Loading images...

Jeanne d’Arc, Hector Berlioz en een grote zak chips

Kort geleden maakte ik een fietstocht door Frankrijk. Onlangs vond ik het dagboek van die reis tussen de rommel in mijn kast. Bij het doorbladeren daarvan stuitte ik op een aantal aardige passages die ik de trouwe lezer van mijn website niet wil onthouden. Om het verhaal leesbaar te maken heb ik de tekst wat opgeknapt, want de tijd die mij na het rijden van een etappe rest om mijn dagboek te schrijven is meestal kort. Dan staat mijn hoofd meer naar het opzetten van de tent en het opwarmen van een eetbaar maaltje dan naar het produceren van acceptabel proza.

OP DE FIETS DOOR FRANKRIJK

Bijna een wereldwonder.
Op mijn fietstocht van Nederland naar Zuid Frankrijk kom ik door Vaucouleurs.

001.verkleind

Vaucouleurs

Op een heuvel iets boven het centrum, staat de oude stadspoort.

003.verkleind

Stadspoort en kerk van Vaucouleurs

Daardoor verliet Jeanne d’Arc  op 29 februari 1429 het plaatsje om de Franse kroonprins haar diensten aan te bieden in de strijd tegen de Engelsen. Ik weet daar alles van, want kort geleden heb ik een film over haar leven gezien. Het enige wat ik niet van haar weet is of ze werkelijk heeft bestaan. Daar zijn de historici het niet over eens. De inwoners van Vaucouleurs en zeker die van het 19 km zuidelijker gelegen Domremy la Pucelle, waar Jeanne’s wieg stond, zullen er hoogstwaarschijnlijk van overtuigd zijn dat ze wel degelijk heeft bestaan, want die poort waar ze doorgereden is staat er immers! En als ze door die poort is gereden moet ze hebben bestaan. Daar is geen speld tussen te krijgen.
Ik kijk een beetje rond bij die poort en de grote kerk er vlak bij en besluit dan drie euro neer te tellen om het Jeanne d’Arc-museum naast het stadhuis te bekijken.
“Is het interessant?” vraag ik voor alle zekerheid in het toeristenbureau.
“Wel wis en waarachtig is het interessant.” antwoordt de dame in het bureau. Allicht, want als ze antwoordt: “Absoluut niet. Het zijn maar twee kamertjes met wat beeldjes en tekeningen van Jeanne,” is ze natuurlijk meteen haar baantje kwijt. En dus is het volgens haar bijna een van de wereldwonderen. Met 10 minuten ben ik er uitgekeken. Met de piramides van Egypte was ik indertijd langer bezig, dus naar mijn maatstaven is het Jeanne d’Arc-museum van Vaucouleurs slechts een miniatuur-wereldwondertje.

Zoutgebrek
Pérouges, drie Michelinkaarten zuidelijker, is een fraai gerestaureerd, middeleeuws stadje.

004.verkleind

Stadspoort van Pérouges

Ik duw mijn fiets over een steil, hobbelstraatje omhoog door de stadspoort. Eenmaal binnen de muren ontdek ik dat ik niet de enige bezoeker ben, iets wat een grote parkeerplaats vol auto’s buiten het stadje al deed vermoeden. Aangetrokken door de knusse, smalle, hoekige straatjes, de oeroude gebouwen en vooral de vele restaurantjes, pizzeria’s, souvenirwinkeltjes en kunstgalerieën lopen de toeristen in drommen rond.

006.verkleind

Straatje in Pérouges

Met mijn fiets aan de hand wandel ik het kleine plekje rond, waarbij ik plotseling wordt overvallen door slapte. Dat kan toch niet door die 100 km komen, die ik vandaag heb gereden? Waarschijnlijk is het zoutgebrek en daar moet wat aan gedaan worden. Ik kan natuurlijk een handje zout nemen, maar er is een plezierigere methode om dit op te lossen. Daartoe daal ik af naar het nabijgelegen Meximieux en koop in de supermarkt een zak chips en een ijskoude cola. Na een dag fietsen is voor mij het nuttigen van die delicatessen, gezeten op een bankje in de brandende zon, het summum van genot. Op het blikje lees ik dat er 138,6 kilocalorieën in zitten. De zak chips voegt daar nog eens 1112 kilocalorieën aan toe. Ik voel de energie al weer terugstromen in mijn spieren. Hoe zou Jeanne indertijd Orleans hebben ingenomen zonder chips en cola? Dat moeten moeilijke tijden zijn geweest! Daarentegen werd de mensheid toen nog niet geteisterd door OV-chipkaarten, onleesbare handleidingen van piep-elektronica en internetbankieren.
Opeens valt mijn blik op een mooi verhaal op de chipzak: ‘De geboorte van de chips in de VS.’ Cornelius Vanderbilt, de grote Railroad-magnaat, verweet zijn kok, George Crum, dat die te dikke hompen sneed voor de bereiding van gebakken aardappelen. George nam revanche door de aardappelen de volgende keer overdreven dun te snijden. En ziedaar: potatochips, een waar succes! Helaas werd er op de zak niet vermeld of deze geniale kok patent aanvroeg op zijn wereldveroverende uitvinding. Vermoedelijk deed hij dat niet, maar als hij dat wel had gedaan zou hij waarschijnlijk alle railroads in de VS handje contantje van zijn ontevreden chef hebben kunnen kopen met die van Canada er bij.

Berlioz
Weer een kaart verder naar het zuiden rijd ik het plaatsje la Côte Saint André binnen, de geboorteplaats van Hector Berlioz. Na het historisch hoogtepunt bij Jeanne’s poort en het culinair hoogtepunt van Meximieux, is het nu tijd voor een cultureel hoogtepunt: het geboortehuis van deze oorverdovende componist, dat nu is ingericht als museum.

007.verkleind

La Côte-Saint-André

Op de benedenverdieping is een grote collectie antieke opdraai-grammofoons en pathefoons te zien, maar die waren in de tijd van Berlioz nog niet uitgevonden. Hector zou zijn oren niet hebben geloofd als hij zijn Symphonie Fantastique uit de hoorn van zo’n apparaat had horen schallen. Op de bovenste twee etages bevinden zich kamers die zijn ingericht in de stijl van de 19e eeuw met een aantal schilderijen waar Hector en zijn ouders en andere familieleden op staan afgebeeld. Terug op de eerste verdieping vind ik een zaaltje met een groot wit scherm waar een aan de zoldering bevestigde beamer op gericht is. Er voor staan een stuk of dertig stoeltjes opgesteld, waar niemand op zit en aan de zijkant is een computertoetsschermpje bevestigd, waar de bezoeker op mag fiedelen, een ingenieus apparaat waar Berlioz stellig geen raad mee zou hebben geweten. Ik overigens ook niet, want hoewel de beamer suggereert dat je een film op het grote scherm kunt toveren, kom ik niet verder dan het ontlokken van muziek uit de luidsprekers ter weerszijden van het scherm: ‘De pelgrimstocht’ uit ‘Harold in Italië’. Als dat fragment is afgelopen probeer ik nogmaals mijn geluk op het toetsschermpje, in de hoop Berlioz zelf op het grote witte doek te krijgen. Een film over zijn leven zou natuurlijk niet te versmaden zijn, maar weer blijft mijn geknoei zonder succes. Eigenlijk is dat maar beter, want ondertussen is het laat in de middag geworden en ik moet nog een overnachtingsplek zoeken. Daarom rijd ik snel naar het toeristenbureau op het pleintje beneden in het plaatsje om te informeren of hier een camping in de buurt is. Dat blijkt echter gesloten te zijn want het is Zondag. Zaterdags en op feestdagen is het ook gesloten en dat is eigenlijk logisch want dat zijn de dagen waarop zo’n bureau het hardst nodig is. Zo voorkom je te veel mensen in het bureautje.
Ik ga vannacht maar wild kamperen. Dat bespaart mij zo’n 10 euro zodat ik mij morgen weer de luxe kan permitteren van een grote zak chips. Met een cola erbij – een in dit wijnland grote en meestal dure luxe – wordt dat weer een feest.

Le Pont d’Avignon.
In Avignon is een festival aan de gang en overal hangt het vol met pamfletten van wat er allemaal te beleven is. Dat is natuurlijk leuk, maar het is er daardoor loeidruk. Ik wring mij door de overvolle straatjes heen naar het Palais des Papes, waar tussen 1352 en 1377 enkele pausen resideerden.

015.verkleind

Avignon. Palais des Papes met vele affiches van wat er allemaal te doen is

Interessant om te bezoeken, maar als ik de rij mensen ervoor zie zakt mij de moed in de schoenen. Wachten is een van de vele dingen waar ik erg slecht in ben. Ik heb het paleis al eens bezichtigd zodat ik zonder al te veel twijfels deze toeristenattractie kan overslaan. De mensenzee in de straten gaat mij na een tijdje ook naar het hoofd stijgen. Daarom steek ik snel de Rhône over via de pont d’Avignon, niet die ‘on y danse tous en rond’, zoals het beroemde liedje ons vertelt, want die is in de 17e eeuw door een vloedgolf voor de helft weggespoeld en nooit meer herbouwd, maar over een nieuwere brug, waarop dansen vanwege het verkeer rampzalig zou uitpakken. Op de kleine weggetjes ten westen van de Rhône keert de rust weer terug.

020.verkleind

Stadsmuur van Avignon

’s Avonds vind ik achter een grote wijngaard, aan de rand van een bos, een mooi plekje voor mijn tent. Terwijl ik een blik bruine bonen opwarm hoor ik in de verte gebonk. Wordt daar op dit late uur een heipaal in de grond geslagen? Als de bonen warm zijn draai ik de brander uit en dan hoor ik dat het gebonk ‘muziek’ is, een disco ver weg. Die is blijkbaar juist van start gegaan. Ik overweeg om weer op te breken, maar veel zin heb ik daar niet in en veel tijd om een nieuwe plek te gaan zoeken ook niet. Het geluid zit nog juist onder het onacceptabel-niveau. Met oordoppen in zal er hopelijk te slapen zijn, hoewel ik, als ik wild kampeer liever geen doppen gebruik om onraad beter te kunnen horen. Na het eten van de bonen begin ik aan mijn dagboek, maar zoals bij disco’s vaak het geval is, wordt het gebonk steeds luider. Dat is waarschijnlijk ter compensatie van het, naarmate de tijd vordert, steeds dover worden van de jongelui. Als ik mijn avonturen van deze dag heb opgeschreven en mijn dagboek dichtklap, heeft het chagrijnige gestamp de grens van het acceptabele overschreden. Dus toch weg van hier! Een eind verder, opnieuw achter een wijngaard, vind ik een plekje waar het akoestische geweld van de disco is gereduceerd tot een zacht geklop, nog niet iets om vrolijk van te worden, maar hier moet het uit te houden zijn.
Als ik later in mijn slaapzak kruip hoor ik dat de hossende jongeren, daar ver weg, nog een graadje meer verdoofd zijn geraakt, want weer is het geluidsniveau opgeschroefd. Ik knip mijn lampje aan en kijk op de kaart. Het epicentrum van deze, zo langzamerhand kunstmatige aardbeving, moet volgens mij uit een dorpje komen dat minstens 5 km hier vandaan ligt. Zou een gehoorapparatenfabrikant de grote sponsor zijn van dit evenement?
Uitslapen is mij de volgende ochtend niet gegund, want om 5 uur hoor ik gebrom van een tractor. Dat kan maar een ding betekenen op dit vroege uur: de druiven worden bespoten met het een of andere chemische spul, dit om t.z.t. heerlijke, gezonde wijn te krijgen. Voordat mijn tent daarmee vergeven wordt, moet ik hier weg wezen! Daarom sta ik onmiddellijk op, breek de tent in razende vaart af en laad mijn spullen op mijn fiets alsof Magere Hein me op de hielen zit. Als ik wegfiets van deze disco-sproei-plek zie ik dat de tractor, die een witte nevel achter zich opspuit, nog een redelijk eind weg is. Ik ben dus gelukkig op tijd weg.

Twee mooie woordjes.
Bij Durfort rijd ik de Cevennen in.

025.verkleind

Dorpje in de Cevennes

Ik wil vandaag een camping zoeken vanwaar ik morgen, zonder bagage, de Mont Aigoual op kan fietsen. Vroeg in de middag vind ik er bij Lasalle een. Mooi, maar helaas toch niet zo mooi, want hier hanteert men het onnozele forfait-systeem: ik moet het tarief betalen voor twee personen plus auto plus caravan: 22 euro.
“Dat geldt voor twee personen.” merk ik bij de receptie op. “Bovendien heb ik een klein tentje en geen auto en caravan, dus voor mij zal het naar evenredigheid op zo’n 7 euro uitkomen, even ruwweg uitgerekend.”
“Dat heeft u dan verkeerd uitgerekend,” antwoordt de dame achter de balie. “Voor u komt het ook uit op 22 euro, want bij ons geldt een forfait. Désolé.”
‘Forfait’ is hier dus een soort toverwoordje waarmee je het onzinnige feit kunt verklaren dat iemand die alleen is voor twee personen moet betalen. Dat woordje, ‘désolé’ is overigens ook mooi. Het betekent eigenlijk ‘diep bedroefd’. Dat zeggen Fransen graag als ze niets voor je kunnen of willen doen. Of deze campingtante werkelijk diep bedroefd is vraag ik me af, zelfs nu ik mijn tent hier niet ga opzetten.
Na een flinke klim naar de Col de Mercou en afdaling naar l’Estréchure vind ik een camping met alweer het voor solo-reizigers beruchte forfaitsysteem. En natuurlijk ga ik opnieuw in de clinch met de receptioniste. Die komt er niet uit en belt om versterking. Even later verschijnt er een oudere dame, die de redelijkheid van mijn argumenten inziet, maar antwoordt: “Ik zou u wel korting willen geven, maar dan kom ik met de computer in conflict. Dat gaat dus niet. Désolé.”
“Aha. U bent dus slaaf van uw computer!” merk ik op.
“Ja,” antwoordt ze nijdig, “ik ben slaaf van mijn computer!!”
“Désolé,” antwoord ik en dat meen ik, want het is diep droevig dat de mensheid steeds meer door zo’n stuk elektronica wordt getergd.
Ik vervolg mijn weg door het met kastanjebomen begroeide bergland en heb hier en daar weidse uitzichten over het groene sterk geaccidenteerde land waar nauwelijks een dorp of gehucht is te zien. Het is een woest en prachtig gebied. De tamme kastanjes zijn helaas nog niet rijp, maar als je er in October heen gaat, kun je er je fietstassen flink mee vullen.
Zeven kilometer voor St. André de Valborgne vind ik de kleine  eensterren-camping  ‘Les Gorges de Capoue’ met alles wat een kampeerder nodig heeft en zonder forfaitflauwekul. Voor 5,80 euro mag ik er mijn tent opzetten. Ik vraag of er vanavond muziek gaat schallen, want het is 14 Juli, de nationale feestdag  van Frankrijk.
“Voor mij is het geen feest,” antwoordt de eigenaar. “Vandaag wordt herdacht dat ze er in 1789 een grote rotzooi van maakten en dat ze de koning het hoofd hebben afgesneden. Ik ben geen republikein. Als u feest wilt vieren moet u dat maar ergens anders gaan doen.”
“Heerlijk!” zeg ik, “Ik blijf.”

Mont Aigoual.
Over mooie rustige weggetjes slinger ik de volgende dag op een extreem licht aanvoelende fiets, omdat ik mijn tent en spullen op de camping heb achtergelaten, omhoog naar de Mont Aigoual. Ook vandaag kom ik weer door uitgestrekte, tegen de hellingen aangelegen kastanjewouden. Hogerop zijn de uitzichten prachtig over de heuvels en bergen, waar de ingreep van de mens nog vrijwel nihil is.

027.verkleind

Uitzichtpunt in de Cevennes

Alles is woeste natuur met hier en daar rotspartijen die uit het groen omhoog steken. Helaas wordt deze ruige natuur op de foto al gauw boerenkool.
Op de platte top van de Mont Aigoual, 1567 meter boven zeeniveau, kom ik geheel uit de bossen. Vanaf het dak van het weerstation dat hier is gebouwd heb ik 360 graden in het rond een onbelemmerd uitzicht, waardoor ik 140 km ver kan kijken.

035.verkleind

Weerstation op de Mont Aigoual

Binnen in het weerstation bevindt zich een meteorologiemuseum. Hier wordt uit de doeken gedaan hoe een weersvoorspelling tot stand komt. Ook is er allerlei oude apparatuur te zien zoals barometers, thermometers en wind- en regenmeters. Foto’s van lugubere wolkenmassa’s hebben onderschriften waarin staat wat je kunt verwachten als er zoiets op je af komt. Voor kinderen zijn er quizvragen die op luikjes staan. Als je zo’n luikje open trekt, zie je het antwoord. Een van die vragen luidt: ‘In welk jaargetijde staat de aarde het verst van de zon?’ In de zomer natuurlijk, dat weten we allemaal, maar bij een andere, ‘Waar komt de naam ‘Aigoual’ vandaan?’ moet ik het luikje opentrekken. Het blijkt van ‘Agua’ ofwel ‘water’ te komen. Deze waterberg schijnt een van de regenrijkste plekken van Frankrijk te zijn. Vandaag is het echter prachtig weer en de twee andere keren dat ik hier geweest ben was het dat ook. Ik heb dus altijd prachtig weer op de Regenberg. Logisch, want als het regent waag ik me niet op zo’n berg. Dan zit ik mokkend in mijn tent lelijke woorden te verzinnen.

Woeste monsters.
Nîmes le Vieux, 17 km naar het noordwesten, is een stuk ouder dan le vieux Nîmes dat echter ook niet jong is, want met de bouw van het Romeinse amfitheater dat er staat is begonnen in 50 na Chr. Bij Nîmes le Vieux is de bouw al zo’n honderdmiljoen jaar eerder begonnen, toen een groot rotsplateau door krachten in het inwendige van de aarde omhoog gedrukt werd. Door het weg eroderen van oplosbare stoffen in die rotsbodem ontstond een uitgebreid woud van grillige stenen figuren, waarin je met een zekere fantasie een stad met huizen kunt zien. Vandaar misschien dat dit rotsachtige labyrint, ergens op de Causse Mejean, ‘Het Oude Nîmes’ wordt genoemd.
Al lopend tussen deze grote verzameling wonderlijk uitgesleten stenen staken, bogen en mini-canyons, zie ik in de bizarre vormen gezichten en koppen van woeste monsters.

050.verkleind

Nîmes le Vieux

055.verkleind

Rotsformaties in Nîmes le Vieux

Wat ik niet of nauwelijks zie zijn mensen van vlees en bloed. Blijkbaar is Nîmes le Vieux nog niet ontdekt door het grote toerisme. Dat is wel het geval met Montpellier le Vieux, ook weer zo’n chaos van rotsen, die ik de volgende dag, na een mooie rit door de Gorges de la Jonte en een flinke klim vanaf het schilderachtige Le Rozier bereik.

070.verkleind

Le Rozier

Daar is tussen de rotspartijen een asfaltweggetje aangelegd waarover op geregelde tijden een toeristenbusje rijdt, dat er uitziet als een treintje. Mensen die het lopen over de voetpaden te vermoeiend vinden kunnen vanaf hun bankje in een van de wagonnetjes de grote steenklompen bewonderen.

080.verkleind

Montpellier le Vieux

082.verkleind

Natuurlijke boog in Montpellier le Vieux

Voor de durfals is er aan een hoge rots een kabel bevestigd, waarlangs zij, met hulp van de zwaartekracht, naar een lagere rots kunnen zweven. Leuk als het goed afloopt en goed voor de adrenaline, zoals het heet. Geen idee overigens wat dat voor spul is. Misschien zoiets als vitamine, wat er op rijmt, maar dan waarschijnlijk minder gezond.
Ondanks nog meer ‘ontwikkeling’ zoals een dik gevulde souvenirwinkel, heb ik na afloop van mijn wandeling toch het gevoel dat ik de toegangsprijs van 6,60 euro niet voor niets heb neergeteld, maar het onontwikkelde Nîmes le Vieux is, hoewel de rotspartijen er kleiner zijn, toch mijn favoriet.

Bijna een miskleun
Vanaf Millau, dat ik na een flinke afdaling vanaf de Causse Noire binnenrijd, volg ik de meanderende Tarn in Westelijke richting, waarbij ik langs het aardige, tegen de rotswand geplakte plaatsje Peyre kom.

095.verkleind

Peyre

100.verkleind

In het kerkje van Peyre

Ik pomp mijn fiets het adembenemend steile weggetje omhoog naar de in de rotswand uitgehakte dorpskerk die vroeger niet alleen als godshuis dienst deed maar ook als verdedigingswerk. Hier moet in het verleden een indrukwekkende hoeveelheid bik- en hakwerk zijn verricht. (100).
Op de stoep van het trapje dat naar de kerk leidt zit een vrouw een boek te lezen. Ik groet haar en loop naar binnen. Daar hangt een flinke collectie moderne schilderijen, waarvan de meeste een te groot beroep doen op mijn fantasie om er iets in te zien. Uit een simpel CD-spelertje klinkt een helaas nogal schor stuk muziek dat ik ken, maar niet direct kan plaatsen. Tijdens het bekijken van de schilderijen pijnig ik mijn hersens af wie de componist is. Dat is een afwijking van mij.  Zoals een vogelaar niet tevreden is voordat hij weet hoe het zwart-geel groene pluimstaartje met rode stip heet dat daar boven op een tak zit, zo pijnig ik mijn hersens af totdat ik weet hoe de componist heet van een muziekstuk dat ik opeens ergens hoor. Zeven schilderijen werk ik maar liefst af voordat ik hem eindelijk heb: Dvorák, de 8e symfonie. Het ligt me op de lippen tegen de vrouw, die mij ondertussen achterna is gekomen, te zeggen: “De muziek is mooier dan de schilderijen,” maar juist op tijd bedenk ik mij en vraag haar: “Heeft ú deze schilderijen gemaakt?” Trots antwoordt ze bevestigend. Daar had ik bijna een miskleun gemaakt!
“Interessant,” zeg ik. Dat is een mooi neutraal woordje, waar je alle kanten mee op kunt, want ‘heel mooi’ kan interessant zijn, maar ‘heel lelijk’ ook. “Mij liggen de wat meer figuratieve doeken beter dan de abstracte,” voeg ik eraan toe. Op zo’n manier kun je netjes tot uitdrukking brengen dat je bijvoorbeeld een Rembrandt veel geweldiger vindt dan een Picasso. De schilderijen zijn te koop want er staan prijzen bij. Ik zeg dat ik op de fiets ben en er daarom helaas geen kan meenemen: “Désolé.” De vrouw zal ook wel diep bedroefd zijn dat ik er geen meeneem. Het is voor haar te hopen dat er vandaag veel liefhebbers van moderne kunst komen, maar die moeten wel een dikke portemonnee hebben.
’s Avonds vind ik in Camarès een aardige camping, waar ik voor één persoon moet betalen in plaats van een heel gezin met reuzentent of camper. Dat is mooi, maar helaas vieren de brandweerlieden die nacht hun jaarlijkse feest in de vorm van een disco. “Met een échte deedjie!” voegt het meisje achter de balie er met glinsterende ogen aan toe. “En het duurt minstens tot 5 uur in de ochtend. Lekker lang en door de hele stad goed te horen, dus u krijgt waar voor uw geld!”
“Prachtig,” beaam ik “wat heeft een mens nog meer nodig om gelukkig te zijn?” Acht kilometer van het akoestisch centrum, ergens in de rimboe, houd ik een half uur later halt om ertwee passage’s uit het boek alsmede mijn tent op te zetten. Er flitst een grote vos weg. Die zal er wel van balen dat ik vannacht zijn plekje inpik, maar dat heeft hij aan de brandweerlieden van Camares en aan die deedjie te danken.

Minerve.
En dan kom ik op het zuidelijkste punt van mijn tocht: Minerve in de Languedoc.

120.verkleind

Minerve

In de middeleeuwen hadden de Catharen hier een groot fort, maar omdat ze zich niet tot het Christendom wilden laten bekeren werd het in 1210 onder leiding van de beruchte Simon de Montfort  belegerd en verwoest. Van het fort bleven slechts een ruïne en wat stukken muur over. De Catharen zelf werden uitgeroeid en zo eindigde deze trieste geschiedenis.

130.verkleind

Ruïne van een fort van de Catharen in Minerve

Tegenwoordig is het plaatsje verre van triest. Het is gerestaureerd en restaurantjes, terrasjes en souvenirwinkeltjes zijn als paddenstoelen uit de historisch vruchtbare bodem opgesprongen. Ook kunstenaars hebben er zich gevestigd en dit alles bij elkaar heeft Minerve tot een bloeiend toeristenplaatsje gemaakt, waar je je met wat inlevingsvermogen toch nog een beetje in de goede (of slechte?) oude tijd kunt wanen. Via de monumentale brug die over een kloof, uitgesleten door de Cesse, is gebouwd fiets ik Minerve binnen waar ik de sfeer, een mengsel van Middeleeuwen en de eenentwintigste eeuw, op snuif. Over een steil straatje sjouw ik later in  noordwestelijke richting omhoog naar een uitzichtpunt vanwaar ik een blik werp op het magnifieke stadje en de kloof van de Cesse. Ik blijf een tijdje op een muurtje zitten om de omgeving op mij te laten inwerken en mijn twee passage’s uit het boek alsmede de tocht vanuit Nederland te evalueren. Désolé met wat ik de laatste weken gezien heb ben ik niet, integendeel. Deze Frankrijk-reis was de ruim 1500 km trappen, vaak omhoog tegen hellingen aan, maar even vaak omlaag, meer dan waard.
Ik klim in het zadel van mijn fiets en rijd over de brug het plaatsje uit. Op richting de Provence, waar mij vele altijd weer mooie plaatsen wachten die ik opnieuw ga ontdekken.

Frank van Rijn

Op de Fiets- en Wandelbeurs die 20 en 21 Februari j.l. is gehouden, heb ik mijn 14e boek gepresenteerd, getiteld: ‘De hanen van de koning’. Het gaat over een reis per fiets door Thailand, Laos en Cambodja.

Hieronder de voor- en achterkaft van het boek alsmede twee passages en enkele foto’s.

omslag(1)

Een olifant op een glazen deur
De uitzichten over de Mekong, op de route naar Chiang Khong, met Laos aan de overkant, worden helaas verknald door bewolking. Later in de ochtend klaart het gelukkig op, waardoor de vele groenschakeringen van de alom aanwezige vegetatie geheel tot hun recht komen en de tocht weer plezierig wordt. Vroeg in de middag rijd ik Chiang Khong binnen, de plaats waar zich de ferry over de Mekong naar Laos bevindt. Mijn plan is om meteen over te varen naar Huay Xai in Laos. Ik zie de huizen en gebouwen al aan de overkant liggen. Bij de afslag naar de ferry bedenk ik me echter, want ik wil eerst nog wat inkopen doen. Daarom sla ik rechtsaf naar het centrum, op zoek naar een levensmiddelenwinkel. Als ik ongeveer 200 meter heb afgelegd, houdt een nogal fors gebouwde toerist in een oranje T-shirt en met een grote witte cowboyhoed op zijn hoofd mij staande door zijn hand op te steken zoals een politieman doet als die ziet dat je in je auto je gordeltje niet om hebt. Ik denk dat hij om een praatje verlegen zit en aangezien zoiets nooit kwaad kan, geef ik gehoor aan zijn verzoek en knijp ik in de remmen.

0410.verkleind
“Hallo,” zegt hij in het Engels, “Waar ga je naar toe?”
“Naar Laos,” antwoord ik.
“Wanneer?”
“Zo meteen, maar eerst wil ik nog wat koek en een stapel instantsoepjes kopen.”
“We zijn fietscollega’s, want ik reis ook per fiets,” merkt de oranje cowboy op. “Mijn fiets staat in mijn hotel, het goedkoopste van heel Chiang Khong.”
“Mooi?” vraag ik.
“Niet slecht voor slechts 100 baht. Overigens: ik ben van New Mexico. En jij?”
Ik antwoord dat ik uit Nederland kom, waarop de Amerikaan vertelt dat hij ook naar Laos wil, maar pas morgen vertrekt omdat hij nog wat aan zijn fiets moet sleutelen.
“Waar wil je heen in Laos?” vraagt hij.
“Ik neem de weg van Huay Xai naar Luang Namtha. Er is bovendien geen andere weg. Het is een mooie route, een gravelweg met diverse beekdoorwadingen. Ik heb hem tien jaar geleden gereden.”
“Die weg is nu geasfalteerd. De Chinezen zijn druk bezig grote verkeersaders door Zuidoost Azië aan te leggen en die weg naar Luang Namtha wordt een deel van de grote route van Bangkok naar China.”
“Zoiets hoorde ik al van iemand. Jammer dat die Chinezen hier zo druk bezig zijn.”
“Ja, maar luister. Ik weet een veel leukere route. Die loopt eerst een stuk naar het noorden langs de Mekong tot Xieng Kok en buigt dan af naar Muang Sing. Vandaar kun je ook in Luang Namtha komen. Als je zin hebt en vandaag hier blijft kunnen we morgen van start gaan en dat traject samen fietsen.”
Dat lijkt me een goed voorstel, want dat is een nieuwe route voor mij en zo nu en dan een eind met iemand samen fietsen kan best interessant zijn. Morgen verloopt mijn visum van Thailand, dus het zou nog juist kunnen. We schudden elkaar ter kennismaking de hand en ik stem in met zijn voorstel. Hij blijkt evenals de Macedonische Canadees, met wie ik een paar dagen heb opgetrokken, James te heten. Deze fietscollega is dus James II.
“Kun je me op de kaart laten zien welke route je bedoelt?” vraag ik en haal mijn kaart uit de plastic hoes voor me.
“Jazeker,” antwoordt hij. “Laat eens zien.” Hij laat zijn vinger ter oriëntatie over de kaart glijden.
“He,” zegt hij dan. “Bij jou staat die weg er niet op en toch heb ik dezelfde kaart.”
“Misschien een nieuwere druk, want de mijne is minstens 20 jaar oud. Ik gebruikte hem op mijn vorige reis door Zuidoost Azië ook al. Kijk ik heb hem met een rol plakband weer als nieuw gemaakt.” en laat hem de in de zon glimmende stroken zien, die over de vouwen lopen.
“Met plakband komen er geen nieuwe wegen op, maar kom mee naar mijn hotel, dan zal ik je de route op mijn kaart laten zien. Dan kun je ook meteen mijn kamer zien”

0667.verkleindEven later is het me duidelijk waarom het kot waarin James logeert de goedkoopste kamer van de stad is: een houten kippenhok op palen in de vorm van een tent, juist iets groter dan mijn tent. Via een gammel laddertje kun je er naar toe. James past er precies in en met wat beleid zijn fietstassen ook nog. Er staat geen bed en ’s nachts moet hij zich niet te bruusk omdraaien in zijn op de grond uitgerolde slaapzak, want dan zou het timmerwerk het wel eens kunnen begeven en zou het hele zooitje naar beneden kunnen tuimelen.
“Als je geluk hebt is er nog zo’n kamer voor jou,” zegt James, terwijl hij met zijn kaart in de hand het wiebelende laddertje af komt.
“Ik zie wel.”
“Kijk, hier loopt de route die ik bedoel,” zegt hij en wijst op zijn kaart een dun lijntje aan. “Hij loopt pal langs de rivier, dus het is vlak. Gravel, maar vlak, dus het zal geen lastig traject zijn. Wat vind je er van?”
“Lijkt me interessant,” zeg ik, “maar soms staan er wegen op de kaart die niet bestaan.”
“En soms staan er wegen niet op die wel bestaan. Deze bestaat wel degelijk. Ik heb hem op Google Earth al helemaal verkend.”
“Dan hoef je hem niet meer te fietsen.”
“In het echt is het leuker.”
“Vooruit, ik ga mee. Lijkt me een goed plan.”
“Zal ik vragen of ze hier een kamer voor je hebben?” vraagt hij, de kaart weer dichtvouwend.
“Ik kijk eerst wel of ik wat anders kan vinden. Zal ik over een uur bij je komen? Dan heb ik waarschijnlijk wel wat gevonden en kunnen we de plannen meer in detail bespreken.”
“Akkoord, ik wacht hier. Dan kan ik ondertussen aan mijn fiets werken.”
Na mijn inkopen vind ik een eindje buiten het centrum een wat netter hotelletje voor viermaal de prijs die James betaalt. Hij zal me wel een decadente kapitalist vinden, wat ik natuurlijk ook ben als ik bereid ben om 10 euro neer te tellen voor een nachtje slapen. Ik zet mijn bagage op mijn kamer en loop door de hal van mijn luxe onderkomen weer naar buiten, althans dat wil ik, maar daarbij loop ik met een dreunende slag tegen een onzichtbaar scherm aan. Enigszins versuft vraag ik me af wat er aan de hand is. Meteen komt de hoteleigenaar, die een beetje Engels spreekt, bezorgd op me afgesneld om te vragen hoe ik me voel.
“Het gaat wel,” antwoord ik nog wat suf, “maar wat is…..”
“Ik heb de deur dichtgedaan,” zegt hij, “Sorry! Misschien heb ik hem te netjes gepoetst.” en daarbij opent hij de smetteloze, moderne glazen deur voor me. “Zal ik de dokter bellen?”

1020.verkleind“Nee, ik heb een harde kop, maar zou je niet een paar vogelplaatjes op die deur plakken? Of beter, een grote olifant? Dan lopen uw gasten zich niet meer te pletter als ze er in of er uit willen.”
“We gaan er wat aan doen, dat beloof ik u.”
En dat is dan een van de attracties van een modern schoon hotel. Ik denk dat je in James’ hotel minder kans hebt je te pletter te lopen op een gepoetste glazen deur.
Als ik weer terug ben bij James’ Hilton blijkt mijn fietscollega ondertussen zijn fiets klaargemaakt te hebben voor de reis. Hij heeft een week of twee in Chiang Khong vertoefd, maar nu wordt het voor hem tijd om zijn tocht te vervolgen, zo vertelt hij mij.
“Wat heb je dan al die tijd hier gedaan?” vraag ik.
“Gewerkt in de fietsenzaak van Alan Bate. Die fiets van mij komt bij hem vandaan.” en hij wijst trots naar zijn rijwiel dat tegen het trapje van zijn pittoreske bungalow staat.
“Alan Bate?” vraag ik.
“Ja, ken je die niet?? Foei! Hij staat in het Guinnes-Book of Records voor zijn snelheidsrecord rond de wereld fietsen.”
“Hoe doe je dat?”
“Gewoon hard fietsen, lijkt mij.”
“Ik bedoel rond de wereld fietsen. Zo hier en daar zit er toch een stukje water tussen.”
“Daar zijn regels voor, bijvoorbeeld een minimum afstand, een aantal continenten etc. Ik ken ze niet precies, maar het is vrij nauw omschreven. Ik zal je morgenvroeg, voor we overvaren naar Laos, aan Alan voorstellen.”
Nadat we nog wat organisatorische zaken hebben doorgenomen gaan we elk terug naar ons hotel. Als ik bij het mijne aankom zijn de eigenaar en zijn dochter druk bezig horizontale blauwe stroken op de glazen deur te plakken, 50 cm en 120 cm boven de grond.
“Geen olifant?” vraag ik.
“We konden geen stickers van olifanten vinden, maar met deze stroken zul je niet meer tegen de deur aanlopen” merkt de man op.
Voorzichtig vóór me tastend, hoewel het nog licht is, loop ik naar mijn kamer, maar andere onzichtbare deuren blijven mij bespaard.

 

Fragment 2

De volgende dag is het weer nog steeds belabberd, maar gelukkig regent het niet. Onder deze omstandigheden heb ik echter weinig zin in de door mij geplande route door het verlaten junglegebied. Weliswaar is de weg geasfalteerd, maar om in de rimboe overvallen te worden door regen met als enige schuilmogelijkheid druipende bomen lokt mij niet aan. Daarom kies ik alsnog voor de grote weg. Als ik echter na een uur of twee rijden bij de afslag van de jungleroute kom, is het weer ondertussen zo ver opgeknapt dat ik weer aan het twijfelen sla. Vervelend dat eeuwige getwijfel van mij. Maar wat is vervelender: rot weer zodat ik niet hoef te twijfelen en gewoon door kan rijden naar Sa Kaeo aan de grote weg of half opklarend weer dat mij aan het twijfelen brengt of ik niet toch beter de leukere route kan nemen? Zelfs over het antwoord op deze vraag twijfel ik.
Tijdens al dat gedub klaart het weer nog iets verder op. Daarom kies ik uiteindelijk toch voor de rustige jungleroute naar Phanom Sarakham. En zo realiseer ik me dat twijfelen soms goed kan zijn, want zonder die twijfel was ik nu al een eind verder gereden in de richting van de grote weg en zou ik waarschijnlijk met het beter wordende weer opnieuw aan het twijfelen slaan om toch de aardige route te rijden.

Eerst kom ik langs suikerrietplantages. De weg gaat hier en daar een beetje op en neer, maar echt klimwerk krijg ik niet. Na 27 km maakt het suikerriet plaats voor jungle. Leuk om op het eind van mijn reis toch nog door een klein stukje woest gebied te komen. Regelmatig zie ik olifantkeutels langs en op de weg liggen. Die hebben ongeveer dezelfde samenstelling als paardenkeutels, althans oppervlakkig bezien. Een diepgravende analyse maak ik er niet van. Dat zullen biologen ongetwijfeld al gedaan hebben. De keutels zijn wel een stuk forser van afmeting dan die van paarden, namelijk ongeveer zo groot als een voetbal. Ook zie ik op meerdere plekken een soort gangen het dichte struikgewas in gaan, waarvan ik vermoed dat olifanten die gevormd hebben door daar gewoon als een bulldozer doorheen te banjeren. Er moeten in dit dicht begroeide heuvelland flink wat van die beesten zitten, lijkt mij. Ik kan maar beter een beetje oppassen, want niet alle Aziatische olifanten zijn tamme vriendelijke oli-taxi’s die op hun rug toeristen tussen tempels rondtorsen of die je met een schouderklopje een tros bananen in de slurf kunt duwen. Hier zitten wilde olifanten en die kunnen andere spelletjes gaan spelen dan een gezellig partijtje voetbal, zoals ik dat in de olifantfarm dicht voor Chiang Mai heb gezien.
In de verte zie ik een stuk of wat auto’s die stilstaan op de weg. Wordt hier een rotonde aangelegd zonder zijwegen, of is er een bulldozer bezig, waarvoor het verkeer tijdelijk wordt stilgelegd totdat de weg weer vrij is? Als ik nader zie ik echter dat de auto’s op eerbiedige afstand wachten voor ….. een olifant! Daar heb je het al, een echte wilde olifant! Hij staat aan de linkerkant van de weg, half in de berm en was blijkbaar aan het oversteken naar rechts toen hij werd gestoord door een auto. Ondertussen staan er drie auto’s van de andere kant en twee van deze kant te wachten, een hele file op zo’n rustige weg! Het beest zwaait met zijn oren en dat betekent bij een olifant: ‘Pas op want ik ben in een humeurige bui en als je niet oppast geef ik je een lel met mijn slurf!’ Zo heb ik ze in Afrika, voornamelijk in wildparken, meerdere malen gezien. In zo’n geval kun je beter een straatje omrijden. Deze hier is dus beslist geen brave dikke jongen die je in een rijtje kunt laten paraderen met zijn slurf om de staart van zijn vriendje voor hem. En voor je hem in een grote stoel van een circus hebt zitten, zijn er heel wat stoelen tot brandhout verwerkt. Logisch dat de chauffeurs van de auto’s op een meter of vijftig afstand even de kat uit de boom kijken. Als je langs zo’n zestonner rijdt en hij wordt kwaad stampt hij je mooie glimmende machine in elkaar alsof het een leeg soepblik is.
Ik stop achter de achterste auto, ervan uitgaande dat als Oli moeilijkheden gaat maken, hij eerst zo’n mooie auto uitkiest om er zijn woede op te koelen. Tegen de tijd dat hij klaar is met de vijf auto’s ben ik in de hoogste versnelling al een heel eind terug gefietst.
Na een paar minuten staat de olifant nog steeds te wapperen met zijn oren en wrijft daarbij met zijn rechterpoot over het asfalt, alsof hij aanstalten maakt te gaan rennen. Er komen ondertussen nog een paar auto’s van de andere kant en ook die houden voorzichtigheidshalve halt achter de achterste auto. Na een paar minuten loopt onze dikke vriend een paar passen verder het asfalt op en blijft dan midden op de weg staan, waarna er weer niet veel gebeurt. Als hij van plan is er een hele dag over te doen om aan de overkant te komen, kan ik beter omkeren en alsnog de grote weg over Sa Kaeo nemen. Ik overweeg een foto te maken van het beest, maar bedenk me, want ik wil snel door kunnen rijden als Oli de weg vrij maakt. Bovendien is de afstand te groot om hem er goed op te krijgen. Daar heb je een flinke zoomlens voor nodig. Met mijn camera krijg ik niet meer op de foto dan een grijs speelgoedbeestje. Dan zullen vrienden, die ik later de foto laat zien, vragen: “Was je daar nou zo benauwd voor?” Dit soort situaties is helaas niet goed op een plaat vast te leggen tenzij je apparatuur van duizenden euro’s hebt met een aanhangwagentje om het allemaal mee te zeulen.

1685.verkleindNa een minuut of tien, als mijn geduld op dreigt te raken, komt er plotseling beweging in het grijze gevaarte. Hij bedenkt zich, keert om en loopt terug, de linker berm in. Misschien krijgt hij genoeg van al die pottenkijkers. Er zijn ondertussen alweer een paar auto’s bij gekomen, waardoor het hier een beetje op spitsuur bij de Van Brienennoordbrug gaat lijken. Na opnieuw wat getwijfel doet hij nog een paar passen waardoor hij nu half in de struiken staat met zijn reusachtige achterwerk naar de weg gekeerd. De voorste automobilist van de andere kant begint voorzichtig te rijden. De olifant reageert niet en dus rijdt de auto hem met een dot gas voorbij en stuift weg. Ik en ongetwijfeld alle inzittenden van de auto’s kijken gespannen toe hoe Oli reageert. Die blijft als een grijs standbeeld half in de struiken staan.
“Toe nou! Loop nu eens door!” mompel ik maar blijkbaar is Oli net zo’n twijfelaar als ik en daar komt bij dat hij niet met de hulp van een muntje uit deze impasse kan komen. De tweede auto van de andere kant waagt nu ook zijn kans, een actie die evenmin tot een reactie van de hoofdrolspeler van dit drama leidt. Het gewapper van zijn oren is nu niet goed meer te zien dus ik weet niet of hij nog geïrriteerd is of dat hij het allemaal wel goed vindt. Na de tweede geslaagde autopassage stuiven achtereenvolgens alle andere auto’s de grote grijze twijfelaar voorbij om hun weg te vervolgen. En zo blijf ik alleen achter met Oli, waarvan nog steeds alleen het achterwerk aan de linkerkant van de weg uit de struiken steekt.
Wat nu gedaan? Hier blijven wachten tot deze trage denker tot een besluit komt? Omkeren en een geweldig eind omrijden? Nu doorrijden? Ik wacht nog een paar minuten, maar als er dan nog niets is gebeurd, raap ik alle moed bij elkaar en rijd langzaam naar de rechterkant van de weg, waarbij ik goed oplet hoe mijn dikke vriend reageert. Die speelt nog steeds voor standbeeld en daarom stuif ik versneld vooruit. Juist als ik langs hem race ontwaakt hij uit zijn schijnbare verdoving, draait zich verrassend vlug om en begint naar de weg te hollen. Blijkbaar ergert hij zich, net als zo vele honden, meer aan een fietser dan aan een auto. Alsof er een wild dier achter me aankomt, wat dus ook het geval is, accelereer ik met alle kracht die in mij is en schiet ik als een raket voorwaarts, wetende dat olifanten, hoewel die niet tot de lichtste wezens op deze aardbol behoren, flinke snelheden kunnen ontwikkelen. Stoppen, een harde schreeuw geven en een flinke steen oprapen, zoals je bij een aanvallende hond moet doen, is een methode waar Oli zich erg weinig van zal aantrekken, vrees ik. Vluchten is dus de enige mogelijkheid tot lijfsbehoud.

1950.verkleindAls dit misloopt, voor mij althans, kunnen de ambulancejongens me straks tussen de oneffenheden van het asfalt vandaan peuteren. Dat zou een triest besluit zijn van een mooie reis. En wie zou dan dit boek moeten schrijven? Wie zou mijn onvoltooide dagboek vinden? Wie moet over een week de lezing over Mongolië houden op de Fiets- en Wandelbeurs in Amsterdam? Deze gedachten flitsen door mijn hoofd, terwijl de olifant achter me aan holt. Slechts enkele seconden duurt dit dreigende drama. Dan staakt het beest de achtervolging. Ik jakker nog een eind door en laat dan opgelucht de snelheid terugzakken naar een normaal niveau. De weg naar het vliegveld van Bangkok, waar ik over een dag of zes het luchtruim zal kiezen, terug naar het koude Nederland, ligt voor me open. Bijna blies deze olifant met zijn grote snuit al mijn toekomstige verhalen uit.

Do NOT follow this link or you will be banned from the site!