moet waden om op een markt te komen. Casablanca was in dit opzicht ook een belevenis. Ik ben er enkel en alleen heen gegaan voor mijn visum voor Mauritanië. De naam betekent wit huis, een grapje natuurlijk! Casanegra zou beter passen, want de uitlaatgassen van de auto’s, bussen en vrachtwagens die daar door elkaar krioelen, kleuren de huizen langzaam, maar heel gedegen, zwart. Een kettingroker is daar echter goedkoper uit, want met een dag ademhalen heeft hij dezelfde hoeveelheid rook binnen als van twee pakjes sigaretten en toch zag ik er menig kettingroker zijn twee pakjes bijpaffen, alles om de damp nog dichter te maken. Aangezien ik mijn visum pas om 2 uur in de middag kreeg, kwam ik die dag niet verder dan 60 kilometer van Smoke City (ook geen lelijke naam!) vandaan, maar daarmee was ik in een andere wereld terecht gekomen: een licht, heuvelachtig langschap waarin verspreid boerderijtjes en huisjes lagen en waar het leven zijn rustige gangetje ging, zoals het dat voor eeuwen had gedaan. Omdat er nergens een plekje uit het zicht was om mijn tent op te zetten, vroeg ik bij een winkeltje waar limonade, koekjes, sigaretten, olijfolie en nog wat andere spulletjes verkocht werden, of ik er achter mijn tent mocht opzetten. De winkelier opende meteen de deur van het vertrek naast het winkeltje om mij daar te laten overnachten en kwam twee minuten later aanlopen met een tafeltje en vier minuten later met een blad, waarop een theekan en een aantal glaasjes stonden. Voor de deur, in de rode lucht van de ondergaande zon, dronken we de mentholthee en aten we vers gebakken brood met eigengemaakte boter En daar was dan iets dat onveranderd is gebleven in Marokko: de gastvrijheid. Er kwamen nogal wat kennissen en buren kijken. Blijkbaar zat ik een eind buiten het toeristencircuit en is een Europeaan op een fiets hier nog een zeldzaamheid. Merkwaardig was echter dat er geen mens een woord Frans sprak, terwijl dat in Marokko toch erg veel gesproken wordt. Toen het donker werd verhuisden we naar mijn vertrek om onze gebarenconversatie over de grote wereldproblematiek en over welke fietsen wél en welke beslist niét geschikt zijn voor wereldreizen, voort te zetten. Aangezien de beide bedden die het vertrek rijk was op instorten stonden, zette ik, om insecten van me af te houden, op de grond mijn binnentent op. Toen die stond werd er voor de tent opnieuw thee gedronken. Ik maakte wat foto’s met mijn nieuwe digitale camera waar veel te veel knoppen op zitten, maar toch lukten ze en dus kon ik de mensen meteen laten zien hoe ze eruit zagen. In gebaren vroeg mijn gastheer of ik het niet te heet zou krijgen, die nacht, waarop ik duidelijk maakte dat het voor mij niet gauw te heet wordt. Daarna wees ik naar de vele tientallen butagasflessen, groot en klein, die nogal slordig langs de muur opgestapeld stonden en gebaarde: “als die maar geen “Boem” doen”. Met dat flauwe grapje oogstte ik nog een hoop succes ook, maar het resultaat was wel dat de man, samen met een paar jongens die toekeken, al die flessen meteen naar het vertrek daarachter ging slepen. En hoe maak je nu in Arabische gebarentaal duidelijk dat het slechts een grapje was van dat “Boem”? Bovendien, als die flessen in het vertrek ernaast “Boem” zouden doen, zou mijn nacht ook aan de warme kant worden. Ondertussen ben ik via de fraaie watervallen van Ouzoud in het Atlasgebergte terecht gekomen. De met de rode en roze heuvels versmeltende Berberdorpen boeien mij nog net zo als die eerste keer, nu al meer dan een kwart eeuw geleden. Gisteren ben ik een enorme, 600 meter loodrecht uit het landschap oprijzende rots opgelopen, die “la Cathedrale” wordt genoemd omdat iemand met veel fantasie er ooit een kathedraal in heeft gezien. Aan de achterkant voerde een makkelijk bergpad naar de top en vandaar had ik een prachtig uitzicht op de bergen in het rond en op zo’n mooi Berberdorp in de diepte. Vanochtend ben ik voor mijn Gite d’Etappe, die ook “la Cathedrale” heet, naar dat dorp gelopen, waarvan de huizen op middeleeuwse forten lijken, de typische Marokkaanse Kashba’s. Ik had nog geen tien stappen in het dorp gezet of er kwam al een man naar met toe die me uitnodigde voor de thee. En zo zat ik een later in zo’n Kashba op een prachtig rood tapijt met een groen kussen in mijn rug. En weer proefde ik via de zoete mentholthee en het nog warme brood dat gedompeld werd in vers geperste olijfolie, de Marokkaanse gastvrijheid.

Brief uit El Chorro

El Chorro, 11 augustus 2006

vanrijn01Om mijn fiets te onderscheiden van andere fietsen heeft Gazelle niet alleen een ander stuur en een ander zadel op mijn Kathmandu II gemonteerd, maar er ook “Round the World” opgezet in plaats van “Kathmandu II”. Dat is Engels en omdat tegenwoordig alles in het Engels moet, is dat een goede naam. Hoewel… “Moet het niet “Around the World” zijn?” zo vroeg een kennis zich af, die ik vol trots mijn nieuwe aluminium paard liet zien. Dat was even een goede vraag, maar een expert kwam desgevraagd met het verlossende woord: Nee, het is goed, want het is gebiedende wijs. “Ga de wereld rond met deze fiets!”. Zó moet het worden opgevat. En dat is waar ik nu juist een beginnetje mee heb gemaakt, want eergisteren kwam ik over de eerste 5.000 kilometer heen. Met een flink stel omwegen ben ik van Nederland naar El Chorro gereden. Dat “Round the World” neem ik niet al te letterlijk, ten eerste omdat er te veel zeeën op aarde zijn om er gerieflijk en zonder H2O-bike omheen te fietsen en ten tweede omdat ik 3 en 4 februari 2007 weer terug in Nederland moet zijn voor de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam (kan dat in het vervolg niet in april als het niet meer zo koud is?), waar ik mijn nieuwe boek: “de Gouden Capuchon”, zal presenteren dat over mijn reis door Tibet naar Kathmandu gaat (de reis die ik met mijn Gazelle Kathmandu I maakte en waar deze fiets zijn naam aan ontleent). Voorlopig stel ik me tevreden met een beginnetje van deze door Gazelle opgedragen wereldtour, een reis van Nederland naar West Afrika. Of mijn einddoel nu Tombouctou of Ouagadougou zal zijn, of welke plek in de rimboe, maakt mij voorlopig niet zoveel uit. Heel Afrika is boeiend. vanrijn02Spectaculaire dingen heb ik op deze eerste 5.000 kilometer niet meegemaakt, maar een mooie tocht was het wel, hoewel voor mij vrijwel allemaal Terra Cognita. Maar zolang de zon schijnt en ik me goed voel, vervelen mooie gebieden nooit. Via Neede, Weimar, Bern, het meer van Genève, Grenoble, de Cévennes, de Pyreneeën, Zaragoza, la Mancha en het fraaie natuurgebied van de Sierra de Cazorla reed ik naar El Chorro, waar ik nu op een camping aan een houten picknick tafel volgekrast met Carmen’s, Angelito’s, Jose’s en Maria’s dit verslagje op een blaadje uit mijn schrift aan het schrijven ben. “En waar ligt nu El Chorro?” zullen sommigen die vroeger tijdens de aardrijkskundelessen misschien even niet opgelet hebben, zich afvragen. Welnu, El Chorro ligt 19 kilometer ten westen van La Hoya en 13 kilometer ten noorden van Álora. En dat betekent dat ik twee rustige dagreizen van Algeciras vandaan zit, waar ik maandag 14 augustus de boot zal nemen naar Ceuta, om mijn reis door West Afrika aan te vangen. Hier vlakbij ligt de beroemde Garganta del Chorra, een smalle diepe bergkloof. Langs de verticale rotswand heeft men lang geleden een smal vlondertje aangebracht dat op ijzeren staafjes steunt die in de wand geprikt zitten. Dat voetpaadje, waar je al duizelig van wordt als je het op een afstand ziet, staat bekend als “El Camino del Rey” ofwel “de Koningsweg”. Ik denk dat weinig koningen er zich op hun gemak zouden voelen, want er zijn nogal wat van die ijzeren steunen afgebroken en hier en daar liggen brokstukken van de koninklijke weg in de diepte, of hangen als versteend wasgoed naar beneden. Ook zitten er, om het voor de wandelaar nog wat spannender te maken, gaten in het vlondertje, waar je met paard en wagen doorheen kunt vallen, recht in de kolkende watermassa ver in de diepte. Maar helaas….. men heeft al dit spannends afgesloten met een grimmig hek Vanmiddag, voordat ik aan deze grote schrijfklus begon, ben ik naar de Garganta gelopen. Door een spoorwegtunnel aan de andere kant van de kloof kwam ik op een plek vanwaar ik het hangende en deels afgebroken weggetje goed kon zien. Ook dat was niet geheel ongevaarlijk, want als plotseling de trein van Cordoba naar Málaga door de tunnel was komen aanstuiven…… Och, eigenlijk is het hele leven gevaarlijk. Digitale lezer, pas maar op! Als u door uw computer net zo besmet raakt met het digivirus als ik indertijd door mijn eerste Gazelle besmet ben geraakt met het reisvirus, staat u nog heel wat te wachten. Maar als u daar niet bang voor bent, kijk dan zo nu en dan eens op deze pagina, om te zien of ik er weer wat bij geschreven heb, want maandag gaat er weer een Afrika avontuur beginnen en daar probeer ik u een beetje van op de hoogte te houden.

Het zwarte water

Ergens halverwege Frank van Rijn’s laatste Zuid-Amerika reis staat hij met zijn fiets voor de 4765 meter hoge pas van het Zwarte Water. Het is de zoveelste hoge pas in een lange reeks en stilletjes aan vraagt hij zich af of het niet tóch fijner is om lekker door Afrika te fietsen, waar het een stuk warmer én vlakker is.

Na Afrika fietste Frank van Rijn in de winter van 2000 door Zuid-Amerika, van Temuco in het zuiden van Chili naar Lima in Peru. Onderstaand verhaal speelt zich ergens halverwege af, als Frank 4475 kilometer heeft gereden en nog ruim 9870 heeft te gaan. De Paso de Agua Negra moet hem over de grens van Chili naar Argentinië brengen.

De Elqui-vallei in het noorden van Chili met zijn groene, in het wind wuivende druivenstruiken contrasteert sterk met de grijsgele, steil daarnaast oprijzende bergen. Naar verluidt moet er in deze bijzondere vallei een spirituele sfeer hangen. Men beweert zelfs dat er buitenaardse wezens geland zijn en dat nog steeds regelmatig doen, en dat je de ambiance van mystiek en paranormale krachten moet kunnen proeven, als je je er een beetje voor openstelt.
Blijkbaar heb ik me er niet genoeg voor opengesteld, want veel mystiek proefde ik niet. Wat ik wel proefde, was een vingerhoed Pisco, die mij in Monte Grande tijdens een rondleiding door de plaatselijke distilleerderij werd aangeboden. Pisco is een nogal sterk drankje dat uit de druiven die in de vallei verbouwd worden, gedistilleerd wordt. Waarschijnlijk had ik me beter voor paranormaliteit opengesteld als ik, na de vingerhoed Pisco, nog een liter van hetzelfde spul naar binnen had geslagen. Zonder twijfel zou ik de UFO’s dan in het rond hebben zien vliegen en de Marsmannen om mijn tent hebben horen rennen, maar er wachtte mij een pas die geen paranormaliteit duldde. Als je high bent kom je met een fiets niet erg high en daarom bleef ik die dag low, mij tevreden stellend met een zwart prikdrankje uit een rood blikje, iets waar Pisco-kenners diep op neerkijken, maar wat mij vaak de energie geeft om hoog te stijgen.

De pas waar ik over moest om in Argentinië te komen, was de Paso de Agua Negra, wat Pas van het Zwarte Water betekent. Ik reed omhoog door een kloof waar een beek door vloeide en aangezien het water nogal troebel was, vermoedde ik dat de naam van de pas op dit water sloeg. Dat water was volgens een van de Carabineros van Juntas del Toro, de laatste politiepost vóór de Argentijnse grens, niet zo goed om te drinken: `Er zit te veel arsenicum in.’ Meteen daarna stelde hij me weer gedeeltelijk gerust met: `Het is ook weer niet zó slecht, want er zit niet zo héél véél arsenicum in, maar je moet er toch ook niet te veel van drinken, hoewel… Nu ja, zie maar…’
De gastvrijheid van deze man en zijn collega’s was groter dan zijn duidelijkheid omtrent de graad van drinkbaarheid van het zwarte water, want ik mocht de nacht doorbrengen in de politiepost en ’s avonds met hen mee-eten. De volgende dag nam ik, in verband met de onduidelijkheid omtrent het zwarte water, en omdat er vóór de post van de Gendarmería Nacional aan de Argentijnse kant, 138 kilometer verderop, nergens meer blank water te krijgen was, zes liter water mee uit Juntas del Toro. Daarmee hoopte ik de overtocht te halen.
De ruige kale bergen om me heen vertoonden vele prachtige kleuren en ik schreef die toe aan mineralen, zoals ertsen van ijzer, lood en koper, die in het gesteente zaten. Hier overheerste het rood, daar zaten grote groene aders tussen het geel en verderop zag ik zelfs paarse plekken tussen het grijs. Op sommige plaatsen leek het decor van mijn tocht, vanwege de grote verlatenheid en de artistieke vormen van het door erosie uitgesleten land, op een surrealistisch schilderij, waarvan de schilder zijn fantasie te veel de vrije loop had gelaten.

Er zat weinig verkeer op deze gravelweg. De jeep die me later in de middag van achteren naderde verbrak dan ook bruusk mijn droom de eerste blanke in dit gebied te zijn. Voor de inzittenden van de jeep mocht ik dan misschien niet zo belangwekkend zijn als Diego de Almagro, de ontdekker van Chili, maar belangwekkend genoeg om te stoppen was ik wel, want de jeep hield naast me halt.
"Waar ga je heen?", vroeg de chauffeur, zich naar het rechter raampje buigend, nadat de man naast hem dit had opengedraaid. Naar zijn accent te oordelen was hij Argentijn; naar het nummerbord van de jeep te oordelen trouwens ook.
"Naar Lima", antwoordde ik.
"Naar Lima?? Dan zit je op de verkeerde weg, want hier ga je naar San Juan."
"Vaak is de verkeerde weg mooier dan de goede."
Daar waren de Argentijnen het mee eens: "Ja, dat is waar, en je bent al bijna op de pas. Nog een uurtje, denk ik."
"Achtenveertig kilometer red ik niet in een uurtje",
antwoordde ik, "maar mórgen over een uurtje ben ik er wel, als het meezit."
"Maar als je daar eenmaal bent, is het alleen nog maar remmen naar de post van de Gendarmería Nacional, waar je weer water kunt krijgen. Die 54 kilometer rijd je wel makkelijk in een uurtje."
"Zou het?",
vroeg ik. "Met alleen maar remmen wordt het lastig om 54 kilometer per uur te fietsen, lijkt me."
De mannen gingen over op een ander onderwerp en vertelden me dat ze zich aan het voorbereiden waren op een estafette-marathon van 500 kilometer vanaf San Juan, over deze pas naar La Serena aan de Chileense kust.
"Een marathon voor jeeps?"
"Nee, we zijn het traject aan het verkennen en gaan boven op de pas wat hardlopen om aan de hoogte te wennen."

Ikzelf moest ook weer aan de hoogte wennen want Cristo Redentor op 3900 meter, tussen Mendoza en Santiago, was tot dan toe het hoogste waar ik op deze reis was geweest. Veel meer dan tegen zuurstofgebrek zag ik op tegen de beruchte koude Andes-nachten. Tijdens de voorbereidingen van deze tocht had ik het vaak al benauwd warm gekregen van de herinneringen aan de ijzig koude overnachtingen in mijn tentje, toen ik in 1985 door de Andes trok. Daarom had ik voor vertrek uit Nederland mijn tropentent omgewerkt tot iglo door alles af te dichten wat er af te dichten viel, zodat hij uiteindelijk potdicht zat. Verder had ik een forse stapel kleren bij me, waaronder thermisch ondergoed en een dikke fleecetrui. Deze professionele uitrusting werd gecompleteerd door twee Arctic Comfort slaapzakken, die ik over elkaar kon schuiven en waar ik dan zelf ook nog net bij kon. Met dergelijke slaapzakken was enkele jaren daarvoor een expeditie naar de Noordpool uitgerust, wat me eigenlijk een gerust gevoel zou moeten geven, maar ondanks al die fraaie spulletjes en het feit dat ik wel vaker voor de gloeiend hete vuren van de bitter koude Andes had gestaan, vreesde ik de ijzige vuurproef die me die nacht op 3600 meter te wachten stond.

Gelukkig bleek het mee te vallen, maar toen ik de volgende ochtend mijn tent uit kwam, sloeg de kou meedogenloos toe. Met al mijn kleren aan liep ik eerst een kwartier lang rondjes om me op te warmen. De zon kwam daarna snel omhoog en omdat het niet woei, was de kou om een uur of negen verdwenen. Toen begon zich echter het zuurstofgebrek te manifesteren. Ik hijgde alsof ik een koers reed, kreeg een looiig gevoel in mijn benen en een licht gevoel in mijn hoofd en kwam steeds trager vooruit, terwijl ik naar mijn gevoel steeds zwaarder op de trappers bonkte. Ondanks, maar eigenlijk ook dankzij, al die ongemakken genoot ik want als alles vanzelf zou gaan zou de aardigheid er snel af zijn. Dan had ik beter mijn geld kunnen houden door thuis te blijven om via de beeldbuis van de Andes te genieten. Maar een landschap komt pas echt tot zijn recht als je er zelf intensief in bezig bent, althans zo ervaar ik dat. Gelukkig degenen die dat niet zo ervaren en die genoeg hebben aan de tv (of Op Pad).

Voor me uit zag ik de weg in een, voor het oog, vrijwel horizontale lijn langs de helling van de berg naar een haarspeldbocht in de verte lopen. Door mijn inspanning wist ik echter dat dat horizontale optisch bedrog was en dat de weg wel degelijk fors klom. Dat was goed, want als je niet klimt, kan het lang duren voordat je een pas over bent en dus zou het dan uiteindelijk allemaal nog veel vermoeiender worden dan nu.
Links keek ik in een reusachtige vallei waar ik een uur eerder had gereden. Daarachter verhief zich een roodachtig massief dat er, afgezien van de besneeuwde toppen, uitzag als een Marslandschap, zoals ik dat vroeger in stripboeken had gezien. Ik heb wel eens ergens gelezen dat op Mars bergen staan van 30 kilometer hoogte. Daarmee vergeleken was dit Andes-gepruts een spelletje. Op een Marspas zou je pas echt merken wat zuurstofgebrek is.

Toen ik na een korte pauze in de haarspeldbocht weer op de fiets stapte, bleek dat ik het hier met dit `Andes-gepruts’ ook echt merkte, want meteen zakte er een lading lood in mijn benen. Door rustig aan te doen steeg die er na een paar minuten weer uit. Ik zat zo langzamerhand op ongeveer 4300 meter hoogte, maar er moest nog wel wat bij om in Argentinië te komen. Langzaam als een tobberige tor werkte ik me over de gravelweg vooruit en met het hoger komen werden de sneeuwtoppen boven op de bergen indrukwekkender.
Weer kilometers verder draaide de weg langs de bergwand mee naar links, waardoor ik opeens de pas in het vizier kreeg, ver vooruit. Op dit laatste traject naar de top kwam ik langs een woud van ruige, enkele meters hoge penitentes, ijspilaren die met hun scherpe punten dreigend naar de staalblauwe hemel wezen. Sneeuw, zon, vorst, wind en regen hadden deze kunstwerken gevormd, misschien wel om de vermoeide fietser of marathonloper enigszins af te leiden van het ongerief dat een luchtdruk van 0,56 atmosfeer met zich meebrengt.

Het was al ver in de middag toen ik, gekraakt en voldaan, maar met nog steeds een licht gevoel in mijn hoofd, op de Paso de Agua Negra aankwam, de pas van het Zwarte Water. Water zag ik echter niet, want ik had de troebele beek al uren geleden achter me gelaten. Dorstig keek ik rond, in de hoop om net als op zo vele alpenpassen, een souvenirtentje te ontdekken waar van die rode blikjes verkocht worden, die je al van tientallen meters afstand herkent en waarin ook een soort agua negra zit. Die zwarte, intercontinentale godendrank zou me nu niet onwelkom zijn en het leek me zeer goed mogelijk dat deze pas dáárnaar genoemd was door de eerste fietser die hier ooit overheen was gekomen. Er stond echter geen stalletje en ik kon me dat ook wel voorstellen, want op veel klandizie zou je op deze hemelse hoogte van 4765 meter boven zeeniveau niet mogen rekenen als frisdrankondernemer. Wat er wel stond was een bordje met República Argentina, een soort welkomstbordje van een nieuw land en eigenlijk was dat veel mooier dan zwart water. Ik nam een slok helder water uit een van mijn bidons en liet mijn blik langs de woestenij van ijsvelden, rotsen en besneeuwde bergtoppen glijden. In geen uren had ik een mens gezien, maar juist toen ik me een beetje de eerste Marslander begon te voelen, kwam er een jeep vanaf de Chileense kant omhoog gebromd. Er bleek een Duitser in te zitten die probeerde heel Chili in een week te `doen’, wat hem, te oordelen naar de snelheid waarmee hij rondrende om foto’s te knallen, ging lukken.
"Geweldig, hè, die bergen", riep hij en hij stoof onmiddellijk op een rots af om er een plaatje van te maken.
"Waar kom je vandaan met die fiets?", vroeg hij een tel later, maar mijn antwoord ontging hem, want hij lag alweer op zijn buik voor een artistieke kiek.
"Waar zei je dat je vandaan kwam?", vroeg hij overeind komend, maar nog voordat ik een tweede poging kon wagen antwoord te geven, zat hij al in zijn jeep en riep met zijn hoofd uit het raampje: "Gezellig met je gesproken te hebben! Goede reis!", en weg bromde zijn jeep.

De afdaling verliep, zoals ik ook wel verwacht had, moeizaam. De fiets bonkte over de nogal ruwe gravel en daarmee bonkten ook mijn ruggengraat en schedel, zodat ik er een zwaar hoofd in begon te krijgen dat mijn lichte hoofd met de weer toenemende luchtdruk snel zwaarder zou worden. Sneller dan vijftien kilometer per uur kwam ik niet vooruit, maar dat was toch nog bijna duizelingwekkend snel ten opzichte van het tempo waarmee ik had geklommen.
In enkele lange zigzaggen slingerde de weg langs de oostelijke bergwand omlaag met als decor nog steeds de reusachtige besneeuwde bergketen aan de Chileense kant. Verderop dook ik een betrekkelijk smalle kloof in, die het moeilijk maakte om een redelijke plek voor de tent te vinden, maar kort voor donker kwam ik weer in een bredere vallei en daar zag ik, een eindje van de weg af, een enigszins beschut plekje om te kamperen.
Die avond kladde ik hongerig en rillend van de kou nog even snel twee en een half kantje van mijn dagboek vol. Tijd voor een van mijn vele, alom geroemde culinaire composities had ik na die noeste schrijfarbeid niet meer. Daarom propte ik, terwijl de duisternis snel en vergezeld van een meedogenloze kou over het verlaten bergland viel, een stuk brood in mijn mond en wurmde me vervolgens mijn potdichte pooltentje, mijn thermische kleding en mijn twee concentrische slaapzakken in.

Als ik nu die laatste, in alle haast geschreven regels van 6 februari 2000 nog eens overlees, ben ik verbaasd: Me vandaag geheel leeggereden. Vraag me af of een dergelijke reis met zoveel hoge passen erin, wel verstandig is. Is het niet fijner om lekker door Afrika te fietsen, waar het een stuk warmer is en waar je je niet te pletter hoeft te trappen op zulke krankzinnige passen? Alsjeblieft! En nu in mijn warme huisje in Drenthe maar schrijven dat ik het toen allemaal zo geweldig vond! Maar wat lees ik verder in mijn dagboek?
Maandag 7 februari: ’s Nachts slecht geslapen, evenals gisternacht, waarschijnlijk door zuurstofgebrek, hoewel ik weer geen last van de kou heb gehad. Geweldig pooltentje! Ik voelde me ’s morgens, geheel tegen de verwachting in, prima: vol energie en geen last meer van spieren, knieën, rug en hoofd. Met de zon erbij dreef mijn pessimistische bui van gisteravond dan ook snel weg.
Kijk aan, die volgende ochtend kon ik blijkbaar beter beoordelen of ik het op de klim naar mijn zin had gehad, dan direct na mijn zware bergetappe, toen ik er nog te dicht bij stond en kou, honger, een licht hoofd, spierpijn en algehele vermoeidheid mijn leeggetrapte lichaam tergden. De conclusie is dan ook dat je soms iets heel erg fijn vindt, zonder dat je je het op dat moment goed realiseert. Wantrouw dus mensen die beweren dat ze passen rijden niet fijn vinden. Natuurlijk vindt `iedereen’ passen rijden fijn, maar niet iedereen verstaat de kunst zich daar rekenschap van te geven.

Ik daalde die ochtend verder af en kwam na wat gezwoeg door een zandig stukje om een uur of negen bij de post van de Gendarmería Nacional aan, waar ik begroet werd door onder andere … de twee marathonlopers die ik de dag ervoor op de klim had ontmoet.
"En, hoe was de afdaling?", wilden ze weten.
"Flitsend", antwoordde ik. "Ik heb die 54 kilometer in een recordtijd van 3 uur 37 minuten gereden. Er lag hier en daar gruis en zand, dus ik hoefde niet eens alleen maar te remmen."
"Ja, een uur om te dalen was wel een beetje optimistisch van ons. Maar kom binnen. Je zult wel trek hebben in een ontbijt."
Toen ik plaats had genomen aan een grote tafel werd mij brood met honing gebracht en vervolgens een bak zwarte koffie… en opeens wist ik waar de Paso de Agua Negra zijn naam aan dankt.

(OP Pad #7 september/oktober 2002)