Cuba op z’n breedst

Cuba is een lang smal licht gebogen eiland in de vorm van een banaan die klem heeft gezeten in een fietstas en zo 100 km heeft mee geschud over een asfaltweg vol gaten en scheuren. De banaan is nog wel herkenbaar maar is gedeeltelijk in elkaar gedrukt zodat hij op sommige plaatsen niet meer te genieten is. De smalste plek van dit bananenland bevindt zich iets ten westen van Havanna. Daar ben je in een rechte lijn in 32 km van de noordkust naar de zuidkust. In de buurt van Holguin is Cuba op z’n breedst met ongeveer 168 km. Daar heeft de banaan het minst te lijden gehad en is hij dus op z’n lekkerst.


Het toeval wil dat dit oostelijke gebied van Cuba ook het mooiste is van heel het land. Daar bevindt zich het grootste en hoogste gebergte van Cuba, de Sierra Maestra met veel tropisch groen en alleraardigste bergpassen. Ruim drie weken trok ik daar op mijn fiets rond. Aangezien mijn visum voor Cuba slechts 30 dagen geldig was en ik twee maanden op dit heel bijzondere eiland wilde blijven, waar de politieke denkbeelden uit dezelfde tijd schijnen te stammen als de vele prachtige Buicks, Chevrolets en Cadillacs die er rondtuffen, moest ik mijn visum laten verlengen. Daarvoor had ik Holguin uitgekozen, dus waar Cuba op z’n breedst is.
Dinsdag 25 December, eerste Kerstdag, kwam ik om een uur of één in de middag deze stad binnenrijden. Ik ging meteen naar het bureau van de vreemdelingenpolitie (immigración), maar dat was op deze feestdag gesloten, zoals ik eigenlijk ook wel verwacht had. Toch waren er drie beambten aanwezig, waarschijnlijk omdat een dergelijk belangrijk bureau hier permanent bemand moet zijn. Van hen kreeg ik te horen dat ik de volgende ochtend om 8 uur terug moest komen. Dan zou de klus in een kwartiertje gefikst zijn. Dat klonk positief en goedgemutst ging ik op zoek naar een Casa Particular, de Cubaanse variant van het Engelse Bed and Breakfast.
In mijn reisgids had ik er al een paar aangestreept met een patio, tuin of dakterras, want als ik niet kampeer ben ik natuurlijk erg op luxe gesteld. Het mooiste bleek echter vol te zijn en het op één na mooiste ook. Dan maar het op twee na mooiste. Helaas ook dat had zijn kamers al verhuurd. Al dwalende van het ene Casa naar het andere kwam ik tot de ontdekking dat alle kamers in Holguin bezet waren en daarom klopte ik uiteindelijk aan bij het toeristenhotel.
“Jammer meneer, maar we zijn vol”
“Mag ik dan mijn tent voor één nachtje in die groene tuin van jullie opzetten?”
“De directeur is er niet.”
“Dan bent u toch de chef?”
Maar hij was geen chef en hij kon de directeur niet opbellen en durfde geen toestemming te geven de tent op te zetten.
Toen ik naar buiten kwam zei een fietstaxi eigenaar dat hij wel een kamer voor me wist: ”Fiets maar achter me aan”.
De kamer bleek voor twee maanden verhuurd te zijn aan een overwinterende Duitser.
“Ik weet nog wel een andere Casa,” zei de man,”daar kun je gegarandeerd terecht”.
Ik fietste weer met hem mee en kwam bij een huis waarvan de eigenaar op zijn balkon zat.
“Ik heb een klant voor je” riep mijn kamer makelaar hem toe.
“Vol” was het antwoord.
“Kan ik dan mijn tent in uw tuin opzetten?” vroeg ik.
De man staarde me een volle minuut lang doordringend over zijn bril aan, zoals een strenge schoolmeester uit de 19e eeuw een leerling aankeek die gespiekt had en schudde daarna langzaam maar resoluut van nee.
“Kom mee”, zei de fietstaxibestuurder, die zo langzamerhand mijn siteseeing-gids aan het worden was, “iets verderop weet ik een Casa waar 100% zeker plaats is”.
“Zou het?”
“110%, let maar op!”
Toen die 110% even later ook tot 0% gereduceerd bleek te zijn wist de man het niet meer en ging zitten nadenken. De zon begon al flink te dalen en ik had ondertussen de hoop opgegeven hier nog onderdak te vinden. Daarom bedankte ik de man, fietste de stad uit en ging op zoek naar een plek voor mijn tent. Bij een huis met een grote tuin vroeg ik of ik er één nachtje mocht kamperen.
“Ik ben de eigenaar niet”
Bij het tweede huis met een grote tuin:”Dat is verboden. Prohibido!”
Bij het derde: “Kom morgen terug, dan is de baas er”.
Bij het vierde: “Dat is moeilijk, want ……”
Bij het vijfde: “Ik weet eigenlijk niet of ……….”
Bij het zesde: “Waarom ga je niet naar …….”
Het was duidelijk dat geen mens mij de toestemming durfde te geven. Het leek wel alsof de mensen bang waren een vreemdeling op hun erf toe te laten. In vrijwel elk ander land van de wereld schiet je bij de eerste of hooguit de tweede poging in de roos, maar dit was niet “elk ander land”. Dit was Cuba, en Cuba is anders. Het deed me soms aan Roemenië in de tijd van Ceaucescu denken. De omgeving leende er zich helaas niet toe om de struiken in te duiken en mijn tent te verstoppen. Ik zat daarvoor te dicht bij de stad en het was te laat om nog een eind verder te gaan, want de zon was bijna onder.

Maar het geluk lachte me uiteindelijk toch toe, althans zo leek het. Ik kwam, een eindje van de weg, bij een soort werkplaats voor vrachtwagens: een loods op een braakliggend veldje met een afzetting er omheen. Bij het toegangshek stond een huisje met een portier. Na veel overleg met enkele omwonenden kwam de oplossing: “Je kunt op dat veldje daar je tent opzetten” en hij wees naar een door prikkeldraad afgeschermd weitje vol paardenkeutels.
“Daar komt niemand langs en bovendien ben ik hier de nachtwaker, zodat je niets zal overkomen”
Toen ik mijn tent had staan was de duisternis al gevallen. Vermoeid van het met mijn volle fiets urenlang ronddolen door de stad, ging ik voor mijn tent zitten en at mijn kerstmaal: een stuk brood met een banaan.
Plotseling hoorde ik achter me: “De vreemdelingenpolitie wil je spreken”
Ik moest mee naar de portier die me door het luikje van zijn wachthokje de hoorn van zijn telefoon aanreikte.
“Goedenavond” klonk het door de telefoon “we hebben een Casa Particular voor u gevonden. Komt u maar naar ons toe, dan brengen we u er heen.”
“Bedankt voor de moeite, maar ik heb juist mijn tent opgezet en ik ben moe van de hele middag vergeefs zoeken. Ik blijf nu liever hier.”
“Het is toch beter dat u hierheen komt. Dan heeft u een kamer, een goed bed, een warme douche en alle comfort.”
“Sorry, maar ik geef er de voorkeur aan vannacht hier te blijven, aangezien het al donker is en het gevaarlijk is nu langs de grote weg te fietsen. Bovendien ben ik moe, dus als u het goed vindt kruip ik in mijn tent.”
“Wat u doet is veel gevaarlijker. Stel dat er bandieten komen. Wat doet u dan?”
“Is Cuba dan zo’n gevaarlijk land?”
“Nee, nee! Helemaal niet! Cuba is een zeer veilig land! Maar je weet maar nooit!”
“Als het dan zo veilig is blijf ik lekker in mijn tent.”
“We raden u zeer dringend aan om hierheen te komen voor uw veiligheid en comfort.”
Het was duidelijk: ik móést mijn tent afbreken en terugkeren naar het bureau. Meer weerstand bieden zou alleen maar problemen creëren. En dus brak ik de tent af en reed terug naar de stad.
Hoe was de politie er zo snel achter gekomen waar ik mijn tentje had opgezet? Heel eenvoudig: de portier was natuurlijk bang geworden dat hij zijn boekje te buiten was gegaan. Angst voor strafmaatregelen had hem doen besluiten de politie te bellen om te zeggen dat er een bleekgezicht met zijn tent op het veldje tegenover hem stond en daarmee was de kampeerpartij uiteraard naar de maan. Stel je voor: een toerist in een tent in Cuba!! Dat kan niet, dat mag niet, dat is verboden! Prohibido, zoals zoveel andere dingen. Prohibido, Prohibido, Prohibido!! Je hoort het woord zo vaak dat je er de salsa op kunt dansen.
Terug bij het bureau werd er een man met me meegestuurd om me bij het Casa Particular te brengen.
“Geef me het adres maar” zei ik, “Ik heb een kaartje van Holguin en daarmee vind ik het wel.”
“Nee nee, we willen niet dat u verdwaalt.”
“Ik heb de weg over de hele wereld gevonden dus hier in Holguin vind ik het ook wel.”
“Nee, nee. Je weet maar nooit. Deze man gaat met u mee op zijn fiets.”
Nog voor hij zijn fiets gehaald had wist ik dat de banden lek zouden zijn en jawel hoor. En dus liep ik een eindeloos stuk achter mijn trouwe gids aan. Die ging pas terug toen het achterwiel van mijn fiets over de drempel van het huis was. Fijn toch, dat de overheid in Cuba zo goed zorgt voor de veiligheid en het welzijn van de toerist die vast en zeker zou verdwalen!?!

De volgende ochtend kreeg ik op het immigratiebureau te horen dat ik eerst naar de bank in het centrum moest om voor 25 dollar leges-zegels te halen voor de verlenging van het visum.
“Heeft u die zegels niet hier te koop? Dat zou een hoop tijd en moeite besparen” vroeg ik, maar dat was natuurlijk een zinloze vraag.
Toen ik terugkwam van de bank moest ik mijn pas afgeven en wachten in het halletje. Daar zat een administratrice in een groot boek de namen, geboortedata en paspoortnummers van toeristen over te nemen uit de gastenboeken van een eindeloze sleep Cubaanse B&B eigenaars. Die mensen moeten elke keer als ze een gast krijgen naar het bureau voor een stempeltje en o wee, als er een handtekening of een stempeltje in hun boek ontbreekt! Dat staat ongeveer gelijk met landverraad.
Nadat ik lang gewacht had en vele Casa eigenaren vol geduld en gelatenheid met hun boek had zien passeren, kwam er een jongeman van een jaar of 20 met mijn pas en een kladblok in de hand naar me toe: “Kom mee!”
Ik volgde hem een trap op en een grote lege vergaderzaal in. De man wees me een stoel aan de vergadertafel en nam zelf tegenover me plaats.
“Waar ben je het land binnen gekomen?” vroeg hij.
“Bij Varadero”
“Met welke vliegmaatschappij?”
“Met Martin Air”
“Waar heb je daar de nacht doorgebracht?”
“In hotel Viazul”
“Hoeveel nachten?”
“Eén”
“En toen?”
“Per bus naar Las Tunas om daar mijn fietstocht te beginnen.”
“Met welke busmaatschappij? In welk hotel heb je daar gezeten? Hoeveel nachten? Wat heb je er gedaan? Waar ben je toen heen gegaan? En daarna?? En daarna??? En heb je wel genoeg geld bij je?”
Alleen de verblindende lamp recht in mijn gezicht en een stel duimschroeven ontbraken aan dit kruisverhoor.
“Kom mee!”
Ik liep weer achter mijn grootinquisiteur aan, nu naar beneden waar hij ruggespraak hield met een man van middelbare leeftijd, wiens hoofd wat scheef op zijn romp stond, waarschijnlijk het grote opperhoofd van dit toeristenvriendelijk instituut. Toen hun onderonsje klaar was moest ik weer mee naar boven.
Opnieuw sjokten we de trap op en de vergaderzaal in. Terwijl de grootinquisiteur op een voorbedrukt formulier mijn naam, geboortedatum, paspoortnummer, lengte, breedte, kleur haar, en alles wat maar enigszins van belang kon zijn, noteerde, viel mijn oog op een bord in de hoek met een van de vele honderdduizenden uitspraken van Fidel Castro: “Met intelligentie en met ideeën krijg je alles voor elkaar.”
Mooi van toepassing want aan ideeën en intelligentie ontbrak het deze mensen zo te zien niet en reken maar dat ze heel wat voor elkaar konden krijgen!
Welnu, dat bleek al meteen: “Teken dit formulier! Hier!!” en hij wees waar ik mijn handtekening moest zetten. Daar stond: “El infractor” (de wetsovertreder).
Ik las het papier door waarop een verhaal stond dat min of meer inhield dat ik een halve crimineel was en dat als nog éénmaal geconstateerd werd dat ik ergens illegaal de nacht doorbracht, ik ofwel onmiddellijk het land uitgegooid zou worden, ofwel een zware geldboete zou krijgen ofwel in de gevangenis zou belanden.
“Ik heb de nacht niet illegaal doorgebracht” antwoordde ik “Ik heb braaf mijn tent weer afgebroken en ben onmiddellijk naar jullie toegekomen.”
“Je hebt er mee gedreigd”
“Luister, ik heb vier uren lang gezocht naar een legale overnachtingsplek en alles was vol. Wat moest ik dan doen?”
“Toch een Casa Particular of een hotel zoeken, want je tent opzetten is verboden. Prohibido!”
“En als alles nu vol is en er niets te vinden is?’
“Toch een Casa Particolar of een hotel zoeken, want je tent opzetten is verboden. Prohibido!”
“Weet je, die Fidel van jullie heeft ook een hoop illegale dingen gedaan, samen met Che Guevara, toen hij in 1956 met zijn bootje bij Las Coloradas landde om Battista te verdrijven. Dat was ook Prohibido!!”
Dat laatste van Fidel en Che dàcht ik natuurlijk alleen maar, want als ik dat had gezegd was ik beslist niet meer op tijd geweest voor de Fiets- en Wandelbeurs. Ik had op dat moment in het Holguinse inquisitiepaleis nog slechts één behoefte: weg uit dat sinistere hol en wel zo snel mogelijk. Weg van daar, weg van die kleverige greep van een al 49 jaar lang vastgeroest, rigide, beklemmend systeem. En dus tekende ik het formulier waarmee ik officieel een Cubaanse wetsovertreder werd.
Bij Holguin is Cuba op zijn breedst, maar in dit bureau toonde Cuba zich op z’n smalst. Jammer. Gemiste kans voor Cuba om een sympathieke indruk naar buiten te maken. Ik had een aardig boek over mijn reis willen schrijven maar dat is na deze ervaring natuurlijk van de baan. Ik schrijf liever over plezierige landen, waar je je tent mag opzetten, waar de plaatselijke bevolking je zonder controle en stempeltjes bij zich thuis mag uitnodigen en waar je als brave fatsoenlijke toerist niet met gevangenisstraf bedreigd wordt.