De fietsende Hollander

De fietsende Hollander

Er staat een buitengewoon smerige Gazelle bovenop een chique spiegeltafel in de Haagse reisboekhandel Stanley & Livingstone. Gewoonlijk staat op die plek een antieke globe die goed past bij de negentiende-eeuwse inrichting. Dat kan niet worden gezegd van die fiets.

De eigenaar, een pezige vijftiger, zit er pal naast. Hij hangt althans flegmatiek achterover op een houten stoel, de handen achter het hoofd gevouwen. Frank van Rijn is de naam: ingenieur, fietser en schrijver met een ijzeren gevoel voor logica.

De ‘wereldfietser’ komt af en toe overeind om zijn handtekening te zetten in een exemplaar van zijn nieuwste boek of om te vertellen over die fiets (‘vanochtend nog schoongemaakt’). Of over de Indonesische teenslipper van 37,5 cent waarmee hij het zadel ooit repareerde. Van Rijn wist af te dingen. ‘Ik had genoeg aan één slipper.’

De gesprekken tussen hem en zijn lezers hebben grappige wendingen. Ze weten dat hij een hekel heeft aan water. Dat is nuttig om jezelf en je kleren te wassen en om te drinken. Nadat hij bijna het loodje legde in Death Valley (‘het was 52 graden in de schaduw en er was geen schaduw’) heeft hij uitgerekend dat hij zes liter water te weinig in zijn lijf had. Hij wist strompelend en vallend een asfaltweg te bereiken. Een Amerikaanse automobilist redde Van Rijn met vier liter water.

Van grote hoeveelheden water heeft hij een afschuw. Rivieren doorwaden beangstigt hem. Varen wekt een bijna onbeheersbare angst in hem op. Regen is nog te relativeren als een pesterijtje van ‘de pechgoden’. Soms is het meer dan plagen. Toen hij in Ethiopië het Saneti-plateau beklom, ruim 3900 meter hoog, twijfelde of hij zou doorstoten naar de hoogste top van de Bale Mountains, de Tulu Deemtu van 4377 meter.

Het was zwaar bewolkt. Alles balde zich samen onder die dreigende hemel, ook in zijn brein: de weg was extreem steil, zijn rechterarm deed pijn. Hij ging door, keerde om, ging toch weer door.

‘De gedachte dat ik mezelf aan het slopen ben, dringt zich op’, schrijft hij in zijn nieuwste boek De Zuilen van Axum. Grote delen van de weg moest hij zijn zwaar bepakte fiets voortduwen. ‘Eerlijk gezegd begin ik soms een beetje genoeg te krijgen van fietstochten als ik niet kan fietsen.’

Hij zet door en bereikt de top, omdat afgezien van een druppel regen, die op het glas van zijn fietscomputer valt, de bewolking wijkt voor de warme winterzon.

Dan volgt tussen de geboende boekenplanken en de statige lambrizering van Stanley & Livingstone weer een ontboezeming. De kans op regen en het idee dat hij enkele uren op de Noordzee zal moeten meedeinen, maakt hem kopschuw voor een tocht door Engeland. Hij heeft tenslotte Madagascar en Oman ook nog op zijn verlanglijst staan.

Aan de rand van de spiegeltafel, bij de vieze fiets, hebben zich intussen vier of vijf fietsers verzameld. Een vrouw laat zich ontvallen dat er tegenwoordig toch perfecte regenjacks worden gemaakt. Ze heeft er zelf een. Het kostte duizend gulden. Van Rijn: ‘Dan is het wel zonde, als het droog blijft.’

Er gaan amusante verhalen over Frank van Rijn. Hoe hij zou leven op een dieet van bananen en rijst. Het is niet waar. Hij is gewoon ‘geen grootmeester’ in de keuken, maar eet altijd redelijk en gevarieerd, vindt hij zelf, zelfs in de Sahara. In zijn bepakking had hij uiteraard veel bidons met water en daarnaast een zak macaroni, een fles ketchup, een fles olijfolie en Franse puntkaasjes.

Dus at hij macaroni met ketchup, macaroni met kaas, macaroni met ketchup én kaas en macaroni puur. Alles was gepakt op diezelfde fiets die in de boekhandel staat te detoneren.

In Ethiopië had hij een andere fiets. Gazelle biedt hem om de twee of drie tochten een nieuwe aan, wat ‘de rijdende reclamezuil’ accepteert, als ze de andere fietsen maar niet terugeisen. Daar heeft hij te veel herinneringen aan.

Zo’n nieuwe fiets bespaart hem een hoop pech onderweg. ‘Het materiaal wordt steeds sterker’, zegt van Rijn. En dan volgt de logische slotzin: ‘Of mijn benen worden zwakker.’

Die vieze fiets bracht hem niet alleen door de woestijn. Ruim acht maanden lang reed hij erop door de Andes. Hoog in de bergen van Bolivia, op El Cerro Rico (‘de rijke heuvel’, 4900 meter hoog, dat wel) becijferde hij dat hij op al zijn tochten 384.400 kilometer had gereden. Dat is de afstand van de aarde naar de maan. De avond dat hij dat besefte, was het nog volle maan ook.

Wordt het niet teveel, de druk niet te hoog? Slopende tochten maken – in Ethiopië werd hij bekogeld met stenen en keien – in de wetenschap dat er een boek uit moet voortkomen. Hoewel hij volgens zijn vrienden ascetisch leeft, moet er in zijn veel te kleine huis in Drenthe (dat laatste geeft hij toe) wel brood op de plank komen.

Van Rijn merkt niets van die druk. ‘Ik fiets en schrijf omdat ik dat leuk vindt.’ En soms is het schrijven niet leuk en smijt hij, zegt hij zelf, lege vellen papier in een hoek en gaat een eind fietsen. Soms probeert hij het niet eens. Lachend: ‘Ik vraag me na afloop altijd af: hebben er wel genoeg bandieten achter me aan gezeten en ben ik wel vaak genoeg op mijn hoofd gevallen.’

Niks druk, niks asceet. ‘Al die mensen die op zondagmiddag alweer achter hun computer zitten, dat zijn asceten. Ik ga weg wanneer ik dat wil, zie landen die ik wil zien, kampeer in mooie natuur. In mijn ogen is dat een luxe.’