Nieuwsbrief nummer 1001

Sinds kort heb ik thuis een internetaansluiting, waardoor de wereld aan mijn voeten ligt. Ik heb de boel zelf geïnstalleerd, waardoor het huis nu vol met draden ligt, zodat ik moet oppassen mijn benen daar niet over te breken. Deze nieuwe ontwikkeling stelt me in staat om mijn eigen website, die Erik Stam zo vakkundig voor mij in elkaar heeft gezet, op mijn gemak te bekijken. Zojuist heb ik dat gedaan en daarbij constateerde ik tot mijn schrik en schande dat het alweer een jaar geleden is dat ik mijn laatste nieuwsbrief schreef.

Ik heb in dit afgelopen jaar niet stilgezeten en dat is er natuurlijk de reden van dat ik niet aan het schrijven van een nieuwe nieuwsbrief ben toegekomen. Een zekere luiheid mag daar overigens bijgeteld worden, helaas. Ik schrijf het maar eerlijk. Nu moet er echter toch eens wat gebeuren en daarom zet ik mij met pen en papier aan mijn bureau om op te schrijven wat ik zoal het afgelopen jaar heb gedaan. En straks, na een hoop kladwerk moet ik het resultaat met één vinger uit gaan typen.

Na een voorjaar waarin ik wat lezingen hield en een paar artikelen schreef vertrok ik op 27 mei vanuit mijn woonplaats Doldersum voor een tocht van drie maanden, waarvan het einddoel Alicante was. Ik kwam tot 2 km voorbij Steenwijk, een reis van één uur in plaats van drie maanden. Daar concludeerde ik dat ik er geen zin meer in had. Het was zwaar bewolkt, het regende, het was koud en er stond een harde tegenwind. “Wat doe ik hier?” vroeg ik me af. Zonder die vraag te beantwoorden vervolgde ik: “Weet je wat? Ik ga gewoon terug naar huis.” en dat deed ik.

Twee dagen later deed ik de tweede poging om naar Alicante te rijden en die slaagde. Die dag reed ik naar Bennekom, waar ik bij Adriaan logeerde, een oud collega in het onderwijs. We kunnen allebei terugblikken op een geweldige carrière in die tak van zelfkastijding, hij van 29 jaar en ik van 107 dagen. Het zal duidelijk zijn dat we die avond veel herinneringen hebben opgehaald aan die kleurrijke periode van 107 dagen, waarin we beiden dongen naar de titel van beste leraar van de school, zo niet die van het hele land.

Van Bennekom reed ik door België en Frankrijk naar Vallauris, een stadje dicht bij Cannes. Daar zocht ik mijn neefje op die iets met computers doet voor een Frans bedrijf. Wat precies ging me natuurlijk een mijl boven de pet. Zijn vrouw is vertaalster en ik hoop nog altijd dat ze eens mijn boeken in het Frans gaat vertalen, omdat er in Frankrijk ongetwijfeld vijftig miljoen mensen staan te trappelen om mijn avonturen op de fiets te lezen.

Na een wandeling door de Esterel fietste ik door de Provence naar Gerard en Marie Bastide in de Languedoc. Gerard ben ik in 1993 tegengekomen op de Olympus in Griekenland, toen hij zijn fiets naar de top aan het sjouwen was. “Het is met die fiets wat zwaarder dan zonder, maar op de terugweg dender ik met een noodvaart omlaag”, vertrouwde hij mij toe, en inderdaad zag ik hem later in bijna vrije val de berg afsuizen. Hij overleefde het, anders zou ik hem niet hebben kunnen opzoeken.

Na een paar dagen rust bij Gerard en Marie fietste ik via een andere vriend in Lezignan naar de Tour de Madaloc, een oude communicatietoren die op een berg staat, die 650 meter boven het plaatsje Collioure aan de côte Vermeille uitsteekt. Op die berg heb ik in 1969 de grondslag gelegd voor mijn fietsreizen. Zie daarvoor mijn boek: ‘Aan de voet van de Tour de Madeloc’ (maar dat heeft u waarschijnlijk al 3x gelezen!?!)

Door Spanje maakte ik vervolgens een grote slinger waarna ik uiteindelijk in Alicante uit kwam. Aanvankelijk was het mijn bedoeling geweest om direct in aansluiting op deze reis een tocht door Madagaskar te gaan maken, dus ergens in Spanje het vliegtuig naar Antananarivo te nemen. Na de mensen op mijn reisbureau herhaaldelijk verveeld te hebben met steeds weer nieuwe vragen over vluchttarieven van verschillende plaatsen in Spanje en zelfs zuid Frankrijk naar Antananarivo, bleek het uiteindelijk het goedkoopst te zijn om van Alicante terug te vliegen naar Nederland en vandaar een retourticket naar Antananarivo te nemen. En dat is wat ik deed. Het leverde me twee rustdagen in Nederland op, die echter erg chaotisch bleken te zijn en me dus meer onrust dan rust brachten. Ik moest opeens veel meer dingen doen en organiseren dan ik verwacht had. Het was dan ook met grote opluchting dat ik op 2 September op Schiphol het luchtruim koos en met een nog grotere opluchting dat ik uit Antananarivo wegfietste voor een 69 dagen durende reis door Madagaskar. Over die reis, waarvan ik op 11 November terugkeerde ben ik een boek aan het schrijven en om mijzelf het gras niet voor de voeten weg te maaien en u nog wat in spanning te houden, schrijf ik over deze reis slechts één ding: Het was mooi. De rest leest u wel in het boek als het klaar is. Het zal bij uitgeverij Elmar verschijnen.

Mocht u alvast een voorproefje willen hebben, kom dan naar de Fiets- en Wandelbeurs in de Rai in Amsterdam, die op 11 en 12 Februari gehouden wordt. Daar ga ik, zowel Zaterdag als Zondag, een lezing met powerpointbeelden houden over die reis.

Behalve met een boek over Madagaskar ben ik ook bezig met een artikel over dat land. Dat zal t.z.t verschijnen in Op Pad van de ANWB.

Deze winter zit ik dus, geheel tegen mijn gewoonte, in Nederland en dat valt tegen voor iemand die in deze periode gewend is in een lekker warm land te vertoeven. Maar wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen en dat Madagaskarboek is het zwaarst. Of het ook het zwaarst zal wegen is nog maar de vraag. Ik hoop op 6 kilogram en 369,4 gram, wat precies op 4000 bladzijden uitkomt, maar ik vrees dat ik zo’n berg papier niet vol krijg. 400 gram lijkt me realistischer, wat 251 bladzijden oplevert en daar zou ik al tevreden mee zijn.

Ondertussen is Gazelle bezig voor mijn volgende reis een nieuwe fiets te fabriceren, de Gazelle Goldline 2012 of misschien wel de Goldline Gazelle 2012. Daar komen dan weer Vaude-tassen en een Brooks-zadel op en natuurlijk Schwalbe-banden onder. En waar die volgende reis heen zal gaan….? Ik zal u daarover informeren zodra mijn plannen vastere vorm hebben aangenomen.

In het begin van dit nieuwe jaar zit ik vol goede voornemens en een daarvan is: wat regelmatiger verslag van mijn reizen doen op deze website. Dat goede voornemen heb ik al eens eerder gehad en wel op 1 April 2010. Nu zal de geachte lezer zich afvragen: “Wat is beter, een goed voornemen waar niets van terecht komt of helemaal geen voornemen, waar wel wat van terecht komt? Nu ik erover nadenk heb ik een lichte voorkeur voor het laatste. Daarom neem ik mij voor om me toch maar niets voor te nemen en dat is eigenlijk best wel een goed voornemen. Maar ik ga in ieder geval proberen die nieuwsbrieffrekwentie op te voeren.

Tot slot van deze brief boordevol nieuws wil ik alle mensen, die steeds weer trouw mijn website bekijken in de hoop daar een nieuwe nieuwsbrief aan te treffen, bedanken voor hun interesse in mijn verrichtingen. En in het bijzonder wil ik hen bedanken, die een stukje in mijn gastenboek hebben geschreven, dus dank aan:

Jan, Alice, Willy, André, Nel, Albert, Jackie, Henk, Frans, Johan, Nel, Margot, Frits, Kor, Willy, Annerieke, Erik, Ilse, Koos, Bob, Martijn, Merlijn, Eric, Henk, Talisman, P.Pijnenburg, Bas, Brigit, Erik, Elisa, Fakje, André, Colin, Henk, Manon, J.Kuper, Juan, Erik, Roald, Paul, Bianca, Chantal, Diederik, Hennie, Herwig, Jaap, Joan, Remco en Henriette, E.Reijnhout, Brigit, Antonio, Lia, Ilesen, Pim en Jan.

Als ik dat zo zie, een indrukwekkende lijst! Mijn verontschuldigingen voor dit onpersoonlijke antwoord. Liever had ik elk afzonderlijk een antwoord gestuurd, maar daarvoor ontbreekt me helaas de tijd.

Tot spoedig in deze rubriek of tot ergens onderweg,

Presentatie van ‘In de ban van Stempelstan’ tijdens de Fiets- en Wandelbeurs 2011

Zaterdag 26 Februari presenteerde ik op de Fiets- en Wandelbeurs in de Rai in Amsterdam mijn nieuwe boek ‘In de ban van Stempelstan’, een reis door Centraal Azië. Dat deed ik tijdens mijn lezing met lichtbeelden over een fietstocht door Afrika. Bij een dergelijke gelegenheid is het gebruikelijk om het eerste exemplaar aan te bieden aan een bekende Nederlander. Ik wilde me bij dat gebruik aansluiten, maar het probleem was: welke bekende Nederlander? De topscorer van een reuze-belangrijk voetbalteam? Een van onze ministers? De algemeen directeur van een geweldig concern? Witteman, Pauw of een andere TieVie-star zoals de weerman of de nieuwslezer? Ongetwijfeld hebben die allemaal al een eerste exemplaar van het een of andere boek en de kans is niet denkbeeldig dat het op de stapel ongelezen papier terecht is gekomen. Na diep nadenken besloot ik het boek te geven aan iemand die erg belangrijk voor mij is en die het ook zeker zou gaan lezen: Erik Stam, bij het grote publiek nog niet erg bekend en misschien zelfs ook niet bij u, maar u kent ongetwijfeld wél zijn werk. U kijkt er op dit moment zelfs naar: mijn prachtige, boeiende website, die al menigeen lange tijd van zijn werk heeft gehouden, want als je er in begint te lezen is het moeilijk om er mee te stoppen, zo hoor ik van velen.


Ik ken Erik al vanaf 1964 toen ik met mijn ouders op vakantie was in het Zuidfranse dorpje Montauroux. Erik was daar ook met zijn ouders. We maakten er lange wandelingen door het dal van de Siagne, naar St. Cézaire en over de Plaine des Rochers. Toen het eens een dag wat minder mooi weer was heb ik hem schaken geleerd. In één middag presteerde ik het om niet alleen alle regels te behandelen, maar ook een flinke dosis openings-, middenspel- en eindspeltheorie, waarbij matdrijven met paard en loper niet ontbrak, een, zelfs voor gevorderde schakers, vrij taaie klus. Hier bleken voor het eerst mijn bijzondere gaven op het gebied van de didactiek, die mij jaren later tijdens mijn docentschap natuurkunde zo goed van pas zijn gekomen, een docentschap dat overigens maar enkele maanden duurde. Het resultaat van die vijf en een half uur durende schaakles: Erik heeft nooit meer een schaakstuk aangeraakt.
Ruim veertig jaar later nam hij revanche. Hij drong er bij mij op aan dat ik me eindelijk eens een computer zou aanschaffen. Toen ik dat had gedaan vertelde hij me in één middag alles (nu ja, toch wel bijna alles) over de computer, waarbij het rangschikken van digitale foto’s niet ontbrak, een zelfs voor gevorderde computerologen vrij gecompliceerde job. Resultaat…….Ik heb nooit meer……..
Ja, dat had u, geachte lezer, gedacht. Neen! Na vijf minuten was mijn hoofd verzadigd met klik-hier-en-klik-daar en heb ik de rest van de tijd uit het raam zitten kijken naar de vogels en alle wijsheid over me heen laten gaan, iets waarin ik altijd heb uitgeblonken. Bij de volgende computerles van Erik heb ik in een schriftje alle klikken en klakken, die ik nodig heb om een zeker doel te bereiken, opgeschreven zonder er één over te slaan. Dat schriftje leidt mij nu feilloos door het gecompliceerde computerlabyrinth en stelt mij zelfs in staat complexe bewerkingen uit te voeren als het rangschikken van digitale foto’s.

digital Frankie

Dankzij Erik en het klein computerboek, is ook mijn elfde boek digitaal uit de verf gekomen, het eerste op die manier, want alle tien voorgaande boeken heb ik de uitgever analoog aangeleverd, ofwel met de hand geschreven. (In dit verband is het aardig op te merken, dat ik van die tien boeken de originele manuscripten nog heb. Ik heb een stille hoop dat die over een paar honderd jaar plotseling zullen opduiken in het programma ‘Tussen Kunst en Kitsch’ en dat de presentator ze dan in de juiste van de twee categorieën zal plaatsen.)
Jammer genoeg ontbrak bij de presentatie van mijn boek in de Rai de tijd om Erik een wederwoord te gunnen, toen hij het boek in ontvangst nam, want ik moest me, in het uur dat mij door de organisatie ter beschikking was gesteld, ook nog door 5925 kilometer Afrika heen werken. Erik is emeritus-legerpredikant en als je een predikant het woord geeft…….. dan zou de reis door Afrika wel eens in een tijdnoodrace kunnen ontaarden.
Zondag 27 Februari hield ik nogmaals de Afrika-lezing op de beurs. Tijdens die lezing was er wéér een, bij het grote publiek niet bekende, maar voor mij en de toeschouwers wel erg belangrijke, Nederlander in de zaal aanwezig, die eigenlijk ook in aanmerking kwam het eerste exemplaar van mijn nieuwe boek overhandigd te krijgen. Gelukkig had ik het tweede exemplaar nog en toen ik het inkeek viel het mij op, dat het erg leek op het eerste, zozeer zelfs, dat ik me afvroeg of dít niet het eerste was. Ik gunde John Telleman het voordeel van de twijfel, riep hem in de zaal naar voren en bood hem dit tweede eerste exemplaar van “In de ban van Stempelstan” aan. En ook hij kreeg geen wederwoord, want weer moest er in een uur een kleine 6000 kilometer over het witte doek gefietst worden.
“Waarom was John Telleman zo belangrijk dat hij een tweede eerste exemplaar uitgereikt kreeg?” zult u zich afvragen. Welnu, voor deze lezing rangschikte ik met behulp van mijn computer en mijn schriftje een serie foto’s waar ik over wilde vertellen en het was John die daar een  powerpointpresentatie van heeft gemaakt. Zonder powerpoint kun je tegenwoordig bijna nergens meer aankloppen en zeker niet bij de Rai, die kort geleden zijn fantastische overvloei-diaprojectoren naar de kringloopwinkel heeft gebracht. Zonder John dus geen plaatjes en zonder plaatjes geen Afrika-lezing. John was het ook, die mij in contact heeft gebracht met Eduard Roelofs, de vader van Sandra Roelofs, die met Mikhail Saakashvili, de president van Georgië, is getrouwd. En het is bij deze president thuis in Tbilisi, dat zowel het eerste exemplaar als het tweede exemplaar van mijn nieuwe boek begint. Overigens beginnen ook het derde en alle volgende exemplaren daar, want om helemaal eerlijk te zijn, lijken alle exemplaren van ‘In de ban van Stempelstan’ op elkaar, zodat als u, geachte lezer, het boek in de winkel koopt of in de bibliotheek leent, u zichzelf ook kunt beschouwen als een, misschien niet zo heel bekende, maar voor mij wel erg belangrijke Nederlander.
“En wat doet een eenvoudige globetrotter, die in een tent hoort te zitten, nu bij een president thuis?”, zult u zich terecht afvragen. Om deze vraag te beantwoorden, laat ik hier het korte eerste hoofdstuk van mijn nieuwe boek volgen:

1-Een straaljager zonder vleugels
Met één hand aan het stuur en in de andere zijn mobiele telefoon, waardoor hij Georgische volzinnen naar de satelliet zendt, koerst onze voortreffelijke chauffeur met een vaart van 140 kilometer per uur, waar slechts 50 is toegestaan, door het drukke stadsverkeer van Tbilisi. SPS 145 is het kenteken van zijn bolide en aangezien SPS staat voor Special Presidential Service, of iets dergelijks, zal geen enkele agent het in zijn hoofd halen om op zijn fluitje te gaan blazen. Voor het eerst in mijn leven knoop ik vrijwillig de veiligheidsgordel om, hoewel die bij een dergelijke snelheid weinig zal uitrichten als het fout loopt.
Achterin zit Joop Verstrate, die zichtbaar geniet van deze kermisrit en naast hem hangt onderuitgezakt, geheel uitgeteld en bleek van de wagenziekte, Natia, een speciaal voor deze gelegenheid opgetrommelde fotografe. Ik hoop dat ze straks nog in staat zal zijn wat foto’s te maken van ons bezoekje aan de president.
“Het lijkt wel of je benauwd bent”, zegt Joop lachend, terwijl we de linker vangrail op een haar na raken en vervolgens schuin over de weg op die aan de rechterkant af koersen, een manoeuvre om wat hinderlijke kruipers van 80 kilometer per uur voorbij te gaan.
“Ik bang??”, vraag ik, met moeite een glimlach producerend, terwijl het zweet op mijn voorhoofd staat. “Kom nu toch!”
Tot mijn verbazing komen we enkele minuten later geheel ongedeerd aan bij het door politie en militairen bewaakte, zwaar ommuurde, huis van Mikhail Saakashvili, de president van Georgië en zijn Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs. Ik tel er een dozijn grote zwarte SPS-wagens en verder ritselt het er van de lijfwachten in zwarte pakken met onder hun onberispelijke jasjes grote schietijzers, waarmee ze iedereen overhoop schieten die een vinger naar de president of Sandra durft uit te steken. Op diverse plaatsen zijn camera’s gemonteerd, die de muur, de metalen poort en de omgeving scherp in de gaten houden, dus veel aardigheid zul je er niet aan beleven om hier over de muur te klauteren.

Joop mocht aanvankelijk niet mee naar de president, want wie was Joop? Toen ik echter gisteren de secretaresse van Sandra uitlegde, dat hij een goede vriend en fietsmaat is van Eduard Roelofs, de vader van Sandra, was ook hij welkom op de ontvangst.
Dat ík er welkom ben lijkt natuurlijk niet zo vanzelfsprekend, want als toerist loop je nu eenmaal niet even bij een president binnen, maar ik ben hier op een speciale missie. Door toeval kwam ik een paar jaar geleden in contact met Eduard Roelofs, een gepensioneerde makelaar uit Terneuzen en enthousiaste amateurwielrenner. Toen hij hoorde dat ik van plan was op de fiets naar Georgië te gaan, het tweede vaderland van zijn dochter, bood hij aan mij op het laatste traject van mijn reis te vergezellen. En zo kwam het dat Eduard vorig jaar, nadat ik van Nederland via de Balkan en Turkije naar Georgië was gefietst, mij ergens in Georgië tegemoet kwam rijden in  de SPS 145. Met die auto op onze hielen fietsten we de volgende dag Tbilisi binnen. Enkele dagen later had hij het voor elkaar dat ik de president wat over mijn fietsreizen mocht komen vertellen, vijf minuutjes slechts, want daarna moest hij spoorslags een Navo-hotemetoot van het vliegveld gaan halen. Die vijf minuutjes werden er 20 vanwege enkele gemeenschappelijke interesses, waaronder fietsen. In de hitte van het gesprek merkte ik op: ”Ik regel voor u en Sandra twee fraaie Gazelles, dan kunt u na uw tweede ambtstermijn samen van Tbilisi naar Terneuzen fietsen”.
Dat was natuurlijk een grapje, hoewel….toen ik er later over nadacht leek het me nog helemaal niet zo’n slecht idee en na mijn terugkeer in Nederland belde ik Peter Cijs erover op, de accountmanager van Gazelle: ”Ik heb Saakashvili en zijn vrouw in een enthousiaste bui twee mooie fietsen beloofd, maar die oude van mij, waarmee ik een paar maal de aarde ben rond geweest, lijken me daar niet zo geschikt voor. Hoe gaan we dat aanpakken?” Peter wist er wel raad mee en liet twee prachtige exemplaren bouwen.
En zo ben ik nu, na bijna een jaar, weer terug in Tbilisi om die twee rijwielen, die al vooruit zijn gestuurd, aan de president en Sandra te overhandigen. Dat is overigens niet de enige reden dat ik naar Tbilisi ben gevlogen. Als ik hier klaar ben ga ik mijn reis van vorig jaar vervolgen naar en door Centraal- Azië.
De poort in de muur rond het huis van de president zit nog op slot, dus Joop en ik moeten wachten. Na drie kwartier heen en weer sloffen, juist als ik me begin af te vragen of het wel zo nodig was dat onze chauffeur op het ritje van 7 km bijna door de geluidsbarrière ging, zwaait de poort open en mogen Joop en ik de daarachter gelegen tuin binnengaan. Sandra komt ons tegemoet en nodigt ons uit aan een tafeltje plaats te nemen, waar enkele glazen en een kan vruchtensap op staan. Links tegen een boompje zie ik twee in het zonlicht fonkelende goudgele fietsen staan. Dat moeten de Gazelles zijn die ik zo dadelijk ga overhandigen.
We praten wat over het weer en drinken een glas sinaasappelsap, terwijl Natia, die na onze avontuurlijke autorit toch weer wat kleur op haar gezicht terug heeft, een aantal foto’s van ons schiet.

“Mijn man komt zo”, merkt Sandra op. “Hij moet zich klaarmaken om straks voor de kanselarij het defilé af te nemen”.
Zoiets vermoedde ik al, want vandaag is het 26 mei, de Onafhankelijkheidsdag van Georgië, en dat wordt natuurlijk groots gevierd.
“Hoe laat begint dat defilé?” vraag ik.
“Om elf uur”, antwoordt Sandra.
Ik kijk op mijn horloge. Het is vijf over half elf. Dat kon dus wel eens tijdnood worden, want natuurlijk ga ik die fietsen niet afgeven zonder een aardig praatje.
Na nog eens tien minuten wachten verschijnt Mikhail Saakashvili in de deuropening. We schudden elkaar de hand en ik vraag of hij mij nog kent.
“Natuurlijk ken ik je nog”, antwoordt hij. Blijkbaar heb ik vorig jaar nogal indruk op hem gemaakt, waarschijnlijk door mijn verhaal dat ik kort daarvoor in Lagodekhi bij de grens van Azerbeidzjan door een klein rothondje in mijn achterwerk gebeten werd, terwijl ik me van voren een grote agressieve hond, bijna van het formaat van een paard, van het lijf hield, die onverwacht uit een rioolput omhoog kwam. Saakashvili had dat nogal vermakelijk gevonden: ”Ha, ha. Je hebt mijn hondjes toch geen kwáád gedaan hoop ik?”
Zijn hondjes?! Ik vertelde maar niet dat ik door heel Georgië wel tientallen keren door ‘zijn’ hondjes was aangevallen. Voor mij was dat voorval in Lagodekhi niet zo vermakelijk, want ik moest als de weerlicht naar Tbilisi om een stel hondsdolheidsprikken te halen.
“Kom, dan gaan we even op de foto”, zegt Saakashvili en hij loopt naar de fietsen. Sandra, Joop en ik volgen en Natia, die weer helemaal bijgekomen is, schiet plaat na plaat. Na anderhalve minuut is de seance voorbij en nog voor ik aan mijn praatje kan beginnen, waarin ik een paar ideeën voor een aardige route naar Nederland wil geven, zegt Saakashvili: “Goede reis verder” en springt in de ondertussen het tuinpad opgereden dienstauto. Geëscorteerd door een stuk of acht grote SPS-wagens met loeiende sirenes en zwaailichten verdwijnt zijn bolide in de richting van het centrum. Ik sta nog een beetje verbluft te kijken, terwijl Sandra in haar witte auto de andere auto’s achterna gaat.
“Kom mee”, zegt onze chauffeur ongeduldig en loopt al in de richting van zijn machine. Joop, Natia en ik volgen gehaast, maar we rijden juist te laat weg om ons in het vacuüm het escorte mee te laten zuigen. De chauffeur zal dus wel weer kunst- en vliegwerk moeten gaan uithalen om ons op tijd af te leveren bij het defilé. Joop steeds alle vertrouwen in hem en glimt van genoegen bij het vooruitzicht op nieuwe actie. Natia voelt waarschijnlijk bij voorbaat haar maag al naar haar keel omhoog kruipen en ik sjor me voor de tweede keer in mijn leven vrijwillig vast aan de zitting. Het enige dat aan deze straaljager ontbreekt, zijn de vleugels.

Benieuwd naar hoe het allemaal afloopt? Lees dan de volgende 299 bladzijden van: ‘In de ban van Stempelstan, een reis door Centraal Azië’, waarbij u ook nog 158 kleurenfoto’s te zien krijgt.
Uitgeverij Elmar. ISBN 978-90-389-2037-5

Mijn nieuwe boek

‘IN DE BAN VAN STEMPELSTAN’, een reis door Centraal Azië.

Het heeft lang geduurd, voor sommigen, mijzelf inbegrepen, te lang, maar eindelijk is het manuscript van mijn reis door Centraal Azië klaar. Alle puntjes staan op de i, de foto’s zijn voorzien van onderschriften en de kaartjes zijn getekend. Tijdens mijn reis door de Verenigde Staten, afgelopen zomer, heb ik de laatste hoofdstukken geschreven en thuis heb ik de in een schriftje gekrabbelde hiëroglyfen met één vinger uitgetypt op mijn gloednieuwe en eerste computer. Daarbij ontplooide dit wonderinstrument soms merkwaardige eigen initiatieven, die niet overeenstemden met mijn intenties, een situatie te vergelijken met een ruiter die voor het eerst van zijn leven op een paard zit en meteen de meeste woeste hengst van de rodeo uitkiest. Het behoeft dan ook geen betoog, dat ik vele virtuele buitelingen en valpartijen heb gemaakt.

Door echter bijtijds op de fiets te springen om stoom af te blazen als het toverapparaat weer eens onvoorspelbare en bijzarre kuren had, wist ik de neiging te onderdrukken om het hele zooitje het raam uit te smijten. Zoiets geeft even opluchting  maar wat heb je er verder aan? Met een handgeschreven manuscript kun je tegenwoordig niet meer aankloppen bij een uitgever, dus zelfs schrijvers moeten hun manuscript digitaal inleveren, wat eigenlijk een contradictie is, want manuscript betekent: met de hand geschreven. (Volgens mij moet een getypt manuscript ‘manutypt’ heten. Zie de volgende editie van de Dikke van Dale.)
Gisteren heb ik het manutypt ingeleverd bij de uitgever en als alles volgens zijn planning verloopt, zal het boek uitkomen op Zaterdag 26 Februari tijdens de Fiets- en Wandelbeurs in de Rai in Amsterdam. Daar houd ik zowel Zaterdag als Zondag een lezing over mijn tocht van dit jaar door Afrika (Egypte, Sudan, Kenia en Oeganda). Ik hoop dan een flink stapeltje van ‘In de ban van Stempelstan’ bij me te hebben om vaste bezoekers in staat te stellen hun verzameling reisverhalen compleet te houden.

Het boek begint met mijn bezoek in Tbilisi aan Mikail Saakashvili, de president van Georgië en diens Zeeuwse vrouw Sandra Roelofs. Ik overhandigde ze elk een mooie Gazelle waarmee ze t.z.t. van Tbilisi naar Terneuzen kunnen fietsen, voor het geval er voor een president een sabatical year in zit. Door Georgië en Azerbeidzjan reed ik na de overhandigingsplechtigheid naar Bakoe, waar ik me inscheepte voor de tocht over de Kaspische Zee naar Turkmenistan. Tijdens deze oversteek, die lichtelijk uit de hand liep, kwam ik tot het besluit dat ik nooit meer over zee zal reizen naar een plek, die ik ook over land kan bereiken. Vanaf Turkmenbashi, waar de boot uiteindelijk toch nog aan kwam, vervolgde ik mijn reis door de woestijn van Turkmenistan naar Oezbekistan. In dat land bezocht ik de historische en monumentale steden Buchara en Samarkand.
Voort ging het, nu door de bergen, naar Dusjanbe, de hoofdstad van Tadjikistan. Daar haalde ik Hans Koster van het vliegtuig uit Zürich, een Zwitserse fietsvriend die ik jaren geleden in Oostenrijk en enkele jaren geleden door toeval weer in Birma ontmoet heb. Gezamenlijk reden we over hoge passen van het Pamir-gebergte en door de mooie en ruige Bartang-vallei naar Muzkol aan de Pamir-highway, een doorsteek die tot de hoogtepunten van de tocht behoorde.
Tijdens deze reis ben ik in de ban geraakt van de overweldigende natuur, de interessante cultuur en bovenal de bijzonder gastvrije en vriendelijke bevolking onderweg. Dat er nogal wat stempels geplaatst moesten worden op de nodige documenten en formulieren in deze stan-landen, die nog maar betrekkelijk kort onder het juk van het communisme uit zijn en daardoor hun bureaucratie nog niet geheel de rug toegekeerd hebben, zal geen verwondering wekken. Zulk stempelgetob behoort natuurlijk tot de charmes van zo’n tocht, maar waarschijnlijk zijn die charmes charmanter voor de lezer, dan voor de reiziger.

‘In de ban van Stempelstan’ zal verschijnen bij uitgeverij Elmar. Op 14 September ging deze uitgeverij op dramatische wijze failliet, maar onlangs is er door een aantal van de oude werknemers een doorstart gemaakt, zodat Elmar weer op de boekenrails staat. En gelukkig voor hen, en ook voor mij, kunnen ze meteen aan de slag met een nieuw boek.

Mijn tweede prioriteit

Onlangs deed ik Lima aan, een plaatsje waar je, als je een beetje doorfietst, in ongeveer vijf minuten van noord naar zuid doorheen bent en waar naar mijn schatting niet meer dan 300 mensen wonen. Het telt één benzinestation, één café en één schooltje.
Ik kan me voorstellen dat er nu een oplettende lezer is die zich afvraagt of ik geen vier nullen vergeet bij dat inwoneraantal van Peru, of die vijf minuten geen vijf uren zijn en of ik de horeca, de brandstofvoorziening en het onderwijs aldaar niet wat onderschat. Maar nee, ik vergeet geen enkele nul en die vijf minuten kun je, als je je best doet, zelfs terugbrengen tot vier. Dit Lima is dan ook niet de hoofdstad van Peru, maar een dorpje ergens in Montana in de Verenigde Staten en het wordt uitgesproken als Laaimaa, omdat Engelstaligen nu eenmaal graag de woorden uitspreken zoals het niet hoort. Al die drie openbare gebouwen van Lima heb ik aangedaan, waardoor ik er toch bijna vijf uren over deed om er door te komen: het benzinestation om er 0,1 gallon brandstof voor mijn primusje te kopen, het café om er drie en een half uur te schuilen voor een geweldige regen- hagel- en onweersbui en het schooltje om te vragen of er een mogelijkheid was om het wereldwijde web af te speuren, want het drupte nog steeds en dan is het, als er een computer in de buurt is, meeltijd. Die mogelijkheid was er en even later kon ik een paar nieuwe berichten lezen. Eén daarvan luidde: “Ha, die Frank. Alles goed? Ik wilde weten waar je zat en keek daarom op je website. Daar las ik dat je nog steeds in Aswan, in het zuiden van Egypte, zit. Dat schiet dan niet erg op!” Deze kennis wist het weer eens fijntjes te brengen, want na mijn reis door Egypte, Sudan, Kenia en Uganda is hij bij mij thuis geweest, waar ik hem vertelde over mijn plannen om deze zomer door de VS te gaan fietsen. Hij wist dus wel beter, maar zijn berichtje was een kleine steek onder water, om mij te wijzen op mijn laksheid in het bijhouden van mijn webnieuws. Ja, inderdaad, het wordt tijd dat ik daar eens wat aan doe! Bij deze dan.
Van Aswan nam ik de boot over het Nassermeer naar Wadi Halfa in Sudan, een aanrader voor iedereen die van avontuur en boten houdt: 500 man op een schuitje dat met 100 passagiers eigenlijk al overvol is, het dek zo volgestouwd met slapende Sudanezen, dat het een sport was om zonder op ledematen of vingers te trappen van bakboord naar stuurboord te komen en houten bankjes in de longue waar de fabrikant heel ingenieus een houten randje langs de rugleuning had aangebracht dat precies in je rug prikte, zodat achterover leunen een soort fakirisme (nieuw woord! onthouden!) was. Verder werd er een vracht goederen geladen van ijskasten, aggregaten en allerlei andere machines tot balen rijst en aardappelen, alles bij elkaar zo veel dat je benauwd was dat de schuit met man en muis naar de haaien zou gaan. Maar de kapitein wist blijkbaar precies hoe ver hij met het stouwen van goederen kon gaan want we bleven boven water. Na deze avontuurlijke foltering van precies 25 uur, alles verbazend genoeg precies op schema, liepen we de haven van Wadi Halfa binnen. Met mijn geploeter door Sudan in 1981 nog scherp in herinnering (Zie mijn boek: ‘Aan de voet van de Tour de Madeloc’, eerder verschenen onder de titel: ‘Vijfentwintig jaar later’.) was ik aangenaam (of onaangenaam?) verrast met 980 km gloednieuw asfalt door de woestijn tot aan Khartoum, in plaats van zand, stenen en stof.
In Kenia en Uganda bezocht ik een aantal projecten van Cycling outof Poverty, een kleinschalige Nederlandse ontwikkelingsorganisatie, die mij als ambassadeur heeft aangesteld. (Ja, ja! Nooit gedacht nog eens ambassadeur te worden!) Over een van die bezoeken en wel dat in Kisumu in Kenia, heb ik verslag uitgebracht in Op Pad, nummer 4 van 2010, maar als u geen abonnee bent wordt het zoeken op rommelmarkten. (Misschien krijgt u het nummer wel cadeau als u zich alsnog abonneert!)
Terug in Nederland werkte ik hard (voor mijn doen!) aan mijn nieuwe boek ‘In de ban van Stempelstan’, een reis door Centraal Azië, dat, als alles goed gaat, eind Februari 2011 bij uitgeverij Elmar zal verschijnen, juist voor de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam (Rai), waar ik weer present zal zijn voor het houden van lezingen.
Begin Juni vloog ik naar Phoenix in Arizona voor mijn reis door de VS, maar het manuscript van Stempelstan was nog niet klaar. Het laatste hoofdstuk ontbrak nog en het schrijven daarvan was, als mij ’s avonds bij de tent nog wat tijd restte voordat de zon onderging, mijn eerste prioriteit.
Thuis, bij het plannen van deze reis, met een zak pepernoten naast me en onder het genot van een aantal vioolconcerten van Vivaldi, had ik natuurlijk weer eens te veel hooi op mijn vork genomen. Weliswaar maakte ik het niet zo bont als veel Europese toeristen, die met een huurauto in vijf weken de hele VS afkarren en daarbij alles zien, of althans denken alles te zien, maar als je op een fiets van Phoenix eerst naar Chiricahua National Park wilt, dat dicht bij de Mexicaanse grens ligt en dan een vriend wilt opzoeken die halverwege Idaho woont en vervolgens naar Denver moet voor je vliegtuig naar Nederland, dat alles in 88 dagen, wordt het doortrappen, vooral als je onderweg intensief wandelingen wilt maken in de vele nationale parken die het land rijk is. En dat wilde ik natuurlijk allemaal. Het resultaat van deze te optimistische planning was dat ik inderdaad Chiricahua National Park bezocht, alsmede diverse andere parken, waar ik een flink aantal forse wandelingen maakte en dat ik ook mijn vriend in Idaho bezocht, maar dat ik niet alle parken kon aandoen die ik wilde zien en dat er ’s avonds na het koken meestal geen tijd over bleef om aan mijn eerste prioriteit oftewel het laatste hoofdstuk van mijn boek te werken. Dankzij enkele heldere momenten van inspiratie en een dag regen, waarop ik de fiets niet aanraakte en geen stap wandelde, kreeg ik dat laatste hoofdstuk toch in mijn schriftje geklad, maar mijn websiteartikel, mijn tweede prioriteit, waarvoor u allen elke dag uw computer raadpleegde en waar ik natuurlijk voortdurend met een zeker schuldgevoel aan dacht, bleef almaar liggen.
En zo brak de laatste dag van mijn reis door de VS aan en nog had ik niets op papier voor het wijde web. Ik fietste naar Denver om het vliegtuig via Houston naar Amsterdam te nemen. Mijn vlucht ging al om 10.45 in de ochtend, wat betekende dat ik, ofwel de avond tevoren op het vliegveld zou moeten aankomen en de nacht daar zou moeten doorbrengen, ofwel een hotel dicht bij het vliegveld zou moeten nemen om op tijd te komen. Nu behoren hotels dicht bij vliegvelden meestal niet tot de goedkoopste onderkomens en dus zou ik de kans lopen voor dat ene nachtje meer neer te moeten tellen dan voor een maand fietsen door de VS. Een dergelijk buitenproportioneel luxe hotel zou me stellig een slapeloze nacht bezorgen. Welnu, als het dan toch een slapeloze nacht moest worden, dan maar slapeloos op het vliegveld. Tijdens die slapeloze nacht zou het er dan eindelijk van moeten komen om iets websitewaardigs op papier te slingeren, besloot ik. En dus installeerde ik me, na aankomst op Denver International Airport op zo’n karakteristiek airportstoeltje, waarop je nooit een oog dicht kunt doen, nam mijn schriftje en begon….met naar omhoog te staren in de hoop dat de wijsheid en inspiratie van boven zouden komen, maar er kwam geen inspiratie en de enige wijsheid die wel kwam was, dat ik de boel na drie bladzijden knoeiwerk weer opborg. Daarna zocht ik een relatief rustig hoekje op, waar het wonder boven wonder niet tochtte, rolde daar mijn slaapzak uit, kroop er in en miste zo mijn slapeloze nacht.
Maar er volgde nóg een wonder: de esprit kwam, zei het aarzelend en misschien niet geheel overtuigend, in het vliegtuig van Denver naar Houston en vergezelde me verder over de oceaan naar Amsterdam. Dit bijpratertje is daarvan het resultaat. Helaas….van wat ik op deze reis in de VS heb beleefd, blijft u voorlopig nog even in het ongewisse. Ik hoop daarover t.z.t. in Op Pad en eventueel in andere bladen het een en ander te schrijven. Mis die Op Pad dus niet (weer)!!

Tot besluit wil ik de mensen bedanken, die zo spontaan en enthousiast het een en ander in mijn web-gastenboek hebben geschreven. Zo’n stukje terugkoppeling geeft me altijd weer het gevoel dat mijn verrichtingen toch niet geheel zinloos zijn. Het zijn duwtjes in de rug, die weliswaar niet direct een verhaal als resultaat hebben, maar die ik wel als erg belangrijk ervaar. Dank daarvoor dus Mark, Martijn, Philippe, Marianne, Bart, Alietonnyhorrebieter, Clara, Jan, Willy, Marino, Margrieta, Bas, Jacomijn, Nel, Hetty,  Emiel en Saskia, Kees, Riet, Reinout, Jackie, Roland en Cess en Mary.

Frank van Rijn.

Een oude bekende in Abu Simbel

Na een interessante tocht vanaf Caïro via de oasen van Farafra, Dakhla en El Kharga naar Luxor en verder naar het zuiden door het Nijldal kwam ik in Aswan aan waar in 1962 een grote dam in de Nijl gebouwd is die het Nassermeer deed ontstaan. Ik nam er een hotelletje en het eerste wat de hoteleigenaar me na inschrijven vroeg was: “Abu Simbel?”
Ik antwoordde natuurlijk bevestigend, want helemaal naar Aswan fietsen en dan niet Abu Simbel gaan zien is als Parijs bezoeken en niet op de Eifeltoren klimmen, naar Rome reizen en het Colosseum links laten liggen of een expeditie naar Havelte ondernemen en als cultuurbarbaar de hunebedden voorbij peddelen.
“We hebben een dagelijkse toeristenbus naar Abu Simbel voor 80 pond per persoon. Reveille om 3 uur ’s morgens, vertrek 3h30′ en terug hier in Aswan om 3 uur ’s middags” zei de hotelier.
Ik antwoordde dat ik mijn eigen transport had en wees op mijn fiets.
“De politie zal je niet laten gaan met een fiets.”
“Waarom niet?”
“Er mag daarheen alleen in konvooi gereden worden met politie escorte.”
“Is het daar dan zo gevaarlijk?”
“Er zitten wilde dieren. De regering wil toeristen zo veilig mogelijk door Egypte laten reizen, vandaar het dagelijkse konvooi.”
“Wat voor wilde dieren?”
“Slangen bijvoorbeeld en schorpioenen. En wat doet u als er plotseling voor uw fiets een vos oversteekt?”
“Dan probeer ik hem aan zijn staart te trekken, maar dat is me zelfs in Nederland nog nooit gelukt.”
Dat er van Aswan naar Abu Simbel slechts in konvooi gereden mag worden is me al jaren bekend, maar ik wilde toch een poging wagen er op de fiets heen te gaan. Daarom toog ik de volgende dag naar het bureau van de toeristen politie.
“Kunt u mij toestemming geven om naar Abu Simbel te fietsen?” vroeg ik, nadat ik de chef te spreken had gekregen.
“Er gaan bussen heen.”
“Mijn fiets is comfortabeler.”
“Aha een motorfiets! Haalt u daar 120 km/h mee?”
“Nee een echte fiets en daar haal ik misschien wel 20 km/h mee.”
“Dan kunt u het konvooi niet bijhouden.”
“Dat lijkt me geen bezwaar.”
“Ja dat is wel een bezwaar, want er mag daar alleen in konvooi gereden worden.”
“Maar daarvoor ben ik nu speciaal naar u gekomen. Kunt u mij toestemming geven om naar Abu Simbel te fietsen, dus zonder konvooi?”
Hierop ging de chef een paar nummers bellen, sommige met zijn vaste telefoon op zijn bureau, andere met zijn mobiele telefoon. Geen van alle gaven echter antwoord. Er volgde een gesprek in het Arabisch met een man die aan een bureau tegenover dat van de chef zat, waarna de chef op zijn gemak weer wat nummers ging bellen. Uiteindelijk werd er een beantwoord wat resulteerde in een gesprek, lang genoeg om een leek de volledige relativiteitstheorie tot in de finesses uit te leggen. Vervolgens legde de chef de telefoon neer, stak op zijn gemak een sigaret op en zei: “Helaas”.
Ik antwoordde dat ik het niet erg vond dat ik het konvooi niet kon bijhouden en voegde er aan toe: “Ik heb een kaart en een compas, dus ik vind de weg zelf wel.”
“Ik twijfel niet aan uw navigatietalent maar het is nu eenmaal de regel dat er naar Abu Simbel in konvooi gereden wordt.”
“Elke regel heeft zijn uitzondering, en ik zou het zeer op prijs stellen als u voor mij die uitzondering kunt maken. Ik ben namelijk schrijver en het lijkt me razend interessant om het een en ander over die tocht naar Abu Simbel te schrijven.”
De chef zoog peinzend aan zijn sigaret, legde die vervolgens nog peinzender in een asbak, nam bedachtzaam zijn mobiele telefoon ter hand en belde weer een nummer, maar na een aanvullende relativiteitstheorie in het Arabisch was het resultaat: “Helaas.”
In ieder geval had de man de indruk gewekt zijn best voor me te doen, maar achteraf gezien stond het resultaat natuurlijk van tevoren al vast. Toch interessant om weer eens een politiechef gesproken te hebben en bovendien had het een gratis kop thee kunnen opleveren. Waarom dat deze keer niet lukte is me niet geheel duidelijk.
Meestal begint een dergelijk gesprek in Arabische landen met het laten aanrukken van een glinsterende kan hete thee op een even glinsterend serveerblad. Misschien was de chef toch lichtelijk gepikeerd dat ik hem voor zoiets onnozels als fietsen van zijn werk had gehouden.

De volgende ochtend om 3 uur werd er op mijn deur gebonsd en rond half vier stopte er een minibus met 16 zitplaatsen voor het hotel. Met een lichte verwondering constateerde ik dat er, met mijzelf inbegrepen, ook 16 toeristen in zaten, maar bij de verzamelplaats van het konvooi werd die verbazing verdreven door een zeventiende toerist die er bij gewrongen moest worden. Die moest op een klapstoeltje in het middenpad plaatsnemen. Met een gul gebaar bood ik de nieuwkomer mijn plek aan, en nam ik plaats op het klapstoeltje, wat mij de mogelijkheid gaf mijn benen languit naar voren te plaatsen, terwijl de rest van het gezelschap met de knieën zo ongeveer tegen de neus zat. Comfort was hier van niet te onderschatten belang, want ons wachtte niet een uitje naar de golfbaan of de sociëteit. Er moesten 280 harde kilometers gekraakt worden om in Abu Simbel te komen en dan later natuurlijk ook weer zo’n lang eind terug. Voor geharde busreizigers natuurlijk een peulenschil, maar voor iemand die zich zijn leven lang verwend heeft met een fiets, een beproeving.
Op het verzamelpunt telde ik 20 minibusjes en 10 grote bussen, wat, uitgaande van een 100% bezetting in plaats van 106%, zoals bij ons, op een totaal van ongeveer 800 toeristen uitkwam. Dat leek me een voorspelbare en rijke prooi voor een groepje gewapende bandieten, politie escorte er bij of niet.
Om 4h 30′ ging het konvooi van start en zodra we de dam in de Nijl over waren zaten we op de asfaltweg door de woestijn. Daar werd meteen fors op het gaspedaal gedrukt. Ik kon de snelheidsmeter van onze minibus goed in het oog houden en zag dat die tussen de 115 en 120 km/h zweefde. Regelmatig zag ik in de berm een bord langssuizen waarop de maximaal toegestane snelheden van de diverse weggebruikers vermeld stond: Personenauto’s 90km/h, minibusjes 80km/h, grote bussen 70km/h en vrachtwagens 60km/h. Een chauffeur die zich daaraan hield, zou in overtreding zijn, want die zou dan het konvooi niet bijhouden, maar door het bijhouden van het konvooi overschreed hij dus de maximale snelheid. Ik vroeg me af of het politie escorte deze snelheid zelf aangaf, maar eigenlijk heb ik de hele rit heen, zowel als terug nooit een politieauto gezien, wat niet wil zeggen dat die er niet was, want zo’n autootje kun je natuurlijk in de massa van dertig voortjagende stukken blik makkelijk over het hoofd zien.
Er werd geracet, ingehaald alsof het een wedstrijd was en veelal links gereden, waarschijnlijk omdat het asfalt daar iets effener was dan rechts. Tegenliggers en ook vele bussen van ons konvooi reden zonder licht, misschien om benzine te sparen, het milieu te ontzien, of, zoals iemand mij later uitlegde “om de tegenliggers niet te verblinden”. Werd het dan werkelijk spannend dan gooide zo’n tegenligger even zijn grote lichten aan om te laten zien dat het nu toch een keertje tijd werd om naar de rechterkant terug te keren. Dat gebeurde dan ook steeds op het laatste moment, waarop de minibus meteen weer naar links zwenkte voor meer rijcomfort.
Ja, ja, mijn hotelier had het bij het rechte eind: “De regering wil toeristen zo veilig mogelijk door Egypte laten reizen”.
Dus ’s nachts in een bus, zonder licht en op de linker weghelft met 115 km/h waar 80 is toegestaan. Dan ben je er in ieder geval zeker van dat er geen vos voor je fiets oversteekt en mocht er een voor de bus oversteken dan wordt die gewoon platgereden, dus veiliger kan het al niet.

En waarvoor nu om 3 uur ’s morgens opstaan, 80 Egyptische ponden neertellen en vervolgens beangstigend veilig enige uren door de woestijn voortgesleept worden? Wat plaatst Abu Simbel op een lijn met de Eifeltoren van Parijs, het Colosseum in Rome en de hunebedden van Havelte? Mijn geachte weblezers zullen het ongetwijfeld weten, maar voor het geval zich onder hen iemand bevindt die er even niet op kan komen, het volgende geheugenopfrissertje:
Zo’n 4000 jaar geleden kwam Ramses II, Farao van Egypte, op het aardige idee om, ter meerdere eer en glorie van zichzelf en om de werkloosheid in zijn land terug te dringen en zo tienduizenden slaven weer een baan te bezorgen, twee grote tempels uit te laten hakken in de rotsen naast de Nijl. Het werden twee meesterwerkjes waar Ramses en zijn bouwmeesters, alsmede de tienduizenden nogal onderbetaalde medewerkers met recht trots op konden zijn: Voor de ene tempel bleven, na fors bik- en hakwerk vier zittende, en voor de andere tempel zes staande giganten over. En dan de wanden! Zowel binnen als buiten werden die volgebeiteld met figuren en tekens in reliëf die hele verhalen en sagen uitbeeldden, eigenlijk dus historische stripverhalen in steen, de Egyptische Asterix, zou je kunnen zeggen. Alles werd natuurlijk oerdegelijk uitgevoerd, want het moest de millennia trotseren, ja de eeuwigheid benaderen. Maar helaas …. Ramses had er geen rekening mee gehouden dat enkele van zijn verre nazaten 4000 jaar later op het voor hem onzalige idee zouden komen om 280 km stroomafwaarts van zijn mooie tempels een hoge stuwdam in de Nijl te gaan plaatsen. Door die dam dreigden zijn pronkstukken voor eeuwig onder het Nijlwater te verdwijnen. Om Ramses te hulp te komen zaagde men de tempels en de beelden in brokken en bouwde de aldus ontstane driedimensionale legpuzzel een eind hoger op het droge weer precies in de originele stand weer op.
Ziedaar een bezienswaardigheid, waar je wat voor over moet hebben om hem te zien. Logisch dat elke dag weer zo’n 800 toeristen hun fiets laten voor wat hij is en plaats nemen in de Egyptische Dinky Toys om zich afgrijselijk veilig naar Abu Simbel te laten vervoeren.

“Over twee uur terug bij de bus” zei de chaufeur, voordat we, gaar van de rit, naar buiten mochten. Meestal kijk ik een beetje meewarig toe als een gezelschap toeristen gekraakt een bus uitstrompelt dat dan binnen zoveel tijd weer terug moet zijn omdat anders het zo fraai berekende en opgestelde tijdschema in de soep loopt. Nu spoelde ik zelf mee in zo’n groep!
Twee uur slechts! Ik had gedacht dat we daar een dagje rustig konden rondkijken. Op zo’n moment realiseer je je in ieder geval weer eens hoeveel vrijheid een fiets je verschaft!
Het toegangsloket voor de tempel had moeite om de golf van 800 bezoekers te verwerken, maar uiteindelijk stond ik dan toch voor de grote tempel van Ramses II. Van de vier grote zittende beelden lag de tweede van links volledig aan puin op de grond maar de drie andere zaten er nog puntgaaf bij. Zeker een ongelukje met een hijsmachine, veronderstelde ik, maar voor de rest hadden ze het toch allemaal netjes voor elkaar gekregen met die hele verhuizing van die twee reuzentempels. Waar gehakt wordt valt wel eens een spaandertje. Daar moet je niet te moeilijk over doen!
Terwijl ik wat foto’s maakte, probeerde ik me voor te stellen hoe je je als machinist van een enorme hijskraan voelt als er een 4000 jaar oude farao uit je grijper schiet en als een vers ei onder je op de stenen uiteen spat. “Ik drukte op het verkeerde knopje” zal hij ’s avonds tegen zijn vrouw hebben gezegd “maar ik deed het niet met opzet”.
Op dat moment kwam me dat andere Islamitische land voor de geest: Afghanistan, waar ze een aantal jaar geleden ongeveer even oude, even grote, historische even waardevolle uit de rots gehakte beelden wel met opzet uit elkaar hebben laten spatten, want Buddha was geen Islamiet en moest er dus aan geloven, te meer daar afbeeldingen van levende wezens door de Islam verboden zijn.
Heel de wereld keek met afgrijzen toe hoe die kunstschat vernietigd werd, net zoals de hele wereld in 1962 met bewondering toekeek hoe Egypte deze Farao’s redde van de ondergang.
“Waarachtig! Als dat Frank van Rijn niet is!” hoorde ik plotseling achter me zeggen. Ik draaide me verbaasd om en stond oog in oog met een bekende Nederlander: Fred uit Nijmegen. Nu zal niet iedere Nederlander deze bekende persoonlijkheid kennen, maar daar zal in de toekomst vrij zeker verandering in komen. Niet alleen weet Fred allemachtig veel van belastingzaken, wat al zeer bewonderenswaardig is, maar ook heeft hij ondertussen een onmetelijke kennis verzameld op het gebied van wereldreizen op de fiets. De laatste keer dat ik hem zag, al weer een paar jaar geleden, was hij al 16 jaar bezig met het voorbereiden van zijn eerste wereld-fietstoer. Hij vertelde me toen dat hij soms nachtmerries had van de gedachte aan een lekke band of een gebroken spaak, ergens in de rimboe van Afrika, maar dat hij een schriftelijke cursus fietsreparatie wilde gaan volgen om zijn kennis op het gebied van fietsreizen te vervolmaken.
Terwijl we elkaar de hand schudden merkte ik op: “Jij bent nu zeker op wereldreis”
“Een kleine” antwoord Fred bescheiden, “van Istanboel via het Midden Oosten naar Tunis”
“En je fiets staat zeker ook in Aswan omdat ze je daarop niet hierheen lieten gaan. Of kon je ongemerkt om de politieposten heen komen?”
“Mijn fiets staat in Nijmegen.”
“In Nijmegen?”
“Ja ik ben met een reisgezelschap in een omgebouwde vrachtwagen onderweg. Maar die wereldreis per fiets komt er gegarandeerd. Daar twijfelt zelfs mijn buurvrouw niet meer aan. De voorbereiding is nu bijna rond.”
We praatten nog wat over Freds’ plannen maar veranderden snel van onderwerp want we hadden allebei niet voor niets een enerverende busreis gemaakt. We moesten die tempels niet laten ondersneeuwen door herinneringen aan Drenthe, Nijmegen of theorieën over hoe je een gebroken trapper vervangt.
“Jammer van dat ene beeld dat ze bij het verplaatsen van de tempel aan puin hebben laten vallen” merkte ik op terwijl ik op de brokstukken wees.
“Nee” antwoordde Fred, “dat is niet aan puin gevallen. Ik hoorde zojuist van een gids die een groep toeristen rondleidde dat dat al in de tijd van Ramses II is gebeurd. Het was een beeld van de een of andere hotemetoot waar Ramses bonje mee kreeg. In plaats van de kerel op zijn gezicht te slaan of hem levend te mummificeren, liet hij uit nijd het beeld aan puin slaan. Die brokstukken hebben ze na het omhoog hijsen van de tempel precies in dezelfde positie neergelegd ten opzichte van de tempel als ze ze hebben aangetroffen.”

De kritische lezer zal zich nu ongetwijfeld afvragen of dit verhaal wel historisch verantwoord is. Het is altijd goed kritisch tegenover mooie historische verhalen te staan, maar waarom zou die gids zomaar iets uit zijn duim zuigen? Nee, die heeft het verhaal natuurlijk van een andere historicus gehoord die ook niet zwetst en die het op zijn beurt uit weer een andere oerbetrouwbare bron heeft vernomen …. En wat Fred betreft, de laatste schakel in de keten van de betrouwbare doorvertellers …. Beste kritische lezer, denk alleen maar aan zijn met Nijmeegse degelijkheid voorbereide wereld fietsreis! Nee, deze versie van “Het kapotte beeld van Abu Simbel” staat net zo stevig als de tempel zelf. Daar kan zelfs geen Egyptoloog meer omheen zonder zich onsterfelijk belachelijk te maken. En dat moet een grote geruststelling zijn voor de hijskraanmachinist, die dat beeld dus niet uit zijn grijper heeft laten vallen, zodat hij ’s avonds tegen zijn vrouw kon zeggen: “Ik drukte vandaag niet op een verkeerd knopje.”

Nadat we de tempels tot in detail hadden bekeken en Fred nog een poging had gedaan om de hiëroglyphen te ontcijferen, waarin hij ook een schriftelijke cursus had gevolgd, was het tijd om onze bussen weer op te zoeken voor de terugreis naar Aswan.
“Zullen we vanavond uit eten gaan in Aswan, als die busrit goed afloopt?” stelde Fred voor, “dan kan ik je vertellen over mijn wereldreis per fiets die er gegarandeerd komt”.
“Dat lijkt me een goed idee” antwoordde ik, “ik weet een tent waar je je voor een halve Euro ongans kunt eten aan een groot bord tuinbonen.”
“Ik dacht eigenlijk meer aan een grote dikke pizza voor tien Euro.”
Ja, Fred zat blijkbaar een paar sterren hoger dan ik op de luxe-schaal, maar een etentje in gezelschap van zo’n fietsreisexpert is iets dat geen enkele reiziger zich wil laten ontglippen en daarom sprong ik voor die ene avond uit de band.

Abu Simbel ligt ondertussen al weer een flink eind achter me, want fietsen gaat een stuk sneller dan schrijven. De dikke pizza in Aswan was weer eens heel wat anders dan elke dag een bord fijngestampte tuinbonen (foul in het Arabisch). Fred zal nu met zijn gezelschap in de buurt van Tunis zitten, waarna zijn wereldfietsreis niet lang meer op zich zal laten wachten. Houd daarom het nieuws in de kranten goed bij!
Ik zit nu in Kenia en ben op weg naar Katakwi en Butagaya in Uganda waar ik projecten ga bezoeken van de Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Cycling out of poverty. Van daar keer ik terug naar Kenia om aan het Victoriameer nog zo’n project te bezoeken. Ik zal daar t.z.t. verslag van uitbrengen. Zie ondertussen cyclingoutofpoverty.com en eenfietsmaakthetverschil.nl