De Gorge de la Nesque.

Bericht 16

Mijn geachte volgers, zo die er zijn, zullen zich zo langzamerhand gaan afvragen: ‘Wat is er met Frank aan de hand? Waar blijven zijn berichten van onderweg? Heeft hij er de brui aan gegeven?

En terecht , die vragen, want met mijn berichtgeving ben ik blijven steken op de grens van Portugal met Spanje, terwijl ik met mijn Santos-fiets al gevorderd ben tot Sault aan de voet van de Mont Ventoux. Ik laat even een foto zien om te bewijzen dat ik er nog ben, of in ieder geval 3 dagen geleden nog was toen ik op de Pont du Gard stond.

IMG-20180917-WA0000
Mijn Santos fiets ( De San Francisco) en ik op De Pont du Gard.

De goede wil om u op de hoogte van mijn belevenissen te houden is er zeer zeker, maar er komt steeds wat tussen als ik de elektronische pen (mijn platte Chinees) ter hand wil nemen om verslag uit te brengen over wat ik gezien en gedaan heb: geen wifi, wel wifi, maar niet goed genoeg om fotootjes te verzenden, wel goede wifi, maar geen tijd meer omdat ik ook nog een maaltje macaroni moest opwarmen, te veel tijd besteed aan fietsen, wandelen , het bezoeken van bezienswaardigheden, mijn kleren wassen, een gat in mijn broek afplakken met een oude lap of mijn fiets onderhouden.

Ja, het leven van een reizende fietser kan zwaar zijn, vooral als hij zich, als andigibeet, gaat bezighouden met een website en een blog!

Vandaag moet ik nog een eind rijden, maar over twee dagen houd ik een rustdag en dat wordt helaas voor mij geen echte rustdag, want dan moet er gewerkt worden: een verslag voor mijn blog om u virtueel mee te laten reizen door Noord  Spanje.

Dit korte bericht had voorrang op het vervangen van een set remblokken, want wat het zwaarst is moet het zwaarst wegen.

Tot over 2 of 3 dagen …… als er niet weer wat tussen komt.

Tot besluit ter compensatie van het lange wachten nog een fotootje, gisteren genomen bij de Gorge de la Nesque.

IMG-20180917-WA0001
Ik bij De Gorge du la Nesque, helaas zon onder.

Kasteel van Celorico da Beira.

Bericht 15

Ik heb een vrij goede wegenatlas van Spanje en Portugal en het mooie ervan is dat hij ook informatie geeft over campings. Als er bij een plaats een symbooltje van een tent staat, weet je vrijwel zeker dat daar géén camping is. Die was er misschien maar is ondertussen opgedoekt, weggespoeld door een vloedgolf of door een andere oorzaak verdwenen. Als er bij een plaatsje niet zo’n symbooltje staat, heb je een kleine kans dat er wel een camping is. En als deze regel geen uitzonderingen had zou die atlas enige campinginformatie hebben wat natuurlijk zeer bruikbaar is voor een reizende fietser die zo nu en dan te lui is om zelf een plek in de bush te zoeken. Helaas blijkt deze regel wel uitzonderingen te hebben  zodat de enige informatie die de gebruiker van de atlas heeft, als het hem om campings gaat, dat hij beter naar een toeristenbureau kan gaan. Het probleem daarbij is echter dat zo’n bureau nogal eens gesloten is in verband met siësta, fiesta of zomaar. Ik prees mij daarom gelukkig dat het toeristenbureau in Celorico da Beira open was. Daar wist de dame me te vertellen dat er in Pinhel, een kilometer of 40 naar het noordoosten, een camping was. Op mijn adlas stond er bij Pinhel geen symbooltje van een tent dus dat droeg bij tot de geloofwaardigheid van haar informatie, maar met die mogelijke uitzonderingen weet je maar nooit. De dame veegde vervolgens met één machtige haal alle twijfels aan de kant door op haar computer de camping op te zoeken. En waarachtig op het scherm verschenen plaatjes van tenten caravans , campers, een zwembad met zonnende zwemmers er omheen en al die andere dingen die je tegenwoordig op drie- en viersterrencampings ziet. Dat kwam mij goed uit, niet dat zwembad, maar wel die afstand van 40 km want die zou juist een goede etappe volmaken. En dus bezocht ik nog even op mijn gemak het kasteel van Celorico da Beira, wat altijd leuk is, want een kasteel is nooit weg , en peddelde vervolgens via Vila Franca das Naves naar Pinhel.

IMG-20180901-WA0002
Kasteel van Celorico da Beira met teveel electriek-draad op de voorgrond.
IMG-20180901-WA0003
Kasteel van Celorico da Beira.

Toen ik tegen het vallen van de avond in Pinhel aan kwam waar ik borden verwachtte die mij naar die fraaie camping verwezen, zag ik nergens zo’n bord. En dus vroeg ik aan een man op straat de weg naar de camping.

“Hier is geen camping” antwoordde hij. “Als u naar een camping wilt, moet u naar Celorico da Beira, zo’n 40 km naar het zuidwesten.”

“Daar hoorde ik op het toeristenbureau dat hier een prachtige camping camping is.”

“Meneer, ik woon al 60 jaar in Pinhel en ik ken elke straat en steeg. Er is hier géén camping.”

“Ik heb er een paar uur geleden foto’s van gezien op de computer van het toeristenbureau in Celorico da Beira”

“Een computer met een hoop fantasie, lijkt me”.

En zo zag ik weer eens dat zekerheden, hoe zeker ze ook lijken, toch niet altijd zo heel zeker zijn.

Snel vulde ik mijn vier flessen van anderhalve liter met water bij een fontijn en verliet Pinhel want veel daglicht restte mij niet meer. Ik kreeg een grote afdaling naar de Rio  Côa. Halverwege die afdaling vond ik in een rotsachtig gebied een fantastisch plekje voor mijn tent, maar daarvoor moest ik mijn zwaar beladen fiets een flink eind steil omhoog duwen door omgeploegd land. Zo’n prachtig plekje had ik op geen viersterren camping gevonden. Dit soort treffers zijn de krenten in een reis waar bijna alles onzeker is.

IMG-20180901-WA0004
Afdaling naar de Rio Côa .
IMG-20180901-WA0005
Mijn tent, mijn fiets en ik tussen de rotsblokken. De alternatieve camping van Pinhel

De volgende dag reed ik naar het schilderachtig op een heuvel gelegen Castelo Rodrigo, waar weer een hoop pittoresk puin te zien was.

IMG-20180901-WA0006
Castelo Rodrigo,schilderachtig  gelegen op een heuvel.
IMG-20180901-WA0007
Poort van Castelo Rodrigo.
IMG-20180901-WA0008
Pittoresk puin van Castelo Rodrigo.

Na een aardige op en neer gaande route van ca. 23 kilometer kwam ik bij  Barca de Alva aan, gelegen aan de Rio Douro. Deze rivier vormt vanaf hier over een flinke afstand in noordoostelijke richting de grens met Spanje. Mijn weg volgde ongeveer 25 km lang deze weg waarbij ik steeds mooie uitzichten had over de rivier en op de bergen aan de overkant in Spanje. Met een bootje vol toeristen hield ik een soort race om te laten zien dat een fiets sneller gaat dan een boot. Die machtsdemonstratie mislukte helaas door een paar gemene hellingen. Omhoog ging ik meteen een stuk langzamer dan de boot. Op de afdaling dichtte ik het gat weliswaar enigszins, maar over het totaal verloor ik toch terrein. Na de tweede helling van hetzelfde kaliber lag het bootje zover voor dat voor mij de aardigheid er af was. De passagiers zullen wel lol gehad hebben om die zwetende sukkelaar aan de Portugese kant: “Ha, ha! Probeer dan niet zo stoer te doen!”

IMG-20180902-WA0011
Op de voorgrond de Rio Agueda, die voorbij de brug uitmondt in de Rio Duoro. Rechts Spanje links Portugal.
IMG-20180902-WA0012
Het bootje waar ik eerst ver op voor lag.
IMG-20180902-WA0014
Maar dat mij later zover achter me liet, dat ik maar naar de vogels en planten ging kijken.

Mogadouro, zo’n 50 km naar het noorden , was weer een typisch Portugees plaatsje, waar de gemiddelde toerist flink wat meter film op kon verschieten. Zo ging dat vroeger met dia- en fotofilm, maar tegenwoordig plaatsen we een geheugenkaart van een paar tientallen gigabites in onze platte telefoon en dan kunnen we er weer een tijdje tegen. Ik vraag me overigens af wat ik na afloop van deze reis met een paar honderdduizend foto’s in mijn computer moet doen. Zeven avonden per week foto’s vertonen op een tv-scherm van zestien vierkante meter met een frequentie van één per 3 seconden? En dat van 7 tot 12? En wie wil een dergelijke marteling ondergaan?

Daar dacht ik maar niet aan toen ik door de leuke straatjes van Mogadouro liep en het knallen weer niet kon laten.

IMG-20180902-WA0015
Leuk straatje in Mogaduoro.
IMG-20180902-WA0016
En voor de verandering maar weer eens een kasteel op een rots.

Na een paar honderd megabytes verschoten te hebben op al het moois van Mogadouro, vervolgde ik mijn weg in noordoostelijke richting naar Miranda do Douro, gelegen aan de Douro, zoals de naam al suggereert. (Uitkijk op de Douro, betekent dat, of iets dergelijks). En dat had ik, een mooi uitzicht zelfs op de canyon van de rivier, dat echter enigszins verknoeid werd door electriciteitskabels. (Die electrokerels toch!! Die hangen maar slingers over de hele wereld, alsof het overal feest is)

Het was hier dat ik over een dam in de Douro Spanje voor de tweede keer deze reis binnenreed. En daar heette de rivier Rio Duero.

En nu op weg naar Zamora, waar vermoedelijk wel een kasteel uit de grond was gestampt….. en nog veel meer bezienswaardigs.

Maar daarover leest u dan hopelijk in het volgende bericht het een en ander.

IMG-20180902-WA0017
Canyons van de Rio Duoro helaas ‘versierd’ met een elektrische slinger.
IMG-20180902-WA0018
Cathedraal van Miranda do Duoro.
IMG-20180902-WA0019
De dam in de Rio Duoro met aan de overkant de weg naar Zamora.
IMG-20180902-WA0020
De minst mislukte foto van mezelf uit een serie van 20. De rest gaat de elektronische prullenbak in.

Kasteel Van Monsanto 50 km ten noordoosten van Castelo Branco

Garry, de eigenaar van de camping in Santo Antonio dos Areias, had me verteld dat Monsanto, ongeveer 50 km ten noordoosten van Castelo Branco, een van de oudste plaatsjes is van Portugal en dat het de moeite waard was om er te gaan kijken. Het was wel weer een eind om, maar eigenlijk was alles op deze reis om. Reizen is omrijden, dus waarom ook niet?

En dus reed ik om naar Monsanto, waarbij ik me de laatste kilometers min of meer te pletter trapte omdat de plek, zoals te verwachten was, boven op een steile heuvel ligt. Elke oude plek met kasteel ligt natuurlijk boven op een heuvel, want daar was hij goed te verdedigen tegen lieden met verkeerde bedoelingen. En die waren er in het verleden nogal eens, zoals we ook uit onze vaderlandse geschiedenis weten.

IMG-20180822-WA0004
Toren op de enorme rotsblokken van Monsanto.

Ik mocht mijn fiets tegenover het toeristenbureau plaatsen zodat ik, verlost van die last, als een berggeit de laatste tientallen meters over een nog steiler pad omhoog kon lopen. Op en langs deze rotsheuvel lagen enorme rotsblokken en daarvan had men bij de constructie van het fort gaarne  gebruik gemaakt. Waar zo,’n blok lag hoefde immers geen muur gebouwd te worden. Daarom bestond het kasteel gedeeltelijk uit rotsblokken en gedeeltelijk uit geconstrueerde muren.

IMG-20180822-WA0005
Rotsblokken en muren van het kasteel van Monsanto.

Het was een plezier om tussen deze verdedigingswerken, die meer dan 1000 jaar stand hadden gehouden, door te lopen.

IMG-20180822-WA0006
Oud straatje in Monsanto.
IMG-20180822-WA0007
Een natuurlijk fort bij Monsanto.
IMG-20180822-WA0008
Blik omlaag naar het nieuwere dorp.

Ik was precies op sluitingstijd terug bij het toeristenbureau, zodat ik mijn fiets kon ophalen en mijn weg kon vervolgen.

In  centraal Portugal zijn vorig jaar october enorme bosbranden geweest. Het is daar ’s zomers, en blijkbaar in october ook nog, zo droog dat de boel daar in de fik staat voor je het goed en wel in de gaten hebt. Oppassen dus, als je je potje bonen wilt  opwarmen!! De camping bij Ponte das tres Entradas, midden in zo’n afgebrand gebied, bleef gelukkig gespaard, waarschijnlijk omdat hij pal aan een riviertje ligt. Ik zette er mijn tent op en maakte de volgende dag, ondanks al dat verkoolde hout, een aardige wandeling. Dit tegen het negatieve wandeladvies van de Nederlandse eigenares van de camping. ‘Blijf tussen 11 en 16 uur uit de zon of in het zwembad vanwege de hitte!’

Ja, eindelijk werd ook Portugal getroffen door een hittegolfje van 41 graden.

Het werd een heerlijke wandeling, maar het geheim is dat je genoeg water moet drinken, meer dus dan alleen je dorst lessen. Ik denk dat ik op menige weg waar langs ik gepeddeld heb, meer gevaar heb gelopen om ondersteboven gereden te worden, dan dat ik hier liep om uit te drogen.

IMG-20180825-WA0004
Afgebrand bos in centraal Portugal. Het nieuwe groen komt er alweer op.
IMG-20180825-WA0005
Ponte das tres entradas met de brug over de Rio Alva. De derde boog is rechts nog juist te zien.

De volgende dag was het gelukkig opnieuw prima weer en daarom reed ik per fiets zonder bagage van de camping naar Monte Colcorinho, een bergtop van 1244 meter. 647 Jaar voordat ik er arriveerde was daar voor een herder Nossa Senhora das Preses of ook wel Nossa Senhora das Necessidades verschenen. Reden genoeg om er een kapelletje te plaatsen, maar omdat een kapelletje wat magertjes is voor een verschijning van de Heilige Maagd zette men een eind lager op de berg nog een cathedraaltje neer. Dat werd uiteraard een bedevaartsoord.

IMG-20180825-WA0006
Kapelletje op de top van de Monte Colcorinho.
IMG-20180825-WA0007
Stenen kruis op de top van de Monte Cocorinho, dat de plek markeert Waar Nossa sen hora des Preses In 1371 verscheen.
IMG-20180825-WA0008
Op 20 mei 2018 zijn er ongetwijfeld meer mensen verschenen op de top van de Monte Colcorinho.
IMG-20180825-WA0009
Flinke kerk ( cathedraaltje) halverwege de top van de berg.
IMG-20180825-WA0010
Een fontein met heerlijk koel water bij de kerk.

Van Ponte das tres Entradas vervolgde ik mijn tocht in noordoostelijke richting en daarover ga ik de volgende keer berichten.

 

Marvāo, een van de mooiste plaatsjes van Portugal.

Ik was met mijn vorige bericht blijven steken bij de de Portugese grens. Een paar kilometer verderop zette ik mijn tent tussen de olijfbomen  wat mij een rustige nacht opleverde. De volgende dag ging het voortdurend op en neer via Safara naar Mourão waar ik het kasteel van buiten bekeek. Van binnen ging niet omdat het gesloten was in verband met de voorbereidingen van een Middeleeuws feest. Ik vermoedde dat het kasteel dan belegerd zou gaan worden. Ladders tegen de muren, soldaten die daar langs omhoog klimmen, kokend pek dat van de transen op ze neergegoten wordt, ridders die elkaar met lansen van het paard stoten, martelkamers en al die andere folkloristische aardigheden die bij zo’n ‘feest’ horen. Jammer dat ik dat niet allemaal kon zien, maar dan had ik daar een paar dagen moeten gaan wachten. Maar geduld is nu eenmaal niet mijn sterkste kant.

IMG-20180817-WA0005
Tent tussen de olijfbomen.
IMG-20180817-WA0001
Kasteel van  Murão

Evenals in Spanje zijn ze in het verleden in Portugal niet krenterig geweest met kastelen. 15 kilometer verderop kwam ik na een steile klim, die mij de lucht bijna uit de longen perste, bij het kasteel van Monsaraz. Hier kon ik wel naar binnen. Ik beklom er de muur, niet via een wiebelend laddertje aan de buitenkant zoals de soldaten in de middeleeuwen deden, maar via een stenen trap aan de binnenkant. Vanaf de transen had ik een mooi uitzicht over het pittoreske stadje met zijn sneeuwwitte huisjes. Daar waren ook aardige pensionnetjes, maar de prijzen waren er wat minder aardig en daarom werd het voor mij weer Hotel la Oliva tussen de olijfbomen. Nul euro maar geen douche en ook geen wifi. Wel rust en landelijke sfeer.

IMG-20180817-WA0002
Kasteel van Monsaraz.
IMG-20180817-WA0003
Monsaraz met zijn witte huisjes en dure pensionnetjes.
IMG-20180817-WA0004
Hotel la Oliva.Duizend sterren,duizend olijfbomen, nul WIFI.

Tussen Alandroal en Borba, een kilometer of 30 ten zuidwesten van Elvas, kwam ik langs een aantal enorme marmergroeven. Bij één ervan kon ik tot aan de rand komen. Het leek wel een canyon, zo diep was hij. Beneden in deze ‘marmercanyon’ stond een grote machine die echter van boven bezien een dinkytoy leek. Die referentie gaf een goed beeld van de dimensies van deze groeve. Uit deze groeve moeten heel wat tegeltjes, beeldjes en traptreden van deftige villa’s gehakt en gezaagd zijn!

IMG-20180818-WA0000
Marmergroeve bij Borba. Zie voor referentie het “kleine machientje” op de bodem.

Op een rotonde had men een aardig marmeren beeldje van van een ‘marmerbikker’ geplaatst.

IMG-20180818-WA0001
Marmeren marmerbikker, meer dan levensgroot.

Na een aantal steile klimmen door de Serra de São Mamende, waar geen einde aan leek te komen en evenzovele net zo steile afdalingen waarop mijn velgen door het remwerking gloeiend heet werden, kwam ik in het plaatsje Santo Antonio dos Areias, waar ik mijn tent op de mooie rustige camping zette. Ik was daar op voorgaande tochten al een paar keer geweest en ook deze keer kwam de Engelse eigenaar met een comfortabele klapstoel aanzetten ‘om het leven van een dolende fietser draaglijker te maken’. Van daaruit wandelde ik de volgende dag omhoog naar Marvāo, een van de mooiste plaatsjes van Portugal. Een Duitser die ik daar in 1982 ontmoette en die er in de buurt een huis had vertelde dat de juiste uitspraak ervan klinkt als het gegrom dat een grote buldog maakt als je hem zijn bot af pakt. Ja, de uitspraak van het Portugees is een stuk lastiger dan die van het Spaans.

IMG-20180818-WA0002
Marvão boven op een rotsheuvel.
IMG-20180818-WA0003
Straatje in Marvão  alles wit behalve de hemel.
IMG-20180818-WA0004
Kasteel van Marvão.

Via Castelo de Vide, nog zo’n fraai wit plaatsje op een heuvel, reed ik naar Vila Velha de Ródão waar ik de Rio Tejo (in het. Spaans Rio Tajo en in het Nederlands de rivier de Taag) overstak. Daarmee reed ik de deelstaat Alentejo uit. Alentejo betekent zoiets als Aan de andere kant van de Tejo, vergelijkbaar met ons Overijssel. Als je de IJssel oversteekt ben je Overijssel uit. (Of juist er in afhankelijk van de rijrichting.) Vanaf de brug had ik een mooi uitzicht op een engte in de rivier, een kleine canyon.

 

IMG-20180818-WA0005
Uitzicht op Castelo de Vide.
IMG-20180818-WA0006
Ik in een verkeersspiegel, in dit geval een lachspiegel, ergens langs de weg.
IMG-20180818-WA0007
Engte in de taag bij Vila Velha de Ródoã.

Een eindje buiten de relatief grote stad Castelo Branco zag ik rijen van grote rechtop geplaatste rotsblokken langs de weg. Het geheel had iets weg van Carnac in Bretagne, maar het verschil was dat deze blokken er nog maar kort stonden getuige het feit dat men nog met grote machines bezig was nieuwe te plaatsen, terwijl die in Bretagne er al een paar duizend jaar staan. Op mijn vraag waartoe de stenen  dienden werd een gebaar gemaakt van ‘het is allemaal flauwekul’ . Nochtans leek het mij een flinke job om daar Carnac na te bouwen. Op sommige waren zelfs dwarsstenen gestapeld wat een hunnebed-effect gaf. Iets waar archeologen in het jaar 7018 zich het hoofd over kunnen breken.

IMG-20180818-WA0008
Carnac op z’n Portugees.
IMG-20180818-WA0009
Een spiksplinternieuw hunnebed.

Monsanto, niet ver van de Spaanse grens, was weer  oeroud, maar daarover schrijf ik de volgende keer.

Bij een boer vroeg ik of ik mijn tentje voor één nacht op zijn terrein mocht opzetten. “Hier is geen plaats,” antwoordde hij.

Bericht 12

19 Juli kwam ik met de boot uit Marokko aan in Algeciras, bij Gibraltar. Die dag had ik moeite met het vinden van een plek om mijn tent te plaatsen. Geen campings op de route naar Jimena de la Frontera en al het land links en rechts van de weg afgezet met prikkeldraad en hekken met dikke kettingen en hangsloten. Dat was vroeger veel plezieriger. Toen kon je overal de struiken in duiken en niemand zei daar wat van.

Bij een boer vroeg ik of ik mijn tentje voor één nacht op zijn terrein mocht opzetten.

“Hier is geen plaats,” antwoordde hij.

“Volgens mij kan hier het hele Spaanse leger bivakkeren,” antwoordde ik.

“Nee, hier gaat het echt niet, maar een kilometer verderop, bij de buurman, is een prima plek. Daar kunt u prachtig kamperen.”

Een kilometer verderop probeerde ik het bij boer nummer 2.

“Nee, helaas hier kunt u niet kamperen, hier lopen koeien rond.”

“”Ik zie er niet één.”

“Die komen straks, maar een kilometer terug, bij de buurman, kan het vast wel.”

En zo ging het steeds. Een afpoeiervariant was: “Ik ben niet de eigenaar van het land.”

“Kunt u die dan niet even bellen?

“Nee, ik heb toevallig niet zijn telefoonnummer bij me.”

Ik kan me voorstellen dat kamperen bij een boerderij soms even erg ongelegen komt voor de boer, maar 8 keer achter elkaar misgeschoten is toch wel een erg slechte score!

Uiteindelijk kwam ik tegen het vallen van de duisternis aan in Los Angeles (niet die van 10 miljoen inwoners in de VS, maar die van een paar honderd in de provincie Cádiz) en daar vond ik een appartement voor 30 euro: keuken met alle comfort, slaapkamer met een bed zo groot als dat uit een sprookje, zitkamer met grote platte televisie met 1100 kanalen en een badkamer met toilet douche ligbad en bubbeltjesband. (Wat doe je met zoiets?) En alles met airco, dus als ik wilde kon ik naar hartelust kou lijden die nacht. Alsof ik met mijn tentje hoog in de Andes stond.

Ik vroeg of de man iets simpelers had voor een simpel mens en tegen een simpelere prijs, maar dat had hij niet. Alles of niets!

En dus had ik een super luxe overnachting.

De volgende dag vond ik gelukkig ergens een poortje in de draadafzetting dat open kon en zo vond ik mijn super deluxe simpele plek voor de tent onder de kurkeiken.

IMG-20180809-WA0003
Mijn super deluxe simpele plek voor de tent onder de kurkeiken.
IMG-20180809-WA0005 1
De kurkeik
IMG-20180810-WA0001
Door een mooi Andalusisch landschap reed ik naar Ubrique.
IMG-20180810-WA0002
Pueblos blancos (witte dorpen)

Door een mooi Andalusisch landschap reed ik naar Ubrique, een van de pueblos blancos (witte dorpen) dat schilderachtig is gelegen tussen de bergen. Ik had deze keer geen zin om door Sevilla te gaan en daarom zette ik koers naar Villa Martin en Las Cabezas de San Juan bij de Delta van de Guadalquivir. Onderweg zag ik eindeloze velden van zonnenbloemen.

IMG-20180810-WA0003

 

Die bloemen hebben de reputatie altijd naar de zon te kijken, vandaar de naam. Dat bracht mij op het volgende raadseltje: Waarom kunnen zonnenbloemen niet groeien ten noorden van de poolcirkel?

Welnu, op 21 juni gaat daar de zon niet onder en als daar eens geen wolken zijn, wat vast wel een paar dagen in het jaar voorkomt, blijft de bloem dus meedraaien met de zon waardoor de steel getordeerd wordt tot deze afbreekt.  Een flauw mopje, maar ik ben toch wel een beetje trots op deze vondst.

Ik heb echter regelmatig geconstateerd dat zonnenbloemen zich meer van de wind af keren dan dat ze naar de zon kijken. Je zou ze dus beter anti-wind bloemen kunnen noemen dan zonnenbloemen. En daarmee ligt mijn mooie raadseltje helaas overboord.

IMG-20180810-WA0004

Ook zag ik op die route een gigantisch groot, totaal niets zeggend bord, waarop alleen stond vermeld: Wegennet van Andalusië. En daar zijn er veel meer van in Andalusië. Op zich is dat natuurlijk al bermvervuiling, maar het zou me niet hinderen als er bij snelwegen bordjes waren neergezet die de alternatieve route voor de fiets aangeven. Zulke bordjes heb ik echter in Spanje nog niet gezien en datzelfde geldt voor Frankrijk en Portugal. ‘Fietser, zoek het zelf maar uit, zolang je je maar niet op het heilig asfalt van de autosnelweg waagt!’

Uit dat onnozele bord van ongeveer 4 bij 5 meter , dus 20 vierkante meter oftewel 2000 vierkante decimeter zouden 1000 fietsbordjes van 2 vierkante decimeter gezaagd kunnen worden, zodat de vreemdeling op de fiets niet meer hoeft te zoeken en de weg te vragen, wat bij die wegen waar iedereen met een grote machine voorbij raast, een vrijwel onmogelijke opgave is. Maar de auto is de afgod en de fiets is hier over het algemeen, een enkele wielrenner daargelaten,  kinderspeelgoed.

IMG-20180810-WA0005

IMG-20180810-WA0006

Bij Corio del Rio stak ik met een pontje de Guadalquivir over, waarna ik via aardige Andalusische plaatsjes , naar de Portugese grens bij Rosal de la Frontera reed. De romantiek van het passeren van een grens, die je in bijvoorbeeld Afrika en de voormalige Sovjet republieken nog naar hartelust kunt ervaren, behoort hier tot het verleden. De grenskantoortjes verkeerden in verval en gras en struiken groeiden uit de vensters. . Ik houd over het algemeen erg van romantiek, maar die bij grensovergangen en in consulaten om visa te verkrijgen kan me gestolen worden. Toch stopte ik op de grens, maar alleen om een paar foto’s voor mijn blog te maken, zodat mijn trouwe volgers  een indruk hebben hoe het er op die grens uitziet.

IMG-20180810-WA0007

IMG-20180810-WA0007

IMG-20180810-WA0008

IMG-20180810-WA0009

En daar begon ik aan mijn derde land op deze reis: Portugal. Ik ben juist op tijd aangekomen op de grens, want de batterij van mijn platte Chinees is leeg. Hoe graag ik ook verder zou gaan met mijn relaas in woord en beeld, het gaat niet meer. Eerst mijn apparaat aan het infuus. Een volgende keer het vervolg van mijn reis. Tot dan.