«

jul 12

Jeanne d’Arc, Hector Berlioz en een grote zak chips

Kort geleden maakte ik een fietstocht door Frankrijk. Onlangs vond ik het dagboek van die reis tussen de rommel in mijn kast. Bij het doorbladeren daarvan stuitte ik op een aantal aardige passages die ik de trouwe lezer van mijn website niet wil onthouden. Om het verhaal leesbaar te maken heb ik de tekst wat opgeknapt, want de tijd die mij na het rijden van een etappe rest om mijn dagboek te schrijven is meestal kort. Dan staat mijn hoofd meer naar het opzetten van de tent en het opwarmen van een eetbaar maaltje dan naar het produceren van acceptabel proza.

OP DE FIETS DOOR FRANKRIJK

Bijna een wereldwonder.
Op mijn fietstocht van Nederland naar Zuid Frankrijk kom ik door Vaucouleurs.

001.verkleind

Vaucouleurs

Op een heuvel iets boven het centrum, staat de oude stadspoort.

003.verkleind

Stadspoort en kerk van Vaucouleurs

Daardoor verliet Jeanne d’Arc  op 29 februari 1429 het plaatsje om de Franse kroonprins haar diensten aan te bieden in de strijd tegen de Engelsen. Ik weet daar alles van, want kort geleden heb ik een film over haar leven gezien. Het enige wat ik niet van haar weet is of ze werkelijk heeft bestaan. Daar zijn de historici het niet over eens. De inwoners van Vaucouleurs en zeker die van het 19 km zuidelijker gelegen Domremy la Pucelle, waar Jeanne’s wieg stond, zullen er hoogstwaarschijnlijk van overtuigd zijn dat ze wel degelijk heeft bestaan, want die poort waar ze doorgereden is staat er immers! En als ze door die poort is gereden moet ze hebben bestaan. Daar is geen speld tussen te krijgen.
Ik kijk een beetje rond bij die poort en de grote kerk er vlak bij en besluit dan drie euro neer te tellen om het Jeanne d’Arc-museum naast het stadhuis te bekijken.
“Is het interessant?” vraag ik voor alle zekerheid in het toeristenbureau.
“Wel wis en waarachtig is het interessant.” antwoordt de dame in het bureau. Allicht, want als ze antwoordt: “Absoluut niet. Het zijn maar twee kamertjes met wat beeldjes en tekeningen van Jeanne,” is ze natuurlijk meteen haar baantje kwijt. En dus is het volgens haar bijna een van de wereldwonderen. Met 10 minuten ben ik er uitgekeken. Met de piramides van Egypte was ik indertijd langer bezig, dus naar mijn maatstaven is het Jeanne d’Arc-museum van Vaucouleurs slechts een miniatuur-wereldwondertje.

Zoutgebrek
Pérouges, drie Michelinkaarten zuidelijker, is een fraai gerestaureerd, middeleeuws stadje.

004.verkleind

Stadspoort van Pérouges

Ik duw mijn fiets over een steil, hobbelstraatje omhoog door de stadspoort. Eenmaal binnen de muren ontdek ik dat ik niet de enige bezoeker ben, iets wat een grote parkeerplaats vol auto’s buiten het stadje al deed vermoeden. Aangetrokken door de knusse, smalle, hoekige straatjes, de oeroude gebouwen en vooral de vele restaurantjes, pizzeria’s, souvenirwinkeltjes en kunstgalerieën lopen de toeristen in drommen rond.

006.verkleind

Straatje in Pérouges

Met mijn fiets aan de hand wandel ik het kleine plekje rond, waarbij ik plotseling wordt overvallen door slapte. Dat kan toch niet door die 100 km komen, die ik vandaag heb gereden? Waarschijnlijk is het zoutgebrek en daar moet wat aan gedaan worden. Ik kan natuurlijk een handje zout nemen, maar er is een plezierigere methode om dit op te lossen. Daartoe daal ik af naar het nabijgelegen Meximieux en koop in de supermarkt een zak chips en een ijskoude cola. Na een dag fietsen is voor mij het nuttigen van die delicatessen, gezeten op een bankje in de brandende zon, het summum van genot. Op het blikje lees ik dat er 138,6 kilocalorieën in zitten. De zak chips voegt daar nog eens 1112 kilocalorieën aan toe. Ik voel de energie al weer terugstromen in mijn spieren. Hoe zou Jeanne indertijd Orleans hebben ingenomen zonder chips en cola? Dat moeten moeilijke tijden zijn geweest! Daarentegen werd de mensheid toen nog niet geteisterd door OV-chipkaarten, onleesbare handleidingen van piep-elektronica en internetbankieren.
Opeens valt mijn blik op een mooi verhaal op de chipzak: ‘De geboorte van de chips in de VS.’ Cornelius Vanderbilt, de grote Railroad-magnaat, verweet zijn kok, George Crum, dat die te dikke hompen sneed voor de bereiding van gebakken aardappelen. George nam revanche door de aardappelen de volgende keer overdreven dun te snijden. En ziedaar: potatochips, een waar succes! Helaas werd er op de zak niet vermeld of deze geniale kok patent aanvroeg op zijn wereldveroverende uitvinding. Vermoedelijk deed hij dat niet, maar als hij dat wel had gedaan zou hij waarschijnlijk alle railroads in de VS handje contantje van zijn ontevreden chef hebben kunnen kopen met die van Canada er bij.

Berlioz
Weer een kaart verder naar het zuiden rijd ik het plaatsje la Côte Saint André binnen, de geboorteplaats van Hector Berlioz. Na het historisch hoogtepunt bij Jeanne’s poort en het culinair hoogtepunt van Meximieux, is het nu tijd voor een cultureel hoogtepunt: het geboortehuis van deze oorverdovende componist, dat nu is ingericht als museum.

007.verkleind

La Côte-Saint-André

Op de benedenverdieping is een grote collectie antieke opdraai-grammofoons en pathefoons te zien, maar die waren in de tijd van Berlioz nog niet uitgevonden. Hector zou zijn oren niet hebben geloofd als hij zijn Symphonie Fantastique uit de hoorn van zo’n apparaat had horen schallen. Op de bovenste twee etages bevinden zich kamers die zijn ingericht in de stijl van de 19e eeuw met een aantal schilderijen waar Hector en zijn ouders en andere familieleden op staan afgebeeld. Terug op de eerste verdieping vind ik een zaaltje met een groot wit scherm waar een aan de zoldering bevestigde beamer op gericht is. Er voor staan een stuk of dertig stoeltjes opgesteld, waar niemand op zit en aan de zijkant is een computertoetsschermpje bevestigd, waar de bezoeker op mag fiedelen, een ingenieus apparaat waar Berlioz stellig geen raad mee zou hebben geweten. Ik overigens ook niet, want hoewel de beamer suggereert dat je een film op het grote scherm kunt toveren, kom ik niet verder dan het ontlokken van muziek uit de luidsprekers ter weerszijden van het scherm: ‘De pelgrimstocht’ uit ‘Harold in Italië’. Als dat fragment is afgelopen probeer ik nogmaals mijn geluk op het toetsschermpje, in de hoop Berlioz zelf op het grote witte doek te krijgen. Een film over zijn leven zou natuurlijk niet te versmaden zijn, maar weer blijft mijn geknoei zonder succes. Eigenlijk is dat maar beter, want ondertussen is het laat in de middag geworden en ik moet nog een overnachtingsplek zoeken. Daarom rijd ik snel naar het toeristenbureau op het pleintje beneden in het plaatsje om te informeren of hier een camping in de buurt is. Dat blijkt echter gesloten te zijn want het is Zondag. Zaterdags en op feestdagen is het ook gesloten en dat is eigenlijk logisch want dat zijn de dagen waarop zo’n bureau het hardst nodig is. Zo voorkom je te veel mensen in het bureautje.
Ik ga vannacht maar wild kamperen. Dat bespaart mij zo’n 10 euro zodat ik mij morgen weer de luxe kan permitteren van een grote zak chips. Met een cola erbij – een in dit wijnland grote en meestal dure luxe – wordt dat weer een feest.

Le Pont d’Avignon.
In Avignon is een festival aan de gang en overal hangt het vol met pamfletten van wat er allemaal te beleven is. Dat is natuurlijk leuk, maar het is er daardoor loeidruk. Ik wring mij door de overvolle straatjes heen naar het Palais des Papes, waar tussen 1352 en 1377 enkele pausen resideerden.

015.verkleind

Avignon. Palais des Papes met vele affiches van wat er allemaal te doen is

Interessant om te bezoeken, maar als ik de rij mensen ervoor zie zakt mij de moed in de schoenen. Wachten is een van de vele dingen waar ik erg slecht in ben. Ik heb het paleis al eens bezichtigd zodat ik zonder al te veel twijfels deze toeristenattractie kan overslaan. De mensenzee in de straten gaat mij na een tijdje ook naar het hoofd stijgen. Daarom steek ik snel de Rhône over via de pont d’Avignon, niet die ‘on y danse tous en rond’, zoals het beroemde liedje ons vertelt, want die is in de 17e eeuw door een vloedgolf voor de helft weggespoeld en nooit meer herbouwd, maar over een nieuwere brug, waarop dansen vanwege het verkeer rampzalig zou uitpakken. Op de kleine weggetjes ten westen van de Rhône keert de rust weer terug.

020.verkleind

Stadsmuur van Avignon

’s Avonds vind ik achter een grote wijngaard, aan de rand van een bos, een mooi plekje voor mijn tent. Terwijl ik een blik bruine bonen opwarm hoor ik in de verte gebonk. Wordt daar op dit late uur een heipaal in de grond geslagen? Als de bonen warm zijn draai ik de brander uit en dan hoor ik dat het gebonk ‘muziek’ is, een disco ver weg. Die is blijkbaar juist van start gegaan. Ik overweeg om weer op te breken, maar veel zin heb ik daar niet in en veel tijd om een nieuwe plek te gaan zoeken ook niet. Het geluid zit nog juist onder het onacceptabel-niveau. Met oordoppen in zal er hopelijk te slapen zijn, hoewel ik, als ik wild kampeer liever geen doppen gebruik om onraad beter te kunnen horen. Na het eten van de bonen begin ik aan mijn dagboek, maar zoals bij disco’s vaak het geval is, wordt het gebonk steeds luider. Dat is waarschijnlijk ter compensatie van het, naarmate de tijd vordert, steeds dover worden van de jongelui. Als ik mijn avonturen van deze dag heb opgeschreven en mijn dagboek dichtklap, heeft het chagrijnige gestamp de grens van het acceptabele overschreden. Dus toch weg van hier! Een eind verder, opnieuw achter een wijngaard, vind ik een plekje waar het akoestische geweld van de disco is gereduceerd tot een zacht geklop, nog niet iets om vrolijk van te worden, maar hier moet het uit te houden zijn.
Als ik later in mijn slaapzak kruip hoor ik dat de hossende jongeren, daar ver weg, nog een graadje meer verdoofd zijn geraakt, want weer is het geluidsniveau opgeschroefd. Ik knip mijn lampje aan en kijk op de kaart. Het epicentrum van deze, zo langzamerhand kunstmatige aardbeving, moet volgens mij uit een dorpje komen dat minstens 5 km hier vandaan ligt. Zou een gehoorapparatenfabrikant de grote sponsor zijn van dit evenement?
Uitslapen is mij de volgende ochtend niet gegund, want om 5 uur hoor ik gebrom van een tractor. Dat kan maar een ding betekenen op dit vroege uur: de druiven worden bespoten met het een of andere chemische spul, dit om t.z.t. heerlijke, gezonde wijn te krijgen. Voordat mijn tent daarmee vergeven wordt, moet ik hier weg wezen! Daarom sta ik onmiddellijk op, breek de tent in razende vaart af en laad mijn spullen op mijn fiets alsof Magere Hein me op de hielen zit. Als ik wegfiets van deze disco-sproei-plek zie ik dat de tractor, die een witte nevel achter zich opspuit, nog een redelijk eind weg is. Ik ben dus gelukkig op tijd weg.

Twee mooie woordjes.
Bij Durfort rijd ik de Cevennen in.

025.verkleind

Dorpje in de Cevennes

Ik wil vandaag een camping zoeken vanwaar ik morgen, zonder bagage, de Mont Aigoual op kan fietsen. Vroeg in de middag vind ik er bij Lasalle een. Mooi, maar helaas toch niet zo mooi, want hier hanteert men het onnozele forfait-systeem: ik moet het tarief betalen voor twee personen plus auto plus caravan: 22 euro.
“Dat geldt voor twee personen.” merk ik bij de receptie op. “Bovendien heb ik een klein tentje en geen auto en caravan, dus voor mij zal het naar evenredigheid op zo’n 7 euro uitkomen, even ruwweg uitgerekend.”
“Dat heeft u dan verkeerd uitgerekend,” antwoordt de dame achter de balie. “Voor u komt het ook uit op 22 euro, want bij ons geldt een forfait. Désolé.”
‘Forfait’ is hier dus een soort toverwoordje waarmee je het onzinnige feit kunt verklaren dat iemand die alleen is voor twee personen moet betalen. Dat woordje, ‘désolé’ is overigens ook mooi. Het betekent eigenlijk ‘diep bedroefd’. Dat zeggen Fransen graag als ze niets voor je kunnen of willen doen. Of deze campingtante werkelijk diep bedroefd is vraag ik me af, zelfs nu ik mijn tent hier niet ga opzetten.
Na een flinke klim naar de Col de Mercou en afdaling naar l’Estréchure vind ik een camping met alweer het voor solo-reizigers beruchte forfaitsysteem. En natuurlijk ga ik opnieuw in de clinch met de receptioniste. Die komt er niet uit en belt om versterking. Even later verschijnt er een oudere dame, die de redelijkheid van mijn argumenten inziet, maar antwoordt: “Ik zou u wel korting willen geven, maar dan kom ik met de computer in conflict. Dat gaat dus niet. Désolé.”
“Aha. U bent dus slaaf van uw computer!” merk ik op.
“Ja,” antwoordt ze nijdig, “ik ben slaaf van mijn computer!!”
“Désolé,” antwoord ik en dat meen ik, want het is diep droevig dat de mensheid steeds meer door zo’n stuk elektronica wordt getergd.
Ik vervolg mijn weg door het met kastanjebomen begroeide bergland en heb hier en daar weidse uitzichten over het groene sterk geaccidenteerde land waar nauwelijks een dorp of gehucht is te zien. Het is een woest en prachtig gebied. De tamme kastanjes zijn helaas nog niet rijp, maar als je er in October heen gaat, kun je er je fietstassen flink mee vullen.
Zeven kilometer voor St. André de Valborgne vind ik de kleine  eensterren-camping  ‘Les Gorges de Capoue’ met alles wat een kampeerder nodig heeft en zonder forfaitflauwekul. Voor 5,80 euro mag ik er mijn tent opzetten. Ik vraag of er vanavond muziek gaat schallen, want het is 14 Juli, de nationale feestdag  van Frankrijk.
“Voor mij is het geen feest,” antwoordt de eigenaar. “Vandaag wordt herdacht dat ze er in 1789 een grote rotzooi van maakten en dat ze de koning het hoofd hebben afgesneden. Ik ben geen republikein. Als u feest wilt vieren moet u dat maar ergens anders gaan doen.”
“Heerlijk!” zeg ik, “Ik blijf.”

Mont Aigoual.
Over mooie rustige weggetjes slinger ik de volgende dag op een extreem licht aanvoelende fiets, omdat ik mijn tent en spullen op de camping heb achtergelaten, omhoog naar de Mont Aigoual. Ook vandaag kom ik weer door uitgestrekte, tegen de hellingen aangelegen kastanjewouden. Hogerop zijn de uitzichten prachtig over de heuvels en bergen, waar de ingreep van de mens nog vrijwel nihil is.

027.verkleind

Uitzichtpunt in de Cevennes

Alles is woeste natuur met hier en daar rotspartijen die uit het groen omhoog steken. Helaas wordt deze ruige natuur op de foto al gauw boerenkool.
Op de platte top van de Mont Aigoual, 1567 meter boven zeeniveau, kom ik geheel uit de bossen. Vanaf het dak van het weerstation dat hier is gebouwd heb ik 360 graden in het rond een onbelemmerd uitzicht, waardoor ik 140 km ver kan kijken.

035.verkleind

Weerstation op de Mont Aigoual

Binnen in het weerstation bevindt zich een meteorologiemuseum. Hier wordt uit de doeken gedaan hoe een weersvoorspelling tot stand komt. Ook is er allerlei oude apparatuur te zien zoals barometers, thermometers en wind- en regenmeters. Foto’s van lugubere wolkenmassa’s hebben onderschriften waarin staat wat je kunt verwachten als er zoiets op je af komt. Voor kinderen zijn er quizvragen die op luikjes staan. Als je zo’n luikje open trekt, zie je het antwoord. Een van die vragen luidt: ‘In welk jaargetijde staat de aarde het verst van de zon?’ In de zomer natuurlijk, dat weten we allemaal, maar bij een andere, ‘Waar komt de naam ‘Aigoual’ vandaan?’ moet ik het luikje opentrekken. Het blijkt van ‘Agua’ ofwel ‘water’ te komen. Deze waterberg schijnt een van de regenrijkste plekken van Frankrijk te zijn. Vandaag is het echter prachtig weer en de twee andere keren dat ik hier geweest ben was het dat ook. Ik heb dus altijd prachtig weer op de Regenberg. Logisch, want als het regent waag ik me niet op zo’n berg. Dan zit ik mokkend in mijn tent lelijke woorden te verzinnen.

Woeste monsters.
Nîmes le Vieux, 17 km naar het noordwesten, is een stuk ouder dan le vieux Nîmes dat echter ook niet jong is, want met de bouw van het Romeinse amfitheater dat er staat is begonnen in 50 na Chr. Bij Nîmes le Vieux is de bouw al zo’n honderdmiljoen jaar eerder begonnen, toen een groot rotsplateau door krachten in het inwendige van de aarde omhoog gedrukt werd. Door het weg eroderen van oplosbare stoffen in die rotsbodem ontstond een uitgebreid woud van grillige stenen figuren, waarin je met een zekere fantasie een stad met huizen kunt zien. Vandaar misschien dat dit rotsachtige labyrint, ergens op de Causse Mejean, ‘Het Oude Nîmes’ wordt genoemd.
Al lopend tussen deze grote verzameling wonderlijk uitgesleten stenen staken, bogen en mini-canyons, zie ik in de bizarre vormen gezichten en koppen van woeste monsters.

050.verkleind

Nîmes le Vieux

055.verkleind

Rotsformaties in Nîmes le Vieux

Wat ik niet of nauwelijks zie zijn mensen van vlees en bloed. Blijkbaar is Nîmes le Vieux nog niet ontdekt door het grote toerisme. Dat is wel het geval met Montpellier le Vieux, ook weer zo’n chaos van rotsen, die ik de volgende dag, na een mooie rit door de Gorges de la Jonte en een flinke klim vanaf het schilderachtige Le Rozier bereik.

070.verkleind

Le Rozier

Daar is tussen de rotspartijen een asfaltweggetje aangelegd waarover op geregelde tijden een toeristenbusje rijdt, dat er uitziet als een treintje. Mensen die het lopen over de voetpaden te vermoeiend vinden kunnen vanaf hun bankje in een van de wagonnetjes de grote steenklompen bewonderen.

080.verkleind

Montpellier le Vieux

082.verkleind

Natuurlijke boog in Montpellier le Vieux

Voor de durfals is er aan een hoge rots een kabel bevestigd, waarlangs zij, met hulp van de zwaartekracht, naar een lagere rots kunnen zweven. Leuk als het goed afloopt en goed voor de adrenaline, zoals het heet. Geen idee overigens wat dat voor spul is. Misschien zoiets als vitamine, wat er op rijmt, maar dan waarschijnlijk minder gezond.
Ondanks nog meer ‘ontwikkeling’ zoals een dik gevulde souvenirwinkel, heb ik na afloop van mijn wandeling toch het gevoel dat ik de toegangsprijs van 6,60 euro niet voor niets heb neergeteld, maar het onontwikkelde Nîmes le Vieux is, hoewel de rotspartijen er kleiner zijn, toch mijn favoriet.

Bijna een miskleun
Vanaf Millau, dat ik na een flinke afdaling vanaf de Causse Noire binnenrijd, volg ik de meanderende Tarn in Westelijke richting, waarbij ik langs het aardige, tegen de rotswand geplakte plaatsje Peyre kom.

095.verkleind

Peyre

100.verkleind

In het kerkje van Peyre

Ik pomp mijn fiets het adembenemend steile weggetje omhoog naar de in de rotswand uitgehakte dorpskerk die vroeger niet alleen als godshuis dienst deed maar ook als verdedigingswerk. Hier moet in het verleden een indrukwekkende hoeveelheid bik- en hakwerk zijn verricht. (100).
Op de stoep van het trapje dat naar de kerk leidt zit een vrouw een boek te lezen. Ik groet haar en loop naar binnen. Daar hangt een flinke collectie moderne schilderijen, waarvan de meeste een te groot beroep doen op mijn fantasie om er iets in te zien. Uit een simpel CD-spelertje klinkt een helaas nogal schor stuk muziek dat ik ken, maar niet direct kan plaatsen. Tijdens het bekijken van de schilderijen pijnig ik mijn hersens af wie de componist is. Dat is een afwijking van mij.  Zoals een vogelaar niet tevreden is voordat hij weet hoe het zwart-geel groene pluimstaartje met rode stip heet dat daar boven op een tak zit, zo pijnig ik mijn hersens af totdat ik weet hoe de componist heet van een muziekstuk dat ik opeens ergens hoor. Zeven schilderijen werk ik maar liefst af voordat ik hem eindelijk heb: Dvorák, de 8e symfonie. Het ligt me op de lippen tegen de vrouw, die mij ondertussen achterna is gekomen, te zeggen: “De muziek is mooier dan de schilderijen,” maar juist op tijd bedenk ik mij en vraag haar: “Heeft ú deze schilderijen gemaakt?” Trots antwoordt ze bevestigend. Daar had ik bijna een miskleun gemaakt!
“Interessant,” zeg ik. Dat is een mooi neutraal woordje, waar je alle kanten mee op kunt, want ‘heel mooi’ kan interessant zijn, maar ‘heel lelijk’ ook. “Mij liggen de wat meer figuratieve doeken beter dan de abstracte,” voeg ik eraan toe. Op zo’n manier kun je netjes tot uitdrukking brengen dat je bijvoorbeeld een Rembrandt veel geweldiger vindt dan een Picasso. De schilderijen zijn te koop want er staan prijzen bij. Ik zeg dat ik op de fiets ben en er daarom helaas geen kan meenemen: “Désolé.” De vrouw zal ook wel diep bedroefd zijn dat ik er geen meeneem. Het is voor haar te hopen dat er vandaag veel liefhebbers van moderne kunst komen, maar die moeten wel een dikke portemonnee hebben.
’s Avonds vind ik in Camarès een aardige camping, waar ik voor één persoon moet betalen in plaats van een heel gezin met reuzentent of camper. Dat is mooi, maar helaas vieren de brandweerlieden die nacht hun jaarlijkse feest in de vorm van een disco. “Met een échte deedjie!” voegt het meisje achter de balie er met glinsterende ogen aan toe. “En het duurt minstens tot 5 uur in de ochtend. Lekker lang en door de hele stad goed te horen, dus u krijgt waar voor uw geld!”
“Prachtig,” beaam ik “wat heeft een mens nog meer nodig om gelukkig te zijn?” Acht kilometer van het akoestisch centrum, ergens in de rimboe, houd ik een half uur later halt om ertwee passage’s uit het boek alsmede mijn tent op te zetten. Er flitst een grote vos weg. Die zal er wel van balen dat ik vannacht zijn plekje inpik, maar dat heeft hij aan de brandweerlieden van Camares en aan die deedjie te danken.

Minerve.
En dan kom ik op het zuidelijkste punt van mijn tocht: Minerve in de Languedoc.

120.verkleind

Minerve

In de middeleeuwen hadden de Catharen hier een groot fort, maar omdat ze zich niet tot het Christendom wilden laten bekeren werd het in 1210 onder leiding van de beruchte Simon de Montfort  belegerd en verwoest. Van het fort bleven slechts een ruïne en wat stukken muur over. De Catharen zelf werden uitgeroeid en zo eindigde deze trieste geschiedenis.

130.verkleind

Ruïne van een fort van de Catharen in Minerve

Tegenwoordig is het plaatsje verre van triest. Het is gerestaureerd en restaurantjes, terrasjes en souvenirwinkeltjes zijn als paddenstoelen uit de historisch vruchtbare bodem opgesprongen. Ook kunstenaars hebben er zich gevestigd en dit alles bij elkaar heeft Minerve tot een bloeiend toeristenplaatsje gemaakt, waar je je met wat inlevingsvermogen toch nog een beetje in de goede (of slechte?) oude tijd kunt wanen. Via de monumentale brug die over een kloof, uitgesleten door de Cesse, is gebouwd fiets ik Minerve binnen waar ik de sfeer, een mengsel van Middeleeuwen en de eenentwintigste eeuw, op snuif. Over een steil straatje sjouw ik later in  noordwestelijke richting omhoog naar een uitzichtpunt vanwaar ik een blik werp op het magnifieke stadje en de kloof van de Cesse. Ik blijf een tijdje op een muurtje zitten om de omgeving op mij te laten inwerken en mijn twee passage’s uit het boek alsmede de tocht vanuit Nederland te evalueren. Désolé met wat ik de laatste weken gezien heb ben ik niet, integendeel. Deze Frankrijk-reis was de ruim 1500 km trappen, vaak omhoog tegen hellingen aan, maar even vaak omlaag, meer dan waard.
Ik klim in het zadel van mijn fiets en rijd over de brug het plaatsje uit. Op richting de Provence, waar mij vele altijd weer mooie plaatsen wachten die ik opnieuw ga ontdekken.

Frank van Rijn

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!