«

»

apr 06

Het zwarte water

Ergens halverwege Frank van Rijn’s laatste Zuid-Amerika reis staat hij met zijn fiets voor de 4765 meter hoge pas van het Zwarte Water. Het is de zoveelste hoge pas in een lange reeks en stilletjes aan vraagt hij zich af of het niet tóch fijner is om lekker door Afrika te fietsen, waar het een stuk warmer én vlakker is.

Na Afrika fietste Frank van Rijn in de winter van 2000 door Zuid-Amerika, van Temuco in het zuiden van Chili naar Lima in Peru. Onderstaand verhaal speelt zich ergens halverwege af, als Frank 4475 kilometer heeft gereden en nog ruim 9870 heeft te gaan. De Paso de Agua Negra moet hem over de grens van Chili naar Argentinië brengen.

De Elqui-vallei in het noorden van Chili met zijn groene, in het wind wuivende druivenstruiken contrasteert sterk met de grijsgele, steil daarnaast oprijzende bergen. Naar verluidt moet er in deze bijzondere vallei een spirituele sfeer hangen. Men beweert zelfs dat er buitenaardse wezens geland zijn en dat nog steeds regelmatig doen, en dat je de ambiance van mystiek en paranormale krachten moet kunnen proeven, als je je er een beetje voor openstelt.
Blijkbaar heb ik me er niet genoeg voor opengesteld, want veel mystiek proefde ik niet. Wat ik wel proefde, was een vingerhoed Pisco, die mij in Monte Grande tijdens een rondleiding door de plaatselijke distilleerderij werd aangeboden. Pisco is een nogal sterk drankje dat uit de druiven die in de vallei verbouwd worden, gedistilleerd wordt. Waarschijnlijk had ik me beter voor paranormaliteit opengesteld als ik, na de vingerhoed Pisco, nog een liter van hetzelfde spul naar binnen had geslagen. Zonder twijfel zou ik de UFO’s dan in het rond hebben zien vliegen en de Marsmannen om mijn tent hebben horen rennen, maar er wachtte mij een pas die geen paranormaliteit duldde. Als je high bent kom je met een fiets niet erg high en daarom bleef ik die dag low, mij tevreden stellend met een zwart prikdrankje uit een rood blikje, iets waar Pisco-kenners diep op neerkijken, maar wat mij vaak de energie geeft om hoog te stijgen.

De pas waar ik over moest om in Argentinië te komen, was de Paso de Agua Negra, wat Pas van het Zwarte Water betekent. Ik reed omhoog door een kloof waar een beek door vloeide en aangezien het water nogal troebel was, vermoedde ik dat de naam van de pas op dit water sloeg. Dat water was volgens een van de Carabineros van Juntas del Toro, de laatste politiepost vóór de Argentijnse grens, niet zo goed om te drinken: `Er zit te veel arsenicum in.’ Meteen daarna stelde hij me weer gedeeltelijk gerust met: `Het is ook weer niet zó slecht, want er zit niet zo héél véél arsenicum in, maar je moet er toch ook niet te veel van drinken, hoewel… Nu ja, zie maar…’
De gastvrijheid van deze man en zijn collega’s was groter dan zijn duidelijkheid omtrent de graad van drinkbaarheid van het zwarte water, want ik mocht de nacht doorbrengen in de politiepost en ’s avonds met hen mee-eten. De volgende dag nam ik, in verband met de onduidelijkheid omtrent het zwarte water, en omdat er vóór de post van de Gendarmería Nacional aan de Argentijnse kant, 138 kilometer verderop, nergens meer blank water te krijgen was, zes liter water mee uit Juntas del Toro. Daarmee hoopte ik de overtocht te halen.
De ruige kale bergen om me heen vertoonden vele prachtige kleuren en ik schreef die toe aan mineralen, zoals ertsen van ijzer, lood en koper, die in het gesteente zaten. Hier overheerste het rood, daar zaten grote groene aders tussen het geel en verderop zag ik zelfs paarse plekken tussen het grijs. Op sommige plaatsen leek het decor van mijn tocht, vanwege de grote verlatenheid en de artistieke vormen van het door erosie uitgesleten land, op een surrealistisch schilderij, waarvan de schilder zijn fantasie te veel de vrije loop had gelaten.

Er zat weinig verkeer op deze gravelweg. De jeep die me later in de middag van achteren naderde verbrak dan ook bruusk mijn droom de eerste blanke in dit gebied te zijn. Voor de inzittenden van de jeep mocht ik dan misschien niet zo belangwekkend zijn als Diego de Almagro, de ontdekker van Chili, maar belangwekkend genoeg om te stoppen was ik wel, want de jeep hield naast me halt.
"Waar ga je heen?", vroeg de chauffeur, zich naar het rechter raampje buigend, nadat de man naast hem dit had opengedraaid. Naar zijn accent te oordelen was hij Argentijn; naar het nummerbord van de jeep te oordelen trouwens ook.
"Naar Lima", antwoordde ik.
"Naar Lima?? Dan zit je op de verkeerde weg, want hier ga je naar San Juan."
"Vaak is de verkeerde weg mooier dan de goede."
Daar waren de Argentijnen het mee eens: "Ja, dat is waar, en je bent al bijna op de pas. Nog een uurtje, denk ik."
"Achtenveertig kilometer red ik niet in een uurtje",
antwoordde ik, "maar mórgen over een uurtje ben ik er wel, als het meezit."
"Maar als je daar eenmaal bent, is het alleen nog maar remmen naar de post van de Gendarmería Nacional, waar je weer water kunt krijgen. Die 54 kilometer rijd je wel makkelijk in een uurtje."
"Zou het?",
vroeg ik. "Met alleen maar remmen wordt het lastig om 54 kilometer per uur te fietsen, lijkt me."
De mannen gingen over op een ander onderwerp en vertelden me dat ze zich aan het voorbereiden waren op een estafette-marathon van 500 kilometer vanaf San Juan, over deze pas naar La Serena aan de Chileense kust.
"Een marathon voor jeeps?"
"Nee, we zijn het traject aan het verkennen en gaan boven op de pas wat hardlopen om aan de hoogte te wennen."

Ikzelf moest ook weer aan de hoogte wennen want Cristo Redentor op 3900 meter, tussen Mendoza en Santiago, was tot dan toe het hoogste waar ik op deze reis was geweest. Veel meer dan tegen zuurstofgebrek zag ik op tegen de beruchte koude Andes-nachten. Tijdens de voorbereidingen van deze tocht had ik het vaak al benauwd warm gekregen van de herinneringen aan de ijzig koude overnachtingen in mijn tentje, toen ik in 1985 door de Andes trok. Daarom had ik voor vertrek uit Nederland mijn tropentent omgewerkt tot iglo door alles af te dichten wat er af te dichten viel, zodat hij uiteindelijk potdicht zat. Verder had ik een forse stapel kleren bij me, waaronder thermisch ondergoed en een dikke fleecetrui. Deze professionele uitrusting werd gecompleteerd door twee Arctic Comfort slaapzakken, die ik over elkaar kon schuiven en waar ik dan zelf ook nog net bij kon. Met dergelijke slaapzakken was enkele jaren daarvoor een expeditie naar de Noordpool uitgerust, wat me eigenlijk een gerust gevoel zou moeten geven, maar ondanks al die fraaie spulletjes en het feit dat ik wel vaker voor de gloeiend hete vuren van de bitter koude Andes had gestaan, vreesde ik de ijzige vuurproef die me die nacht op 3600 meter te wachten stond.

Gelukkig bleek het mee te vallen, maar toen ik de volgende ochtend mijn tent uit kwam, sloeg de kou meedogenloos toe. Met al mijn kleren aan liep ik eerst een kwartier lang rondjes om me op te warmen. De zon kwam daarna snel omhoog en omdat het niet woei, was de kou om een uur of negen verdwenen. Toen begon zich echter het zuurstofgebrek te manifesteren. Ik hijgde alsof ik een koers reed, kreeg een looiig gevoel in mijn benen en een licht gevoel in mijn hoofd en kwam steeds trager vooruit, terwijl ik naar mijn gevoel steeds zwaarder op de trappers bonkte. Ondanks, maar eigenlijk ook dankzij, al die ongemakken genoot ik want als alles vanzelf zou gaan zou de aardigheid er snel af zijn. Dan had ik beter mijn geld kunnen houden door thuis te blijven om via de beeldbuis van de Andes te genieten. Maar een landschap komt pas echt tot zijn recht als je er zelf intensief in bezig bent, althans zo ervaar ik dat. Gelukkig degenen die dat niet zo ervaren en die genoeg hebben aan de tv (of Op Pad).

Voor me uit zag ik de weg in een, voor het oog, vrijwel horizontale lijn langs de helling van de berg naar een haarspeldbocht in de verte lopen. Door mijn inspanning wist ik echter dat dat horizontale optisch bedrog was en dat de weg wel degelijk fors klom. Dat was goed, want als je niet klimt, kan het lang duren voordat je een pas over bent en dus zou het dan uiteindelijk allemaal nog veel vermoeiender worden dan nu.
Links keek ik in een reusachtige vallei waar ik een uur eerder had gereden. Daarachter verhief zich een roodachtig massief dat er, afgezien van de besneeuwde toppen, uitzag als een Marslandschap, zoals ik dat vroeger in stripboeken had gezien. Ik heb wel eens ergens gelezen dat op Mars bergen staan van 30 kilometer hoogte. Daarmee vergeleken was dit Andes-gepruts een spelletje. Op een Marspas zou je pas echt merken wat zuurstofgebrek is.

Toen ik na een korte pauze in de haarspeldbocht weer op de fiets stapte, bleek dat ik het hier met dit `Andes-gepruts’ ook echt merkte, want meteen zakte er een lading lood in mijn benen. Door rustig aan te doen steeg die er na een paar minuten weer uit. Ik zat zo langzamerhand op ongeveer 4300 meter hoogte, maar er moest nog wel wat bij om in Argentinië te komen. Langzaam als een tobberige tor werkte ik me over de gravelweg vooruit en met het hoger komen werden de sneeuwtoppen boven op de bergen indrukwekkender.
Weer kilometers verder draaide de weg langs de bergwand mee naar links, waardoor ik opeens de pas in het vizier kreeg, ver vooruit. Op dit laatste traject naar de top kwam ik langs een woud van ruige, enkele meters hoge penitentes, ijspilaren die met hun scherpe punten dreigend naar de staalblauwe hemel wezen. Sneeuw, zon, vorst, wind en regen hadden deze kunstwerken gevormd, misschien wel om de vermoeide fietser of marathonloper enigszins af te leiden van het ongerief dat een luchtdruk van 0,56 atmosfeer met zich meebrengt.

Het was al ver in de middag toen ik, gekraakt en voldaan, maar met nog steeds een licht gevoel in mijn hoofd, op de Paso de Agua Negra aankwam, de pas van het Zwarte Water. Water zag ik echter niet, want ik had de troebele beek al uren geleden achter me gelaten. Dorstig keek ik rond, in de hoop om net als op zo vele alpenpassen, een souvenirtentje te ontdekken waar van die rode blikjes verkocht worden, die je al van tientallen meters afstand herkent en waarin ook een soort agua negra zit. Die zwarte, intercontinentale godendrank zou me nu niet onwelkom zijn en het leek me zeer goed mogelijk dat deze pas dáárnaar genoemd was door de eerste fietser die hier ooit overheen was gekomen. Er stond echter geen stalletje en ik kon me dat ook wel voorstellen, want op veel klandizie zou je op deze hemelse hoogte van 4765 meter boven zeeniveau niet mogen rekenen als frisdrankondernemer. Wat er wel stond was een bordje met República Argentina, een soort welkomstbordje van een nieuw land en eigenlijk was dat veel mooier dan zwart water. Ik nam een slok helder water uit een van mijn bidons en liet mijn blik langs de woestenij van ijsvelden, rotsen en besneeuwde bergtoppen glijden. In geen uren had ik een mens gezien, maar juist toen ik me een beetje de eerste Marslander begon te voelen, kwam er een jeep vanaf de Chileense kant omhoog gebromd. Er bleek een Duitser in te zitten die probeerde heel Chili in een week te `doen’, wat hem, te oordelen naar de snelheid waarmee hij rondrende om foto’s te knallen, ging lukken.
"Geweldig, hè, die bergen", riep hij en hij stoof onmiddellijk op een rots af om er een plaatje van te maken.
"Waar kom je vandaan met die fiets?", vroeg hij een tel later, maar mijn antwoord ontging hem, want hij lag alweer op zijn buik voor een artistieke kiek.
"Waar zei je dat je vandaan kwam?", vroeg hij overeind komend, maar nog voordat ik een tweede poging kon wagen antwoord te geven, zat hij al in zijn jeep en riep met zijn hoofd uit het raampje: "Gezellig met je gesproken te hebben! Goede reis!", en weg bromde zijn jeep.

De afdaling verliep, zoals ik ook wel verwacht had, moeizaam. De fiets bonkte over de nogal ruwe gravel en daarmee bonkten ook mijn ruggengraat en schedel, zodat ik er een zwaar hoofd in begon te krijgen dat mijn lichte hoofd met de weer toenemende luchtdruk snel zwaarder zou worden. Sneller dan vijftien kilometer per uur kwam ik niet vooruit, maar dat was toch nog bijna duizelingwekkend snel ten opzichte van het tempo waarmee ik had geklommen.
In enkele lange zigzaggen slingerde de weg langs de oostelijke bergwand omlaag met als decor nog steeds de reusachtige besneeuwde bergketen aan de Chileense kant. Verderop dook ik een betrekkelijk smalle kloof in, die het moeilijk maakte om een redelijke plek voor de tent te vinden, maar kort voor donker kwam ik weer in een bredere vallei en daar zag ik, een eindje van de weg af, een enigszins beschut plekje om te kamperen.
Die avond kladde ik hongerig en rillend van de kou nog even snel twee en een half kantje van mijn dagboek vol. Tijd voor een van mijn vele, alom geroemde culinaire composities had ik na die noeste schrijfarbeid niet meer. Daarom propte ik, terwijl de duisternis snel en vergezeld van een meedogenloze kou over het verlaten bergland viel, een stuk brood in mijn mond en wurmde me vervolgens mijn potdichte pooltentje, mijn thermische kleding en mijn twee concentrische slaapzakken in.

Als ik nu die laatste, in alle haast geschreven regels van 6 februari 2000 nog eens overlees, ben ik verbaasd: Me vandaag geheel leeggereden. Vraag me af of een dergelijke reis met zoveel hoge passen erin, wel verstandig is. Is het niet fijner om lekker door Afrika te fietsen, waar het een stuk warmer is en waar je je niet te pletter hoeft te trappen op zulke krankzinnige passen? Alsjeblieft! En nu in mijn warme huisje in Drenthe maar schrijven dat ik het toen allemaal zo geweldig vond! Maar wat lees ik verder in mijn dagboek?
Maandag 7 februari: ’s Nachts slecht geslapen, evenals gisternacht, waarschijnlijk door zuurstofgebrek, hoewel ik weer geen last van de kou heb gehad. Geweldig pooltentje! Ik voelde me ’s morgens, geheel tegen de verwachting in, prima: vol energie en geen last meer van spieren, knieën, rug en hoofd. Met de zon erbij dreef mijn pessimistische bui van gisteravond dan ook snel weg.
Kijk aan, die volgende ochtend kon ik blijkbaar beter beoordelen of ik het op de klim naar mijn zin had gehad, dan direct na mijn zware bergetappe, toen ik er nog te dicht bij stond en kou, honger, een licht hoofd, spierpijn en algehele vermoeidheid mijn leeggetrapte lichaam tergden. De conclusie is dan ook dat je soms iets heel erg fijn vindt, zonder dat je je het op dat moment goed realiseert. Wantrouw dus mensen die beweren dat ze passen rijden niet fijn vinden. Natuurlijk vindt `iedereen’ passen rijden fijn, maar niet iedereen verstaat de kunst zich daar rekenschap van te geven.

Ik daalde die ochtend verder af en kwam na wat gezwoeg door een zandig stukje om een uur of negen bij de post van de Gendarmería Nacional aan, waar ik begroet werd door onder andere … de twee marathonlopers die ik de dag ervoor op de klim had ontmoet.
"En, hoe was de afdaling?", wilden ze weten.
"Flitsend", antwoordde ik. "Ik heb die 54 kilometer in een recordtijd van 3 uur 37 minuten gereden. Er lag hier en daar gruis en zand, dus ik hoefde niet eens alleen maar te remmen."
"Ja, een uur om te dalen was wel een beetje optimistisch van ons. Maar kom binnen. Je zult wel trek hebben in een ontbijt."
Toen ik plaats had genomen aan een grote tafel werd mij brood met honing gebracht en vervolgens een bak zwarte koffie… en opeens wist ik waar de Paso de Agua Negra zijn naam aan dankt.

(OP Pad #7 september/oktober 2002)

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!