Een oude bekende in Abu Simbel

Na een interessante tocht vanaf Caïro via de oasen van Farafra, Dakhla en El Kharga naar Luxor en verder naar het zuiden door het Nijldal kwam ik in Aswan aan waar in 1962 een grote dam in de Nijl gebouwd is die het Nassermeer deed ontstaan. Ik nam er een hotelletje en het eerste wat de hoteleigenaar me na inschrijven vroeg was: “Abu Simbel?”
Ik antwoordde natuurlijk bevestigend, want helemaal naar Aswan fietsen en dan niet Abu Simbel gaan zien is als Parijs bezoeken en niet op de Eifeltoren klimmen, naar Rome reizen en het Colosseum links laten liggen of een expeditie naar Havelte ondernemen en als cultuurbarbaar de hunebedden voorbij peddelen.
“We hebben een dagelijkse toeristenbus naar Abu Simbel voor 80 pond per persoon. Reveille om 3 uur ’s morgens, vertrek 3h30′ en terug hier in Aswan om 3 uur ’s middags” zei de hotelier.
Ik antwoordde dat ik mijn eigen transport had en wees op mijn fiets.
“De politie zal je niet laten gaan met een fiets.”
“Waarom niet?”
“Er mag daarheen alleen in konvooi gereden worden met politie escorte.”
“Is het daar dan zo gevaarlijk?”
“Er zitten wilde dieren. De regering wil toeristen zo veilig mogelijk door Egypte laten reizen, vandaar het dagelijkse konvooi.”
“Wat voor wilde dieren?”
“Slangen bijvoorbeeld en schorpioenen. En wat doet u als er plotseling voor uw fiets een vos oversteekt?”
“Dan probeer ik hem aan zijn staart te trekken, maar dat is me zelfs in Nederland nog nooit gelukt.”
Dat er van Aswan naar Abu Simbel slechts in konvooi gereden mag worden is me al jaren bekend, maar ik wilde toch een poging wagen er op de fiets heen te gaan. Daarom toog ik de volgende dag naar het bureau van de toeristen politie.
“Kunt u mij toestemming geven om naar Abu Simbel te fietsen?” vroeg ik, nadat ik de chef te spreken had gekregen.
“Er gaan bussen heen.”
“Mijn fiets is comfortabeler.”
“Aha een motorfiets! Haalt u daar 120 km/h mee?”
“Nee een echte fiets en daar haal ik misschien wel 20 km/h mee.”
“Dan kunt u het konvooi niet bijhouden.”
“Dat lijkt me geen bezwaar.”
“Ja dat is wel een bezwaar, want er mag daar alleen in konvooi gereden worden.”
“Maar daarvoor ben ik nu speciaal naar u gekomen. Kunt u mij toestemming geven om naar Abu Simbel te fietsen, dus zonder konvooi?”
Hierop ging de chef een paar nummers bellen, sommige met zijn vaste telefoon op zijn bureau, andere met zijn mobiele telefoon. Geen van alle gaven echter antwoord. Er volgde een gesprek in het Arabisch met een man die aan een bureau tegenover dat van de chef zat, waarna de chef op zijn gemak weer wat nummers ging bellen. Uiteindelijk werd er een beantwoord wat resulteerde in een gesprek, lang genoeg om een leek de volledige relativiteitstheorie tot in de finesses uit te leggen. Vervolgens legde de chef de telefoon neer, stak op zijn gemak een sigaret op en zei: “Helaas”.
Ik antwoordde dat ik het niet erg vond dat ik het konvooi niet kon bijhouden en voegde er aan toe: “Ik heb een kaart en een compas, dus ik vind de weg zelf wel.”
“Ik twijfel niet aan uw navigatietalent maar het is nu eenmaal de regel dat er naar Abu Simbel in konvooi gereden wordt.”
“Elke regel heeft zijn uitzondering, en ik zou het zeer op prijs stellen als u voor mij die uitzondering kunt maken. Ik ben namelijk schrijver en het lijkt me razend interessant om het een en ander over die tocht naar Abu Simbel te schrijven.”
De chef zoog peinzend aan zijn sigaret, legde die vervolgens nog peinzender in een asbak, nam bedachtzaam zijn mobiele telefoon ter hand en belde weer een nummer, maar na een aanvullende relativiteitstheorie in het Arabisch was het resultaat: “Helaas.”
In ieder geval had de man de indruk gewekt zijn best voor me te doen, maar achteraf gezien stond het resultaat natuurlijk van tevoren al vast. Toch interessant om weer eens een politiechef gesproken te hebben en bovendien had het een gratis kop thee kunnen opleveren. Waarom dat deze keer niet lukte is me niet geheel duidelijk.
Meestal begint een dergelijk gesprek in Arabische landen met het laten aanrukken van een glinsterende kan hete thee op een even glinsterend serveerblad. Misschien was de chef toch lichtelijk gepikeerd dat ik hem voor zoiets onnozels als fietsen van zijn werk had gehouden.

De volgende ochtend om 3 uur werd er op mijn deur gebonsd en rond half vier stopte er een minibus met 16 zitplaatsen voor het hotel. Met een lichte verwondering constateerde ik dat er, met mijzelf inbegrepen, ook 16 toeristen in zaten, maar bij de verzamelplaats van het konvooi werd die verbazing verdreven door een zeventiende toerist die er bij gewrongen moest worden. Die moest op een klapstoeltje in het middenpad plaatsnemen. Met een gul gebaar bood ik de nieuwkomer mijn plek aan, en nam ik plaats op het klapstoeltje, wat mij de mogelijkheid gaf mijn benen languit naar voren te plaatsen, terwijl de rest van het gezelschap met de knieën zo ongeveer tegen de neus zat. Comfort was hier van niet te onderschatten belang, want ons wachtte niet een uitje naar de golfbaan of de sociëteit. Er moesten 280 harde kilometers gekraakt worden om in Abu Simbel te komen en dan later natuurlijk ook weer zo’n lang eind terug. Voor geharde busreizigers natuurlijk een peulenschil, maar voor iemand die zich zijn leven lang verwend heeft met een fiets, een beproeving.
Op het verzamelpunt telde ik 20 minibusjes en 10 grote bussen, wat, uitgaande van een 100% bezetting in plaats van 106%, zoals bij ons, op een totaal van ongeveer 800 toeristen uitkwam. Dat leek me een voorspelbare en rijke prooi voor een groepje gewapende bandieten, politie escorte er bij of niet.
Om 4h 30′ ging het konvooi van start en zodra we de dam in de Nijl over waren zaten we op de asfaltweg door de woestijn. Daar werd meteen fors op het gaspedaal gedrukt. Ik kon de snelheidsmeter van onze minibus goed in het oog houden en zag dat die tussen de 115 en 120 km/h zweefde. Regelmatig zag ik in de berm een bord langssuizen waarop de maximaal toegestane snelheden van de diverse weggebruikers vermeld stond: Personenauto’s 90km/h, minibusjes 80km/h, grote bussen 70km/h en vrachtwagens 60km/h. Een chauffeur die zich daaraan hield, zou in overtreding zijn, want die zou dan het konvooi niet bijhouden, maar door het bijhouden van het konvooi overschreed hij dus de maximale snelheid. Ik vroeg me af of het politie escorte deze snelheid zelf aangaf, maar eigenlijk heb ik de hele rit heen, zowel als terug nooit een politieauto gezien, wat niet wil zeggen dat die er niet was, want zo’n autootje kun je natuurlijk in de massa van dertig voortjagende stukken blik makkelijk over het hoofd zien.
Er werd geracet, ingehaald alsof het een wedstrijd was en veelal links gereden, waarschijnlijk omdat het asfalt daar iets effener was dan rechts. Tegenliggers en ook vele bussen van ons konvooi reden zonder licht, misschien om benzine te sparen, het milieu te ontzien, of, zoals iemand mij later uitlegde “om de tegenliggers niet te verblinden”. Werd het dan werkelijk spannend dan gooide zo’n tegenligger even zijn grote lichten aan om te laten zien dat het nu toch een keertje tijd werd om naar de rechterkant terug te keren. Dat gebeurde dan ook steeds op het laatste moment, waarop de minibus meteen weer naar links zwenkte voor meer rijcomfort.
Ja, ja, mijn hotelier had het bij het rechte eind: “De regering wil toeristen zo veilig mogelijk door Egypte laten reizen”.
Dus ’s nachts in een bus, zonder licht en op de linker weghelft met 115 km/h waar 80 is toegestaan. Dan ben je er in ieder geval zeker van dat er geen vos voor je fiets oversteekt en mocht er een voor de bus oversteken dan wordt die gewoon platgereden, dus veiliger kan het al niet.

En waarvoor nu om 3 uur ’s morgens opstaan, 80 Egyptische ponden neertellen en vervolgens beangstigend veilig enige uren door de woestijn voortgesleept worden? Wat plaatst Abu Simbel op een lijn met de Eifeltoren van Parijs, het Colosseum in Rome en de hunebedden van Havelte? Mijn geachte weblezers zullen het ongetwijfeld weten, maar voor het geval zich onder hen iemand bevindt die er even niet op kan komen, het volgende geheugenopfrissertje:
Zo’n 4000 jaar geleden kwam Ramses II, Farao van Egypte, op het aardige idee om, ter meerdere eer en glorie van zichzelf en om de werkloosheid in zijn land terug te dringen en zo tienduizenden slaven weer een baan te bezorgen, twee grote tempels uit te laten hakken in de rotsen naast de Nijl. Het werden twee meesterwerkjes waar Ramses en zijn bouwmeesters, alsmede de tienduizenden nogal onderbetaalde medewerkers met recht trots op konden zijn: Voor de ene tempel bleven, na fors bik- en hakwerk vier zittende, en voor de andere tempel zes staande giganten over. En dan de wanden! Zowel binnen als buiten werden die volgebeiteld met figuren en tekens in reliëf die hele verhalen en sagen uitbeeldden, eigenlijk dus historische stripverhalen in steen, de Egyptische Asterix, zou je kunnen zeggen. Alles werd natuurlijk oerdegelijk uitgevoerd, want het moest de millennia trotseren, ja de eeuwigheid benaderen. Maar helaas …. Ramses had er geen rekening mee gehouden dat enkele van zijn verre nazaten 4000 jaar later op het voor hem onzalige idee zouden komen om 280 km stroomafwaarts van zijn mooie tempels een hoge stuwdam in de Nijl te gaan plaatsen. Door die dam dreigden zijn pronkstukken voor eeuwig onder het Nijlwater te verdwijnen. Om Ramses te hulp te komen zaagde men de tempels en de beelden in brokken en bouwde de aldus ontstane driedimensionale legpuzzel een eind hoger op het droge weer precies in de originele stand weer op.
Ziedaar een bezienswaardigheid, waar je wat voor over moet hebben om hem te zien. Logisch dat elke dag weer zo’n 800 toeristen hun fiets laten voor wat hij is en plaats nemen in de Egyptische Dinky Toys om zich afgrijselijk veilig naar Abu Simbel te laten vervoeren.

“Over twee uur terug bij de bus” zei de chaufeur, voordat we, gaar van de rit, naar buiten mochten. Meestal kijk ik een beetje meewarig toe als een gezelschap toeristen gekraakt een bus uitstrompelt dat dan binnen zoveel tijd weer terug moet zijn omdat anders het zo fraai berekende en opgestelde tijdschema in de soep loopt. Nu spoelde ik zelf mee in zo’n groep!
Twee uur slechts! Ik had gedacht dat we daar een dagje rustig konden rondkijken. Op zo’n moment realiseer je je in ieder geval weer eens hoeveel vrijheid een fiets je verschaft!
Het toegangsloket voor de tempel had moeite om de golf van 800 bezoekers te verwerken, maar uiteindelijk stond ik dan toch voor de grote tempel van Ramses II. Van de vier grote zittende beelden lag de tweede van links volledig aan puin op de grond maar de drie andere zaten er nog puntgaaf bij. Zeker een ongelukje met een hijsmachine, veronderstelde ik, maar voor de rest hadden ze het toch allemaal netjes voor elkaar gekregen met die hele verhuizing van die twee reuzentempels. Waar gehakt wordt valt wel eens een spaandertje. Daar moet je niet te moeilijk over doen!
Terwijl ik wat foto’s maakte, probeerde ik me voor te stellen hoe je je als machinist van een enorme hijskraan voelt als er een 4000 jaar oude farao uit je grijper schiet en als een vers ei onder je op de stenen uiteen spat. “Ik drukte op het verkeerde knopje” zal hij ’s avonds tegen zijn vrouw hebben gezegd “maar ik deed het niet met opzet”.
Op dat moment kwam me dat andere Islamitische land voor de geest: Afghanistan, waar ze een aantal jaar geleden ongeveer even oude, even grote, historische even waardevolle uit de rots gehakte beelden wel met opzet uit elkaar hebben laten spatten, want Buddha was geen Islamiet en moest er dus aan geloven, te meer daar afbeeldingen van levende wezens door de Islam verboden zijn.
Heel de wereld keek met afgrijzen toe hoe die kunstschat vernietigd werd, net zoals de hele wereld in 1962 met bewondering toekeek hoe Egypte deze Farao’s redde van de ondergang.
“Waarachtig! Als dat Frank van Rijn niet is!” hoorde ik plotseling achter me zeggen. Ik draaide me verbaasd om en stond oog in oog met een bekende Nederlander: Fred uit Nijmegen. Nu zal niet iedere Nederlander deze bekende persoonlijkheid kennen, maar daar zal in de toekomst vrij zeker verandering in komen. Niet alleen weet Fred allemachtig veel van belastingzaken, wat al zeer bewonderenswaardig is, maar ook heeft hij ondertussen een onmetelijke kennis verzameld op het gebied van wereldreizen op de fiets. De laatste keer dat ik hem zag, al weer een paar jaar geleden, was hij al 16 jaar bezig met het voorbereiden van zijn eerste wereld-fietstoer. Hij vertelde me toen dat hij soms nachtmerries had van de gedachte aan een lekke band of een gebroken spaak, ergens in de rimboe van Afrika, maar dat hij een schriftelijke cursus fietsreparatie wilde gaan volgen om zijn kennis op het gebied van fietsreizen te vervolmaken.
Terwijl we elkaar de hand schudden merkte ik op: “Jij bent nu zeker op wereldreis”
“Een kleine” antwoord Fred bescheiden, “van Istanboel via het Midden Oosten naar Tunis”
“En je fiets staat zeker ook in Aswan omdat ze je daarop niet hierheen lieten gaan. Of kon je ongemerkt om de politieposten heen komen?”
“Mijn fiets staat in Nijmegen.”
“In Nijmegen?”
“Ja ik ben met een reisgezelschap in een omgebouwde vrachtwagen onderweg. Maar die wereldreis per fiets komt er gegarandeerd. Daar twijfelt zelfs mijn buurvrouw niet meer aan. De voorbereiding is nu bijna rond.”
We praatten nog wat over Freds’ plannen maar veranderden snel van onderwerp want we hadden allebei niet voor niets een enerverende busreis gemaakt. We moesten die tempels niet laten ondersneeuwen door herinneringen aan Drenthe, Nijmegen of theorieën over hoe je een gebroken trapper vervangt.
“Jammer van dat ene beeld dat ze bij het verplaatsen van de tempel aan puin hebben laten vallen” merkte ik op terwijl ik op de brokstukken wees.
“Nee” antwoordde Fred, “dat is niet aan puin gevallen. Ik hoorde zojuist van een gids die een groep toeristen rondleidde dat dat al in de tijd van Ramses II is gebeurd. Het was een beeld van de een of andere hotemetoot waar Ramses bonje mee kreeg. In plaats van de kerel op zijn gezicht te slaan of hem levend te mummificeren, liet hij uit nijd het beeld aan puin slaan. Die brokstukken hebben ze na het omhoog hijsen van de tempel precies in dezelfde positie neergelegd ten opzichte van de tempel als ze ze hebben aangetroffen.”

De kritische lezer zal zich nu ongetwijfeld afvragen of dit verhaal wel historisch verantwoord is. Het is altijd goed kritisch tegenover mooie historische verhalen te staan, maar waarom zou die gids zomaar iets uit zijn duim zuigen? Nee, die heeft het verhaal natuurlijk van een andere historicus gehoord die ook niet zwetst en die het op zijn beurt uit weer een andere oerbetrouwbare bron heeft vernomen …. En wat Fred betreft, de laatste schakel in de keten van de betrouwbare doorvertellers …. Beste kritische lezer, denk alleen maar aan zijn met Nijmeegse degelijkheid voorbereide wereld fietsreis! Nee, deze versie van “Het kapotte beeld van Abu Simbel” staat net zo stevig als de tempel zelf. Daar kan zelfs geen Egyptoloog meer omheen zonder zich onsterfelijk belachelijk te maken. En dat moet een grote geruststelling zijn voor de hijskraanmachinist, die dat beeld dus niet uit zijn grijper heeft laten vallen, zodat hij ’s avonds tegen zijn vrouw kon zeggen: “Ik drukte vandaag niet op een verkeerd knopje.”

Nadat we de tempels tot in detail hadden bekeken en Fred nog een poging had gedaan om de hiëroglyphen te ontcijferen, waarin hij ook een schriftelijke cursus had gevolgd, was het tijd om onze bussen weer op te zoeken voor de terugreis naar Aswan.
“Zullen we vanavond uit eten gaan in Aswan, als die busrit goed afloopt?” stelde Fred voor, “dan kan ik je vertellen over mijn wereldreis per fiets die er gegarandeerd komt”.
“Dat lijkt me een goed idee” antwoordde ik, “ik weet een tent waar je je voor een halve Euro ongans kunt eten aan een groot bord tuinbonen.”
“Ik dacht eigenlijk meer aan een grote dikke pizza voor tien Euro.”
Ja, Fred zat blijkbaar een paar sterren hoger dan ik op de luxe-schaal, maar een etentje in gezelschap van zo’n fietsreisexpert is iets dat geen enkele reiziger zich wil laten ontglippen en daarom sprong ik voor die ene avond uit de band.

Abu Simbel ligt ondertussen al weer een flink eind achter me, want fietsen gaat een stuk sneller dan schrijven. De dikke pizza in Aswan was weer eens heel wat anders dan elke dag een bord fijngestampte tuinbonen (foul in het Arabisch). Fred zal nu met zijn gezelschap in de buurt van Tunis zitten, waarna zijn wereldfietsreis niet lang meer op zich zal laten wachten. Houd daarom het nieuws in de kranten goed bij!
Ik zit nu in Kenia en ben op weg naar Katakwi en Butagaya in Uganda waar ik projecten ga bezoeken van de Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Cycling out of poverty. Van daar keer ik terug naar Kenia om aan het Victoriameer nog zo’n project te bezoeken. Ik zal daar t.z.t. verslag van uitbrengen. Zie ondertussen cyclingoutofpoverty.com en eenfietsmaakthetverschil.nl