Loading images...

Dáárvoor ga je naar Afrika!

In Bambadinca ergens in het hartje van Guinee-Bissau vond ik een hotel dat, voor zover ik weet, in geen enkele reisgids staat vermeld. Dat is jammer en via Gazelle’s website hoop ik deze bijzondere overnachtingsplek onder de aandacht van een groot Nederlands fietspubliek te brengen. 
De eigenaar, die op zijn gemak op een stoeltje op de veranda van zijn huis zat te wachten op klanten, had aanvankelijk 5000 Franc gevraagd, maar na wat gepingel en gedreig van mijn kant, dat ik door zou rijden, had hij er 1000 Franc afgedaan, zodat de prijs omgerekend op 6 euro uitkwam. Maar daarvoor had ik dan ook wat moois: een ruime zeshoekige hut met rieten puntdak, gelegen in een fraaie tuin met veel bomen. In de hut stond een bed waar een muggennet over hing. Links bevond zich het niet heel grote, maar prima uitgeruste badkamertje: een douche, een toilet en een wastafel. Luiken links en rechts in de hut boden de mogelijkheid de zon in huis te halen en de elektrische lamp die aan een draad vanuit de punt van het dak naar beneden hing kon die zon na zonsondergang vervangen. 
’s Nachts wekte een gezoem rond mijn oor mij uit mijn dromen en voelde ik een onplezierig gejeuk aan mijn hand. Blijkbaar had een mug kans gezien door het muggennet te komen en dat terwijl ik voor het slapen gaan met wasknijpers 17 gaten in het net had gedicht. Er moest dus nog ergens een achttiende gat zitten dat ik in het flakkerende kaarslicht over het hoofd had gezien. 
Ik nam me voor om de volgende ochtend tegen de eigenaar over die gaten te gaan klagen en ook over die andere mankementjes waar mijn 5-sterrenhut aan leed: het elektrische licht dat niet werkte, de bril van het toilet die los tegen de muur stond de grendels van de luiken die vastgeroest zaten, het slot van de deur waar je een kwartier mee bezig was om het open of dicht te krijgen, de peuken, de lege sigarettendoosjes en plastic flessen op de vloer, de lakens die in geen decennium gewassen leken te zijn en de enorme bende van plastic zakken en andere rotzooi waar de tuin mee bedekt was. Dat de kranen van de wastafel er los bij hingen, de douchepijp verdwenen was en de doortrekker van het toilet lam was, kon je eigenlijk geen hinderlijke mankementen noemen, want er was toch geen water. 
De volgende ochtend scheen de zon. Het beloofde weer een fraaie dag te worden, zoals vrijwel elke dag. Daarmee vervluchtigde mijn vaste voornemen om mijn beklag te doen, te meer daar de eigenaar, die alweer rustig op zijn stoeltje voor zijn huis op nieuwe klanten zat te wachten, mij vriendelijk groette en beleefd vroeg of ik goed geslapen had. Eigenlijk viel het ook allemaal wel mee met die kleine mankementjes van mijn mooie hut. Zijn het niet dit soort dissonanten die een reis door Afrika zo anders, zo bijzonder en exotisch maken? Onder andere dáárvoor ga je toch naar Afrika? 

Enkele dagen later reed ik de Fouta Djalon tegemoet, een mooi, ruig berggebied in centraal Guinee. Ik had de “grote weg” naar Labé, die echter niet zo heel groot was, rechts laten liggen en gekozen voor het “kleine weggetje” naar het stadje Mali in het noorden van Guinee. Die route leek me interessant en zou me de mogelijkheid bieden om de Fouta Djalon in al zijn pracht te zien. 
Volgens een man in Koundara, die ik er naar gevraagd had, was de weg “un peu bon”, wat “een beetje goed” betekent, ofwel omgerekend naar onze maatstaven: “afgrijselijk slecht”. Dat bleek precies te kloppen en terwijl ik met mijn bagage, voedsel en water beladen fiets steunend over de zo tot 30% steile keienpaden omhoog duwde, begon ik me af te vragen of ik de Fouta Djalon op deze manier wel in al zijn pracht kon zien, of dat ik het zo druk had met dit getob en met het zweet uit mijn ogen vegen, dat het meeste van dit prachtige gebied aan mij voorbij ging. “Trop de montagne” ofwel “te veel bergen” wist een man op te merken die zich hier ook met zijn fiets gewaagd had. Zijn fiets had geen versnellingen, maar als je loopt, maakt het niet uit of je geen of 27 versnellingen hebt. Dan telt alleen het gewicht en daar hij vrijwel niets bij zich had ging het stijgen hem een stuk eenvoudiger en vlotter af dan mij. 
Voorbij een bocht was het gebeurd met deze relatieve pret. Daar werd de weg zo steil dat mijn schoenen slipten over het gruis zodat ik mijn fiets niet meer over de grove keien en door de diepe erosiegeulen kon duwen. Ik overwoog om terug te gaan en toch maar de “grote weg” van Koundara naar Labé te nemen, maar hoewel de man erg weinig Frans sprak wist hij mij duidelijk te maken dat er na deze helling weliswaar nog vele steile hellingen zouden volgen maar dat daar niet één meer bij zou zijn, zo meedogenloos als deze. Die mededeling gaf me nieuwe moed en daarom besloot ik toch door te gaan. Maar dat ging zomaar niet. Afladen en de bagage in delen naar boven dragen leek me de enige manier. De man beduidde me echter te wachten. 
Dat deed ik en na een kwartier zag ik hem zonder fiets terugkomen. Met z’n tweeën kregen we mijn verhuiswagen tegen de helling omhoog. Bij zijn fiets aangekomen bleek het pad weer even wat minder steil te zijn, zodat ik alleen voort kon ploeteren, maar alras liep ik opnieuw vat op een hels steil stuk. En weer kwam de man mij na een tijd te hulp. Zo zwoegden we uren lang door, maar uiteindelijk lag deze Fouta Djalon-killer geveld aan onze voeten. Met een slok water die smaakte als de beste champagne vierden we onze overwinning. 
Hoe erg ik tijdens de beklimming ook getwijfeld had aan het plezier dat ik er aan beleefde, toen ik eenmaal boven stond, genoot ik er met terugwerkende kracht toch van. Een ervaring die ik niet graag had willen missen! Ja, ook voor dit soort formidabele ongemakken ga je naar Afrika! En dan het weer! In december, als je je in Nederland alleen nog met zes lagen kleren aan op de fiets waagt, rondrijden in korte en t-shirt, dat is ook een van de dingen die mij naar Afrika trekken. 
Daarom baalde ik des te meer toen de hemel op een dag opeens dichttrok. In Nederland kon ik dat over het algemeen nog wel hebben, maar in Afrika, waar de hemel in de droge tijd smetteloos blauw hoort te zijn, met een vreselijk brandend zonnetje er in bij winterse temperaturen van 30 à 35°C, wordt ik sikkeneurig van wolken. In Yambering, een plaatsje waar je, in een optimistische bui, het een of ander primitieve onderkomen zou kunnen verwachten, besloot ik er voor die dag dan ook de brui aan te geen en te gaan werken aan een artikel voor de website van Gazelle. Maar nee! Er bleek bij navraag geen onderkomen te zijn. Of toch? Ja toch, want in Afrika is er altijd een onderkomen. 
“Attendez”, zei de man die ik gevraagd had of er een soort Holliday Inn was en terwijl ik bij een standje op de markt een excellente omelet at ging hij op speurtocht. Wat later kwam de leraar geschiedenis van het plaatselijke lycéé naar me toe. 

“Kom mee”, zei hij en leidde me vervolgens over wat achteraf-paadjes naar zijn huis. 
“Hier kunt u de nacht doorbrengen”, zei hij, mij een nette kamer met bed tonend. 
“Mijn dochter brengen we vannacht wel ergens anders onder. Doe alsof u thuis bent”. 
Later, toen ik al veel geschreven had, waarvan ik het meeste weer had doorgeschrapt, omdat het niet van Gazelle-kwaliteit was, kwam hij met een grote salade van tomaten, uien en avocado’s naar me toe en met een flink stuk brood erbij. 
“Thee of koffie?” vroeg hij. Ziedaar ten slotte nog een van die grote dingen waarvoor je naar Afrika gaat: de bijzondere gastvrijheid en behulpzaamheid van de Afrikaan. 
Yambering

met vriendelijke groet,


Do NOT follow this link or you will be banned from the site!