Een passage uit mijn boek ‘Pelgrims en pepers’.

Baluchistan zuiden van Afganistan
In Baluchistan, juist ten zuiden van Afganistan, kwam ik in 1983 door stammengebieden waar landheren oppermachtig waren. Zo lang het verkeer op het ongeveer 650 km lange traject van de Iraanse grens tot Quetta op het smalle asfaltweggetje bleef werd het over het algemeen ongemoeid gelaten, maar daarbuiten was de reiziger vogelvrij, omdat de regering van Pakistan zich niet wilde inmengen in de interne aangelegenheden van de stammen, op straffe van een mogelijke bloedige burgeroorlog.
Hier volgt een passage uit mijn boek ‘Pelgrims en pepers’, dat de gastvrijheid van deze mensen goed illustreert

 

 

Uitgenodigd per katapult

Zo nu en dan stoof me een bus voorbij. Ik begon zo langzamerhand
een beetje een hekel aan die mooi versierde dingen te krijgen. Niet
alleen moest ik dan schielijk de berm in duiken, maar ook vlogen mij
soms klokhuizen en halve tomaten van passagiers op het dak om de
oren. Een enkele keer werd er zelfs met een steen gegooid. Die
steen moest de werper voor vertrek opgeraapt hebben, waaruit ik de
conclusie trok dat hij niet gooide uit haat of om mij te verwonden,
maar gewoon om te zien of hij zo bedreven was in zijn sport, dat hij
vanuit de bewegende bus een ander bewegend voorwerp kon raken.
Een zuiver wetenschappelijk experiment. Dan kreeg ik echter de
neiging om ook wetenschappelijke experimenten te verzinnen, die
ik op de stenenwerper zou toepassen indien hij mij in handen zou
vallen.

tribal-jongens geliefd stukje speelgoed. Daarmee kunnen ze oefe-
nen op vogels en geiten. Later als ze groot zijn kunnen ze deze erva-
ring goed gebruiken als ze overgaan op pistolen en geweren. De
katapult is dus een stukje tribal folklore en normaal zou ik me daar-
aan niet storen. Wanneer echter een geladen en gespannen katapult
op mij gericht wordt stoort me dat wel en dat was wat gebeurde.
Toch al in een slecht humeur door het gedrag van de mensen op het
dak van de bus die mij zojuist voorbijgestoven was, had ik weinig
geduld om de jongen in het Urdu uit te gaan leggen dat hij dat niet
moest doen. Ik smeet mijn fiets tegen een muur en stoof op de jon-
gen af. Verschrikt liet hij zijn katapult vallen en rende de hoek van
de straat om. Toen ik de hoek om kwam stond ik plotseling voor een
reus van een kerel, gekleed in een kaki vest en broek. Op zijn hoofd
droeg hij een grote blauwe Afghaanse tulband en in zijn hand hield
hij een oud geweer met houten kolf. Het jongetje verschool zich
achter deze indrukwekkende verschijning en daarmee was mijn
behoefte om hem de les te lezen ineens sterk afgenomen.
‘Problem?’ vroeg de man toen hij mij zag aarzelen.
‘Yes problem’, antwoordde ik. ‘Uw zoon richtte zijn katapult op
mij.’
‘Son good boy’, zei de man en streek zijn zoon door de haren
die er niet zaten.
‘Good boy of niet good boy, ik heb er weinig belang bij een
steen tegen mijn hoofd te krijgen.’
‘No stone. Joke. Good boy. Come, drink tea and stay night.’
Het is ongelooflijk hoe je het ene moment getergd kan zijn
door het gedrag van mensen en het volgende moment uitgeno-
digd wordt om thee te drinken en te logeren. Ik ging mee naar het
simpele huis en werd er met oosterse gastvrijheid ontvangen.
‘Sit’ zei de man en wees op een kussen dat op de grond tegen de
muur lag. ‘Mie miester Khan. Mie chief wielliedzje.’
‘Mie Frank’, antwoordde ik, ‘bike traveller from Holland’.
‘Good, good. Aziz other son. Speak good Ingeliesh.’ Hij liep
het vertrek uit en ik hoorde hem met een stentorstem ‘Aziz, Aziz’
roepen. Even later verscheen hij weer met een jongen van een jaar
of twintig. Aziz bleek inderdaad beter Engels te spreken dan zijn
vader en zei: ‘We are very glad that you are our guest.’
‘Ja’, antwoordde ik, ‘dat hebben jullie aan je broertje te danken’.
En ik had het ook aan zijn broertje te danken dat ik hier zo gastvrij
onderdak had gevonden. Weer hoefde ik mijn tent niet op te zetten
in deze tribal area en had ik een veilige nacht. En daaruit is te leren
dat schijnbaar onveilige dingen als geladen katapults toch tot een vei-
lige situatie kunnen leiden… en tot nieuwe vriendschappen.

0110
De bevolking was in die gebieden tot de tanden bewapend, maar erg vriendelijk en zolang ik mijn netjes en vriendelijk gedroeg, wat ik meestal ook doe en zeker daar in Baluchistan, waren de mensen ook vriendelijk en erg gastvrij tegenover mij.

Geef een reactie