Een weggetje dat je op je sloffen doet

Door een nogal desolaat bergland fietste ik van Vardzya in de richting van Tbilisi. Dicht voor de grote afdaling naar Manglisi werd ik weer eens aangevallen door een stel honden die vonden dat ze Georgië tegen vreemde indringers moesten beschermen. Snel trok ik, als Ivanhoe, mijn zwaard van onder een binder vandaan, gooide mijn fiets op het plaveisel en stormde met een woeste schreeuw op mijn belagers af. Hoewel mijn zwaard van hout was en net zo scherp als een bezemsteel, had mijn tegenaanval succes. De draken kozen schielijk het hazenpad. Toen de laatste met de staart tussen de poten in het struikgewas verdween, verscheen om de bocht van de nogal verlaten weg een grote glimmende machine van het luxe land cruiser type.
De auto met het kenteken SPS103 stopte en een man in een veelkleurig wielertenue stapte uit, alsmede een in een keurig zwart pak gestoken man die eruit zag als iemand waar je liever geen ruzie mee maakt. Even stond ik vreemd te kijken, een wielrenner in Georgië? Zo iemand is ongeveer net zo zeldzaam als een eskimo in de Sahara. Maar vrijwel onmiddellijk herkende ik in deze sportverschijning Eduard Roelofs, de vader van de meest populaire vrouw van Georgië, Sandra Roelofs, de echtgenote van de president. De man in het zwart kon niet anders dan Eduards persoonlijke lijfwacht zijn.

Eduard had ik leren kennen op de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam en we hadden daar afgesproken dat hij mij op mijn fietstocht door Georgië een stuk zou begeleiden. Na een enthousiaste begroeting, waarbij ik uitlegde wat mijn houten zwaard te betekenen had, haalde Eduard zijn fiets uit de achterbak, een prachtige gepoetste felgele mountainbike.
“De fiets van de president”, lichtte Eduard toe, “maar ik mag er op rijden. Hij heeft het toch te druk”.
“Geen Gazelle”, constateerde ik kritisch.
“Nee, nu je het zegt”, gaf Eduard toe.
“Daar moet natuurlijk verandering in komen”, vond ik, ”maar er is wel mee te rijden, hoop ik”.
Dat er mee te rijden was bewees Eduard die er meteen als een speer vandoor ging. Omdat ik mijn bagage in de auto kon deponeren, kon ik ook aardig uit de voeten en zo stoven we heuvel op, heuvel af richting Tskneti, een plaatsje dat ca. 600 meter boven de hoofdstad Tbilisi ligt. Daar logeerde Eduard met zijn vrouw Magda in een fraai appartement op een zwaar bewaakte compound waar veel regeringsfunctionarissen wonen.

Ik werd er door beiden gastvrij ontvangen en na de uitgebreide thee liepen we wat door het plaatsje. Dicht achter ons liep de man in zijn zwarte pak met een pistool onder zijn jasje.
“Die lijfwacht volgt ons waar we gaan en staan”, lichtte Eduard toe.
“Leuk?” vroeg ik.
“Soms”.
Dat het zijn aantrekkelijke kanten had, merkte ik drie minuten later.
“Vanavond wordt in de opera van Tbilisi Rigoletto opgevoerd”, liet mevrouw Roelofs zich op een gegeven moment ontvallen.
“Jammer dat het daar nu te laat voor is”, antwoordde ik.
“Te laat?”vroeg Eduard. “Het begint om 7 uur en het is nu 6 uur”.
“Ja, dat bedoel ik. Eer we gegeten hebben, die 15 km hebben gereden door het, ongetwijfeld waanzinnige verkeer van de hoofdstad en kaartjes hebben gekocht, als die er nog zijn, is de eerste acte al ruimschoots voorbij”.
“Let maar eens op”, zei Eduard en overlegde het een en ander in het Russisch met zijn lijfwacht. Die haalde vervolgens zijn mobiele telefoon voor de dag, belde wat heen en weer en 5 minuten later kwam de SPS103 voorgestoven, (Special Presidential Service). Eduard en ik stapten in en meteen stoven we omlaag, richting Tbilisi. Magda moest thuis blijven om op hun kleinzoontje te passen, de president junior. Alsof we een rally reden, stoven we even later door de stad, stoplichten negerend en politieauto’s met afzonderlijke zwaailichten aan de kant toetterend.
In een restaurantje tegenover de opera, dat veel weg had van een metrotunnel, maar waar ze snel een goede gathchopuri op tafel wisten te zetten, deden we ons tegoed aan deze dikke warme, met kaas en ei gevulde broden, een specialiteit van Georgië. Om 5 voor 7 waren de gatchopuris naar binnen gewerkt. We staken de Rustaveli, de drukste straat van heel het land, over, waarbij onze lijfwacht het verkeer voor ons tegenhield en gingen onder zijn leiding de opera binnen via een zijdeurtje.
“Moeten we niet aan de voorkant in de rij gaan staan voor een kaartje?” vroeg ik.
“Ik laat alles maar gewoon over me heenkomen”, antwoordde Eduard. De lijfwacht bracht ons regelrecht naar de loge waar indertijd de tsaar nog best wel eens gezeten zou kunnen hebben en zo waren we precies op tijd voor de ouverture.

Dat zo’n lijfwacht die altijd achter je aan hobbelt ook nadelen kan hebben, merkten we een paar dagen later toen we op weg waren naar Kazbegi, hoog in de Caucasus en dicht bij de Russische grens. Een extra ritje naar de Truso-kloof lokte ons erg aan en dus sloegen we 7 km voorbij de Ivari-pas een zijdal naar het westen in. Enkele kilometers verder kwam de auto met lijfwacht die al die dagen min of meer op onze achterwielen reed, naast Eduard rijden. Er volgde een gesprek in het Russisch dat ik niet verstond maar Eduard lichtte het even later toe:
“We moeten dit paadje op”.
“Welk paadje?” vroeg ik rondkijkend.
“Dit hier links”.
Inderdaad ontwaarde ik door een onooglijk ruig keienpad dat ijzingwekkend steil omhoog voerde, de zijkant van de kloof op.
“Waarom daarheen?” vroeg ik. “De Truso-kloof is toch rechtuit?”
“Ja, maar de weg is verderop versperd door gevallen stenen”.
“Daar tillen we onze fietsen gewoon even overheen”.
“Jawel, maar de SPS103 kon er niet door”.
“Dan wacht die hier, want we komen toch over een paar uurtjes op deze plek terug”.
“Uitgesloten. De security mag niet van me wijken. Speciale order van de president”.
En zo fietsten en sjorden we onze fietsen kilometers lang over het ezelpad omhoog. Op zich geen onaardige bezigheid, maar als er een relatief comfortabel en mooier alternatief is, krijgt zo’n exercitie iets van slavenarbeid. Eduard die kort daarvoor nog de loftrompet had gestoken over zijn geweldige kliksysteem waarmee zijn wielerschoenen aan de trapper vastklikken, slipte opeens over een van de 10.000.000.000 keitjes op het pad. Omdat hij zijn schoenen niet snel genoeg uit de klik kreeg, maakte hij een geweldige smak.
“Wat nu”? vroeg ik verbaasd. “Op een weg als deze is zo’n kliksysteem een blok aan het been”.
Na een tweede doffe dreun op de keien opende hij de kofferruimte van de SPS, haalde daar zijn pantoffels uit en begon zijn kliksysteem schoenen los te maken.
“Wat ga je doen?”, vroeg ik.
“Ik ga mijn pantoffels aantrekken. Daarmee kan ik tenminste fatsoenlijk over dit keienpad”.
En zo kwamen we, na een afdaling die zo steil was dat we er moesten lopen, omdat je anders zelfs met pantoffels aan een doodssmak maakt, in de prachtige Truso-kloof terecht. Eenmaal op veilige grond merkte Eduard snedig op: “Een weggetje dat je op je sloffen doet”.

Georgië
15 oktober 2007