De hanen van de koning

hanen
De hanen van de koning
Een reis door Thailand, Laos en Cambodja.
ISBN: 9789038925059 | Bestel op bol.com

Op de Fiets- en Wandelbeurs die 20 en 21 Februari j.l. is gehouden, heb ik mijn 14e boek gepresenteerd, getiteld: ‘De hanen van de koning’. Het gaat over een reis per fiets door Thailand, Laos en Cambodja.

Hieronder de voor- en achterkaft van het boek alsmede twee passages en enkele foto’s.

omslag(1)

Een olifant op een glazen deur
De uitzichten over de Mekong, op de route naar Chiang Khong, met Laos aan de overkant, worden helaas verknald door bewolking. Later in de ochtend klaart het gelukkig op, waardoor de vele groenschakeringen van de alom aanwezige vegetatie geheel tot hun recht komen en de tocht weer plezierig wordt. Vroeg in de middag rijd ik Chiang Khong binnen, de plaats waar zich de ferry over de Mekong naar Laos bevindt. Mijn plan is om meteen over te varen naar Huay Xai in Laos. Ik zie de huizen en gebouwen al aan de overkant liggen. Bij de afslag naar de ferry bedenk ik me echter, want ik wil eerst nog wat inkopen doen. Daarom sla ik rechtsaf naar het centrum, op zoek naar een levensmiddelenwinkel. Als ik ongeveer 200 meter heb afgelegd, houdt een nogal fors gebouwde toerist in een oranje T-shirt en met een grote witte cowboyhoed op zijn hoofd mij staande door zijn hand op te steken zoals een politieman doet als die ziet dat je in je auto je gordeltje niet om hebt. Ik denk dat hij om een praatje verlegen zit en aangezien zoiets nooit kwaad kan, geef ik gehoor aan zijn verzoek en knijp ik in de remmen.

0410.verkleind
“Hallo,” zegt hij in het Engels, “Waar ga je naar toe?”
“Naar Laos,” antwoord ik.
“Wanneer?”
“Zo meteen, maar eerst wil ik nog wat koek en een stapel instantsoepjes kopen.”
“We zijn fietscollega’s, want ik reis ook per fiets,” merkt de oranje cowboy op. “Mijn fiets staat in mijn hotel, het goedkoopste van heel Chiang Khong.”
“Mooi?” vraag ik.
“Niet slecht voor slechts 100 baht. Overigens: ik ben van New Mexico. En jij?”
Ik antwoord dat ik uit Nederland kom, waarop de Amerikaan vertelt dat hij ook naar Laos wil, maar pas morgen vertrekt omdat hij nog wat aan zijn fiets moet sleutelen.
“Waar wil je heen in Laos?” vraagt hij.
“Ik neem de weg van Huay Xai naar Luang Namtha. Er is bovendien geen andere weg. Het is een mooie route, een gravelweg met diverse beekdoorwadingen. Ik heb hem tien jaar geleden gereden.”
“Die weg is nu geasfalteerd. De Chinezen zijn druk bezig grote verkeersaders door Zuidoost Azië aan te leggen en die weg naar Luang Namtha wordt een deel van de grote route van Bangkok naar China.”
“Zoiets hoorde ik al van iemand. Jammer dat die Chinezen hier zo druk bezig zijn.”
“Ja, maar luister. Ik weet een veel leukere route. Die loopt eerst een stuk naar het noorden langs de Mekong tot Xieng Kok en buigt dan af naar Muang Sing. Vandaar kun je ook in Luang Namtha komen. Als je zin hebt en vandaag hier blijft kunnen we morgen van start gaan en dat traject samen fietsen.”
Dat lijkt me een goed voorstel, want dat is een nieuwe route voor mij en zo nu en dan een eind met iemand samen fietsen kan best interessant zijn. Morgen verloopt mijn visum van Thailand, dus het zou nog juist kunnen. We schudden elkaar ter kennismaking de hand en ik stem in met zijn voorstel. Hij blijkt evenals de Macedonische Canadees, met wie ik een paar dagen heb opgetrokken, James te heten. Deze fietscollega is dus James II.
“Kun je me op de kaart laten zien welke route je bedoelt?” vraag ik en haal mijn kaart uit de plastic hoes voor me.
“Jazeker,” antwoordt hij. “Laat eens zien.” Hij laat zijn vinger ter oriëntatie over de kaart glijden.
“He,” zegt hij dan. “Bij jou staat die weg er niet op en toch heb ik dezelfde kaart.”
“Misschien een nieuwere druk, want de mijne is minstens 20 jaar oud. Ik gebruikte hem op mijn vorige reis door Zuidoost Azië ook al. Kijk ik heb hem met een rol plakband weer als nieuw gemaakt.” en laat hem de in de zon glimmende stroken zien, die over de vouwen lopen.
“Met plakband komen er geen nieuwe wegen op, maar kom mee naar mijn hotel, dan zal ik je de route op mijn kaart laten zien. Dan kun je ook meteen mijn kamer zien”

0667.verkleindEven later is het me duidelijk waarom het kot waarin James logeert de goedkoopste kamer van de stad is: een houten kippenhok op palen in de vorm van een tent, juist iets groter dan mijn tent. Via een gammel laddertje kun je er naar toe. James past er precies in en met wat beleid zijn fietstassen ook nog. Er staat geen bed en ’s nachts moet hij zich niet te bruusk omdraaien in zijn op de grond uitgerolde slaapzak, want dan zou het timmerwerk het wel eens kunnen begeven en zou het hele zooitje naar beneden kunnen tuimelen.
“Als je geluk hebt is er nog zo’n kamer voor jou,” zegt James, terwijl hij met zijn kaart in de hand het wiebelende laddertje af komt.
“Ik zie wel.”
“Kijk, hier loopt de route die ik bedoel,” zegt hij en wijst op zijn kaart een dun lijntje aan. “Hij loopt pal langs de rivier, dus het is vlak. Gravel, maar vlak, dus het zal geen lastig traject zijn. Wat vind je er van?”
“Lijkt me interessant,” zeg ik, “maar soms staan er wegen op de kaart die niet bestaan.”
“En soms staan er wegen niet op die wel bestaan. Deze bestaat wel degelijk. Ik heb hem op Google Earth al helemaal verkend.”
“Dan hoef je hem niet meer te fietsen.”
“In het echt is het leuker.”
“Vooruit, ik ga mee. Lijkt me een goed plan.”
“Zal ik vragen of ze hier een kamer voor je hebben?” vraagt hij, de kaart weer dichtvouwend.
“Ik kijk eerst wel of ik wat anders kan vinden. Zal ik over een uur bij je komen? Dan heb ik waarschijnlijk wel wat gevonden en kunnen we de plannen meer in detail bespreken.”
“Akkoord, ik wacht hier. Dan kan ik ondertussen aan mijn fiets werken.”
Na mijn inkopen vind ik een eindje buiten het centrum een wat netter hotelletje voor viermaal de prijs die James betaalt. Hij zal me wel een decadente kapitalist vinden, wat ik natuurlijk ook ben als ik bereid ben om 10 euro neer te tellen voor een nachtje slapen. Ik zet mijn bagage op mijn kamer en loop door de hal van mijn luxe onderkomen weer naar buiten, althans dat wil ik, maar daarbij loop ik met een dreunende slag tegen een onzichtbaar scherm aan. Enigszins versuft vraag ik me af wat er aan de hand is. Meteen komt de hoteleigenaar, die een beetje Engels spreekt, bezorgd op me afgesneld om te vragen hoe ik me voel.
“Het gaat wel,” antwoord ik nog wat suf, “maar wat is…..”
“Ik heb de deur dichtgedaan,” zegt hij, “Sorry! Misschien heb ik hem te netjes gepoetst.” en daarbij opent hij de smetteloze, moderne glazen deur voor me. “Zal ik de dokter bellen?”

1020.verkleind“Nee, ik heb een harde kop, maar zou je niet een paar vogelplaatjes op die deur plakken? Of beter, een grote olifant? Dan lopen uw gasten zich niet meer te pletter als ze er in of er uit willen.”
“We gaan er wat aan doen, dat beloof ik u.”
En dat is dan een van de attracties van een modern schoon hotel. Ik denk dat je in James’ hotel minder kans hebt je te pletter te lopen op een gepoetste glazen deur.
Als ik weer terug ben bij James’ Hilton blijkt mijn fietscollega ondertussen zijn fiets klaargemaakt te hebben voor de reis. Hij heeft een week of twee in Chiang Khong vertoefd, maar nu wordt het voor hem tijd om zijn tocht te vervolgen, zo vertelt hij mij.
“Wat heb je dan al die tijd hier gedaan?” vraag ik.
“Gewerkt in de fietsenzaak van Alan Bate. Die fiets van mij komt bij hem vandaan.” en hij wijst trots naar zijn rijwiel dat tegen het trapje van zijn pittoreske bungalow staat.
“Alan Bate?” vraag ik.
“Ja, ken je die niet?? Foei! Hij staat in het Guinnes-Book of Records voor zijn snelheidsrecord rond de wereld fietsen.”
“Hoe doe je dat?”
“Gewoon hard fietsen, lijkt mij.”
“Ik bedoel rond de wereld fietsen. Zo hier en daar zit er toch een stukje water tussen.”
“Daar zijn regels voor, bijvoorbeeld een minimum afstand, een aantal continenten etc. Ik ken ze niet precies, maar het is vrij nauw omschreven. Ik zal je morgenvroeg, voor we overvaren naar Laos, aan Alan voorstellen.”
Nadat we nog wat organisatorische zaken hebben doorgenomen gaan we elk terug naar ons hotel. Als ik bij het mijne aankom zijn de eigenaar en zijn dochter druk bezig horizontale blauwe stroken op de glazen deur te plakken, 50 cm en 120 cm boven de grond.
“Geen olifant?” vraag ik.
“We konden geen stickers van olifanten vinden, maar met deze stroken zul je niet meer tegen de deur aanlopen” merkt de man op.
Voorzichtig vóór me tastend, hoewel het nog licht is, loop ik naar mijn kamer, maar andere onzichtbare deuren blijven mij bespaard.

 
hanen
De hanen van de koning
Een reis door Thailand, Laos en Cambodja.
ISBN: 9789038925059 | Bestel op bol.com

Fragment 2

De volgende dag is het weer nog steeds belabberd, maar gelukkig regent het niet. Onder deze omstandigheden heb ik echter weinig zin in de door mij geplande route door het verlaten junglegebied. Weliswaar is de weg geasfalteerd, maar om in de rimboe overvallen te worden door regen met als enige schuilmogelijkheid druipende bomen lokt mij niet aan. Daarom kies ik alsnog voor de grote weg. Als ik echter na een uur of twee rijden bij de afslag van de jungleroute kom, is het weer ondertussen zo ver opgeknapt dat ik weer aan het twijfelen sla. Vervelend dat eeuwige getwijfel van mij. Maar wat is vervelender: rot weer zodat ik niet hoef te twijfelen en gewoon door kan rijden naar Sa Kaeo aan de grote weg of half opklarend weer dat mij aan het twijfelen brengt of ik niet toch beter de leukere route kan nemen? Zelfs over het antwoord op deze vraag twijfel ik.
Tijdens al dat gedub klaart het weer nog iets verder op. Daarom kies ik uiteindelijk toch voor de rustige jungleroute naar Phanom Sarakham. En zo realiseer ik me dat twijfelen soms goed kan zijn, want zonder die twijfel was ik nu al een eind verder gereden in de richting van de grote weg en zou ik waarschijnlijk met het beter wordende weer opnieuw aan het twijfelen slaan om toch de aardige route te rijden.

Eerst kom ik langs suikerrietplantages. De weg gaat hier en daar een beetje op en neer, maar echt klimwerk krijg ik niet. Na 27 km maakt het suikerriet plaats voor jungle. Leuk om op het eind van mijn reis toch nog door een klein stukje woest gebied te komen. Regelmatig zie ik olifantkeutels langs en op de weg liggen. Die hebben ongeveer dezelfde samenstelling als paardenkeutels, althans oppervlakkig bezien. Een diepgravende analyse maak ik er niet van. Dat zullen biologen ongetwijfeld al gedaan hebben. De keutels zijn wel een stuk forser van afmeting dan die van paarden, namelijk ongeveer zo groot als een voetbal. Ook zie ik op meerdere plekken een soort gangen het dichte struikgewas in gaan, waarvan ik vermoed dat olifanten die gevormd hebben door daar gewoon als een bulldozer doorheen te banjeren. Er moeten in dit dicht begroeide heuvelland flink wat van die beesten zitten, lijkt mij. Ik kan maar beter een beetje oppassen, want niet alle Aziatische olifanten zijn tamme vriendelijke oli-taxi’s die op hun rug toeristen tussen tempels rondtorsen of die je met een schouderklopje een tros bananen in de slurf kunt duwen. Hier zitten wilde olifanten en die kunnen andere spelletjes gaan spelen dan een gezellig partijtje voetbal, zoals ik dat in de olifantfarm dicht voor Chiang Mai heb gezien.
In de verte zie ik een stuk of wat auto’s die stilstaan op de weg. Wordt hier een rotonde aangelegd zonder zijwegen, of is er een bulldozer bezig, waarvoor het verkeer tijdelijk wordt stilgelegd totdat de weg weer vrij is? Als ik nader zie ik echter dat de auto’s op eerbiedige afstand wachten voor ….. een olifant! Daar heb je het al, een echte wilde olifant! Hij staat aan de linkerkant van de weg, half in de berm en was blijkbaar aan het oversteken naar rechts toen hij werd gestoord door een auto. Ondertussen staan er drie auto’s van de andere kant en twee van deze kant te wachten, een hele file op zo’n rustige weg! Het beest zwaait met zijn oren en dat betekent bij een olifant: ‘Pas op want ik ben in een humeurige bui en als je niet oppast geef ik je een lel met mijn slurf!’ Zo heb ik ze in Afrika, voornamelijk in wildparken, meerdere malen gezien. In zo’n geval kun je beter een straatje omrijden. Deze hier is dus beslist geen brave dikke jongen die je in een rijtje kunt laten paraderen met zijn slurf om de staart van zijn vriendje voor hem. En voor je hem in een grote stoel van een circus hebt zitten, zijn er heel wat stoelen tot brandhout verwerkt. Logisch dat de chauffeurs van de auto’s op een meter of vijftig afstand even de kat uit de boom kijken. Als je langs zo’n zestonner rijdt en hij wordt kwaad stampt hij je mooie glimmende machine in elkaar alsof het een leeg soepblik is.
Ik stop achter de achterste auto, ervan uitgaande dat als Oli moeilijkheden gaat maken, hij eerst zo’n mooie auto uitkiest om er zijn woede op te koelen. Tegen de tijd dat hij klaar is met de vijf auto’s ben ik in de hoogste versnelling al een heel eind terug gefietst.
Na een paar minuten staat de olifant nog steeds te wapperen met zijn oren en wrijft daarbij met zijn rechterpoot over het asfalt, alsof hij aanstalten maakt te gaan rennen. Er komen ondertussen nog een paar auto’s van de andere kant en ook die houden voorzichtigheidshalve halt achter de achterste auto. Na een paar minuten loopt onze dikke vriend een paar passen verder het asfalt op en blijft dan midden op de weg staan, waarna er weer niet veel gebeurt. Als hij van plan is er een hele dag over te doen om aan de overkant te komen, kan ik beter omkeren en alsnog de grote weg over Sa Kaeo nemen. Ik overweeg een foto te maken van het beest, maar bedenk me, want ik wil snel door kunnen rijden als Oli de weg vrij maakt. Bovendien is de afstand te groot om hem er goed op te krijgen. Daar heb je een flinke zoomlens voor nodig. Met mijn camera krijg ik niet meer op de foto dan een grijs speelgoedbeestje. Dan zullen vrienden, die ik later de foto laat zien, vragen: “Was je daar nou zo benauwd voor?” Dit soort situaties is helaas niet goed op een plaat vast te leggen tenzij je apparatuur van duizenden euro’s hebt met een aanhangwagentje om het allemaal mee te zeulen.

1685.verkleindNa een minuut of tien, als mijn geduld op dreigt te raken, komt er plotseling beweging in het grijze gevaarte. Hij bedenkt zich, keert om en loopt terug, de linker berm in. Misschien krijgt hij genoeg van al die pottenkijkers. Er zijn ondertussen alweer een paar auto’s bij gekomen, waardoor het hier een beetje op spitsuur bij de Van Brienennoordbrug gaat lijken. Na opnieuw wat getwijfel doet hij nog een paar passen waardoor hij nu half in de struiken staat met zijn reusachtige achterwerk naar de weg gekeerd. De voorste automobilist van de andere kant begint voorzichtig te rijden. De olifant reageert niet en dus rijdt de auto hem met een dot gas voorbij en stuift weg. Ik en ongetwijfeld alle inzittenden van de auto’s kijken gespannen toe hoe Oli reageert. Die blijft als een grijs standbeeld half in de struiken staan.
“Toe nou! Loop nu eens door!” mompel ik maar blijkbaar is Oli net zo’n twijfelaar als ik en daar komt bij dat hij niet met de hulp van een muntje uit deze impasse kan komen. De tweede auto van de andere kant waagt nu ook zijn kans, een actie die evenmin tot een reactie van de hoofdrolspeler van dit drama leidt. Het gewapper van zijn oren is nu niet goed meer te zien dus ik weet niet of hij nog geïrriteerd is of dat hij het allemaal wel goed vindt. Na de tweede geslaagde autopassage stuiven achtereenvolgens alle andere auto’s de grote grijze twijfelaar voorbij om hun weg te vervolgen. En zo blijf ik alleen achter met Oli, waarvan nog steeds alleen het achterwerk aan de linkerkant van de weg uit de struiken steekt.
Wat nu gedaan? Hier blijven wachten tot deze trage denker tot een besluit komt? Omkeren en een geweldig eind omrijden? Nu doorrijden? Ik wacht nog een paar minuten, maar als er dan nog niets is gebeurd, raap ik alle moed bij elkaar en rijd langzaam naar de rechterkant van de weg, waarbij ik goed oplet hoe mijn dikke vriend reageert. Die speelt nog steeds voor standbeeld en daarom stuif ik versneld vooruit. Juist als ik langs hem race ontwaakt hij uit zijn schijnbare verdoving, draait zich verrassend vlug om en begint naar de weg te hollen. Blijkbaar ergert hij zich, net als zo vele honden, meer aan een fietser dan aan een auto. Alsof er een wild dier achter me aankomt, wat dus ook het geval is, accelereer ik met alle kracht die in mij is en schiet ik als een raket voorwaarts, wetende dat olifanten, hoewel die niet tot de lichtste wezens op deze aardbol behoren, flinke snelheden kunnen ontwikkelen. Stoppen, een harde schreeuw geven en een flinke steen oprapen, zoals je bij een aanvallende hond moet doen, is een methode waar Oli zich erg weinig van zal aantrekken, vrees ik. Vluchten is dus de enige mogelijkheid tot lijfsbehoud.

1950.verkleindAls dit misloopt, voor mij althans, kunnen de ambulancejongens me straks tussen de oneffenheden van het asfalt vandaan peuteren. Dat zou een triest besluit zijn van een mooie reis. En wie zou dan dit boek moeten schrijven? Wie zou mijn onvoltooide dagboek vinden? Wie moet over een week de lezing over Mongolië houden op de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam? Deze gedachten flitsen door mijn hoofd, terwijl de olifant achter me aan holt. Slechts enkele seconden duurt dit dreigende drama. Dan staakt het beest de achtervolging. Ik jakker nog een eind door en laat dan opgelucht de snelheid terugzakken naar een normaal niveau. De weg naar het vliegveld van Bangkok, waar ik over een dag of zes het luchtruim zal kiezen, terug naar het koude Nederland, ligt voor me open. Bijna blies deze olifant met zijn grote snuit al mijn toekomstige verhalen uit.

hanen
De hanen van de koning
Een reis door Thailand, Laos en Cambodja.
ISBN: 9789038925059 | Bestel op bol.com

Jeanne d’Arc, Hector Berlioz en een grote zak chips

Kort geleden maakte ik een fietstocht door Frankrijk. Onlangs vond ik het dagboek van die reis tussen de rommel in mijn kast. Bij het doorbladeren daarvan stuitte ik op een aantal aardige passages die ik de trouwe lezer van mijn website niet wil onthouden. Om het verhaal leesbaar te maken heb ik de tekst wat opgeknapt, want de tijd die mij na het rijden van een etappe rest om mijn dagboek te schrijven is meestal kort. Dan staat mijn hoofd meer naar het opzetten van de tent en het opwarmen van een eetbaar maaltje dan naar het produceren van acceptabel proza.

OP DE FIETS DOOR FRANKRIJK

Bijna een wereldwonder.
Op mijn fietstocht van Nederland naar Zuid Frankrijk kom ik door Vaucouleurs.

001.verkleind
Vaucouleurs

Op een heuvel iets boven het centrum, staat de oude stadspoort.

003.verkleind
Stadspoort en kerk van Vaucouleurs

Daardoor verliet Jeanne d’Arc  op 29 februari 1429 het plaatsje om de Franse kroonprins haar diensten aan te bieden in de strijd tegen de Engelsen. Ik weet daar alles van, want kort geleden heb ik een film over haar leven gezien. Het enige wat ik niet van haar weet is of ze werkelijk heeft bestaan. Daar zijn de historici het niet over eens. De inwoners van Vaucouleurs en zeker die van het 19 km zuidelijker gelegen Domremy la Pucelle, waar Jeanne’s wieg stond, zullen er hoogstwaarschijnlijk van overtuigd zijn dat ze wel degelijk heeft bestaan, want die poort waar ze doorgereden is staat er immers! En als ze door die poort is gereden moet ze hebben bestaan. Daar is geen speld tussen te krijgen.
Ik kijk een beetje rond bij die poort en de grote kerk er vlak bij en besluit dan drie euro neer te tellen om het Jeanne d’Arc-museum naast het stadhuis te bekijken.
“Is het interessant?” vraag ik voor alle zekerheid in het toeristenbureau.
“Wel wis en waarachtig is het interessant.” antwoordt de dame in het bureau. Allicht, want als ze antwoordt: “Absoluut niet. Het zijn maar twee kamertjes met wat beeldjes en tekeningen van Jeanne,” is ze natuurlijk meteen haar baantje kwijt. En dus is het volgens haar bijna een van de wereldwonderen. Met 10 minuten ben ik er uitgekeken. Met de piramides van Egypte was ik indertijd langer bezig, dus naar mijn maatstaven is het Jeanne d’Arc-museum van Vaucouleurs slechts een miniatuur-wereldwondertje.

Zoutgebrek
Pérouges, drie Michelinkaarten zuidelijker, is een fraai gerestaureerd, middeleeuws stadje.

004.verkleind
Stadspoort van Pérouges

Ik duw mijn fiets over een steil, hobbelstraatje omhoog door de stadspoort. Eenmaal binnen de muren ontdek ik dat ik niet de enige bezoeker ben, iets wat een grote parkeerplaats vol auto’s buiten het stadje al deed vermoeden. Aangetrokken door de knusse, smalle, hoekige straatjes, de oeroude gebouwen en vooral de vele restaurantjes, pizzeria’s, souvenirwinkeltjes en kunstgalerieën lopen de toeristen in drommen rond.

006.verkleind
Straatje in Pérouges

Met mijn fiets aan de hand wandel ik het kleine plekje rond, waarbij ik plotseling wordt overvallen door slapte. Dat kan toch niet door die 100 km komen, die ik vandaag heb gereden? Waarschijnlijk is het zoutgebrek en daar moet wat aan gedaan worden. Ik kan natuurlijk een handje zout nemen, maar er is een plezierigere methode om dit op te lossen. Daartoe daal ik af naar het nabijgelegen Meximieux en koop in de supermarkt een zak chips en een ijskoude cola. Na een dag fietsen is voor mij het nuttigen van die delicatessen, gezeten op een bankje in de brandende zon, het summum van genot. Op het blikje lees ik dat er 138,6 kilocalorieën in zitten. De zak chips voegt daar nog eens 1112 kilocalorieën aan toe. Ik voel de energie al weer terugstromen in mijn spieren. Hoe zou Jeanne indertijd Orleans hebben ingenomen zonder chips en cola? Dat moeten moeilijke tijden zijn geweest! Daarentegen werd de mensheid toen nog niet geteisterd door OV-chipkaarten, onleesbare handleidingen van piep-elektronica en internetbankieren.
Opeens valt mijn blik op een mooi verhaal op de chipzak: ‘De geboorte van de chips in de VS.’ Cornelius Vanderbilt, de grote Railroad-magnaat, verweet zijn kok, George Crum, dat die te dikke hompen sneed voor de bereiding van gebakken aardappelen. George nam revanche door de aardappelen de volgende keer overdreven dun te snijden. En ziedaar: potatochips, een waar succes! Helaas werd er op de zak niet vermeld of deze geniale kok patent aanvroeg op zijn wereldveroverende uitvinding. Vermoedelijk deed hij dat niet, maar als hij dat wel had gedaan zou hij waarschijnlijk alle railroads in de VS handje contantje van zijn ontevreden chef hebben kunnen kopen met die van Canada er bij.

Berlioz
Weer een kaart verder naar het zuiden rijd ik het plaatsje la Côte Saint André binnen, de geboorteplaats van Hector Berlioz. Na het historisch hoogtepunt bij Jeanne’s poort en het culinair hoogtepunt van Meximieux, is het nu tijd voor een cultureel hoogtepunt: het geboortehuis van deze oorverdovende componist, dat nu is ingericht als museum.

007.verkleind
La Côte-Saint-André

Op de benedenverdieping is een grote collectie antieke opdraai-grammofoons en pathefoons te zien, maar die waren in de tijd van Berlioz nog niet uitgevonden. Hector zou zijn oren niet hebben geloofd als hij zijn Symphonie Fantastique uit de hoorn van zo’n apparaat had horen schallen. Op de bovenste twee etages bevinden zich kamers die zijn ingericht in de stijl van de 19e eeuw met een aantal schilderijen waar Hector en zijn ouders en andere familieleden op staan afgebeeld. Terug op de eerste verdieping vind ik een zaaltje met een groot wit scherm waar een aan de zoldering bevestigde beamer op gericht is. Er voor staan een stuk of dertig stoeltjes opgesteld, waar niemand op zit en aan de zijkant is een computertoetsschermpje bevestigd, waar de bezoeker op mag fiedelen, een ingenieus apparaat waar Berlioz stellig geen raad mee zou hebben geweten. Ik overigens ook niet, want hoewel de beamer suggereert dat je een film op het grote scherm kunt toveren, kom ik niet verder dan het ontlokken van muziek uit de luidsprekers ter weerszijden van het scherm: ‘De pelgrimstocht’ uit ‘Harold in Italië’. Als dat fragment is afgelopen probeer ik nogmaals mijn geluk op het toetsschermpje, in de hoop Berlioz zelf op het grote witte doek te krijgen. Een film over zijn leven zou natuurlijk niet te versmaden zijn, maar weer blijft mijn geknoei zonder succes. Eigenlijk is dat maar beter, want ondertussen is het laat in de middag geworden en ik moet nog een overnachtingsplek zoeken. Daarom rijd ik snel naar het toeristenbureau op het pleintje beneden in het plaatsje om te informeren of hier een camping in de buurt is. Dat blijkt echter gesloten te zijn want het is Zondag. Zaterdags en op feestdagen is het ook gesloten en dat is eigenlijk logisch want dat zijn de dagen waarop zo’n bureau het hardst nodig is. Zo voorkom je te veel mensen in het bureautje.
Ik ga vannacht maar wild kamperen. Dat bespaart mij zo’n 10 euro zodat ik mij morgen weer de luxe kan permitteren van een grote zak chips. Met een cola erbij – een in dit wijnland grote en meestal dure luxe – wordt dat weer een feest.

Le Pont d’Avignon.
In Avignon is een festival aan de gang en overal hangt het vol met pamfletten van wat er allemaal te beleven is. Dat is natuurlijk leuk, maar het is er daardoor loeidruk. Ik wring mij door de overvolle straatjes heen naar het Palais des Papes, waar tussen 1352 en 1377 enkele pausen resideerden.

015.verkleind
Avignon. Palais des Papes met vele affiches van wat er allemaal te doen is

Interessant om te bezoeken, maar als ik de rij mensen ervoor zie zakt mij de moed in de schoenen. Wachten is een van de vele dingen waar ik erg slecht in ben. Ik heb het paleis al eens bezichtigd zodat ik zonder al te veel twijfels deze toeristenattractie kan overslaan. De mensenzee in de straten gaat mij na een tijdje ook naar het hoofd stijgen. Daarom steek ik snel de Rhône over via de pont d’Avignon, niet die ‘on y danse tous en rond’, zoals het beroemde liedje ons vertelt, want die is in de 17e eeuw door een vloedgolf voor de helft weggespoeld en nooit meer herbouwd, maar over een nieuwere brug, waarop dansen vanwege het verkeer rampzalig zou uitpakken. Op de kleine weggetjes ten westen van de Rhône keert de rust weer terug.

020.verkleind
Stadsmuur van Avignon

’s Avonds vind ik achter een grote wijngaard, aan de rand van een bos, een mooi plekje voor mijn tent. Terwijl ik een blik bruine bonen opwarm hoor ik in de verte gebonk. Wordt daar op dit late uur een heipaal in de grond geslagen? Als de bonen warm zijn draai ik de brander uit en dan hoor ik dat het gebonk ‘muziek’ is, een disco ver weg. Die is blijkbaar juist van start gegaan. Ik overweeg om weer op te breken, maar veel zin heb ik daar niet in en veel tijd om een nieuwe plek te gaan zoeken ook niet. Het geluid zit nog juist onder het onacceptabel-niveau. Met oordoppen in zal er hopelijk te slapen zijn, hoewel ik, als ik wild kampeer liever geen doppen gebruik om onraad beter te kunnen horen. Na het eten van de bonen begin ik aan mijn dagboek, maar zoals bij disco’s vaak het geval is, wordt het gebonk steeds luider. Dat is waarschijnlijk ter compensatie van het, naarmate de tijd vordert, steeds dover worden van de jongelui. Als ik mijn avonturen van deze dag heb opgeschreven en mijn dagboek dichtklap, heeft het chagrijnige gestamp de grens van het acceptabele overschreden. Dus toch weg van hier! Een eind verder, opnieuw achter een wijngaard, vind ik een plekje waar het akoestische geweld van de disco is gereduceerd tot een zacht geklop, nog niet iets om vrolijk van te worden, maar hier moet het uit te houden zijn.
Als ik later in mijn slaapzak kruip hoor ik dat de hossende jongeren, daar ver weg, nog een graadje meer verdoofd zijn geraakt, want weer is het geluidsniveau opgeschroefd. Ik knip mijn lampje aan en kijk op de kaart. Het epicentrum van deze, zo langzamerhand kunstmatige aardbeving, moet volgens mij uit een dorpje komen dat minstens 5 km hier vandaan ligt. Zou een gehoorapparatenfabrikant de grote sponsor zijn van dit evenement?
Uitslapen is mij de volgende ochtend niet gegund, want om 5 uur hoor ik gebrom van een tractor. Dat kan maar een ding betekenen op dit vroege uur: de druiven worden bespoten met het een of andere chemische spul, dit om t.z.t. heerlijke, gezonde wijn te krijgen. Voordat mijn tent daarmee vergeven wordt, moet ik hier weg wezen! Daarom sta ik onmiddellijk op, breek de tent in razende vaart af en laad mijn spullen op mijn fiets alsof Magere Hein me op de hielen zit. Als ik wegfiets van deze disco-sproei-plek zie ik dat de tractor, die een witte nevel achter zich opspuit, nog een redelijk eind weg is. Ik ben dus gelukkig op tijd weg.

Twee mooie woordjes.
Bij Durfort rijd ik de Cevennen in.

025.verkleind
Dorpje in de Cevennes

Ik wil vandaag een camping zoeken vanwaar ik morgen, zonder bagage, de Mont Aigoual op kan fietsen. Vroeg in de middag vind ik er bij Lasalle een. Mooi, maar helaas toch niet zo mooi, want hier hanteert men het onnozele forfait-systeem: ik moet het tarief betalen voor twee personen plus auto plus caravan: 22 euro.
“Dat geldt voor twee personen.” merk ik bij de receptie op. “Bovendien heb ik een klein tentje en geen auto en caravan, dus voor mij zal het naar evenredigheid op zo’n 7 euro uitkomen, even ruwweg uitgerekend.”
“Dat heeft u dan verkeerd uitgerekend,” antwoordt de dame achter de balie. “Voor u komt het ook uit op 22 euro, want bij ons geldt een forfait. Désolé.”
‘Forfait’ is hier dus een soort toverwoordje waarmee je het onzinnige feit kunt verklaren dat iemand die alleen is voor twee personen moet betalen. Dat woordje, ‘désolé’ is overigens ook mooi. Het betekent eigenlijk ‘diep bedroefd’. Dat zeggen Fransen graag als ze niets voor je kunnen of willen doen. Of deze campingtante werkelijk diep bedroefd is vraag ik me af, zelfs nu ik mijn tent hier niet ga opzetten.
Na een flinke klim naar de Col de Mercou en afdaling naar l’Estréchure vind ik een camping met alweer het voor solo-reizigers beruchte forfaitsysteem. En natuurlijk ga ik opnieuw in de clinch met de receptioniste. Die komt er niet uit en belt om versterking. Even later verschijnt er een oudere dame, die de redelijkheid van mijn argumenten inziet, maar antwoordt: “Ik zou u wel korting willen geven, maar dan kom ik met de computer in conflict. Dat gaat dus niet. Désolé.”
“Aha. U bent dus slaaf van uw computer!” merk ik op.
“Ja,” antwoordt ze nijdig, “ik ben slaaf van mijn computer!!”
“Désolé,” antwoord ik en dat meen ik, want het is diep droevig dat de mensheid steeds meer door zo’n stuk elektronica wordt getergd.
Ik vervolg mijn weg door het met kastanjebomen begroeide bergland en heb hier en daar weidse uitzichten over het groene sterk geaccidenteerde land waar nauwelijks een dorp of gehucht is te zien. Het is een woest en prachtig gebied. De tamme kastanjes zijn helaas nog niet rijp, maar als je er in October heen gaat, kun je er je fietstassen flink mee vullen.
Zeven kilometer voor St. André de Valborgne vind ik de kleine  eensterren-camping  ‘Les Gorges de Capoue’ met alles wat een kampeerder nodig heeft en zonder forfaitflauwekul. Voor 5,80 euro mag ik er mijn tent opzetten. Ik vraag of er vanavond muziek gaat schallen, want het is 14 Juli, de nationale feestdag  van Frankrijk.
“Voor mij is het geen feest,” antwoordt de eigenaar. “Vandaag wordt herdacht dat ze er in 1789 een grote rotzooi van maakten en dat ze de koning het hoofd hebben afgesneden. Ik ben geen republikein. Als u feest wilt vieren moet u dat maar ergens anders gaan doen.”
“Heerlijk!” zeg ik, “Ik blijf.”

Mont Aigoual.
Over mooie rustige weggetjes slinger ik de volgende dag op een extreem licht aanvoelende fiets, omdat ik mijn tent en spullen op de camping heb achtergelaten, omhoog naar de Mont Aigoual. Ook vandaag kom ik weer door uitgestrekte, tegen de hellingen aangelegen kastanjewouden. Hogerop zijn de uitzichten prachtig over de heuvels en bergen, waar de ingreep van de mens nog vrijwel nihil is.

027.verkleind
Uitzichtpunt in de Cevennes

Alles is woeste natuur met hier en daar rotspartijen die uit het groen omhoog steken. Helaas wordt deze ruige natuur op de foto al gauw boerenkool.
Op de platte top van de Mont Aigoual, 1567 meter boven zeeniveau, kom ik geheel uit de bossen. Vanaf het dak van het weerstation dat hier is gebouwd heb ik 360 graden in het rond een onbelemmerd uitzicht, waardoor ik 140 km ver kan kijken.

035.verkleind
Weerstation op de Mont Aigoual

Binnen in het weerstation bevindt zich een meteorologiemuseum. Hier wordt uit de doeken gedaan hoe een weersvoorspelling tot stand komt. Ook is er allerlei oude apparatuur te zien zoals barometers, thermometers en wind- en regenmeters. Foto’s van lugubere wolkenmassa’s hebben onderschriften waarin staat wat je kunt verwachten als er zoiets op je af komt. Voor kinderen zijn er quizvragen die op luikjes staan. Als je zo’n luikje open trekt, zie je het antwoord. Een van die vragen luidt: ‘In welk jaargetijde staat de aarde het verst van de zon?’ In de zomer natuurlijk, dat weten we allemaal, maar bij een andere, ‘Waar komt de naam ‘Aigoual’ vandaan?’ moet ik het luikje opentrekken. Het blijkt van ‘Agua’ ofwel ‘water’ te komen. Deze waterberg schijnt een van de regenrijkste plekken van Frankrijk te zijn. Vandaag is het echter prachtig weer en de twee andere keren dat ik hier geweest ben was het dat ook. Ik heb dus altijd prachtig weer op de Regenberg. Logisch, want als het regent waag ik me niet op zo’n berg. Dan zit ik mokkend in mijn tent lelijke woorden te verzinnen.

Woeste monsters.
Nîmes le Vieux, 17 km naar het noordwesten, is een stuk ouder dan le vieux Nîmes dat echter ook niet jong is, want met de bouw van het Romeinse amfitheater dat er staat is begonnen in 50 na Chr. Bij Nîmes le Vieux is de bouw al zo’n honderdmiljoen jaar eerder begonnen, toen een groot rotsplateau door krachten in het inwendige van de aarde omhoog gedrukt werd. Door het weg eroderen van oplosbare stoffen in die rotsbodem ontstond een uitgebreid woud van grillige stenen figuren, waarin je met een zekere fantasie een stad met huizen kunt zien. Vandaar misschien dat dit rotsachtige labyrint, ergens op de Causse Mejean, ‘Het Oude Nîmes’ wordt genoemd.
Al lopend tussen deze grote verzameling wonderlijk uitgesleten stenen staken, bogen en mini-canyons, zie ik in de bizarre vormen gezichten en koppen van woeste monsters.

050.verkleind
Nîmes le Vieux
055.verkleind
Rotsformaties in Nîmes le Vieux

Wat ik niet of nauwelijks zie zijn mensen van vlees en bloed. Blijkbaar is Nîmes le Vieux nog niet ontdekt door het grote toerisme. Dat is wel het geval met Montpellier le Vieux, ook weer zo’n chaos van rotsen, die ik de volgende dag, na een mooie rit door de Gorges de la Jonte en een flinke klim vanaf het schilderachtige Le Rozier bereik.

070.verkleind
Le Rozier

Daar is tussen de rotspartijen een asfaltweggetje aangelegd waarover op geregelde tijden een toeristenbusje rijdt, dat er uitziet als een treintje. Mensen die het lopen over de voetpaden te vermoeiend vinden kunnen vanaf hun bankje in een van de wagonnetjes de grote steenklompen bewonderen.

080.verkleind
Montpellier le Vieux
082.verkleind
Natuurlijke boog in Montpellier le Vieux

Voor de durfals is er aan een hoge rots een kabel bevestigd, waarlangs zij, met hulp van de zwaartekracht, naar een lagere rots kunnen zweven. Leuk als het goed afloopt en goed voor de adrenaline, zoals het heet. Geen idee overigens wat dat voor spul is. Misschien zoiets als vitamine, wat er op rijmt, maar dan waarschijnlijk minder gezond.
Ondanks nog meer ‘ontwikkeling’ zoals een dik gevulde souvenirwinkel, heb ik na afloop van mijn wandeling toch het gevoel dat ik de toegangsprijs van 6,60 euro niet voor niets heb neergeteld, maar het onontwikkelde Nîmes le Vieux is, hoewel de rotspartijen er kleiner zijn, toch mijn favoriet.

Bijna een miskleun
Vanaf Millau, dat ik na een flinke afdaling vanaf de Causse Noire binnenrijd, volg ik de meanderende Tarn in Westelijke richting, waarbij ik langs het aardige, tegen de rotswand geplakte plaatsje Peyre kom.

095.verkleind
Peyre
100.verkleind
In het kerkje van Peyre

Ik pomp mijn fiets het adembenemend steile weggetje omhoog naar de in de rotswand uitgehakte dorpskerk die vroeger niet alleen als godshuis dienst deed maar ook als verdedigingswerk. Hier moet in het verleden een indrukwekkende hoeveelheid bik- en hakwerk zijn verricht. (100).
Op de stoep van het trapje dat naar de kerk leidt zit een vrouw een boek te lezen. Ik groet haar en loop naar binnen. Daar hangt een flinke collectie moderne schilderijen, waarvan de meeste een te groot beroep doen op mijn fantasie om er iets in te zien. Uit een simpel CD-spelertje klinkt een helaas nogal schor stuk muziek dat ik ken, maar niet direct kan plaatsen. Tijdens het bekijken van de schilderijen pijnig ik mijn hersens af wie de componist is. Dat is een afwijking van mij.  Zoals een vogelaar niet tevreden is voordat hij weet hoe het zwart-geel groene pluimstaartje met rode stip heet dat daar boven op een tak zit, zo pijnig ik mijn hersens af totdat ik weet hoe de componist heet van een muziekstuk dat ik opeens ergens hoor. Zeven schilderijen werk ik maar liefst af voordat ik hem eindelijk heb: Dvorák, de 8e symfonie. Het ligt me op de lippen tegen de vrouw, die mij ondertussen achterna is gekomen, te zeggen: “De muziek is mooier dan de schilderijen,” maar juist op tijd bedenk ik mij en vraag haar: “Heeft ú deze schilderijen gemaakt?” Trots antwoordt ze bevestigend. Daar had ik bijna een miskleun gemaakt!
“Interessant,” zeg ik. Dat is een mooi neutraal woordje, waar je alle kanten mee op kunt, want ‘heel mooi’ kan interessant zijn, maar ‘heel lelijk’ ook. “Mij liggen de wat meer figuratieve doeken beter dan de abstracte,” voeg ik eraan toe. Op zo’n manier kun je netjes tot uitdrukking brengen dat je bijvoorbeeld een Rembrandt veel geweldiger vindt dan een Picasso. De schilderijen zijn te koop want er staan prijzen bij. Ik zeg dat ik op de fiets ben en er daarom helaas geen kan meenemen: “Désolé.” De vrouw zal ook wel diep bedroefd zijn dat ik er geen meeneem. Het is voor haar te hopen dat er vandaag veel liefhebbers van moderne kunst komen, maar die moeten wel een dikke portemonnee hebben.
’s Avonds vind ik in Camarès een aardige camping, waar ik voor één persoon moet betalen in plaats van een heel gezin met reuzentent of camper. Dat is mooi, maar helaas vieren de brandweerlieden die nacht hun jaarlijkse feest in de vorm van een disco. “Met een échte deedjie!” voegt het meisje achter de balie er met glinsterende ogen aan toe. “En het duurt minstens tot 5 uur in de ochtend. Lekker lang en door de hele stad goed te horen, dus u krijgt waar voor uw geld!”
“Prachtig,” beaam ik “wat heeft een mens nog meer nodig om gelukkig te zijn?” Acht kilometer van het akoestisch centrum, ergens in de rimboe, houd ik een half uur later halt om ertwee passage’s uit het boek alsmede mijn tent op te zetten. Er flitst een grote vos weg. Die zal er wel van balen dat ik vannacht zijn plekje inpik, maar dat heeft hij aan de brandweerlieden van Camares en aan die deedjie te danken.

Minerve.
En dan kom ik op het zuidelijkste punt van mijn tocht: Minerve in de Languedoc.

120.verkleind
Minerve

In de middeleeuwen hadden de Catharen hier een groot fort, maar omdat ze zich niet tot het Christendom wilden laten bekeren werd het in 1210 onder leiding van de beruchte Simon de Montfort  belegerd en verwoest. Van het fort bleven slechts een ruïne en wat stukken muur over. De Catharen zelf werden uitgeroeid en zo eindigde deze trieste geschiedenis.

130.verkleind
Ruïne van een fort van de Catharen in Minerve

Tegenwoordig is het plaatsje verre van triest. Het is gerestaureerd en restaurantjes, terrasjes en souvenirwinkeltjes zijn als paddenstoelen uit de historisch vruchtbare bodem opgesprongen. Ook kunstenaars hebben er zich gevestigd en dit alles bij elkaar heeft Minerve tot een bloeiend toeristenplaatsje gemaakt, waar je je met wat inlevingsvermogen toch nog een beetje in de goede (of slechte?) oude tijd kunt wanen. Via de monumentale brug die over een kloof, uitgesleten door de Cesse, is gebouwd fiets ik Minerve binnen waar ik de sfeer, een mengsel van Middeleeuwen en de eenentwintigste eeuw, op snuif. Over een steil straatje sjouw ik later in  noordwestelijke richting omhoog naar een uitzichtpunt vanwaar ik een blik werp op het magnifieke stadje en de kloof van de Cesse. Ik blijf een tijdje op een muurtje zitten om de omgeving op mij te laten inwerken en mijn twee passage’s uit het boek alsmede de tocht vanuit Nederland te evalueren. Désolé met wat ik de laatste weken gezien heb ben ik niet, integendeel. Deze Frankrijk-reis was de ruim 1500 km trappen, vaak omhoog tegen hellingen aan, maar even vaak omlaag, meer dan waard.
Ik klim in het zadel van mijn fiets en rijd over de brug het plaatsje uit. Op richting de Provence, waar mij vele altijd weer mooie plaatsen wachten die ik opnieuw ga ontdekken.

Frank van Rijn

Steun de Maya’s

Geïnspireerd door mijn boek ‘Revanche in de Andes’ zijn Albert en Ruth Ducrot indertijd enthousiast geworden voor het maken van grote fietsreizen. Na zo’n tien jaar over de wereld gezworven te hebben kwamen ze hier in San Juan la Laguna, gelegen aan het meer van Atitlán, terecht. Daar vonden ze door toeval een noodlijdend centrum voor gehandicapte kinderen. Dat veranderde hun leven drastisch. In plaats van de wereld verder te verkennen zetten ze zich vanaf dat moment geheel in voor het verbeteren van de leefomstandigheden van de Mayabevolking en in het bijzonder van mensen met een handicap.

Nu, na elf jaar, hebben Albert en Ruth de organisatorische taken vrijwel geheel in handen gegeven van capabele Guatemalteken. Albert, die met zijn baan als loods in de Zeeuwse wateren een redelijk pensioen had opgebouwd, besteedt dat nu aan het helpen van de Mayabevolking. Het centrum loopt goed, maar de financiering ervan vormt het grote probleem, want Alberts pensioen is niet onuitputtelijk. Het vinden van sponsors is het wringpunt van de organisatie.

Voor het geval een van mijn lezers hier een goed idee over heeft, kan hij of zij contact opnemen met Albert en Ruth via rualdu@hotmail.com.

En mocht u, lezer, een financiële bijdrage willen leveren aan dit project, ziehier dan het rekeningnummer:

NL18INGB0002210035

t.n.v.:

Stichting Steun de Maya’s

Zuiderbaan 7

4386CK Vlissingen

 

Elke euro die daarop gestort wordt komt bij arme gehandicapte kinderen terecht, zodat die hoop kunnen krijgen op een toekomst, even zonnig als het meer van Atitlán zelf.

Stichting Steun de Maya’s. (www.steundemayas.nl)

NAMIBIE-REIS – Laatste deel

Mijn reis van vier maanden door Namibië zit er op. Helaas is mijn berichtgeving onderweg nogal mager geweest. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste zijn er in Namibië nauwelijks internetcafés en  is de wifi-verbinding, zo die al ergens bestaat, meestal belabberd. Ten tweede zit ik op reis liever op mijn fiets of ergens lekker in de zon, dan dat ik binnen met een computer aan de slag ga. Daar komt dan nog bij dat mij, eerlijk gezegd, ook wel een zekere luiheid is te verwijten.
Ik ben alweer twee weken in Nederland en neem nu, na mij door de berg post van vier maanden geworsteld te hebben en alle schuldeisers tevreden te hebben gesteld, de pen ter hand om het een en ander over het laatste deel van mijn Namibië-reis te schrijven. Daarna moet ik het nog uittypen en opsturen naar Erik Stam, mijn websitebouwer die het vervolgens op de site zet. Het kan dus nog wel even duren voordat u dit verhaaltje met foto’s te zien krijgt, maar wanneer u dit leest is het dan toch zo ver!

Ik was de vorige keer bij de Augrabies-falls in Zuid Afrika blijven steken, een mooie waterval, maar in 2002 toen ik er ook was, kwam er heel wat meer water naar beneden dan deze keer. Dit jaar had het veel minder geregend dan toen, wat slecht is voor watervallen, maar goed voor fietsers.
Bij Onseepkans reden Andries, mijn metgezel en ik Namibië weer in en na een mooie woestijntocht dicht langs de grens van Zuid Afrika kwamen we bij de zeer indrukwekkende canyon van de Fishriver, de grootste kloof van Afrika, afhankelijk van hoe je de grootte van een kloof definieert. Hij lijkt door zijn kale maar kleurige wanden op zijn grote broer in Arizona.
Seeheim, 109 km naar het noorden bestaat slechts uit een hotel met een grasveldje er voor waar je je tent kunt opzetten, iets wat wij na deze flinke etappe over gravelwegen ook deden. Ik besloot het vanaf hier een paar dagen rustig aan te doen aangezien ik een gekneusde rib had van een  onschuldig lijkende valpartij, een paar dagen daarvoor. Ik liep bij een snelheid van 4 km/uur in dik gruis vast, zette mijn voet verkeerd neer, waardoor de fiets uit balans kwam en tuimelde op de grond. Schaafwondjes en verder niks, dacht ik, maar ’s avonds begon ik al wat te voelen aan een rechter rib. Vreselijk werd het niet maar wel zo erg dat ik moeite had om op de fiets te klimmen. Na enkele dagen werd het minder pijnlijk maar over ging het toch niet, vandaar mijn besluit om tijdelijk wat kortere etappes te rijden. Ik wilde Andries echter niet ophouden en daarom besloten we deze laatste drie weken van onze tocht elk afzonderlijk te rijden. Voor vertrek uit Nederland hadden we al duidelijk afgesproken dat we elk onze volledige vrijheid moesten houden. We spraken af via e-mail met elkaar in contact te blijven, iets wat bij voorbaat gedoemd was te mislukken gezien het vrijwel volledig ontbreken van internetcafés. Geen nood, want we zijn elk ervaren fietsreizigers die niet in zeven sloten tegelijk rijden, vooral niet in dit kurkdroge land waar het begrip ‘sloot’ onbekend is.
Helmeringhausen, waar ik drie dagen later arriveerde was een stuk groter dan Seehein, want behalve een lodge en drie huizen stond er een winkel. Een lastig traject vanwege de op veel plaatsen zandige piste volgde naar het ongeveer even grote Betta. In het minuscule en peperdure winkeltje overhandigde de kassière me een blikje ijskoude cola met de woorden: “Cadeautje van uw vriend die hier gisteren langs kwam.” Attent toch van Andries! In Windhoek zal ik hem trakteren op een cola light, want merkwaardigerwijs vindt hij die nepcola lekkerder dan echte cola.
De route naar Sesriem, 135 gravelkilometers verder naar het noorden, voerde door prachtig woestijn- en bergland, waar veel dieren, zoals spiesbokken en springbokken rondliepen. Helaas lieten de zebra’s, die hier ook moeten zitten, het vandaag afweten. Vanaf Sesriem (twee campings, benzinestation, winkel en een paar lodges) loopt een asfaltweg (ja, u leest het goed: asfalt!!) naar Sosusvlei. Dat is een van de grote toeristische trekpleisters van Namibië. Het was na die vele honderden kilometers over gravelwegen een bijzondere ervaring om weer eens zoevend over asfalt vooruit te kunnen snellen. Dat snellen was ook nodig want kamperen bij Sosusvlei was verboden. Ik moest dus in één dag heen en weer rijden, ofwel 2 x 62 km, benevens vijf uren sjouwen door dik mul zand om zowel Sossusvlei (vlei = vallei) als de daar in de buurt liggende Deadvlei te kunnen bekijken. Vooral die laatste vlei was geweldig: een opgedroogd meer met spierwitte leembodem dat fraai afstak tegen de omringende gele zandduinen. De grillige dode bomen in de witte leem droegen bij tot de bijzondere sfeer. Die bomen schijnen daar al meer dan duizend jaar te staan. Omdat hier geen leven is, afgezien van wat toeristen die er soms rondlopen, zijn er ook geen bacteriën, zodat de bomen niet kunnen verrotten. Toen ik er rond het middaguur kwam was er slechts heel weinig leven: een groepje toeristen dat het al snel voor gezien hield en terug sjokte naar de jeep, want het was ‘te heet’. ’s Morgens vroeg en laat in de middag is er doorgaans meer leven in deze dode brouwerij maar rond het middaguur had ik er het rijk alleen.
Naar Solitaire, weer zo’n benzinepomp-camping-lodge-winkel-plek in de middle of nowhere ging het opnieuw over gravel. De Spreetshoogtepas waar ik vandaar over moest was zo steil, dat ik over de klim van vier kilometer ruim twee uur deed. Bovenaan kwam ik op een heuvelachtige hoogvlakte, een prachtig gebied vol granietrotsen. Twee dagen lang wandelde ik daar tussen al dat fraai geërodeerde steen voordat ik mijn tocht vervolgde.
Op de laatste dag voor Windhoek ging ik aan bij de Hoffnungsfeld-farm waar Andries en ik op de heenweg ook waren geweest. Van de erg gastvrije Wolfgang en Susanne Jamnik mocht ik in een comfortabel huisje op het erf logeren. ’s Avonds mocht ik met ze mee-eten. Het zijn Oostenrijkers die hier 16 jaar geleden naartoe zijn geëmigreerd. “Een veel rustiger leven dan in het jachtige Europa en een veel fijner klimaat. Hoewel … dit jaar heeft het wel erg weinig geregend.” We spraken af dat het drie dagen later, als ik goed en wel het luchtruim zou hebben gekozen richting Schiphol, mocht gaan stortregenen: “Goed voor de boeren.”
In Windhoek trof ik in het backpakersguesthouse, waar Andries en ik aan het begin van onze tocht hadden gelogeerd, mijn fietsmakker weer. Hij had, omdat hij een paar dagen op mij voor was komen te liggen, nog een extra lus ten Westen van Windhoek gefietst.
Donderdag 26 februari namen we het vliegtuig terug naar Nederland en Vrijdagochtend kwamen we aan op Schiphol. In de middag kwam ik thuis, maar de volgende dag moest ik alweer naar Antwerpen omdat ik op de Vlaamse Fiets- en Wandelbeurs lezingen moest houden. Dat was even omschakelen!

Met deze en voorgaande nieuwsbrieven heb ik u een summiere indruk gegeven van mijn Namibië-reis. Misschien schrijf ik er te zijner tijd een dik boek over, maar eerst moet mijn boek over  Zuidoost Azië af, waaraan ik al voor mijn Namibië-reis ben begonnen. Wanneer het uitkomt is nog in het ongewisse, aangezien ik een langzame werker ben en ik me door niets en niemand laat opdrijven. ‘Luiheid’ zou je die eigenschap misschien wel kunnen noemen. Kwalijk natuurlijk, want luiheid is een heel slechte eigenschap. U zult dus nog een tijdje op dat boek moeten wachten. Zonder die luiheid zou u echter eeuwig op dat boek moeten wachten, want dan had ik na mijn studie in Delft voor een carrière in de elektrotechniek gekozen en dan had ik het natuurlijk zo druk gehad met mijn baan dat ik nooit een boek had kunnen schrijven.
Geduld dus. Het boek komt er aan….. tenzij Philips een dringend beroep op me doet en ik het alsnog druk-druk-druk ga krijgen.

Augrabies waterval Januari 2015

Hallo Erik,
Mijn laatste bericht stuurde ik vanuit de farm van de familie Visser  een km of 40 ten zuiden van Leonardsville. (aardig even te memoreren dat ik bij Leonardsville de tropen (tijdelijk) uit fietste). Bij deze gastvrije familie logeerde ik een dag om weer aansluiting te krijgen met Andries Menger, mijn fietsmaat van deze reis die een omweggetje door Botswana maakte. Omdat daar geen telefoondekking was kreeg ik geen bericht van hem en daarom fietste ik de volgende dag door naar Stampriet. Daar was dekking voor de telefoon maar er kwam op mijn mobiele apparaat geen bericht van Andries en dus fietste ik verder naar Mariental waar ik na nog een dag wachten bericht kreeg van Andries dat hij ook op weg was naar Mariental. De dag daarna ontmoetten we elkaar in Mariental. Andries had in de Caprivistrip in Noord Namibië krokodillen en nijlpaarden gezien, dus zijn tocht was wat dat betreft geslaagd. Hierna trokken we weer samen verder. We reden via Asab naar de Brukkaros krater en beklommen die te voet. Mooie uitzichten over de wijde omgeving.
Verder ging het via Keetmanshoop waar we de beroemde kokerbomen bekeken (foto’s daarvan later) en door de Grote Karasbergen naar Ariamsvalei bij de grens van Zuid Afrika. Op die route ervoeren wij erg veel gastvrijheid van boeren met wie we Nederlands konden praten. Zij antwoordden dan in het Afrikaans wat over het algemeen goed te verstaan was, maar soms tot wat misverstanden leidde. De grensovergang naar Zuid Afrika vormde geen enkel probleem. Wel een probleem was een nogal ruige gravelweg vol wasbord en gruis naar Kakamas. Vandaar weer asfalt tot waar we nu zijn: de Augrabies waterval, die we morgen gaan bekijken. Ik ben daar in 2002 ook al geweest en vraag me af of het water daar na al die tijd nog steeds valt.
Hopelijk is mijn verhaal een beetje te lezen, want ik ben me vanavond, na te veel cola, te buiten gegaan aan een glas bier en na zo’n stoot alcohol ben ik niet altijd even helder van geest.
Ik houd je op de hoogte van onze verdere avonturen, eigenlijk meer belevenissen.

Electronisch bericht voor mijn volgers

Hallo Erik,
Omdat tegenwoordig iedereen met aaipets en iepotten en apgevallen rondloopt en er overal wiefie is verdwijnen de internetcaffees, waardoor mijn berichtgeving moeizaam wordt. Ik zit nu bij een boer zo’n 180 km ten zuiden van Gobabis in Namibië en mag zijn computer gebruiken.

In Rundu schreef ik mijn laatste bericht. Andries, mijn tochtgenoot bekeek daar het weerbericht voor Botswana, waar we heen zouden gaan om hippo’s en krokodillen te zien: de hele week donderen. Elke dag regen en onweersbuien. Andries geeft daar niet om en wilde toch door. Ik vind hippo’s en krokodillen kijken leuk maar niet als ik daarvoor een hele week of langer door de regen moet fietsen, want zoals je weet ben ik een mooi-weer-fietser…. We besloten dan ook om tijdelijk elk ons weegs te gaan, Andries naar Botswana en ik naar het zuiden van Namibië waar het veel droger is. De bedoeling is dat we elkaar binnenkort weer ontmoeten, bijvoorbeeld in Keetmanshoop.
DSC01039In Rundu ontmoette ik een Zweedse fietser (Lars) die mij dankzij de website die jij voor mij hebt gemaakt, kende. Hij wilde ook in zuidelijke richting dus besloten we samen te rijden. Na zo’n 50 km vonden we een Chinese fietser (Dong) die langs de weg zat te picknicken. Hij fietste ook mee. Een paar uur later viel er een geweldige regenbui maar we konden juist in een golfplaten cafeetje schuilen. Verder heb ik tot nu toe geen druppel regen meer gehad en scheen de zon hoofdzakelijk, dus ideaal voor een mooi-weer-fietser. Middagtemperaturen tussen de 33 en 40 graden.
We fietsten naar Grootfontein waar Lars en ik de grootste meteoriet van de wereld bekeken, een blok nikkel van 4x4x1,25 meter. Dong bleef voor het toegansloketje, waar je 1,50 euro moest betalen, zitten en bekeek de meteoriet op zijn internettelefoon, waardoor hij er, toen Lars en ik weer terug kwamen, meer van wist dan wij. Dong zit op een laag budget en geeft alleen geld uit aan voedsel, en wel het goedkoopste van het goedkoopste. Hij heeft overigens wel een camera van 4000 dollar en zijn fiets is loodzwaar beladen van al het electronica-piepspul.
Voorbij de meteoriet sloeg Lars af in Westelijke richting. Dong en ik fietsten door over een nogal zandig weggetje naar het Waterberg Plateau, een mooi plateau met rotsformaties.

Daar ben ik weer. Ik heb het eerste stuk van mijn verhaal verzonden want zo nu en dan knalt de elektriek eruit en dan is al het typewerk verloren. Hier volgt de rest:

De camping daar was 11 euro, dus ter duur voor Dong. Hij fietste alleen verder richting Windhoek. Ik maakte de volgende dag een wandeling over het plateau, maar daarvoor was een gids verplicht, weer 10 euro. Officieel was het een wandeling van 3 tot 4 uur maar de gids begon te vertellen dat het eerder 3 uur duurde en afhankelijk van de snelheid waarmee we liepen ook wel 2 uur kon duren. Als het aan hem had gelegen waren we na anderhalf uur al terug geweest. Het was een aardige wandeling waar je beslist geen gids voor nodig had en veel meer dan die eerste opmerking kwam er ook niet uit zijn mond. Een tourist-trap dus. Daarna ben ik er zelf nog 5 uren op uit getrokken waardoor het toch nog een leuke wandeldag werd.
Vandaar fietste ik over gravelwegen via Okakarara en Otjinene naar Gobabis, waar ik een rustdag hield en van Gobabis vervolgde ik mijn tocht, nog steeds over gravelwegen naar de farm waar ik nu logeer. Over een dag of 2 verwacht ik in Mariental aan te komen.
Zojuist ontving ik een mail van Andries dat hij problemen met een kies heeft en daarvoor weer terug moest naar Rundu. Daarna wil hij opnieuw Botswana in dus hoe lang het duurt voordat we elkaar weer gaan ontmoeten is onduidelijk.
Ik houd je en indirect dus ook mijn volgers op de hoogte,

Brief uit Eenhana

Hallo Allemaal,

Ik zag op mijn website dat het laatste bericht uit Opuwo kwam. Toen we daar wegreden werden we door de politie aangehouden: waar zijn jullie helmen? Die zijn hier blijkbaar verplicht. Wij wisten natuurlijk van niets en zeiden dat we altijd erg voorzichtig zijn.

“Ja maar je kunt nog zo voorzichtig zijn, maar als een auto je van de weg rijdt loopt het toch verkeerd met jullie af”

“Daar verandert een helm niet zoveel aan, lijkt mij” antwoordde ik.

We beloofden in Windhoek bij een fietsenmaker naar een helm te informeren.

We reden die dag slechts 45 km en maakten ’s middags een wandeling over fraaie rotspartijen bij een klein Himba dorpje. Verder ging het naar Swartbooisdrif aan de kunenerivier, de grensrivier met Angola. ’s Avonds zaten er een paar krokodillen in de rivier te spelen, maar die kwamen ons ’s nachts niet uit onze tenten halen.
Over een smal bochtig weggetje met nogal wat mulle stukken erin reden we de volgende dag door naar de Ruacana watervallen, die we de volgende dag bezochten. Er kwam een hoop water omlaag en dat leverde spectaculaire foto’s op die ik t.z.t zal publiceren. Andries is met zijn aaipet (geen tablet!!) wat gedigitaliseerder dan ik en die zou er geen moeite mee hebben om 100 foto’s tegelijk over de hele wereld te verspreiden, maar voor mij zal dat nog wel vele tientallen jaren duren voordat ik zover ben.

Voorbij de watervallen klommen we ongeveer 10 km over een steile weg, maar die was geasfalteerd in tegenstelling tot veruit het meeste wat we tot nu toe gereden hebben. Daar kwamen we op een plateau. Verder was het geheel vlak naar Outapi, een ongelooflijk duffe plek van betonnen gebouwen met daartussen grote braak liggende zandvelden met plassen en gestort puin. Oshakatie waar we gisteren na 95 km fietsen aankwamen was nog een graadje erger. Vandaag weer zo’n 95 km gefietst waardoor we nu in Eenhana zitten. We logeren in een moderne lodge die er uitziet als een gevangenis met grote stalen hekken ervoor een in uniform gestoken bewaker erbij en elektriciteitsdraad onder spanning over de grote betonnen muren die om het indrukwekkende complex heen liggen. Verder in plaats van een mooie tuin met bloemen en planten een groot plein van bakstenen. Ik ben benieuwd of we morgenochtend om vijf uur uit ons bed gepord worden voor het appel.

DSC00816We zijn op weg naar Rundu en Botwana, de Okavanga delta. Ik fiets met zeer gemengde gevoelens. Het weer is weer helemaal opgeknapt en de laatste dagen gaat de temperatuur naar de 35 graden met een geheel blauwe hemel. Maar helaas, Andries heeft uit zijn aaipet het weerbericht voor Rundu getoverd en dat wordt donderen. Andries zit daar niet mee. Die fietst rustig dagen in de gietende regen en zet dan ’s avonds met een vrolijk gezicht zijn tent in de zeikende regen op.
Zoals al mijn websitelezers weten ben ik daarentegen een mooi weer fietser en dus denk ik: wat ben ik een sukkel om zo de ellende tegemoet te rijden. Ik ben dus een soort struisvogel op de fiets en hoop maar dat die aaipet nonsense verkoopt en dat het toch mooi weer blijft. En zo niet, dan gaat Andries lekker rechtdoor de regen in en fiets ik als een haas naar net zuiden van Namibië en dan ontmoeten we elkaar over een paar weken wel weer ergens bij de Fishriver canyon. Dat hebben we voor de reis al afgesproken.

Tot zover mijn relaas, getypt op Andries aaipet.

Frank van Rijn

PS we hebben geen visum voor Angola gekregen dus het wordt geen Angola op deze tocht.